23 april 2015
1 Koningen 18:7-8: Als nu Obadja op den weg was, zie, zo was hem Elía tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht en zeide: Zijt gij mijn heer Elía? Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.
INLEIDING
Na jaren wachten stuurt De Heere Elia terug naar Israël met de belofte van regen – niet omdat het volk zich bekeerd heeft, maar uit louter welbehagen. Onderweg ontmoet hij Obadja, een godvrezende hoveling die honderd profeten heeft verborgen. Door Achab wordt Elia "beroerder van Israël" genoemd, een verwijt dat ook Christus en Zijn dienstknechten treft. Alles loopt toe naar de Karmel, waar de vraag klinkt: wie is God – De Heere of Baäl?
Weg uit Zarfath, terug naar Israël
1 KONINGEN 18:5-17
5 En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden en niets uitroeien van de beesten.
6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg.
7 Als nu Obadja op den weg was, zie, zo was hem Elía tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht en zeide: Zijt gij mijn heer Elía?
8 Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.
9 Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode?
10 Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, zo er een volk of koninkrijk is waar mijn heer niet gezonden heeft om u te zoeken! En als zij zeiden: Hij is hier niet, zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af, dat zij u niet hadden gevonden.
11 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.
12 En het mocht geschieden wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen, en ik kwam om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees den HEERE van mijn jonkheid af.
13 Is mijn heer niet aangezegd wat ik gedaan heb, als Izébel de profeten des HEEREN doodde? Dat ik van de profeten des HEEREN honderd man heb verborgen, telkens vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?
14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier; en hij zou mij doodslaan.
15 En Elía zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen.
16 Toen ging Obadja Achab tegemoet en zeide het hem aan; en Achab ging Elía tegemoet.
17 En het geschiedde als Achab Elía zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder Israëls?
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 18:7-8
THEMA
Weg uit Zarfath, terug naar Israël
Het is inmiddels 3 jaar geleden dat Elia de opdracht kreeg om te vertrekken uit Samaria. Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is (1 Koningen 17:3Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.) Daar heeft hij geleefd van het water van de beek, van het brood en het vlees dat raven hem brachten. Totdat Elia opnieuw een opdracht kreeg van de Heere: Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude (1 Koningen 17:9).
Het is voor Elia, daar in Zarfath, een gezegende tijd geweest. U zegt: wat was die zegen dan? Voor die man Gods, die ongetwijfeld de nood van zijn volk gevoeld heeft als een last op zijn ziel? Moet hij nu echt een paar jaar werkloos wachten in Zarfath? Wat was de zegen voor Mozes, veertig jaar lang in de woestijn Midian? Wat was de zegen voor Paulus, drie jaar lang in Arabië? Was dat geen tijdverspilling? Kan Elia niet beter preken in Israël, op de straten van Samaria? Om het volk te manen te breken met de dienst van de Baäls en de Astharoths?
Wat was de zegen voor Elia aan de beek Krith en in het huis van de weduwe in Zarfath? Dit: dat hij leerde om te wachten op Gods tijd. Door een weg van beproeving, door een weg van geloofsbeproeving geduldig wachten op Gods tijd. Niet zelf plannen maken. Niet zelf allerlei goede ideeën uitbroeden en uitvoeren. Nee, Elia, je bent in dienst van God. En God wil je gebruiken waar en wanneer Hij wil. Dit was de zegen voor Elia: leren wachten. En ook: leren onderworpen te zijn. Als ik, God, zeg ‘Ga’, dan ga je. Als ik zeg ‘Kom’, dan kom je. Maar er was nog een zegen voor Elia in het huis van die weduwe in Zarfath. Elia krijgt daar, voordat hij moet beginnen aan die nieuwe, grotere en nog moeilijker opdracht, onverwacht door de weg van grote beproeving een bevestiging van zijn roeping. Want zo eindigt 1 Koningen 17. Met de gebedsverhoring van Elia. Op zijn gebed wordt de zoon van de weduwe in Zarfath opgewekt uit de dood. En dan staat er in vers 24: Toen zeide die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat u een man Gods bent, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is (1 Koningen 17:24). Het is een bevestiging van zijn roeping, voordat hij moet beginnen aan de nieuwe opdracht, die hij nu van de Heere krijgt.
En toen (hoofdstuk 18 vers 1), toen gebeurde het (God voert zijn plannen uit), na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem. ‘Elia, sta op en ga. Neem afscheid. En kom terug naar Israël’. Want? ‘Ik zal regen geven’.
Wonderlijke opdracht. Maar een nog wonderlijker belofte: ‘Ik zal regen geven.’ Want, is er iets veranderd? Zijn er geruchten doorgedrongen in Zarfath van bekering, van omkeer bij het volk, bij koning Achab? Nee, helemaal niet. Of, lezen we iets van gebed van Elia om regen? Nee, helemaal niets. Er is maar één ding dat hier schittert: Gods trouw, Gods welbehagen. Het is ten diepste Gods verkiezende welbehagen. Hij houdt dit volk, dit van zichzelf goddeloze volk, dat Hij verkoor uit het midden van de volken, midden in het oordeel toch vast! En dus: Elia, je hebt het oordeel van de wet uitgesproken, maar nu (drie jaar later) moet je een boodschap van zegen, van regen brengen, nu moet je het evangelie brengen! Omdat er ondertussen sprake is van bekering? Nee, dat zou het allemaal afhankelijk maken van ons, mensen. Trouwens het volk bekeert zich helemaal niet. En Achab buigt helemaal niet. Sterker nog: hij weigert de tucht aan te nemen. Zijn hoofd is harder dan een rots. Hij weigert zich te bekeren (Jeremia 5:3O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.).
Het is God en God alleen, die naar Zijn eeuwig welbehagen Zijn naam wil groot maken onder dat afgedwaalde volk, dat de afgoden dient. Dat is wat in Israël, op de Karmel, gebeuren moet. En dat is wat ook hier gebeuren moet. En gebeuren zal. Naar Gods plan. Want het is geen zaak van Elia. Het is geen zaak van het volk Israël. En het is ook geen zaak van ons als ambtsdragers, van u als gemeente. Het is Gods zaak. En Hij heeft gezegd: hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd (Psalm 132:14Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.). Daar is midden in die donkere tijd in Israël een overblijfsel (zevenduizend, honderd profeten), een overblijfsel dat God begeerd heeft. Zeker, daar is straks een indringende oproep tot bekering. En het gaat ook niet buiten bekering, buiten het breken met de zonde om. Maar het begin van alles, de oorsprong van alles ligt in het welbehagen van God. Daarom wordt Israël verlost en gered. Vanwege dat overblijfsel dat er is, dat overblijfsel naar Gods verkiezende welbehagen.
Wie houdt God vast? Israël, dat goddeloze volk, dat de afgoden dient. En waarom en wanneer zal God regen, zegen sturen? Zodra zij eraan toe zijn? Nee, er is geen enkele voorwaarde in de mens. God zegt: Ik zal het doen, om Mijzelf, om Mijn welbehagen, om Mijns groten Naams wil (Ezechiël 36:22Daarom zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls! maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt.).
Elia neemt afscheid in Zarfath. We lezen in vers 1-2: En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem. En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria.
We overdenken in deze dienst met elkaar het Schriftgedeelte 1 Koningen 18:1-19En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem. En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria. En Achab had Obadja, den hofmeester, geroepen; en Obadja was den HEERE zeer vrezende. Want het geschiedde, als Izebel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten. En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg. Als nu Obadja op den weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heer Elia? Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode? Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden. En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees den HEERE van mijn jonkheid af. Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten des HEEREN doodde? Dat ik van de profeten des HEEREN honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb? En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier, en hij zou mij doodslaan. En Elia zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet. En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder van Israël? Toen zeide hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des HEEREN verlaten hebt en de Baäls nagevolgd zijt. Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het ganse Israël op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.. Het thema voor de preek is: Weg uit Zarfath, terug naar Israël
En we zien in het Bijbelgedeelte dat voor ons ligt en dat we gelezen hebben twee ontmoetingen. Op die twee ontmoetingen gaan we samen letten. Het zijn de twee punten van de preek: 1. De ontmoeting tussen Elia en Obadja 2. De ontmoeting tussen Elia en Achab Als eerste dus:
We lezen in vers 3 en 4: En Achab had, Obadja, den hofmeester, geroepen; en Obadja was den HEERE zeer vrezende. Want het geschiedde, als Izebel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. Elia, de man Gods, die kennen we ondertussen. Een man van moed en dapperheid. Een man van de openlijke, publieke confrontatie. Obadja is een ander mens. Hij vreest (zo staat in vers 3, en ook in vers 12) de Heere zeer, en dat van jongs af aan. Van kind af aan is hij een kind van God. Wordt je dan een raar jongetje? Een achtergebleven ventje? Nee, want Obadja heeft een toppositie aan het hof van koning Achab. En dat gaat blijkbaar prima samen. Nee, hij is geen man van het compromis, een man die alleen zijn baas pleziert en die bij alles aan zijn voeten ligt. En hij is ook geen man die zijn knieën buigt en aan de voeten ligt van Baäl. Midden in de verleiding van zijn tijd staat hij rechtop overeind. Zeker, respectvol naar zijn baas, maar integer en oprecht. Hij doet als kind van God trouw zijn werk, op zijn hoge post, en hij vreest de Heere, eerlijk en oprecht. Zoals je ook nu als christen kunt staan in onze huidige, moderne samenleving. Met de oprechtheid en voorzichtigheid van Obadja. Meewerken aan fraude, oneerlijkheid of bedrog? Nee! Maar tegelijkertijd met oprechtheid en toewijding, die zelfs de goddeloze Achab zo waardeert, dat hij Obadja deze hoge positie geeft. Zelfs in die moeilijke, (wij zouden zeggen) antichristelijke tijd. En… dat is tot eer van God! Dat we niet allemaal met elkaar op een kluitje gaan zitten, maar dat we echt het zout van de aarde zijn. Jongelui, studerend, met kans op een hoge positie, blijf waar je bent! Godvrezend, oprecht en trouw. Als een mens die zijn werk goed doet en tegelijkertijd Gods dient, midden in deze Achabitische samenleving.
Trouw en integer. IJverig en anders… dan zijn baas. Lees maar mee in vers 5: En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten. Hoe groot is het verschil tussen koning Achab en zijn knecht Obadja.
Terwijl Israël omkomt van de honger, zoekt Achab naar gras voor zijn paarden en muildieren. Onmenselijk wreed. Ja, zelfs goddeloos. Want Israël mocht niet op paarden rijden. Niet dat een paard een slecht dier was, maar een paard was een teken van vertrouwen op jezelf. Het oordeel rust op Israël. En wat doet Achab? Erkent hij schuld? Buigt hij voor God? Nee. Hij doet het uiterste om zijn eigen macht, om zijn eigen militaire macht te handhaven door de laatste grassprietjes te zoeken. Misschien herkent u dat wel? Buigen onder de slaande hand van de Heere? Schuld erkennen? Nee! Doorgaan, jezelf handhaven. Obadja doet ondertussen gehoorzaam zijn werk. Maar in het geheim doet hij ander werk. Izebel heeft de profeten van de Heere uitgeroeid, maar Obadja heeft honderd onderduikers verborgen in twee grotten, waarschijnlijk in de buurt van de berg Karmel.
Bijzonder! Midden in die donkere tijd zijn er deze honderd (waarschijnlijk nog jonge) mannen. De profetie zwijgt al drie jaar. Maar ze zijn er wel, je ziet ze alleen niet: honderd profeten! Bestemd om uiteindelijk het Woord te verkondigen. Nooit is de tijd te donker om te geloven in, om te rekenen op het ingrijpen van God. Die in het verborgen werkt en Zijn kerk in stand houdt. Want Zijn trouw rust zelfs op het late nageslacht. Een teken van hoop in deze donkere tijd. God heeft de kerk in Israël niet verlaten. En het mag voor ons ook wel een teken zijn van hoop en verwachting. Er zijn niet alleen zevenduizend mensen die de knie voor Baäl niet gebogen hebben, maar er zijn ook nog honderd profeten! Een teken van hoop en verwachting. Maar het mag ons ook wel dringen om te bidden en blijvend te bidden voor nieuwe dienaren van het Woord, ook binnen de kring van onze gemeenten.
Obadja. Hij is heel anders dan de goddeloze koning Achab, voor wie hij werkt. Hij is ook heel anders dan de moedige profeet Elia, die publiek confronteert. Gods kinderen en Gods knechten zijn niet allemaal gelijk. Er is, zo schrijft Paulus in 1 Korinthe 12 (4-6) verscheidenheid van gaven, van bedieningen, van werkingen, maar het is dezelfde Geest. We hoeven geen klonen te zijn van elkaar of van wie dan ook. Slaafse imitatie is uit den boze. Ieder heeft zijn eigen gaven en talenten van God gekregen.
En (zo lezen wij verder in vers 6 en 7) zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg. Als nu Obadja op den weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heer Elia? Beiden, koning Achab en zijn knecht Obadja, gaan hun eigen weg. Uit praktische overwegingen. Want als twee zoeken, ieder op zijn eigen pad, dan vindt je samen meer. Toch heeft het vast ook iets meer in zich. Ze gaan ook in geestelijke zin echt hun eigen weg. Twee verschillende wegen. Achab gaat door, op zijn eigen weg. Hij weigert zich te bekeren. En Obadja vreest de Heere. Hij gaat in Gods weg. En… ontmoet onderweg de man Gods.
Voor hem, voor Obadja, is het wel de schrik van zijn leven. Deze man Gods, hij herkent hem direct. Hij is gezocht in binnen- en buitenland. Elia, most wanted! Zijt gij (vers 7) mijn heer Elia? Bent u het echt? Echt? Verbazing, blijdschap, respect, eerbied, maar je voelt ook iets van huiver…
En dan proef je weer het verschil tussen deze twee kinderen van God, die ieder een eigen plek, die ieder een eigen taak gekregen hebben. Elia, dapper als een held: Ja, ik ben het! Niks incognito, niks vermijdend. Hier ben ik! Roep de koning voor mij. Hij zei (vers 8): Ik ben het. Ga heen, zeg uw heer: zie, Elia is hier. Dat is Elia. En Obadja? Die is dapper op een andere manier. Maar nu toch wel een beetje erg van slag, verschrikt en bang. Kijk maar in vers 9: Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode? Wat u van me vraagt, mijn heer Elia, dat is levensgevaarlijk voor mij. Overal bent u gezocht, nergens bent u gevonden. En als ik nu ga en zeg: hij, Elia is daar… Stelt u zich voor, dat de Heere u wegneemt, dan heb ik het gedaan! En u mag weten, broeder, man Gods, van mijn oprechtheid. Ik ben geen bedrieger. Ik heul niet met de vijand. Ik vrees de HEERE (vers 12) van jongs af aan. En ik heb (vers 13) honderd onderduikers verstopt (dat is trouwens geen trots, maar een tekening van zijn oprechtheid!). En nu zegt u (vers 14): ga heen, zegt uw heer: zie, Elia is hier? Hij zou mij doodslaan!
Obadja aarzelt… Zal dit wel goed aflopen? Zou God er wel voor zorgen dat Elia hier blijft? Zou Hij hem ondertussen niet wegnemen? Want dan haal ik echt de woede van koning Achab op mijn hals. Dat zou echt mijn dood worden! Mensenvrees, angst…, letterlijk: doodsangst. ‘Hij zou mij doodslaan’.
U zegt: dat valt me tegen van Obadja! O ja? Durft u het, op straffe van de doodstraf honderd mensen verbergen, midden in een wereld die u minacht omdat u de God van de Bijbel dient? U zegt: het valt me toch tegen! Mij niet. Het staat gewoon in de Bijbel. Dat we zwak van moed zijn en klein van krachten (Psalm 103) en dat wij tot hinken en zinken ieder ogenblik gereed zijn. Dat staat in Psalm 38. En dat gaan we nu samen eerst zingen: Psalm 38:17. Want, o HEER, ik ben aan 't zinken En tot hinken Ieder ogenblik gereed; 'k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor ogen, Bij 't vooruitzicht van mijn leed.
De verschillen tussen die twee kinderen van God, Elia en Obadja, blijven opvallen. Obadja is bevreesd, bang, letterlijk: doodsbang. Maar Elia toont zijn moed en standvastigheid als hij zegt (zoals staat in vers 15):
Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! Onbevreesd. Wat zal een nietige mens mij doen. Want, ik sta voor God! Geen haar zal van mijn hoofd vallen zonder Gods wil. En niemand zal mij aanraken zonder Zijn toestemming. En voor dat woord, voor het woord van God buigt Obadja. Dat brengt ons bij onze tweede ontmoeting
Als we lezen in vers 16 en 17: Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet. En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder van Israël? Je voelt het aan alle kanten: Achab is boos, vol van wrok en verwijt. Dit is die man! Dit is die man, die verantwoordelijk is voor het oordeel, voor de droogte, ja, voor alle ellende in zijn land. Het oordeel van God is over Achab gekomen, maar het heeft zijn hart niet verbroken. Het heeft zijn hart alleen maar verder verhard.
En wat hij doet en hoe hij reageert, dat is symptomatisch. Dat gebeurt nog steeds! De boodschapper wijst. Met de vinger van het Woord: u bent die man! En dan… heeft de boodschapper een probleem: ‘beroerder in Israël!’ Ja, want wie me over mijn bol aait, wie mij bemoedigt, wie mij complimenten geeft, wie mij beter voorstelt dan de ander en die ander hard slaat, dat is natuurlijk een fijne dienstknecht van God. Maar wie mij, Achab, aanraakt…, die heeft een probleem.
Dat is precies hetzelfde als wat Paulus en Silas overkwam in Filippi. Een bezeten meisje wordt verlost van een waarzeggende geest. Ja, maar dan verliezen wij onze inkomsten. En wat zeggen ze dan? ‘Mensen, hoofdmannen, deze predikers beroeren de stad!’ (Handelingen 16:20En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.) Hetzelfde overkomt Paulus en Silas opnieuw in Thessalonica. Daar prediken ze Christus. En dan komt er verzet. Dat is trouwens altijd zo. En dan zijn er mensen die (dat staat in Handelingen 17:5Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.), mensen die de stad beroeren. En ze trekken Jason voor de oversten van de stad en zeggen: dezen, die de wereld in roer gesteld hebben (ze beroeren de wereld!), zijn ook hier gekomen. En wat is de beroering die ze veroorzaken? Letterlijk dit: ‘ze zeggen dat er een andere koning is, namelijk Jezus’.
En dat klopt. Wij zeggen dat er een andere Koning is, dan de koning die ik, u en jij van nature dient. Een andere koning, namelijk Jezus. En tegen Hem, tegen Jezus, hebben ze trouwens destijds precies hetzelfde gezegd. Het staat in Lukas 23:5En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.: En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.
En dus is Elia hier een type van de (toen nog) komende Christus. Die bereidwillig en gehoorzaam naar voren trad. In deze Gode vijandige, Baäl en Astharoth dienende wereld.
‘Zie ik kom’. Ik ben bereid. En Hij ging heen (vers 2). Hij, die tenslotte als de Beroerder van Israël is weggeworpen. O, Israël, wat hebt u gedaan? O, mijn ziel, wat hebt u gedaan? U hebt de Zaligmaker verworpen! O, dierbare Heiland! Wat hebt U gedaan? Dat U desondanks kwam? Dat U niet afliet om ons op te roepen tot bekering? En dat U uiteindelijk Uzelf hebt gegeven tot een zoenoffer voor zulke afgodendienaars?
Lieve mensen, het is de plicht van de dienaars van Christus u zo te waarschuwen, zoals Elia deed, zoals Christus deed. En wij weten dat de boodschap van die andere Koning, namelijk Jezus, tegen de haren van ons mensen in strijkt. Dat weten we uit de Bijbel, en ook uit ons eigen hart. Want Hij predikte zonde. En dat wil ik niet horen. Want ik voel me goed. Hij predikte de neiging om mezelf te bedriegen. En dat wil ik niet horen. Want, ben ik dan ook blind? Hij predikte genade door een weg van lijden en sterven en opstaan uit de dood, omdat het moest. Maar dat wil ik niet. Ik wil het zelf doen. En men noemde hem de Beroerder van Israël. En zo kan het ook nu nog zijn, dat men ambtsdragers, zendelingen, evangelisten, knechten van God, beroerders in Israël noemt. Net als destijds bij Elia. Is dat erg? Nee. We mogen ons daar gerust bij voelen. Want wij weten, dat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft, dat dat zo hoort. Dan is het pas goed. Als wij smaadheid lijden op Christus’ wil. Want Hij heeft gezegd: ze hebben Mij vervolgd; als u Mij niet navolgt, nou dan hebt u een rustig leven; maar als u Mij wel navolgt, dan zullen zij ook u vervolgen. En ondertussen is het ons tot troost en tot blijdschap dat het welbehagen van de Heere, ondanks al het verzet van ons mensen, door Zijn hand voorspoedig voortgaat. Als de Heere niet werkt, dan is het stil. Maar als de Geest werkt, net als bij de dienst van Elia, net als bij Paulus en Silas, dan komt er beroering.
We lezen verder in vers 17: En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder van Israël? Hier past de roep, de klacht van Jeremia: O land, land, land! hoor des HEEREN woord! (Jeremia 22:29O land, land, land! hoor des HEEREN woord!) U hebt de geboden van de Heere verlaten en bent de afgoden nagevolgd.
Moet dat vandaag misschien ook van u gezegd worden? Het oordeel in uw leven, de tegenspoed komt door uw eigen goddeloosheid? Nee, dat zeggen we niet met de vinger wijzend naar andere mensen. Maar moeten we het misschien wel zeggen van onszelf?
Nu dan (vers 19 en 20), zend heen, verzamel tot mij het ganse Israël op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baal, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. Zo zond Achab onder alle kinderen Israëls, en verzamelde de profeten op den berg Karmel. De zaak komt tot een climax. Wie is er God?
Baäl, de god van de vruchtbaarheid, de god van de regen? Hoewel het ondertussen al drie jaar droog is? Maar, als er nu zomaar ineens ‘vanzelf’ regen komt, dan krijgt Baäl de dank. En dus moet er een publiek moment komen. Het moet duidelijk worden: van wie is die regen? En dus: naar de Karmel, allemaal, iedereen! Want wie is God? Wie, o Israël, is uw God?
Wie is uw God? Wie dient u? Midden in deze Achabitische tijd? God of Baäl? Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! (1Koningen 18:21)
Amen.
Slotzang Psalm 118:4
De HEER is aan de spits getreden Dergenen, die mij hulpe biên; Ik zal, gered uit zwarigheden, Mijn lust aan mijne hateren zien. 't Is beter, als w' om redding wensen, Te vluchten tot des HEEREN macht, Dan dat men ooit vertrouw' op mensen, Of zelfs van prinsen hulp verwacht'.
Andere preken over 1 Koningen
Andere preken voor Elia