PREEK · VRIJE STOFFEN

Elia op de berg Karmel – 1 Koningen 18

7 mei 2015

Verwerking

1 Koningen 18:38: Toen viel het vuur des HEEREN en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op hetwelk in de groeve was.

INLEIDING

Op de Karmel roept Elia het volk op te kiezen tussen de HEERE en Baäl. Hij doet een drievoudig beroep: op het geweten ('hoelang hinkt u op twee gedachten?'), op het verstand (de machteloze Baälpriesters tegenover de HEERE die door vuur antwoordt), en op het hart (het herstelde altaar, Elia's gebed). Vuur valt uit de hemel en verteert offer en altaar — beeld van Golgotha, waar Gods gramschap op Christus geblust werd.
Wie in Hem gelooft, mag leven; wie bij Baäl blijft, wacht oordeel.

THEMA

Elia op de berg Karmel

KERNPUNTEN

  1. Elia doet een beroep op het geweten
  2. Elia doet een beroep op het verstand
  3. Elia (en daarmee de God van Elia) doet een beroep op het hart

1 KONINGEN 18:32-39

32 En hij bouwde met die stenen het altaar in den Naam des HEEREN; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaad.
33 En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken en legde hem op het hout.
34 En hij zeide: Vult vier kruiken met water en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zeide: Doet het ten tweeden male. En zij deden het ten tweeden male. Voorts zeide hij: Doet het ten derden male. En zij deden het ten derden male,
35 Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water.
36 Het geschiedde nu als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elía naderde en zeide: HEERE, God Abrahams, Izaks en Israëls, dat het heden bekend worde dat Gij God in Israël zijt en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb.
37 Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, opdat dit volk erkenne dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt.
38 Toen viel het vuur des HEEREN en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op hetwelk in de groeve was.
39 Als nu het ganse volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God.

VOLLEDIGE TEKST

Elia op de berg Karmel – 1 Koningen 18

ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 18:38

THEMA

Elia op de berg Karmel

Ze komen van alle kanten. De mensen stromen toe. Iedereen probeert een plekje te bemachtigen vanwaar hij of zij het goed kan zien. Dat wat straks gebeuren zal. Want, er komt regen! Tenminste, dat zegt men…

O, kijk, daar komen al de priesters van Baäl! Het teken van de zonnegod glinstert op hun tulbanden. En kijk, daar komt koning Achab! Iedereen komt op deze dag naar de berg Karmel. Zonder twijfel honderden, duizenden mensen. En kijk daar, in het centrum, in het middelpunt, daar zal het straks allemaal gaan gebeuren.

Toen, zo staat in vers 21, naderde Elia tot het ganse volk. Daar komt hij, die zo gehate man Gods. Ineens valt alle geroezemoes stil. Kijk, daar is hij… Drie jaar lang is hij spoorloos geweest. Maar daar is hij weer… Elia, de man Gods.

Elia op de berg Karmel. Dat is ook het thema voor de preek van vanmorgen: Elia op de berg Karmel

De profeet doet in het Schriftgedeelte dat aan ons is voorgelezen drie dingen. En dat zijn ook de drie aandachtspunten van de preek. Hij doet een beroep op het geweten van het volk. Ik denk dan vooral aan vers 21: Hoelang hinkt u op twee gedachten? De profeet doet ook een beroep op hun verstand. Daarbij denk ik vooral aan vers 24, waar hij zegt: die God, die door vuur zal antwoorden, die is God! En de profeet doet in de derde plaats ook een beroep op het hart van het volk. Ik denk dan vooral aan vers 30, waar staat: en hij heelde het altaar des HEEREN dat verbroken was. Drie aandachtspunten dus: 1. Een beroep op het geweten 2. Een beroep op het verstand 3. Een beroep op het hart

Als eerste dus:

1. Elia doet een beroep op het geweten

Er staat in vers 21: Toen naderde Elia tot het ganse volk en zei: hoelang hinkt u op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na. Helemaal alleen staat hij daar. Tegenover die vijandige koning Achab, tegenover die 450 priesters van Baäl, tegenover dat afgoden dienende volk.

Maar hij is moedig, dapper en onverschrokken. Want: zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Vol van moed en ijver. Want het gaat om God! Het gaat om de eer en de Naam van de HEERE, de God van Israël.

‘Hoelang hinkt u op twee gedachten?’ Wie is God? Is de HEERE God, of Baäl? Want je kunt niet tegelijkertijd God dienen en de mammon! God en de afgoden, God en de zonde… U zegt: ligt de zaak zo scherp? Valt er niet iets te combineren? God…? Ja, natuurlijk, de Heere dienen. Maar ook een klein beetje (nee, zeker niet meer!) van dat andere, van Baäl…?

Want Baäl is zo leuk, zo aantrekkelijk, daar heb je wat aan, aan het dienen van Baäl. Want Baäl, dat is wat mag van de koning, dat is wat iedereen goed vindt, dat is wat iedereen doet. En trouwens Baäl dienen, dat heeft ook een lange traditie. Dat is niet iets moderns of iets nieuws, nee, dat is gewoon, van alle eeuwen. En trouwens, Baäl dienen, daar heb je ook wat aan. Want Baäl is niet alleen de god van de bliksem, van het vuur, maar ook van de regen en van de vruchtbaarheid. Op zijn tijd levert het echt wel iets op. Ja, het is waar, regen heeft hij de laatste drie jaar niet gegeven, en misschien is mijn kans wel als een lot in de loterij, maar toch…! En, ook niet te vergeten: Baäl is lekker. Baäl is sensueel, Baäl is seksueel aantrekkelijk. Vrijheid, seksueel plezier én godsdienst… Het is toch geweldig, dat het samen kan gaan!!

En dan ineens… staat daar die profeet Elia! Die zegt: Kies heden wie u dienen wilt! Wie is God? De HEERE? Volg Hem dan na! Is het Baäl? Volg dan Baäl! Hoelang hinkt u op twee gedachten? Geestelijke manklopers, wie gaat u dienen?

Antwoord…? Beiden, God en de Baäl? Nee, dat kan niet. Dat heeft Heere Jezus Zelf gezegd (Mattheüs 12: 30): Wie met Mij niet is, die is tegen Mij. En later heeft Johannes geschreven (Openbaring 3: 15): wie niet warm of koud is, maar lauw, die zal door God worden uitgespuugd.

Kan het echt niet beiden? Zondags en doordeweeks rechtzinnig belijden met de mond, maar ook een beetje (een beetje maar) van de zonde houden. Want dat is zo fijn, zo lekker, en soms is het nog voordelig ook...

Kan dat niet? Titus noemt het bedrog, als hij zegt (Titus 1:16) dat er mensen zijn die zeggen dat ze van God houden en Hem dienen, maar ze verloochenen Hem met hun werken. Maar toch, zou het echt niet kunnen? Kan dat niet samengaan? Dat je hier in de kerk God dient, maar thuis je eigen afgoden hebt? Je dient ze, maar niet echt, gewoon een klein beetje…

Kan dat niet samengaan, dat je zegt dat je in de Bijbel gelooft (dat is God), maar dat je tegelijkertijd ook zegt (en dat is Baäl): seks buiten het huwelijk, pornografie, een homoseksuele relatie, dat kan ook best wel… Kan dat niet samengaan? Dat je zegt dat je in stilte God dient, maar dat je - als het erop aankomt - Hem uit mensenvrees verloochent?

Blijkbaar dachten veel mensen toen dat dat wel kon. Dus is er helemaal niets nieuws onder de zon, als er nu ook veel mensen lijken te denken dat dat wel kan, dat dat wel kan samengaan.

Ja, de reden zal bij iedereen wel wat verschillend liggen. Angst voor mensen: ik durf niet te zeggen dat ik iets niet wil. Maar vooral dat andere (en dat zit diep in ons hart): het is zo fijn! Een beetje God, en een beetje Baäl. Een compromis sluiten. Dat past ook zo goed in deze tijd. Niet zo scherp zijn. Zeg niks over Baäl, zegt niks over de seksuele verwording van onze maatschappij. Want God is alleen voor de kerk. En voor de buiten hebben we Baäl. Ook een fijne god om te dienen.

Wie is God? De God van de Bijbel of de Baäl van deze tijd? Groter tegenstelling is niet denkbaar. Vriendschap tussen God en Baäl is ondenkbaar. Het is één van twee. Of de één, of de ander. Wie gaat u dienen? U zegt: ja, maar ik ben naar de Karmel gekomen, ik ben naar de kerk gekomen om regen, om zegen! Ja, dat zal waar zijn, maar de eerste vraag die God aan deze mensen stelt, de eerste vraag die God aan u stelt is: Wie wilt u dienen? Wie wilt u volgen? Mij, de God van Israël, of uw eigen Baäl?

Antwoord? Beiden? Nee, je voelt dat dat niet kan. En als je denkt dat het wel kan, dan heb je nog nooit goed in je Bijbel gelezen wat God zegt over Wie Hij is. Of je hebt een eigen beeld van God gemaakt, maar dat is dan ook niet meer de God van de Bijbel.

Dus…, antwoord? Israël bij de Karmel? Wat is uw antwoord? Niets… Geen antwoord… Vers 21 zegt: maar het volk antwoordde hem niet één woord. Overrompeld door de vraag misschien? Ja, dat kan. Of was het meer dat gevoel: ik wil niet kiezen. Ik wil niet dat de zaak zo op scherp gezet wordt.

Want… kiezen is delen? Nee, kiezen is breken! Breken met de één, of breken met de ander. En dus… zeg ik niets.

Goed. Dan doen we het anders. Ons tweede aandachtspunt:

2. Elia doet een beroep op het verstand

We lezen samen in vers 22-24: Toen zeide Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet des HEEREN overgebleven, en de profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen. Dat men ons dan twee varren (twee jonge stieren) geve, en dat zij voor zich de ene var kiezen, en denzelve in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de andere var bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen. Roept u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam des HEEREN aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het ganse volk antwoordde en zeide: Dat woord is goed. Prima, Elia. Natuurlijk is dat goed. Want Baäl is niet alleen de god van de regen en de vruchtbaarheid, maar hij is ook de god van het vuur. Dus: doe maar, ga je gang, want wij willen regen!

Zij zijn het eerst aan de beurt, die 450 Baälpriesters. Ze nemen (zo staat in vers 26) als eerste een jonge stier en bereiden hem. Let op, er staat niet dat ze die stier op een altaar gelegd hebben. Er staat enkel en alleen: ze maken hem klaar, ze bereiden hem. Later hebben ze wel iets van een altaar gemaakt.

En dan gaan ze roepen: 450 man in koor, uren door: ‘Baäl, antwoord ons!’ Urenlang… Maar niets: geen stem, geen antwoord, laat staan vuur… Ze doen hun uiterste best: ze springen, ze dansen, ze springen zelfs tegen het altaar dat ze ondertussen gemaakt hebben (zo staat in vers 26). Maar: geen antwoord… Dat moet wel een heel bijzonder spektakel geweest zijn. Al die duizenden mensen kijken toe: 450 mannen druk bezig met gezang, gedanst en geschreeuw… Maar het altaar dat ze ondertussen gemaakt hebben, staat daar maar te staan. En die geslachte stier ligt daar maar te liggen. En verder gebeurt er helemaal niets.

En Elia, de profeet? Die heeft alle tijd. Je hoort het hem, zonder woorden, zeggen: ‘zie je nu wel, mensen, Baäl hoort je niet eens, hij ziet je niet, hij weet ook helemaal niets, hij kan ook helemaal niets.’ Die goden die je doordeweeks dient, die kunnen helemaal niets! Kijk nu toch, mensen, nu zie je voor je eigen ogen gebeuren, wat je eigenlijk zelf ook iedere dag doet! Je kijkt als het ware in de spiegel: een beetje zingen, een beetje dansen, een beetje springen bij een paar stenen en een dode stier. Denk nu toch na! Je bent dom bezig! Gebruik je verstand! Dit is echt dwaasheid!

Weet je wat? Ik zal er een schepje bovenop doen! Mensen, (vers 27) je moet een beetje harder roepen! Baäl hoort je niet. Misschien zit hij wel diep na te denken, misschien is hij wel op reis gegaan, misschien doet hij net een dutje...

Mag je in het publieke debat wel spotten met andere goden, met afgoden? Jazeker, dat mag. Maar je moet wel oppassen hoe je dat doet. Dit is geen persoonlijke aversie, geen persoonlijke antipathie van Elia. Maar hij spreekt hier publiek als boodschapper van God. Hij geeft woorden van God door: God Zelf spot met andere goden, met afgoden!

Nog harder gaan ze schreeuwen. Ze snijden zichzelf met messen, beschadigen zichzelf met priemen en profeteren. Ze doen alles wat ze kunnen om Baäl te bewegen tot antwoord. Maar, het is allemaal tevergeefs. Die andere god die je dient, hoe hij of zij ook heet (geld, kennis, carrière, relatie of plezier), die andere god zal je, als het erop aankomt, geen antwoord geven! Hoe hard je ook roept.

En dan… is het genoeg. Wanneer? Dat staat in vers 29: toen men het spijsoffer zou offeren. Op het moment dat het spijsoffer geofferd gaat worden in de tempel in Jeruzalem. Twee stammen of tien stammen, of het rijk nu verdeeld is of niet, dat doet er niet toe. Want God, de ware God van Israël is aan geen plaats gebonden. Zes uur lang heeft dat gedoe van die Baälpriesters geduurd. En nu is het rond drie uur in de middag. Moment van de waarheid. En moment van indringende profetie! Nu gaat God ingrijpen.

Duizenden mensen zijn verzameld: hypocriet, dubbelhartig en dus vijandig tegenover God. ‘Maar, mogen we wel regen van u, Heere God? Want daar kwamen wij eigenlijk voor…’ ‘Leven doen we op onze eigen manier, maar mogen we wel straks naar de hemel? Want daar gaat U toch over…?’

Kijk mee, beste vrienden en zie hoe God die zegen, die regen gaat geven aan dit volk. Aan dit volk dat met Hem gebroken heeft. Kijk maar in vers 30: het altaar van de Heere is verbroken, afgebroken tot een ruïne. Men heeft gebroken met de dienst van God.

En als je daarnaar kijkt, naar het feit dat zij met God gebroken hebben, dan zie je een wonder! U zegt: regent het dan al? Nee, maar ziet u dan geen wonder? Is het soms vanzelfsprekend dat dit volk op de Karmel nog leeft? Is het vanzelfsprekend dat u nog leeft? Was het niet rechtvaardig geweest als er vuur van de hemel gekomen was om deze afgoden dienende mensen te verteren? Dat het in vers 30 verder gaat, met een beroep op het hart van het volk, dat is een teken en bewijs van het eenzijdige geduld van de God van Israël. Van die God, Die heilig is. En Die van Zichzelf heeft gezegd dat Hij een verterend vuur is en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan.

Maar toch wil die heilige God, vanwege Zijn welbehagen en geduld niet van dit volk af. En dus doet Hij een indringend beroep op hun hart. En zo ook vanmorgen op uw hart… En dat brengt ons bij ons derde aandachtspunt:

3. Elia (en daarmee de God van Elia) doet een beroep op het hart

We lezen in vers 30: Toen zeide Elia tot het ganse volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij heelde het altaar des HEEREN, dat verbroken was. Kom dichterbij, mensen. Kijk eens goed! Zie je dat puin? Daar stond het altaar van de HEERE. Maar u hebt er een ruïne van gemaakt. Ik doe een beroep op uw hart! Kom eens wat dichterbij! Kijk! U zegt dat u God dient (ja, natuurlijk ook), maar kijk, daar ligt Zijn altaar. Het ligt omver. Het is een ruïne.

Het altaar (vergis u niet) van Hem, Die van Zichzelf zegt: Ik ben een verterend vuur en een eeuwige gloed bij Wie niemand wonen kan. U zegt: dat is een beetje scherpe, oudtestamentische taal… Nee, dat staat in Hebreeën 12:29. Na alles wat in de Hebreeënbrief gezegd is over de offers, over het offer van Christus, over de verzoening door Zijn bloed, over het geloof en de vastheid ervan, blijft staan: God is heilig!

God is heilig, en kijk! Naar die stenen daar op de grond! Dat hebt u gedaan! Een ruïne, een puinhoop hebt u gemaakt van de dienst van de Heere! Nee, niet wegkijken! Kom dichterbij! Kijk, naar uw leven. Kijk, naar wat u gedaan hebt. U moppert wel dat er geen regen is… U zegt wel dat God u niet hoort, terwijl u al levenslang naar Hem zoekt en naar Hem vraagt… Maar dat is niet waar! Dat is niet oprecht! Kijk, daar! Een verbroken altaar! Daar komt het door!

En als je dat ziet, dan gaat het ineens niet meer over de regen. En dat is ook het bijzondere, in al deze verzen gaat het helemaal niet meer om regen. Hoe komt dat? Nou, hierom: als je dat verbroken altaar ziet, dan gaat het ineens over iets anders, dan gaat het over wij, over ik, tegenover de heilige en rechtvaardige God. Daaraan denkend gaan wij samen eerst zingen uit Psalm 51:5: Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet. Ai, was mij wel van ongerechtigheid; Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor, hoe een boeteling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.

Elia herstelt het altaar. Letterlijk staat er: hij heelt het altaar. Laten we samen met elkaar eens kijken naar hoe hij dat precies doet. In vers 31 staat dat hij twaalf stenen neemt. Naar het getal van de stammen van Israël. Want de HEERE heeft Israël verkoren. Het rijk is weliswaar verdeeld in tien en twee stammen, maar de HEERE die Israël verkoren heeft, is niet veranderd. Hij bouwt een altaar van twaalf stenen, en hij bouwt dat altaar (zo staat in vers 32) in de naam des HEEREN. Daar gaat het Elia om: om de naam van de HEERE. En daaromheen graaft hij een geul (zo staat ook in vers 32) met een breedte van twee maten zaad. Bedoeld wordt: met de breedte van twee kruikjes, die als maat dienden voor zaaigoed. En (vers 33) hij legt hout en het in stukken gedeelde offerdier op het altaar. En dat allemaal precies zoals de Heere dat wilde en in het verleden had gezegd.

En dat alles (vers 34 en 35) wordt op bevel van Elia kletsnat gemaakt. Met driemaal vier kruiken vol water. Daardoor worden het offer en het altaar, het hout en de stenen, alles kletsnat, maar ook de gegraven geul wordt gevuld met water.

En dan staat er weer in vers 36: let op! Het was niet zomaar een toevallig moment, het was allemaal op het moment dat het spijsoffer, het moment dat het avondoffer in de tempel van Jeruzalem gebracht werd!

Dan, op dat moment nadert Elia. Er is geen spoor van angst of vrees te zien. Hij komt dichterbij, in stil vertrouwen op zijn God en zegt, en bidt (met de woorden zoals ze staan in vers 36 en 37): Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zeide: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat U, o HEERE, die God bent, en dat U hun hart achterwaarts omgewend hebt.

Elia is voorbidder. Type, beeld van de inmiddels gekomen grote Elia, de grote Profeet en Voorbidder voor Zijn volk. Pleitend op…? Op Wie God is. Op Gods trouw aan Zijn volk. Pleitend op Zijn verbond met Abraham, Izak en Israël. Het enige fundament van hun bestaan. Zoals de dichter pleitend zong: herdenk de trouw, Uw trouw aan ons voorheen betoond. Pleitend op Gods trouw, pleitend op Zijn macht en opperheerschappij: U bent toch God! Toon dan Uw macht en Uw majesteit. Laten dan toch zien, HEERE, dat U zo getrouw bent al sterk. Biddend, voorbiddend, om…? Wat is het doel van Elia? Biddend om de verheerlijking van Gods Naam, om de eer en de heerlijkheid van God.

En als we zo vanmorgen in stilte luisteren naar het gebed van Elia, dan hoor je ten diepste iets van het volmaakte gebed van Christus: Vader, verheerlijk Uw Naam (Johannes 12:28) en: Ik zoek Mijn eer niet, maar de Uwe (Johannes 8: 50). Zo bidt Elia, gericht op de eer van God, voor het oog van die duizenden mensen.

Toon toch, HEERE, dat U God bent. En dat ik Uw knecht ben. Een nederige dienaar, in Uw dienst. En antwoord mij, opdat iedereen hier zou zien en weten dat U God bent. En dat U hun hart achterwaarts omgewend hebt, dat wil zeggen: dat U hen terug gebracht hebt in het goede spoor.

Aan het begin van de geschiedenissen van Elia blijkt de kracht van zijn gebed. En hier zien we opnieuw: het krachtige gebed van een rechtvaardige vermag veel. Wat is het, dat dit gebed zo krachtig maakt? En laten we dit gebed dan ook ondertussen vergelijken met onze eigen gebeden, waarvan we zo vaak klagen dat God ze niet hoort…

Het gebed van Elia is vrijmoedig. Hij nadert in vertrouwen tot het altaar. En als Elia bidt, dan vraagt hij precies wat hij hebben wil. U zegt: hij vraagt om regen! Nee, daar hoor je helemaal niets van. Maar het is ondertussen wel waar: hij vraagt precies waar het hem om gaat, namelijk om de eer van God. Dit is een gebed zonder eigenbelang. En het is een gebed dat doordrenkt is van diepe afkeer van en weerstand tegen Baäl, tegen de afgoden, tegen de zonde. Het is tegelijkertijd een ootmoedig gebed. Je proeft geen enkele trots. Hij zegt ootmoedig en nederig: ik ben Uw knecht. En het is ook een kort gebed. Het zijn enkele woorden. Het is geen lang gebed, zoals de farizeeën dat zo graag baden. Nee, kort, eenvoudig, opkomend uit het hart, gericht op de eer van God en op de zielen van de mensen om hem heen.

En vrij van iedere vorm van ‘baälisme’. Het is voor ons ook goed om daar op te letten, ook in onze tegenwoordige tijd. Want het gevaar van dat ‘baälisme’ kan ons als reformatorische mensen ook bedreigen. Als wij denken: ‘Heere, kijk eens naar ons: zo veel stille tijd we houden, zoveel gebeds- ochtenden die wij organiseren, zoveel Bijbelstudies die we doen, zoveel goede gesprekken die wij voeren en goede getuigenissen die we uitspreken, we zijn er uren per dag druk mee…’ Ik doel op dit gevaar: dat het allemaal een ijdel verhaal van woorden is, dat ondertussen behoorlijk begint te lijken op dat wat die Baälpriesters deden. Ik noem het maar ‘reformatorisch baälisme’.

Wat Elia doet is anders. Hij bidt: kort, eenvoudig, opkomend uit zijn hart, gericht op de eer van God, op de zielen van de mensen. En (en dat is ook onmisbaar!) zijn gebed is een gebed met het oog gericht op het altaar des HEEREN.

En wie zo bidt: ootmoedig, klein en eenvoudig, zonder de kakofonie van het baälisme van deze tijd, in het diepe besef dat wij het altaar verbroken hebben en een puinhoop gemaakt hebben van de dienst van de HEERE… Wie zo bidt: gericht op de HEERE, na gebroken

te hebben met de zonde, met het oog gericht op het altaar: die mag verwachten dat de HEERE hoort!

Elia staat daar alleen, zo lijkt het althans. Alleen tegenover al die mensen. Maar God is met Hem. Zijn boodschap is niet populair. En ongetwijfeld hebben veel mensen hem met de nek aangekeken en veracht. Maar dat geeft helemaal niets. Hij is ook geen knecht van mensen, hij is een dienaar van God. En hij herhaalt eenvoudig wat God gesproken heeft en voegt er met David aan toe: Heere, doe wat U gesproken heeft.

En wie dat zegt, en wie zo bidt, die mag verwachten dat de Heere hoort. Die mag verwachten dat er, op het scherpst van dat rechtsgeding op de Karmel, ineens vuur uit de hemel valt. Want, onze God is een verterend vuur.

Ineens, als een bliksem uit de hemel, valt er vuur uit de hemel! Op wie? Op de mensen? Op de Baälpriesters? Op Elia? Nee, op het offer en op het altaar. En het verteert, zo staat er in vers 38: èn het offerdier èn het hout èn het altaar (de stenen) èn het stof èn het water, kortom: alles!

Elia, nee, God doet als laatste een beroep op hun hart. En Elia doet het ook. En ik doe het vanmorgen ook. Een beroep op uw hart! Kijk, lieve mensen. Hier op de Karmel zitten duizenden mensen, die de dood hebben verdiend. Kiezen willen ze niet. Ze willen alleen maar regen. Voor hun ogen toont God de grootheid van hun kwaad: ‘kijk, Mijn altaar dat is een ruïne. U hebt een puinhoop gemaakt van Mijn dienst.’ En, God windt er geen doekjes om: ‘Ik ben een verterend vuur, een heilige God, die met zonde niets te maken wil hebben.’ En dat vuur van Gods heiligheid bliksemt ten tijde van het avondoffer uit de hemel en treft…? Het offer en het altaar… En dat is Evangelie! Dat is Evangelie op de plaats van het oordeel! En zij hebben het gezien!

Zo trof de hitte van het vuur van Gods heiligheid ten tijde van het avondoffer het enige Offerlam, het Lam Gods, de Heere Jezus Christus. En u hebt het gezien! U hebt vaker in gedachten gestaan op Golgotha. En gezien hoe God de hitte van Zijn gramschap heeft geblust in het lijden en sterven van Zijn Eniggeliefde Zoon, toen Hij stierf in de plaats van al de Zijnen. En omdat dat vuur van Gods heiligheid het offer en het altaar trof, omdat het vuur van Gods heiligheid Zijn Zoon getroffen heeft aan het kruis, daarom is toen het voorhangsel gescheurd ten tijde van het avondoffer. En daarom is er nu een weg voor mensen die precies zo zijn als de Israëlieten destijds. Daarom is er nu een weg voor zulke afgodendienaars, een weg om zalig te worden!

En het is Gods onbegrijpelijke geduld, dat Hij die weg ons voor ogen schetst en schildert. Voor de ogen van afgodendienaars, geestelijke manklopers, hinkend op twee gedachten. Mensen, breek toch met de zonde, breek toch met de Baäl. En kom en zie: een Zaligmaker, getroffen, verslonden en verteerd door het vuur van Gods heiligheid. Om Hem kunnen mensen zoals u en ik, die zo’n puinhoop gemaakt hebben van de dienst van de Heere, nog zalig worden.

Zoals de tabernakeldienst destijds is ingewijd met vuur uit de hemel (Leviticus 9), zoals de tempel van Salomo is ingewijd met vuur uit de hemel (2 Kronieken 7), zo is ook de ware tempel van het Nieuwe Testament ingewijd door vuur uit de hemel. En in die weg is het binnenste van het heiligdom geopend. Een geopende weg voor verloren zondaars. Kom, zondaars, met uw verloren leven. De hitte van Gods gramschap is nog niet op u geblust. Maar omdat de hitte van Gods gramschap geblust is op Zijn Zoon, daarom is er voor u nog een weg en mogelijkheid om zalig te worden.

Vuur valt uit de hemel. En toen het volk dat zag (vers 39) toen vielen zij op hun aangezichten en zeiden: de HEERE is God, de HEERE is God! Geschrokken, beangstigd en overtuigd door dit indrukwekkende schouwspel. Maar helaas… de meesten van hen zijn uiteindelijk toch weer gewoon verder gegaan op een eigen weg, met het dienen van de Baäl.

En Elia zei tot hen (vers 40): grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze. En Elia voerde hen af naar de beek Kison en slachtte hen aldaar. Moet dit, Elia, zo eindigen? Nee, dit is niet het door Elia voorgestelde einde. Dit is geen persoonlijke wraak of vergelding van de profeet. Dit is (en zie het tot uw schrik, afgodendienaars!) dit is hoe God uiteindelijk een einde maakt aan afgoden dienende mensen. En dus is dit een indringende waarschuwing!

Ik weet het, dit is niet populair om te zeggen. We houden van een vriendelijke God. Van en god zoals Baäl is… Maar onze God, en ik zeg het u toch eerlijk, is echt een verterend vuur voor wie van Hem afgaat, voor wie van Hem af hoereert.

En dus is het (net als in het begin): één van twee, of God, of Baäl… En dus is het (zoals het nu is aan het eind) opnieuw: één van twee. Of het vuur uit de hemel treft niet ons, maar het offer en het altaar. Onze ziel is alleen maar veilig achter het bloed Lam, waarop de hitte van Gods gramschap is geblust. Of het vuur van de hemel treft ons wel. Vanwege onze rebellie tegen God. En Zijn wraak (en daar gaat het hier over!) kan dan uiteindelijk niet dan vreselijk wezen.

Het eindigt hier (je zegt: wat naar!) met de dood. Nee, gelukkig niet. Het eindigt uiteindelijk in dit hoofdstuk met leven, met regen. We zullen dat de volgende keer verder zien. Maar het gaat wel door de weg van het vuur van God, dat offer en altaar verslonden heeft. Er is geen regen, geen leven anders dan door die weg!

En dus roep ik u in alle ernst toe, u geestelijke manklopers, u die hinkt op twee gedachten: breek met Baäl en zoek uw leven te verbergen in dat Offer, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt.

Amen.

Slotzang Psalm 104:17,18:

Ik zal, zolang ik 't levenslicht geniet, Gods mogendheid verheffen in mijn lied. Ik zal mijn God met lofgezangen eren, Terwijl ik nog op aarde mag verkeren. Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan, En met vermaak Zijn grootheid gadeslaan; Ik zal mij in den God mijns heils verblijden, En dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden.

De zondaar zal verdelgd zijn op Gods wenk; De boosheid zal vergaan, eer 't iemand denk'. Waak op, mijn ziel, wil uwen Schepper eren; Gelooft zij God; men loov' den HEER der heren!