PREEK · VRIJE STOFFEN

De vrijsteden - Jozua 20

6 april 2008

Jozua 20:2-3: Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes. Dat daarheen vliede de doodslager die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker.

INLEIDING

In Jozua 20 wijst de HEERE Jozua zes vrijsteden aan, tot een toevlucht voor de bloedwreker, opdat wie een ziel door dwaling versloeg, daarheen kon vlieden en niet sterven zou. Deze leespreek toont hoe deze vrijsteden een beeld zijn van Christus Jezus, de enige Toevlucht voor doodschuldige zondaren, Wiens poort open staat voor een ieder die tot Hem vlucht.

THEMA

De enige toevlucht Christus Jezus afgebeeld in zes vrijsteden

KERNPUNTEN

  1. De plaats van de vrijstad
  2. De toegang tot de vrijstad
  3. De veiligheid in de vrijstad

JOZUA 20:1-9

1 Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:
2 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes.
3 Dat daarheen vliede de doodslager die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker.
4 Als hij vlucht tot een van die steden, zo zal hij staan aan de deur der stadspoort en hij zal zijn woorden spreken voor de oren van de oudsten derzelver stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen en hem plaats geven, dat hij bij hen wone.
5 En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij den doodslager in zijn hand niet overgeven, dewijl hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat.
6 En hij zal in dezelve stad wonen, totdat hij sta voor het aangezicht der vergadering voor het gericht, totdat de hogepriester sterve die in die dagen zijn zal; dan zal de doodslager wederkeren en komen tot zijn stad en tot zijn huis, tot de stad vanwaar hij gevloden is.
7 Toen heiligden zij Kedes in Galiléa op het gebergte van Naftali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.
8 En aan gene zijde van de Jordaan van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Basan, van den stam van Manasse.
9 Dit nu zijn de steden die bestemd waren voor al de kinderen Israëls, en voor den vreemdeling die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte al wie een ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers, totdat hij voor het aangezicht der vergadering gestaan zal hebben.

VOLLEDIGE TEKST

De vrijsteden - Jozua 20

ds. J. IJsselstein - Jozua 20:2-3

THEMA

De enige toevlucht Christus Jezus afgebeeld in zes vrijsteden

Gemeente, ik wil uw aandacht in deze dienst vragen voor het hoofdstuk dat u voorgelezen is, Jozua 20. Laten we samenvattend met elkaar de eerste drie verzen van dat hoofdstuk nog een keer lezen. De eerste drie verzen van Jozua 20. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden, waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes. Dat daarhenen vliede de doodslager, die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker. Het thema voor de preek van vanmorgen/-middag luidt: De enige toevlucht Christus Jezus afgebeeld in zes vrijsteden Er zijn drie aandachtspunten: 1. De plaats van de vrijstad 2. De toegang tot de vrijstad 3. De veiligheid in de vrijstad Als eerste dus:

1. De plaats van de vrijstad

Hebt u wel eens een ongeluk gehad? Jij misschien? Onder de auto gekomen, je arm gebroken? Je been gebroken? Het was zo leuk, maar ineens… Wat ben je blij, op zo’n moment, dat je weet wat je doen moet, dat je weet waar je heen moet. Dat je weet waar het ziekenhuis staat. Dat je de weg weet. Dat de weg rond een ziekenhuis niet zomaar geblokkeerd wordt door wegwerkzaamheden. Dat er bij het ziekenhuis borden staan: Eerste hulp! En als je aangekomen bent, dan staan er weer van die bordjes: daarheen! Gelukkig maar, wat zou je anders veel kostbare tijd verliezen. Als je de weg niet wist, of, als het ziekenhuis ergens achteraf stond, ver buiten de stad... Nee, het ziekenhuis staat als het goed is centraal, het is bereikbaar voor iedereen en de borden wijzen allemaal die kant op.

Zo was het in Israël ook met de vrijstad. Als er nood was, dan was de stad bereikbaar. En die vrijstad gemeente, was een beeld van de komende Christus. In de vrijstad was leven, redding en behoud voor doodschuldige zondaren, en zo is het ook met Christus. In Hem is redding en behoud voor mensen die in zichzelf reddeloos verloren zijn.

Dit nu zijn de steden, zo begint vers 9. Kort daarvoor zijn door Jozua zes steden genoemd. Nu het volk Israël in Kanaän is aangekomen, en het duidelijk is geworden hoe het land verdeeld gaat worden, nu worden zes steden aangewezen als vrijstad. We zullen straks duidelijker zien voor wie die steden bedoeld waren. Kort samengevat: het waren steden waar iemand heen kon vluchten, die per ongeluk iemand gedood had. Niet expres, maar door een ongeluk. Iemand die door een ongeluk iemand anders had gedood, mocht vluchten naar de veilige plek van de vrijstad. We komen daar straks uitgebreider op terug.

Maar laten we eerst samen kijken welke steden het precies waren, want daarmee begint ook onze tekst. Er worden er zes genoemd: drie aan de ene kant van de Jordaan, en drie aan de andere kant. U moet de plaatsen die genoemd worden thuis maar eens opzoeken in de atlas. Het zijn eigenlijk twee rijen van drie, die gaan van boven naar beneden, en van beneden naar boven, van noord naar zuid, en van zuid naar noord. Van boven naar beneden: Kedes in Galilea, Sichem in Efraïm en Kirjath-Arba of Hebron in Juda. En, aan de andere kant van de Jordaan, van beneden naar boven: Bezer in de woestijn, Ramoth in Gilead, en Golan in Basan.

Misschien denkt u bij uzelf: wat heeft het voor zin, om die namen precies te weten? Waarom zeggen we niet gewoon: het waren er zes? Misschien moeten we het vergelijken met het voorbeeld van zojuist. Als ik tegen u zou zeggen: ‘er zijn in deze omgeving zes ziekenhuizen’, dan weet u nog steeds niet waar u heen moet. Als u dringend hulp van een dokter nodig hebt, dan moet u weten waar die ziekenhuizen staan. En het zou handig zijn als die ziekenhuizen een beetje verspreid zouden liggen, niet allemaal op een kluitje. En daarom zijn er ook zes vrijsteden: aan de beide kanten van de Jordaan, drie steden, een in het noorden, een in het midden, een in het zuiden. Precies verdeeld over het land. Iedereen kon binnen een halve dag een van die zes steden bereiken. Er was niemand in het hele land die dagenlang behoefde te rennen. De steden lagen binnen ieders bereik. En daar kwam bij, al die steden lagen hoog. Van vijf steden staat dat ze op het gebergte lagen, en Bezer lag in de woestijn, maar er staat eigenlijk in het Hebreeuws een woord dat duidt op een hoogvlakte.

Jarenlang had het volk Israël in de woestijn allerlei afbeeldingen gehad die heen wezen naar de komende Christus. Wat denkt u van het water uit de geslagen steenrots? Het wees heen naar de Man, waarvan Jesaja profeteerde: En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land. En wees de lichtende vuurkolom niet heen naar het Licht der wereld, dat zou gaan schijnen over hen die gezeten waren in duisternis? En was de koperen slang niet een uitnemend beeld van de genezing die was in de komende Christus? Genezing voor het dodelijke slangengif, voor een ieder die slechts wilde kijken naar die blinkende, koperen slang?

Maar nu is Kanaän bereikt. Nu is het land verdeeld. De waterstroom uit de steenrots is opgedroogd, de vuurkolom is niet meer zichtbaar, en er is geen opgerichte koperen slang meer om naar te wijzen.

En dan geeft God aan Zijn volk in Zijn ondoorgrondelijke goedheid nieuwe beelden, om naar te wijzen. Niet een, maar zes. Zodat iedereen, in het hele land, als hij maar enigszins wil turen in de verte, de vrijstad kan zien. Kijk! Daar: boven op die berg! Een stad op een berg liggende kan niet verborgen zijn.

Zo wordt Christus geopenbaard in het Evangelie, hoewel onze ogen van nature gesloten te zijn om iets in Hem te zien. Hij was veracht, zegt Jesaja, en wij hebben Hem niet geacht. Een nieuw beeld in het beloofde land. Een nieuw beeld van de komende Messias. Zichtbaar voor iedereen, in elke streek van het land.

Het is niet voor het eerst dat er in de Bijbel gesproken wordt over vrijsteden. Jaren geleden heeft de Heere aan Mozes bij de Sinaï al de opdracht gegeven om te zijner tijd vrijsteden aan te wijzen. Lang voordat het volk in Kanaän aankwam, had God al een plan voor zes vrijsteden. Lang, eeuwenlang, een eeuwigheid lang, voor de komst van Christus, had God het plan der zaligheid al bedacht. In de stilte van de nooit begonnen eeuwigheid had Christus Zich vrijwillig Borg gesteld, voor al de Zijnen, die Hem van de Vader gegeven waren. En de Vader heeft Hem in de volheid des tijds in de wereld gezonden tot een verzoening voor de zonde. Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren zijn uitvoering van Gods eeuwige raad, waarin Hij vrijwillig verloren zondaren liefhad en verkoor door genade tot het eeuwige leven. En nu wordt die eeuwige raad, dat plan van God aan ons voorgesteld, zodat we met eigen ogen kunnen zien, hoe God die raad wil gaan uitvoeren. Zes vrijsteden, hooggelegen, verdeeld over het land, bereikbaar voor iedereen.

Dichtbij genoeg voor iedereen. Christus, afgebeeld door die vrijsteden, is een Zaligmaker die nabij is. Het is waar, voor iemand in grote nood, voor iemand die getroffen is door een erge ziekte of door een zwaar ongeluk lijkt ieder ziekenhuis heel ver weg. Voor mensen die ontwaakt zijn uit de rust van hun zondeslaap, lijkt de Christus mijlenver weg. En toch is Hij heel dichtbij. Nabij u is het Woord. U hoeft voor de zaligheid niet in de hemel op te klimmen of in de diepte van de hel af te dalen, maar Christus is een Vrijstad die nabij, die dichtbij is.

En daarbij komt, de weg naar de vrijstad was een open weg. Volgens de voorschriften moest de weg naar de vrijstad altijd vrijgehouden worden. Niets mocht een vluchteling in de weg gelegd worden. De stenen op de weg moesten aan de kant, schade door regen moest direct hersteld worden. En wegwijzers gaven de richting aan naar de stad. De poorten van de stad stonden altijd

open. Jesaja verwijst daarnaar als hij schrijft: En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.

Gemeente, al deze eigenschappen van de vrijstad wezen heen naar de komende Christus. De weg tot Christus is een open weg. Daar ligt niets in de weg. De wegwijzers wijzen allemaal één kant op. In Israël stonden overal bordjes, met daarop het woord: Miklat! Vrijstad! Die kant op! De poorten van de stad stonden altijd open. Al komt u, al kom jij, met al uw of jouw zonden, net als Nicodemus midden in de nacht, de poort van de vrijstad staat open. Open, voor verloren zondaren! Een ieder die tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen. Komt allen tot Mij, zegt Christus, die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven. Is het dan geen vrije genade, zegt u misschien. Is het dan geen eenzijdig Gods werk als een mens tot Christus komt? Ja, dat is zeker waar. Maar hoe onbegrijpelijk voor ons verstand, deze dingen strijden niet met elkaar. God heeft in eenzijdige liefde de Zijnen van eeuwigheid liefgehad en verkoren, maar het Evangelie wijst alle hoorders de geopende weg. Ook u... Ook jou... Een geopende Weg, een gewillige Zaligmaker. En er is maar één Weg, één Middel om zalig te worden, Onder de hemel is er maar één Naam tot zaligheid gegeven.

Die weg is open en gebaand. U kunt niet gaan door eigen kracht, u bent niet in staat om in vrije wil de keuze te maken om te gaan. Maar dat neemt niet weg dat het Evangelie u roept, welgemeend en vol liefde, om met de nood van uw ziel, in schuldverslagenheid te vluchten om uw behoud. De bekende Schotse theoloog John Owen zegt het zo: Ofschoon het afgekondigde pardon in het bloed van Jezus onbepaald is, vanwege de volheid en de uitnemendheid ervan, tegelijkertijd is Hij het die de genade geeft die de mens in staat stelt deze genade te ontvangen. Hij ontfermt zich dien Hij wil. Maar de weg is open en bereid. En het is daarom niet omdat de mens niet binnen kan komen, maar omdat hij niet wil komen, komt hij niet. U komt niet, omdat u niet wilt komen...

Hoe lang leeft u al onder de nodigingen van het Evangelie...? Hoelang jij...? Kom je al een jaar in de kerk? Al drie jaar? Al tien jaar? Ken je de Heere Jezus al als een Zaligmaker van je zonden en God als de God van je hart? Denk toch niet dat alleen oudere mensen zo gelukkig kunnen zijn. Ook als je kind bent, als je jong bent, juist dan, wil de Heere graag wonen en werken in je hart. En Hij wijst je de weg. De enige Weg! Je moet met al je zonden naar de vrijstad, naar de Heere Jezus. Een andere weg is er niet. Je ziel wordt niet gered door jezelf beter te maken, door allerlei goede dingen te gaan doen, in de hoop dat God je daarom zal aannemen. Dat is een doodlopende weg.

Er is maar een weg. Buigen voor God, en zeggen: Heere ik heb gezondigd, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waardig, maar ontferm U over mij!

Hoe lang leeft u, ouderen, al onder de bediening van het Evangelie? Twintig jaar? Veertig jaar? En nog steeds onbekeerd...? Bedenk toch wat dat betekent! Duizenden keren is u de weg gewezen, maar... u wilde niet komen! U verschuilt u achter van alles en nog wat, maar u wilt niet. U verschuilt u schijnbaar oprecht achter uw onmogelijkheid om te komen. U zegt: ik kan niet, want ik ben dood in zonden en misdaden, ik wacht tot God begint te werken. Hoe slecht is dat excuus, waarmee u God als het ware in het gezicht slaat. Het is ten diepste godslasterlijk. Schijnbaar nederig en ootmoedig, maar hoogmoediger dan enig argument is het om God te slaan met Zijn eigen Woord. Denkt u dat u in het uur van het Goddelijke gericht, die euvele moed nog steeds zult hebben? U wilt niet komen tot Christus... U hebt Hem niet nodig, omdat u nog zo goed denkt over u zelf... Uw hart brandt van verzet tegen de Zaligmaker van zondaren, omdat uw hart niet wil buigen. Omdat uw hart niet wil erkennen dat u een zondaar bent, een misdadiger, een opstandeling. U wilt als een kerkmens gered worden, maar u moet als een zondaar gerechtvaardigd worden.

O, kom toch, hardnekkige, vrome zondaar, die in uzelf zo rechtvaardig bent, en God verwijten maakt. Stop toch, om de Zaligmaker van zondaren verwijten te maken. Hem die Zijn leven wilde geven voor vijanden. Erken uw vijandschap, uw opstand tegen God. Zit niet gelaten te wachten als een slachtoffer, maar buig als een misdadiger uw hoofd en uw knieën en uw hart voor God, en kom. Kom als een verloren zondaar tot Hem, smekend om genade en redding.

Misschien zegt u: Christus is de mijne, ik heb de keuze voor Hem gemaakt. Ik heb gekozen voor de vrijstad. Maar mag ik u vragen: U hebt gekozen, zegt u, bent u ook gevlucht naar de vrijstad? En waarom bent u daarheen gegaan? En: hoe bent u daar gekomen? En weet u het wel zeker dat u daar blijven mag? Kiezen voor Jezus met de keus van ons verstand is niet genoeg. Als u altijd een fervent en openlijk tegenstander bent geweest van het koningshuis, en u zegt vandaag: vanaf nu kies ik voor de koningin, dan betekent dat nog niet, na alles wat u gedaan en gezegd hebt, dat u vanavond bij Hare Majesteit aan tafel kunt aanschuiven. Het gaat niet om de vraag of u gekozen hebt voor Jezus, het gaat om de vraag of u met uw zielennood gevlucht bent tot Christus, tot de vrijstad, om redding en behoud. Het gaat niet om de vraag of u gekozen hebt, maar of u gekomen bent. Of u gekomen bent in de weg die Jeremia schetst: Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten.

Die weg is geen voorwaarde of blokkade, maar de weg die Jeremia schetst (smeking en geween) is een schets van de werkelijkheid. Zo is het nu eenmaal. Zonder nood roept niemand om een Zaligmaker. Zonder droefheid komt niemand tot Christus. Samuel Rutherford zegt: Allen, die zich tot Jezus wenden om geholpen te worden, komen met betraande ogen. Als u zonder die droefheid de verstandelijke keuze maakte voor Jezus, dan hebt u gekozen, maar dan bent u niet gekomen. Waarom zou u eigenlijk kiezen voor een Zaligmaker, als u nooit iets leerde kennen van uw schuld voor God? Als u nooit iets zag van Gods toorn over uw verzondigde leven? Waarom zou u vluchten tot een vrijstad die bedoeld was voor moordenaars, als u niet overtuigd was van uw misdaad? Want wie vluchtten er eigenlijk naar zo’n stad? Voor wie was zo’n vrijstad eigenlijk bedoeld? Dat is ons tweede aandachtspunt, maar we zingen samen eerst uit Psalm 38:3, 18:

Door Uw gramschap, fel ontstoken, Is verbroken Al mijn vlees en lichaamskracht; Rust, noch vrede wordt gevonden, Om mijn zonden, In mijn beend'ren, dag of nacht.

'k Wil mijn misdaân, die U tergen, Niet verbergen; Ik bedek voor U die niet; 'k Ben vanwege al mijn zonden, Die mij wonden, Vol van kommer en verdriet.

2. De toegang tot de vrijstad

Wat zegt onze tekst? De vrijstad is bestemd voor al de kinderen Israëls, en voor den vreemdeling, die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte al wie een ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers. Voor al de kinderen Israëls. Maar ook voor de vreemdeling. Een andere plaats zegt: ook voor de bijwoner, voor de uitlander, de buitenlander. Voor iedereen staat de vrijstad. Maar wie vlucht naar de vrijstad? Wie laat familie, huis, land, ja alles achter om naar de vrijstad te vluchten? De tekst zegt: Al wie een ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers. Let eens even op, jongens en meisjes: Twee vrienden werken in de bouw. De een staat op een stijger, de ander loopt beneden. Onverwacht glipt een steen uit de hand van de man op de steiger, en treft de ander dodelijk. Per ongeluk... Niet expres... Maar wel heel verschrikkelijk... Twee mannen, dat is het voorbeeld van de Bijbel zelf, hakken hout in het bos. Plotseling

vliegt het ijzer van de bijl van de ene man, en treft de ander dodelijk. Niet expres... Niet met voorbedachten rade... Niet uit haat, niet door grove nalatigheid..., maar door een ongeluk. Ziet u het voor u? De man rent naar zijn vriend, neemt hem in zijn armen, stoot het bewegingsloze lichaam aan, maar helaas, geen teken van leven. Met een laatste zucht wordt de zijn laatste levenskracht weggeblazen en dan... is het stil... De stilte van de dood... O, wat doet het deze man pijn, dat zijn vriend, met wie hij zolang optrok, door hem de dood vond. Het verdriet snijdt door zijn hart... Maar tegelijkertijd dreigt er vanaf nu gevaar! Want op moord stond de doodstraf. Dat had de Heere gezegd na de zondeval: Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt. Daarom kende men in Israël de bloedwreker. De man die namens de familie wraak kon en mocht gaan nemen vanwege het vergoten bloed. Die bloedwreker rekende het tot zijn taak om het recht te verhalen op de dader van dit noodlottige drama. Degene die de ander per ongelijk gedood had, was zijn leven geen moment meer zeker. Vanaf nu kon de bloedwreker ieder moment onverwachts toeslaan.

Dat was niet zomaar een zeker risico dat je kon lopen, want, zo staat er in Deuteronomium 19, het hart van de bloedwreker kon verhit zijn, verhit van gevoelens van wraak. Zo’n bloedwreker ging letterlijk op jacht. Hij joeg de dader achterna. Hij had het vanaf nu op zijn leven gemunt. De straf die de bloedwreker in die tijd mocht voltrekken, was een wettige straf. Het was legitiem wat de bloedwreker wilde doen. De dood was immers het verdiende loon.

Ziet u het voor u, die man die zojuist met intens verdriet zijn vriend nog dood in zijn armen hield, die man moet nu rennen voor zijn leven. Hij moet alles achterlaten: familie, huis, grond, akkers, alles, om zijn vege lijf te redden van de verdiende dood.

Wie, gemeente, vlucht nu naar de vrijstad? Wie maakt haast om zijns levens wil? Iemand die ziet wat hij gedaan heeft. Iemand die zijn misdaad voor ogen ziet. ‘k Wil mijn misdaan die U tergen, niet verbergen, daar Gij alles ziet en weet. Als God ons de ogen opent, dan zien wij de grootheid van ons bedreven kwaad. Dan beseffen we dat we schuldig staan, niet aan één gebod alleen, niet alleen onbedoeld, maar aan alle geboden, en dat doelbewust en opzettelijk. Dan komt er in ons leven nood. Zielenood. Doodsnood. Want de dood dreigt, de bloedwreker is onderweg. Die laat voelen dat Hij het recht heeft het leven te nemen. De Wet eist. De wet eist volkomen gerechtigheid, en die is in ons niet. Ons geweten beschuldigt ons. Het zou rechtvaardig zijn als ik gestraft zou worden. De Wet is de bloedwreker die ons najaagt, niet omdat we per ongeluk hebben overtreden, maar omdat we moedwillig, expres, opzettelijk gezondigd hebben.

Gemeente, wat doet zo iemand, in de nood van zijn leven. Ziende de schuld, denkend aan de bloedwreker? Die gaat niet zitten. Die gaat niet wachten. Die zegt niet: Ik weet dat er een vrijstad is, eerdaags ga ik wel op pad… Nee, die kan niet anders dan haast maken, want het is nood. Die verlaat zijn stad. Die vlucht naar de vrijstad.

Altijd is hem die weg gewezen, hij weet de weg, maar… gemakkelijk is die niet. Ziet u die man rennen op de weg, uit zijn dorp? Hij volgt het bordje: Miklat! Vrijstad! Toevluchtsoord! Maar waar is de bloedwreker? Zal die in verte van rechts komen…? Komt die achter hem aan…? Waar is de vrijstad eigenlijk…? Het wordt al donker... De poort blijft wel open, maar hoe gevaarlijk is het duister als er iemand is die je wil vermoorden...

Is dat ook niet de worsteling van een ontwaakte ziel? Opgeschrikt door het zien van onze zondekwaal. Vlucht! Weg van de zonde! De dood voor ogen! De weg..., ja die weten we: bidden, lezen, worstelen, luisteren. Maar het is donker...

Hebt u... wel eens met God te doen gekregen in uw leven…? Met een rechtvaardig God? Die uw zonden niet beschouwt als toevallige uitglijders, maar die ze ziet zoals ze zijn: doelbewuste daden van verzet en van opstand tegen God? God eist rechtvaardigheid en heiligheid, maar er is alleen maar schuld. O, wat doet dat roepen in het verborgen tot God: O God, wees mij zondaar genadig!

Is er nog een middel om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Waar is die stad, waar is dat toevluchtsoord? Nu heb ik heel mijn leven al zo vaak gehoord van de Naam van de Zaligmaker, maar nu…, nu ik Hem zo nodig heb…, nu zie ik Hem niet... Ik zie allen maar zonde. De wet klaagt me aan. Ik heb de dood verdiend. En..., die kan me onverwacht overvallen. Zou Hij mij wel willen ontvangen? Zou ik wel welkom zijn in de Vrijstad? Is dat de taal van uw hart…? Kent u die worsteling in uw leven…? Tegen God gezondigd, gedaan dat kwaad was in Gods oog. Een toornend God, een eisende wet, een knagend geweten? Zoeken naar een weg om te ontkomen, zoeken naar vrede met God?

Wat kan een mens zich op zo’n vluchtweg uitgeput voelen. En de gedachte rijst: ik kom er nooit... Ik kom om… Hoe moeilijk is vooral dat laatste stuk van de weg naar de vrijstad. Hoeveel mensen vallen daar niet in slaap. Het pad gaat omhoog, de berg op. De vrijstad ligt immers op een berg. Wat een hoop kan er gloren in de ziel, als het maanlicht even door de donkere wolken van de nacht schijnt, en u het bordje weer ziet: Miklath…, vrijstad…

Wat blijdschap kan er door de naar rust hijgende ziel stromen, als de ochtend gloort en in de verte de Vrijstad wordt gezien. Zijn open poort…, zijn gebaande weg. Nooit was een open poort, nooit was een gebaande weg zo wonderlijk in de ogen van een mens, als in de ogen van een vermoeide, vluchtende misdadiger. Nooit is een straal van licht op Christus zo dierbaar, als in de ogen van een vermoeide zondaar.

Bent u zo’n vermoeide zondaar? Aangeklaagd door de wet, door uw geweten? U zoekt behoud en redding, maar ziet het niet? Zie hier is een weg. Het is een gebaande weg, gebaand door de dood en de opstanding van Christus. Het is een weg zonder belemmeringen. En de stad, de vrijstad staat open, de deur ervan wordt niet gesloten. Hij staat open voor de kinderen Israëls. Maar ook voor de vreemdeling, zelfs voor bijwoners, mensen die door anderen veracht worden als vreemdelingen. De poort van deze stad staat open, voor de aller-slechtste. Christus is de stad, en de geopende poort van de stad. En staande in de geopende poort van de stad, roept Hij u van harte toe, bij dag en bij nacht, u, vermoeide zondaar: Kom tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven!

Misschien vraagt u zich wel vertwijfeld af, of u wel welkom zult zijn aan de poort van de stad? Hoort toch het woord van onze lieve Heere en Zaligmaker: Die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. Misschien zegt u, ik begrijp dat anderen welkom geheten worden, maar ik, met zoveel schuld? Luister dan. Dit staat voor u geschreven. Niet alleen de kinderen Israëls zijn welkom, maar deze stad is ook aangewezen voor vreemdelingen en bijwoners. De vrijstad kan ook genoemd worden de asielstad. De asielzoekers, die geminacht worden, zijn welkom in deze stad.

Misschien zegt u: ik zou misschien wel welkom zijn, als ik meer besef had van mijn schuld en zonde. Ik wacht, totdat ik genoeg zondekennis heb, dan kom ik... Is dat niet heel gevaarlijk? Kan de bloedwreker u vandaag niet overvallen? Legt u uzelf dan geen belemmeringen in de weg op de weg naar de vrijstad? Aan de poort van de stad zal u niet gevraagd worden naar de mate van uw zondebesef. Is dat dan niet belangrijk? Jawel, zonder besef van uw verlorenheid en schuld zult u nooit vluchten naar de vrijstad. Maar laat uw zondebesef geen werk zijn, dat u doen moet, geen plicht zijn, die u vervullen moet. Uw zondebesef moet zo diep zijn, dat u niets anders kunt, als vluchten! Vluchten tot Christus! Vluchten als een misdadiger, met lege handen, tot de vrijstad Christus Jezus.

Maar bedenk, u bent pas veilig in de stad. U bent pas gevrijwaard van het dorstige zwaard van de bloedwreker, als u binnen de muren bent van de vrijstad. U bent pas veilig als uw ziel gered is door het bloed van Christus.

Misschien zegt u wel: maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Nee, zo gemakkelijk is dat ook niet gegaan. Dat heeft bloed gekost. Dat heeft het bloed gekost van de Middelaar. De Bloedwreker heeft Zijn bloed genomen, en Hij heeft het vrijwillig gegeven. Zo heeft Christus door Zijn bloed een weg gebaand. Een enige weg, een vrije weg, een weg zonder belemmeringen, naar een geopende poort. En die weg is gebaand voor zonderen...

Weet u trouwens waarom het zo gemakkelijk niet wil gaan? We willen geen zondaar zijn, we willen niet buigen. Dat de mensen buiten de kerk goddeloos zijn, dat geven we grif toe. Maar ik? Ik goddeloos? Ik een vijand van God?

Wij gaan verder met onze derde gedachte.

3. De veiligheid in de vrijstad

Buiten de poort van de vrijstad, buiten Christus is geen veiligheid. Er is een dodelijk gevaar in het leven in de zonde buiten God. Er is ook een dodelijk gevaar als u verontrust bent over uw zonden, maar nog buiten Christus bent.

Aan de poort van de stad, meldde zich de onbedoelde doodslager. Daar zaten de oudsten van de stad. Die lieten de bloedwreker niet toe. Niet alle aspecten van het beeld van de vrijstad mogen doorgetrokken worden naar het geestelijke leven. De zaak van de doodslager moest na binnenkomst in de vrijstad nog onderzocht worden. Hij moest terug naar de plaats van het misdrijf, daar werd het uiteindelijke vonnis geveld door de oudsten van het dorp. Of schuldig of vrij.

Voor een zondaar die in de nood van zijn schuld tot Christus vlucht, is er slechts één vonnis mogelijk. Vrijspraak. Niet omdat zijn wandaden achteraf gezien meevielen. N iet omdat bleek dat hij per ongeluk had gezondigd. Nee, de reden daarvoor ligt niet in de mens. De reden ligt in het werk van Christus. In de vrijstad, in Christus is veiligheid voor een verloren zondaar. Daar kan en zal het zwaard van Gods recht niet meer treffen. Daar wordt het recht niet opzij geschoven, maar daar krijgt een zondaar vergeving door recht. Omdat het zwaard van Gods recht is neergedaald op de Middelaar. Dat zwaard dat de zondaar had moeten treffen is gestoken in het hart van de Middelaar. Wat brengt dat gezicht, als de Geest daar licht over laat schijnen, het hart van verloren zondaren, na zoveel strijd en twijfel, toch in heilige verrukking. O, wat een wonder: Hij wilde staan in mijn plaats. Hij wilde staan in mijn plaats. En nu krijg ik in plaats van de dood, het leven. Hoe was het leven eigenlijk in de vrijstad zelf? De vrijstad zelf was een levietenstad. Leven in de vrijstad betekent voortdurend leven onder het onderwijs van de levieten. Met Christus leven, wil zeggen voortdurend onderwezen worden door de Geest van Christus.

Onderwezen is de diepte van onze verlorenheid en afkomst. Meer licht ontvangen over onze zonden, onze zondige aard, onze voortdurende neiging tot dwalen, zelfs tot buiten de stad. Dat ik zo diep gezondigd had tegen God, besefte ik nog niet, toen ik mijn eerste voetstap in de vrijstad zette. Dat ik zo’n misdadiger was, zo’n doelbewuste zondaar, zo’n opstandeling als Adam, dat wist ik nog niet toen ik de vrijstad in zicht kwam, en ik voor het eerst veiligheid vond in de stad. Wie leeft uit Christus, heeft niets dan eigen armoe, zegt Calvijn.

Onderwezen ook in de kennis van Christus. De Geest werkt altijd op Christus aan. Het is de Geest die de ogen voor het eerst en opnieuw richt op Christus: op Zijn onbegrijpelijke liefde voor zondaren, op Zijn gewilligheid, op Zijn dierbaarheid, op Zijn trouw. Als de Geest onze ogen richt, niet alleen op onze misdaden, maar ook op deze onbegrijpelijke liefde van Christus, die als misdadiger veroordeeld werd in onze plaats, dan breekt ons hart. Dan groeit ook het verlangen om meer van Hem te kennen, om voortdurend onderwezen te worden in de kennis van onze Heere en Zaligmaker.

Diezelfde Geest richt ook de harten van Gods kinderen om voor God te leven, kinderlijk ootmoedig, in heiligheid en vrees. Burgers van deze vrijstad, kinderen van God, bedenkt: Buiten de stad dreigt gevaar. Daar waar we de dingen van de wereld weer gaan zoeken, daar waar we onze zinnen weer zetten op de dingen van de tijd, daar waar we vallen in zonde, daar waar onze gebeden verflauwen, daar gaan onze harten bij Christus vandaan. Daar gaan we wandelen buiten de stad. En buiten de vrijstad mocht een vluchteling gedood worden. Het leven van Gods kinderen kan hen nooit meer ontnomen worden, maar het verlaten van de vrijstad kan wel tot veel strijd en donkerheid leiden. Misschien herkent u dat wel. In de nood van uw leven tot de vrijstad gevlucht, maar nu weer zoveel donkerheid en duisternis. Is het omdat u uit de stad bent gegaan? Keer terug. Verlaat de zonde, en zoekt uw heil in Christus alleen.

Mag ik u, als laatste gemeente, waarschuwend wijzen op een drietal dwaze moordenaars. Kom. Jongelui, kijk nog even mee...! De eerste pleegt zijn daad. Schijnbaar onbewogen blijft hij op zijn plaats. Hij hervat zijn werk. Tot… de bloedwreker komt... U die doorgaat in uw zonden, u die onbewogen in de kerk zit, de bloedwreker staat achter u! De wraak van de rechtvaardig God zit u op de hielen, en u... zit rustig uw tijd uit. Voordat u de kerk uit bent gegaan, kan het zwaard van Gods toorn u dodelijk getroffen hebben. Zie toch uw gevaar! Als het zwaard u treft, zal de eeuwige toorn Gods op uw ziel branden, terwijl er geen ontkomen meer aan is. Ik maak u niet bang, ik stel u niet gerust, ik vertel u de waarheid, de werkelijkheid. In het gericht Gods zult u eeuwig omkomen. Kom, zondaar, sta op! Haast u en spoed u om uw levens wil, want de dag der genade

haast zich naar het einde. Wie weet zal deze dag uw laatste zijn. Maar ook op deze dag, misschien op uw laatste dag, wordt u genodigd om te vluchten naar de vrijstad. Daar is ontkoming te vinden voor uw ziel, vrede met God en eeuwige zaligheid. Kust de Zoon..., opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.

De tweede moordenaar pleegt zijn daad... en vlucht. Hij ziet het bordje: Miklat, daarheen! Maar kijk..., daar is ook een andere stad..., dichterbij..., gemakkelijker..., niet de berg op... Hij vlucht, verbergt zich in die stad, totdat…. de bloedwreker komt en wraak neemt... Hoeveel steden zijn er niet om heen te vluchten. De stad van eigen werken, de stad van kerkelijke plichten, van kerkgang, van doop, van avondmaalgang, van ambt. Gemeente, er waren maar zes vrijsteden, en nu is er maar Eén, de zevende, Jezus Christus. Buiten Hem is de dood. Uw kerkelijke plichten zullen u niet baten in de dag van het gericht. U moet in Christus geborgen zijn. Is uw ziel al geborgen in Hem...?

De derde pleegt zijn daad en vlucht. De weg is zwaar..., het duurt langer dan gedacht... De nacht is gevallen..., het is donker geworden... De vrijstad is nog niet bereikt, maar hij heeft goede hoop...! Een voorbijganger spreekt hem bemoedigend toe, hij is op de goede weg. Misschien is het goed om even wat te slapen, om even te rusten. En..., terwijl hij slaapt, komt bloedwreker en neemt zijn ziel... Hoe gevaarlijk is het toch, gemeente, te gaan rusten als er nood geboren is in het hart. Hoe velen zijn in slaap gesukkeld, zich enigszins bewust van hun dodelijk gevaar, denkend op de goede weg te zijn, en... zij zijn nooit meer wakker geworden. Het is niet genoeg om op de weg te zijn naar de vrijstad. U moet binnen de poort zijn van de vrijstad, daar is het pas veilig. O, onrustige, zoekende zielen! Zie toch uw dodelijke gevaar. Zolang uw ziel niet geborgen is in Christus, hangt uw leven aan een zijden draad. O, vlucht tot Christus eer het te laat is!

Daarom, gemeente, wie u ook bent: Zit niet! Dwaal niet! Slaap niet! Maar vlucht! Vlucht! Vlucht!! Vlucht tot de Man, Die een verberging is tegen de wind, en een Schuilplaats tegen de vloed van Gods toorn. Waarom wilt u sterven in de handen van de rechtvaardige Bloedwreker, terwijl u de weg des levens voor ogen geschilderd wordt? Terwijl u de weg naar de vrijstad gewezen wordt?

Waarom wilt u tot Christus niet komen, om leven in Hem te vinden? O, komt, dode zondaren, slapende zondaren, dwalende zondaren, komt tot Christus. Al wat Hem de Vader gegeven heeft, zal tot Hem komen; en die tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen. Amen.

Slotzang: Psalm 142:4,5 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zodat mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gans ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

Ik riep tot U, ik zeid': o HEER', Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer; Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel, Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.