10 mei 2015
1 Koningen 18:44: En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk als eens mans hand gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan en kom af, dat u de regen niet ophoude.
INLEIDING
Na de overwinning op Karmel trekt Elia zich terug om te bidden om de beloofde regen. Zijn gebed is verborgen — alleen in de stilte met God; nederig — hoofd tussen de knieën, diep beseffend wie hij is tegenover Gods heiligheid; en volhardend — zevenmaal laat hij uitkijken, zonder te wanhopen, tot de kleine wolk verschijnt. Zo pleit hij op Gods eigen belofte, niet op eigen waardigheid. Dit gebed wijst heen naar Christus, de grote Voorbidder, om Wie God Zijn beloften vervult.
Het gebed van Elia
1 KONINGEN 18:41-46
41 Daarna zeide Elía tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedigen regen.
42 Alzo toog Achab op om te eten en te drinken; maar Elía ging op naar de hoogte van Karmel en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën.
43 En hij zeide tot zijn jongen: Ga nu op en zie uit naar de zee. Toen ging hij op en zag uit, en zeide: Er is niets. Toen zeide hij: Ga weder heen, zevenmaal.
44 En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk als eens mans hand gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan en kom af, dat u de regen niet ophoude.
45 En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg en toog naar Jizreël.
46 En de hand des HEEREN was over Elía, en hij gordde zijn lendenen, en liep voor het aangezicht van Achab heen tot waar men te Jizreël komt.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 18:44
THEMA
Het gebed van Elia
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Tien Geboden :9
Lezen 1 Koningen 18:1-2 en 41-46
Gemeente, we lezen in Mattheüs 9 dat de Heere Jezus tegen Zijn discipelen gezegd heeft, terwijl Hij innerlijk met ontferming bewogen was om de schare: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige; bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. Dat mag ook ons gebed wel zijn, in het bijzonder in deze periode van het jaar, waarin ons curatorium weer hoopt te vergaderen. Het curatorium, jongens en meisjes, is een vergadering van dominees en ouderlingen die zegt wie er komend jaar naar de theologische school mag om dominee te worden. Het is het middel, gemeente, dat de Heere ons naar de orde van de kerk gegeven heeft. En de Heere geve onze broeders van het curatorium de wijsheid en het licht van boven om dit werk, dat de kerk hen heeft opgedragen, te mogen doen. En ondertussen is het onze taak, als gemeente, om biddende gemeente te zijn. Het is onze taak om de Heere des oogstes te bidden dat Hij arbeiders zal uitstoten in Zijn wijngaard. Om die reden wil ik u in de preek van vanmorgen opwekken tot dat gebed, en ook opwekken tot verootmoediging.
We overdenken met elkaar het voorgelezen Schriftgedeelte 1 Koningen 18:40-46En Elia zeide tot hen: Grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen aldaar. Daarna zeide Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedigen regen. Alzo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna leide hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. En hij zeide tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zeide: Er is niets. Toen zeide hij: Ga weder henen, zevenmaal. En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude. En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël. En de hand des HEEREN was over Elia, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab henen, tot daar men te Jizreël komt.. Ik lees u als samenvatting de verzen 42b-44a nog een keer voor. Daar lezen we het woord van God als volgt: Maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna leide hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. En hij zeide tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zeide: Er is niets. Toen zeide hij: Ga weder henen, zevenmaal. En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee.
Het thema voor de preek is: Het gebed van Elia Er zijn drie aandachtspunten. We letten samen op het gebed van Elia, en zullen zien dat dat in de eerste plaats een verborgen gebed was. Het was ook een nederig gebed. Dat is het tweede. En het was in de derde plaats ook een volhardend, een vasthoudend gebed. Dus drie punten. Het gebed van Elia is: 1. Een verborgen gebed 2. Een nederig gebed 3. Een volhardend gebed
Indrukwekkend was het optreden van Elia op de berg Karmel. Drieënhalf jaar was er geen regen geweest. Een straf van de Heere op het dienen van de afgoden door het volk van Israël. En toen was er die publieke confrontatie op de berg Karmel. Tussen Elia aan de ene kant en Achab, het volk en de 450 Baälprofeten aan de andere kant. En dat allemaal rond die ene vraag: Wie is God? Is de HEERE God? Of is Baäl god?
Eerst waren de Baälprofeten aan de beurt. Urenlang hebben ze gedanst, gezongen en geschreeuwd tot hun afgod Baäl. Maar er gebeurde helemaal niets. Uiteindelijk sprongen ze zelfs tegen het altaar op. Ze sneden zichzelf met messen, ze beschadigden zichzelf met priemen. Maar er gebeurde helemaal niets.
En toen, na dat urenlange gedoe, toen was de profeet Elia aan de beurt. Hij herstelde het altaar van de HEERE, hij legde een geslachte stier op het hout, alles werd met water overgoten, en toen… toen bad hij. Hij bad (u kunt het lezen in vers 36 en 37) publiek, in het openbaar, hoorbaar voor iedereen. Dit bad hij: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, dat toch heden bekend worden, dat u God bent! Een openbaar, een publiek gebed van de man Gods. Vrijmoedig, gericht op de eer van God. Kort, krachtig. En toen, als antwoord op dat gebed, viel er vuur van God uit de hemel op het altaar. En dat verteerde het offerdier, het altaar, de stenen, het stof, ja… alles. Dat was ten diepste evangelieprediking op de plaats van het oordeel. Ten diepste was dat een heenwijzing naar het vuur van de toorn van God, dat later zou neervallen en neergevallen is op het grote Offerlam, geslacht en gehangen op de heuvel Golgotha.
Bijzonder… Hij bidt. Maar één keer. Een kort gebed. En… hij krijgt direct antwoord. Jazeker, daar in het openbaar, voor de oren en ogen van iedereen. Want daar, in het openbaar, zorgt God voor Zijn Eigen eer.
Maar dat is nu allemaal voorbij. De Baälprofeten zijn niet meer. En het volk gaat naar huis. Elia en Achab zijn er nog wel. Achab zegt helemaal niets. En dat is bijzonder. Geen woord van dank, geen blijk van vernedering. Helemaal niets. Elia zegt wel iets, kijkt u maar in vers 41: Daarna zeide Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedige regen. Je voelt al lezend iets van spot. En ook iets van: ‘als je dan zo hard bent, Achab, ga dan maar door. Ga maar, eet maar, drink maar. Je eten staat ondertussen klaar, snel naar huis, anders wordt je nog nat ook’.
Maar dan dat andere: Er is een geruis van een overvloedige regen. Ineens zie we, wat wij zo vaak vergeten: droogte en regen, ziekte en gezondheid, het komt allemaal uit Gods hand. Ja, je kan het allemaal verklaren vanuit de natuurkunde of vanuit de biologie, en we kunnen kunstjes uithalen om regendruppels te maken, maar het blijft waar wat Psalm 147 zingt: God is het, die voor de aarde regen bereidt.
En ja, we kunnen virussen analyseren en vaccins ontwikkelen, maar de Heere regeert. Alles lijkt misschien wel gewillig, onbeheersbaar en toevallig, maar nee, daarboven staat God!
U zegt (een beetje dichtbij huis): het is, als ik kijk naar mijn persoonlijke leven zo donker, de hemel is al zo lang gesloten. Dat voelt ook allemaal zo ongrijpbaar, zo noodlottig, zo uitzichtloos… U denkt: wat het curatorium in Rotterdam beslist, dat is voor mij ook al zo ongrijpbaar… Nee, laten we niet doen alsof we Baäl dienen. Baäl is ongrijpbaar en grillig! Maar God is het, die de hemelen met wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt; die het gras op de bergen doet uitspruiten. Hij zendt Zijn bevel op aarde, Zijn woord loopt zeer snel. Alles, in ons persoonlijke leven, maar ook als het gaat om de roeping tot het ambt, alles ligt in Gods handen.
Achab, er is een geruis van een overvloedige regen. Je zegt: maar er is helemaal niets! Geen wolkje aan de lucht! Hoor je dan iets, Elia? Hoor je misschien het geruis van de regendruppels die onderweg zijn? U zegt: zeker, de Heere heeft dingen beloofd in mijn persoonlijke leven, maar sindsdien hoor ik helemaal geen antwoord, en ik zie ook helemaal niets… U zegt: zeker, de Heere heeft me geroepen tot Zijn dienst, maar het is nu al jaren later en ik ben nog steeds geen ambtsdrager, er gebeurt helemaal niets. Ja, dat kan je allemaal wel denken, maar toch: Achab, er is een geruis van een overvloedige regen!
Want? Vanwaar die stelligheid, terwijl er nog helemaal niets te zien is? Nee, dat laatste is niet waar. Er is wel iets. Daar is de belofte van vers 1, waar staat: Het woord des Heeren geschiedde tot Elia, zeggende: Ik zal regen geven op de aardbodem. Er is niets te zien, maar het is wel beloofd! God heeft het beloofd! En God zal Zijn woord, Zijn beloftewoord nooit vergeten. Hij is het (zo begint iedere kerkdienst) ‘Die nooit laat varen de werken van zijn handen.’ En het geloof ziet die dingen, die dingen die God beloofd heeft. Het geloof ziet ze zo vast, als of ze nu al vervuld zijn. Want, zo zegt de Hebreeënbrief, het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van zaken die men niet ziet.
God geeft Zijn kinderen, èn in hun persoonlijke leven, èn als het gaat om de roeping tot het ambt, houvast in Zijn eigen Woord. En wij houden door Gods genade die woorden vast ‘als ziende de Onzienlijke’. We zien niets. Maar het is vast. Het staat onwankelbaar vast. Want de Heere heeft het beloofd!
Maar tegelijkertijd is het daarmee niet een kwestie van: dan maar afwachten tot het zover is… De Heere heeft het wel beloofd, en het staat zeker vast. Maar Hij wil die beloften vervullen in de weg van het gebed.
Denkt u maar aan wat Ezechiël schrijft in Ezechiël 36:37-38Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen. Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.: Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen (… en) de eenzame steden (zullen) vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. Ik zal het doen, zegt God. Maar Ik zal er ook om verzocht, Ik zal er ook om gebeden worden. De belofte is vast. Het Woord van de Heere wankelt nooit: Ik zal regen geven. Maar, mensen als Elia, je moet die regen als het ware wel uit de hemel bidden.
Welke persoonlijke beloften er ook liggen, ze moeten ons dringen tot gebed. Denkt u maar aan koning David. De Heere heeft het beloofd dat uit zijn nageslacht de Messias geboren zal worden. En wat doet die belofte in het leven van David? Die belofte brengt hem op de knieën. Hij bidt: Heere, doe wat U gesproken hebt. Zou U het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Hij gaat met de belofte die hij van de Heere gekregen heeft, terug naar de Heere. Hij heeft de belofte met ootmoed ontvangen. Hij zegt immers: wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? Hij overdenkt het woord van Gods belofte in zijn hart, en maakt het tot een pleitgrond voor zijn bidden. Het Woord van God, het beloftewoord van de Heere is de enige grond, de enige pleitgrond in ons gebed. En daarmee weet u tegelijkertijd of een belofte die u in uw hart meedraagt, van God is. Want als dat zo is, dan is dat een woord uit het Woord van God. En (dat is het tweede) dan brengt dat Woord van God u biddend op uw knieën. Denkt u maar aan wat Johannes schrijft in 1 Johannes 5: En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil (dus: naar Zijn Woord), Hij ons verhoort (5:14). Zo mogen we bidden. Zover mogen onze gebeden ook gaan. Zo ver als Gods woorden en beloften gaan.1
We gaan zien hoe de profeet Elia dat doet: dat bidden om de vervulling van Gods belofte. We lezen in vers 42: Alzo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna leide hij zijn aangezicht tussen zijn knieën.
Twee mensen, twee levens, twee manieren van leven. Koning Achab, vast wel even behoorlijk onder de indruk. Maar het is van korte duur. Nu gaat hij weer verder met het leven van alledag: eten, drinken…. Maar Elia gaat… bidden.
Leerzaam voor ons. Voor iedereen, maar zeker ook voor Gods kinderen. Want, bidden we eigenlijk wel? Jongelui, bid je wel? Ouderen onder ons, u hebt alle tijd om te bidden. U bent met pensioen. U bent nog onbekeerd, zegt u. Maakt u wel echt werk van uw gebed? Of bedoelt u, als u zegt dat u
1 Mede ontleend aan ‘Gods beloften in het persoonlijke leven’, ds. C. Harinck
iedere dag bidt, of bedoelt u dan te zeggen dat u alleen maar eventjes ‘s ochtends en ‘s avonds en voor en na het eten bidt? Bidden we wel echt? Bidden we nog wel in de stilte van het alleen zijn voor God? Is het wel echt nood in ons leven?
Bidden we eigenlijk wel echt, kinderen van God? Want ook ons gebed kan zo ingezonken zijn: zo weinig, zo slap, zo vluchtig, zo zonder aandrang. Als dat ons één ding duidelijk maakt, is het wel dit: wie wij zijn. En dat al die gebeden van ons nooit enige grond kunnen zijn om op te staan voor God. Als de Heere alleen maar antwoorden zou als antwoord op onze goede gebeden, dan zouden we nooit antwoord krijgen. Al die gebeden van ons, die roepen in feite maar om één ding: om het gebed van de grote Voorbidder de Heere Jezus Christus, dat Hij voor ons bidden zal. Hij was het, Die in de dagen Zijns vleses met sterke roeping en tranen bad. Hij bad in de hof van Gethsémané voor Zijn slapende discipelen. En Hij zei tegen Petrus: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude. Onze gebeden roepen om de voorbede van en de verzoening door de opgestane Heere Christus, Die altijd, zonder ophouden bidt aan de rechterhand van Zijn Vader, wijzend op Zijn verdienste, op Zijn werk voor ons. De enige pleitgrond waarom onze gebeden verhoord kunnen worden.
Elia gaat bidden: een gebed dat de Heere verhoort. Waarom verhoort God het gebed van Elia? Omdat Hij het beloofd heeft. Hoe vervult de Heere Zijn belofte? Door de weg van dit gebed. Een gebed dat een voorbeeld is voor onze persoonlijke gebeden, ook als het gaat om de roeping tot het ambt, als het gaat om roeping tot de dienst van de Heere.
Wat we vanmorgen naar een aantal aspecten van dat gebed van Elia kijken. In vers 42 staat, en dat is het eerste wat opvalt: Elia ging op naar de hoogte van Karmel. En dus is zijn gebed in de eerste plaats:
De wereld om ons heen, het leven van iedere dag, en ook het kerkelijke leven is vol van onrust, drukte en lawaai, vol van dingen die ons afleiden, als we ons tot bidden zetten. En daarom, als je bidt, dan moet je de stilte zoeken. De stilte van je kamer, de stilte van je bidplekje thuis, of de stilte van de natuur buiten. Om alleen te zijn, om stil te zijn, om in die stilte de Heere te zoeken. Om ondertussen niet gestoord of afgeleid te worden door van alles en nog wat. Bidden in het verborgen. Zoals de dichter zingt van Psalm 25: Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont.
Zoals Izak in het veld ging om te bidden. We lezen in Genesis 24:63En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!: En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van de avond.
In die weg maakt God zijn woorden, zijn beloften waar, want (zo staat er): En hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen.
Bidden in het verborgen, zoals Daniël bad (hij schrijft het zelf in Daniël 6:10Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.): Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.
Bidden in het verborgen, zoals de Heere Jezus Zelf ook deed (het staat in Mat.14:23): En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
Als Hij, de Heere Jezus Christus, zo, in stilte en alleen, Zijn Vader zocht in de weg van het gebed, moeten wij dat dan ook niet doen? De grote Voorbidder (Elia wijst als een type naar Hem) was op aarde gewoon om in het verborgen te bidden. En nu bidt Hij als de verhoogde Christus, als Voorbidder aan de rechterhand van Zijn Vader. En Hij houdt nooit op om voor de Zijnen te bidden.
En trouwens, heeft de Heere Jezus het ons ook niet opgedragen in Mattheus 6, toen Hij zei: Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. Het gebed, dat de Heere gebruiken wil voor de vervulling van Zijn woord en belofte (zowel in ons persoonlijke leven, als wanneer het gaat om de roeping tot het ambt) is een verborgen gebed, in de stilte van het alleen zijn met God. Daar waar Asaf zingt: het is mij goed, mijn zaligste lot, nabij te wezen bij mijn God. Van dat verborgen bidden gaan we eerst zingen uit Psalm 25:7. Gods verborgen omgang vinden Zielen, waar Zijn vrees in woont; 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, Naar Zijn vreêverbond, getoond. d' Ogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten; Hij, die trouw is, zal mijn voet Voeren uit der bozen netten.
Het gebed van Elia was een verborgen gebed. In de stilte, op de top van de berg Karmel. Daar (zo lezen we in vers 42): breidde (hij) zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. Het tweede wat opvalt aan het gebed van Elia is dit: het is ook
2. Een nederig, ootmoedig gebed Kortgeleden stond hij, in het openbaar, rechtop, strijdend voor de eer van zijn Zender! Fier en onoverwinnelijk voor Baäl en zijn 450 profeten! Moedig als een leeuw!
En nu, in de stilte van de eenzaamheid, buigt hij. Hij buigt diep, heel erg diep. Hij knielt op de grond en maakt zich heel erg klein. Je moet het, jongens en meisjes, thuis maar eens uitproberen, hoe Elia dat gedaan heeft: hij buigt diep, met zijn hoofd helemaal tussen zijn knieën. Hij verbergt als het ware zijn hoofd, en maakt zich heel erg klein voor God.
Hier is helemaal niets te zien van de vrijpostigheid die zegt: Heere, U hebt het gezegd, nou, dan moet U het doen ook! Hier is een diep besef van eigen zondigheid tegenover de heiligheid van God, een diep besef van eigen kleinheid tegenover de hoogheid van God in de hemel. Hier is een diep besef: ik ben niet waard, dat U, oneindig hoog, neerziet op mij, die nederig kniel. Hier is geen man die bidt tot ‘Vader in de hemel’, alsof hij naast Hem zit. Hier is geen man die bidt tot Jezus als ‘zijn Vriend’ is, alsof Hij een mens is, zoals wij. Nee, hier knielt een man (Jakobus zegt: een mens van gelijke beweging als wij), gelovend in de belofte van God, die zeker vervuld zal worden; pleitend op het beloftewoord van de Heere, maar tegelijkertijd zo klein, zo eerbiedig, en zo diep bewust van eigen onwaardigheid.
Het doet denken aan Abraham, de vader van alle gelovigen, als we lezen in Genesis 18:27En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!: En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben! Het doet denken aan de grote, dappere Daniel, in de ontmoeting met zijn God, als hij schrijft in Daniël 10:8Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.: Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield. Het doet denken aan de door God geroepen knecht en profeet Jesaja, die schrijft in Jesaja 6: Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien (6:5).
Het doet denken aan de hoofdman over honderd in het Nieuwe Testament, over wie Mattheüs schrijft dat hij uitroept: Heere! ik ben niet waardig, dat U onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden (Mattheüs 8:8En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.).
Onze gebeden moeten zich kenmerken door diep buigen, door ootmoed, kleinheid en diepe vernedering voor de hoge en de heilige God. Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jesaja 57:15Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.). Zoals de dichter van Psalm 146 zingt: Wie in het stof lag neergebogen (zo diep gebogen!), die wordt door Hem weer opgericht.
Het gebed van Elia, het is een voorbeeld voor onze persoonlijke gebeden: diep buigen, pleitend op het Woord van de Heere, pleitend op de eer en de Naam van de Heere. Het is een voorbeeld voor al onze kerkelijke gebeden, ook als het gaat om de vraag om mannen die de Heere wil afzonderen tot de dienst van het Woord. Het is een voorbeeld voor een ieder die de Heere geroepen heeft om te dienen in Zijn Koninkrijk.
Het gebed van Elia was een gebed dat grond vond in de belofte van de Heere: Ik zal regen geven. Het was een verborgen gebed, het was een zeer ootmoedig gebed, maar wat in de derde plaats opvalt, is dat het ook een volhardend gebed is geweest.
Met andere woorden: hij stopte niet, hij ging door. Als hij één keer gebeden heeft, dan stuurt hij zijn jongen om uit te kijken naar de lucht, of er al regen komt. Hij kijkt, en hij kijkt… Maar hij komt terug en zegt: mijnheer Elia, ik zie helemaal niets. En wat zegt Elia dan? Zegt hij dan: ja, daar was ik al bang voor? Ja, dat had ik eigenlijk wel verwacht? Ik bid al zolang om bekering, maar het lijkt alsof de Heere mij niet hoort… Ja, daar was ik al bang voor… Ik bid al zolang om meer licht, om meer kennis van de Zaligmaker, maar het blijft maar zo donker in mijn leven… Ja, daar was ik al bang voor, ik had eigenlijk niet anders verwacht… Ik ben eerder afgewezen door de kerkenraad, door het curatorium… Ja, daar was ik al bang voor, zo gaat dat…
Nee, bij Elia niets van dat alles. Elia kijkt omhoog, hij hoort wat zijn jongen zegt, en… hij zegt niets! Hij buigt zijn hoofd weer tussen zijn knieën, en hij bidt verder. Hij blijft zich vasthouden aan het woord van God.
En dus laat u niet ontmoedigen, u die in stilte bidt en worstelt, diep buigend voor God, pleitend op Zijn woorden. Houd aan, roep des te meer! Zoals destijds Jakob bad, toen hij zei: Ik laat U niet los, tenzij U mij zegent. Zoals destijds Bartimeüs riep, toen de mensen zeiden dat hij moest ophouden met roepen. Maar hij riep des te meer: zone Davids, ontferm u over mij! Zoals destijds de Kananese vrouw vasthield, ondanks het feit dat ze schijnbaar afgewezen werd. Ze hield vast met haar bede: Heere, help mij.
Ik zal, zegt Jesaja (30:18), ik zal wachten op de HEERE. Ik zal wachten, totdat ik zingen mag: Ik heb lang de Heere in mijn druk verwacht. Maar toen, op Zijn tijd, toen heeft Hij Zich tot mij geneigd (Psalm 40). Zuchtend, biddend: verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron….
U zegt: ja, maar ik heb gebeden, ik heb gezucht, ik heb verwacht, maar ik hoor en zie helemaal niets. Geen verhoring, geen licht, helemaal niets…
Houd moed, volhard in het gebed! Zeg biddend: en nu, wat verwacht ik, mijn hoop die is op U. Ik hoop in al mijn klachten op U, op Uw onfeilbaar woord. En luister ondertussen niet naar al die ontmoedigende stemmen, die zeggen: stop maar, de Heere hoort toch niet. Doe maar als Elia deed. Zijn gebed is vasthoudend. Eén keer, twee keer, drie keer, geduldig wachtend op Gods tijd. Wetend in zijn hart, en ondertussen gerust: God laat nooit één van Zijn woorden op de aarde vallen. En maar bidden, en maar doorgaan met bidden: doe Heere, wat U gesproken hebt.
Waarom moeten we vaak zo lang wachten? Waarom worden wij zo vaak teleurgesteld, omdat er nog geen antwoord komt? Laat ik er een paar dingen van zeggen. Het is in de eerste plaats opdat we onze onwaardigheid niet alleen met onze mond zouden uitspreken, maar echt in ons hart zouden doorleven. Dat we echt weten en geloven zullen dat God het nooit zal doen om ons en om ons gebed. Het is in de tweede plaats op dat we als een rechteloze mensen zouden gaan pleiten op het Woord van de Heere en de eer van Gods Naam. En het is in de derde plaats opdat de verhoring van ons gebed voor ons echt genade zou worden. Een wonder van genade. Want God is genadig, niet voor mensen die goed kunnen bidden, maar voor slechte mensen. En onze God ontfermt Zich op hun gebed. En dus zeggen we: Godvruchte schaar, houd moed. Hij is getrouw!
Zes keer gebeden, niets te zien: een blauwe lucht, geen wolkje, geen teken, niets. En dan, op Gods tijd, de zevende keer… Dan staat in vers 44: En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude. Zevenmaal in het verborgen gebeden, geworsteld met God. Niemand zag het, God alleen. Diep bij de grond, pleitend op het woord van Gods belofte. Als een onwaardige, als een medeschuldige. Als iemand die gehoorzaam gegaan is in Gods weg. Ondertussen zicht gekregen op het vuur van de hemel, dat offer en altaar verteerd heeft.
O, alles wijst ondertussen heen naar de volmaakte Voorbidder, naar de biddende Hogepriester, de Heere Jezus Christus. Om Wie God alleen, op Zijn tijd Zijn belofte vervult. Want het is om Hem, om Christus, om Zijn gebed, dat onze God Zich ontfermt op ons gebed. Op aarde bad Hij en zei: Vader, Ik wist, dat U Mij altijd hoort (Johannes 11:42Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.). En daarom kon de dichter zingen in Psalm 145: De Heere doet het welbehagen dergenen die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen (Psalm 145:19).
‘Vader’, zegt de jongen, ‘mijn heer Elia, nu zie ik een kleine wolk, zo groot als een hand’. Het teken van hoop, een straal van licht in het donkere hart. Als voorbode van een overvloedige regen.
In het persoonlijke leven voor mensen die gebukt gaan onder hun schuld, en die bidden (ootmoedig, nederig, vasthoudend) om licht, om zicht op de weg der zaligheid. Ik heb lang de Heere in mijn druk verwacht… En nu: een straal van licht. De Heere weet van me af. Hij hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen. En Hij zal Zijn werk voor mij voleinden. Kom, bidders, houd toch moed. Hij zal u nooit schaamrood laten staan. Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Habakuk 2:3b).
God laat geen bidder staan. Op Zijn tijd verhoort Hij zulke gebeden. Pleitend op het woord van Zijn belofte. Dat betekent dus ook: geen dingen vragen die daarbuiten liggen. Afgesmeekt in het verborgen, diep buigend, nederig, ootmoedig, schuldig, rechteloos… Met een beroep op het gebed van de grote Voorbidder. Onze catechismus zegt in zondag 45 (antwoord 116): dat God Zijn genade en Heilige Geest alleen geven zal (maar dan ook zeker geven zal) aan hen, die Hem zonder ophouden met hartelijke zuchten daarom bidden en daarvoor danken. Dat zijn de ware bidders, die God verhoort, daaraan kent u ze: ze kunnen er maar niet mee ophouden, met zuchten!
Een kleine wolk, als verhoring van veel zuchten, als voorbode van een overvloedige regen. Schep moed, beproefde broeders (als het gaat om de roeping tot de dienst van de Heere), zo zei ooit een bekende bijbeluitlegger. Schep moed, beproefde broeders, uit deze geschiedenis. Het antwoord op uw gebeden kan veel dichterbij zijn dan u denkt.
Een wolk als eens mans hand. Als verhoring van veel zuchten, als voorbode van een overvloedige regen. Buig uw hoofd maar, bidt en pleit maar op het woord van God, en wacht ondertussen maar geduldig op Gods tijd. Want: Die de Heere verwachten, die zullen de kracht vernieuwen. De Heere bevestige, in het bijzonder in deze tijd waarin het curatorium gaat vergaderen, het woord van de dichter uit Psalm 34: Zij sloegen het oog op God, Zij liepen als een stroom hem aan. Hij liet hen nimmer schaamrood staan, En wendde straks hun lot.
Dat geve ons de HEERE, tot roem van Zijn Naam die heerlijk is.
Amen.
Slotzang Psalm 138:3
Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, Van 's HEEREN wegen; Want groot is 's HEEREN heerlijkheid, Zijn Majesteit Ten top gestegen; Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, Op hen het oog, Die nederig knielen; Maar ziet van ver met gramschap aan De ijdele waan Der trotse zielen.
Andere preken over 1 Koningen
Andere preken voor Curatorium