PREEK · VRIJE STOFFEN

Gods vinger in de corona-epidemie – Exodus 8

12 april 2020

Exodus 8:19: Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger. Doch Farao’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

INLEIDING

De derde plaag, de plaag van de luizen. Wat er gebeurt: God verandert stof in luizen, en farao's tovenaars falen, hun goden falen. Wat zij ervan zeggen: "Dit is Gods vinger" – teken van Gods macht, Gods wet, waarschuwing en Zijn reddende genade in Christus. Wat het met ze doet: een Adams-reactie (wijzen naar anderen), een farao's-reactie (verharding). Of een moordenaarsreactie (schuldbelijdenis en genade zoeken)? Zeven punten van raad sluiten af: buig, belijd, overdenk, zoek stilte, heb oog voor anderen, geef het goede voorbeeld en wees een lichtend licht.

THEMA

De derde plaag, de plaag van de luizen

KERNPUNTEN

  1. Wat er gebeurt
  2. Wat zij ervan zeggen
  3. Wat het met ze doet

EXODUS 8:16-19

16 Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw staf uit en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde in het ganse Egypteland.
17 En zij deden alzo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf en sloeg het stof der aarde, en er werden vele luizen aan de mensen en aan het vee; al het stof der aarde werd luizen in het ganse Egypteland.
18 De tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten, doch zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen en aan het vee.
19 Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger. Doch Farao’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

VOLLEDIGE TEKST

Gods vinger in de corona-epidemie – Exodus 8

ds. J. IJsselstein - Exodus 8:19

THEMA

De derde plaag, de plaag van de luizen

Gemeente, het is crisistijd. De corona-epidemie trekt met een tweede golf over West- Europa, en in het bijzonder ook over Nederland. En de gevolgen zijn groot. We denken aan zieken, aan sterfgevallen, aan de crisis in de zorg, aan mensen die werkloos geworden zijn, aan bedrijven die in de problemen zijn geraakt, aan eenzaamheid onder jong en oud, en aan angst bij kwetsbare mensen. We denken aan hoe ons kerkelijke leven belemmerd is door wat gaande is. De gevolgen zijn groot.

Nu kunnen we doen alsof onze neus bloedt, en ontkennen wat er gaande is. We kunnen door angst en onzekerheid vallen in de strik van bijgeloof en achterdocht, en duistere complottheorieën navolgen. We kunnen in paniek denken dat niemand controle heeft over deze epidemie. We kunnen ook hoopvol denken dat God donkere tijden zal gebruiken tot een hernieuwd opleven van het christelijke geloof. Maar bij al die verschillende reacties kunnen we beter luisteren naar wat de Bijbel ons over deze dingen zegt. Dat bewaart ons voor zinloze discussies en tegenstellingen (ook in de kerk), en dat brengt ons ongetwijfeld èn persoonlijk èn als gemeente op de juiste plaats.

We gaan samen luisteren naar het Woord van God, zoals ons dat voorgelezen is vanuit het tweede deel van Exodus 8. Ik lees als samenvatting en als tekst voor de preek aan u voor Exodus 8:19: Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Doch Farao’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De derde plaag, de plaag van de luizen

We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op wat er gebeurt, vervolgens op wat ze ervan denken, en als derde op wat het met ze doet. En daarna zal ik als laatste wat raad en advies meegeven vanuit het Woord van God. Dus: De derde plaag, de plaag van de luizen 1. Wat er gebeurt 2. Wat ze ervan zeggen 3. Wat het met ze doet Als eerste dus:

1. Wat er gebeurt

God wil een einde maken aan de onderdrukking van het volk Israël in Egypte. En dus komen Mozes en Aaron sinds kort bij farao, met het bevel van God: Laat Mijn volk trekken (laat ze gaan), dat zij Mij dienen (vers 1).

Maar omdat farao hardnekkig weigert, stuurt God Zijn plagen. De eerste plaag, waarbij het water van de Nijl verandert in bloed. Het water wordt bloed, de vis sterft en de Nijl stinkt. De tweede plaag, waarbij het water van de Nijl gaat krioelen van vorsen, van kikkers. En die klimmen natuurlijk ook uit het water, en komen vervolgens in de huizen, in de keukens, in het eetgerei, in de bedden van de mensen, kortom: overal. Maar farao is hardleers. En dus stuurt God de derde plaag. We lezen in vers 16 en 17: Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw staf uit, en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde, in het ganse Egypteland. En zij deden alzo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof der aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland. Die luizen, of (zo zou je het woord ook kunnen vertalen) die muggen, die komen dus niet aanvliegen, die komen ook niet van de dode kikkers van de tweede plaag, maar het stof van de aarde wordt veranderd in luizen. Want, zo staat er: al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland.

God maakt luizen, muggen, uit het stof van de aarde. Zoals Hij in het begin van de wereld sprak en ook uit het stof van de aarde iets schiep, namelijk de mens. Zo sprak Hij (zegt Psalm 105) en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale (dat wil zeggen: in heel Egypteland) (105:31).

Dus wat gebeurt er? Trouwens, in al die plagen? God keert de orde van de schepping om. Ooit schiep Hij het licht, maar in de negende plaag gaat het licht uit. In den beginne schiep God alle planten, bomen en struiken, maar in de zevende en achtste plaag gaat alles stuk. In het paradijs schiep God mens en dier, maar in de derde tot en met de zesde plaag worden zowel mens als dier aangetast door ziekten en plagen. Totdat God zelfs uiteindelijk in de tiende plaag al de eerstgeborenen van Egypte doodt.

God keert de rollen om. De mens was geschapen om te heersen over de dieren, maar nu heersen de dieren, ja, zelfs de kleinsten van de dieren, over de mens. Nu heerst een minuscuul klein virus over de mensheid. En schepping maakt plaats voor destructie. Heel veel dingen gaan stuk.

Dat moet de Egyptenaars destijds verschrikkelijk gekrenkt hebben. Niet alleen die ontelbare muggen of luizen overal, in hun kleren, op hun brood, in hun neuzen, in hun oren…, zoals staat in vers 17: zo waren de luizen aan de mensen en aan het vee…, maar er was meer.

Farao was de man, die met behulp van de goden, de wereld en het heelal, ja, alles onder controle had. Maar niet dus! Want zo lezen we in vers 17: de tovenaars deden ook al zo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; doch… zij konden niet. Farao faalt. De goden van Egypte falen.

En wij falen. Onze kennis faalt. Ons idee van ‘alles kunnen beheersen’ faalt. Wij falen. Wij, slimme westerlingen, de slimste mensen van de wereld (althans dat denken wij), wij falen. En dat krenkt ook ons.

En daarbij is er iets dat extra vernederend is voor Egypte. Ze waren altijd zo trots op hun uiterlijk en op hun schoonheid. Ze schoren het haar van hun hoofd af, en ze baadden zich eindeloos, maar nu…? Je kunt je wel wassen, maar die luizen, die muggen, raak je daar niet mee kwijt. En dus is waarschijnlijk ook heel hun godsdienst geblokkeerd. Want zo onder de luizen, zo onder het ongedierte, kan zelfs ook een heidense priester zijn werk niet doen.

Zoals ook onze trots geraakt wordt in deze corona-epidemie. We hebben de beste virologen ter wereld. We behoren bij de top. Maar kennelijk lukt het ons toch niet. Maar ook onze godsdienst, ons kerkelijke leven is geblokkeerd. En dat krenkt ons ook…

Zij voelen drommels goed, en wij voelen drommels goed: blijkbaar kunnen we niet alles. Wij zijn beperkt. Wij falen. In de strijd tegen hun vijanden hebben zij nog hun strijdwagens. Wij hebben nog ons leger. Maar wat moeten zij met ontelbare muggen of luizen? En wat moeten wij met dat nieuwe virus? Thuis, op ons werk, in de kerk?

Zij falen. Hun goden en godinnen falen. En wij falen. Onze goden en godinnen falen. We hadden er zondermeer ons vertrouwen opgezet. Ons geluk leek onbreekbaar. Onze vooruitgang leek niet te stuiten. Ons kerkelijke leven (met alles wat daarbij hoort) leek onaantastbaar. Maar ineens blijkt: het is allemaal broos en breekbaar.

Hun heidense toverkunsten falen. Hun meester (is het ook nog steeds uw meester?) faalt. De duivel. Hun duivelse vertrouwen op zichzelf en op hun eigen kunsten. De mens is kennelijk beperkt. En ook (op de achtergrond) de duivel zelf is blijkbaar beperkt. Hij kan veel. Hij kan (zo staat in 2 Thessalonicenzen 2) krachten, tekenen en wonderen doen (2:9). Hij kan, zoals bij Job betrokken zijn bij ziekte (2:1-7). En hij heeft ook het geweld van de dood (Hebreeën 2:14). Maar, zo blijkt: God is sterker dan de duivel en dan ons allemaal.

God stuurt luizen. God stuurt een virus. Dat alles komt van God. De profeet Amos zegt: Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet (Amos 3:6)? Het lijdt geen enkele twijfel: de grote wentelingen in deze wereld, ja, alle dingen zijn en komen van God, behalve de zonde en het kwaad. God heerst als Opperheer. De zondvloed in de tijd van Noach, de verwoesting van Sodom en Gomorra in de tijd van Lot, de hongersnood in Kanaän in de tijd van Jozef, de mysterieuze ziekte bij de Filistijnen in de tijd van Samuël, de epidemie in de tijd van David, de hongersnood in de tijd van Elia, de storm in de tijd van Jona, en de corona-epidemie in 2020, alles komt van God.

En al die dingen zijn voorbodes van de grote en laatste wenteling aan het einde van deze tijd. Dit alles is maar schaduw van wat op Gods tijd komt. Zoals een schaduw in het donker voor iemand uitgaat. Je zegt: ‘Er komt iemand aan!’ Zo zegt ook deze epidemie die rondwaart: ‘Hij komt er aan!’ De dag des Heeren, de Zoon des mensen, Hij komt. Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen (Openbaring 1:7). Dat brengt ons verder bij ons tweede punt:

2. Wat zij ervan zeggen

Voor de Egyptische tovenaars is er geen enkele twijfel. Ze zeggen spontaan (het staat in vers 19): Dit is Gods vinger. Ons land, het land van de piramides en de farao’s is aangeraakt door Gods vinger. Het is trouwens ook het laatste wat ze gezegd hebben... Ons land, een land van welvaart, vooruitgang en zelfvertrouwen, is aangeraakt door Gods vinger. Gods vinger raakte Egypte aan en het land werd overspoeld door miljarden luizen. Gods vinger raakt Nederland aan en het land wordt overspoeld met ontelbare virusdeeltjes. Zo sterk is de vinger… van God.

Zo zingt Psalm 8 ook (maar dan vanuit scheppend perspectief): De hemelen zijn het werk van Uw vingers(!), de maan en de sterren, die hebt U bereid (8:4). Je moet vanavond maar eens naar de lucht kijken, naar de zon, de maan en de sterren. En stil nadenken over wat het betekent: dit alles is gemaakt (enkel en alleen) door de vingers van God.

Er zijn trouwens ook nog andere plaatsen in de Bijbel waar we die uitdrukking tegengekomen: Gods vinger. a. In Exodus 31 krijgt Mozes twee stenen tafels met daarop de Wet van God, beschreven door Gods vinger (31:18). b. En later, in het Nieuwe Testament, als een vrouw in overspel gegrepen is, die door Schriftgeleerden en farizeeën beschuldigd wordt, dan schrijft Jezus met Zijn vinger in het zand. Iets wat direct terug doet denken aan de wetgeving op de Sinaï.

De boodschap is helder: de Wetgever, Degene Die de wet geschreven heeft, Degene Die veroordeelt, en Degene Die vrijspreekt, dat ben Ik, Jezus.

c. En op het feest van Belsazar, vlak voor de val van het Babylonische rijk, zien de feestgangers tot een grote schrik ook ineens vingers die op de muur schrijven: MENE, MENE, TEKEL UPHARSIN (Daniël 5:25). Gods vingers kondigen het einde aan.

d. En ook in Lukas 11 lezen we van Gods vinger. Als Jezus zegt: Ik ben het, die door de vinger(!) van God de duivelen uitwerp (11:20). Met andere woorden: zo machtig ben Ik, in Mijn genade, om mensen te redden uit de handen van de satan. Daar heb Ik alleen Mijn vinger voor nodig.

Dus, waar wijst de vinger van God op in de Bijbel? Waar is die een teken van? a. Gods vingers zijn in de eerste plaats teken van Gods macht. Van Zijn scheppende macht, waarmee de hemelen zijn gemaakt. Maar ook van Zijn verstorende en verwoestende macht, in het aanraken van Egypte, en ook in het aanraken van Nederland.

b. Gods vinger is in de tweede plaats teken van Gods wet. Het is een vinger die wijzend zegt: de bezoldiging van de zonde is de dood. U staat schuldig. Als u Mijn wetten breekt, als u zich van Mij afkeert en Mij verlaat, dan zal Ik u bezoeken met plagen (2 Kronieken 7:19-20).

c. Gods vingers zijn in de derde plaats ook een teken van waarschuwing voor de komende dag van de ondergang van de goddelozen: MENE, MENE, TEKEL UPHARSIN. Gewogen, gewogen, maar te licht bevonden.

d. En Gods vinger is in de vierde plaats ook teken van Gods genezende en reddende macht. Die vinger van God, die nu wijst naar u en naar mij, die is machtig om (om zo te zeggen) ‘met een knip van de vinger’ de werken van de duivel te verbreken. Die vinger van God wijst naar Christus, naar Gods uitgestrekte hand, die genade aanbiedt en die wil redden van de ondergang. Die vinger van God wijst naar het kruis en zegt: Een ieder die in de gekruiste Christus gelooft, zal niet verloren gaan!

Dus, gemeente, deze uitdrukking, die die heidense tovenaars gebruiken, ‘de vinger van God’, kan ons helpen om in deze tijd het juiste zicht te krijgen op wat er in ons land en in de kerk gebeurt.

a. De vinger van God in de corona-epidemie wijst ons op Gods macht, op Zijn almacht. Hij schiep met almacht in zes dagen de hemel en de aarde en alles wat daarin is. En met ‘een knip van Zijn vinger’ verandert deze wereld in een ogenschijnlijke chaos. Het breekt de hoogmoed van mensen, zoals van farao, die dacht dat hij alles kon beheersen.

Het breekt de trots van mensen, zoals van de tovenaars, die dachten dat hun wijsheid onbegrensd was. Zoals het ook onze trots breekt en ons wil laten buigen voor de almachtige God.

Ja, en dan kan ik nu natuurlijk denken aan en wijzen in de richting van onze politieke leiders en wetenschappers. Maar ik blijf maar even heel dichtbij. Want deze crisis gaat ons en onze kerk niet voorbij. Gods almachtige vinger raakt ook ons aan… En de vraag is: hebben wij God de eer al gegeven? Hebben wij voor die hoge God al gebogen? Voor Zijn macht, voor Zijn almacht? In aanbidding, zoals de dichter van Psalm 8 dat doet: O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen (Psalm 8:2)? Botst de onvrede in onze kerken met de gevolgen van onze muggen en luizen, niet met die gevraagde aanbidding: Heere, U bent recht in al Uw weg en werk? Immers, wie buigt, die legt de hand op de mond. Die moppert niet, maar die zwijgt.

b. De vinger van God in de corona-epidemie wijst in de eerste plaats naar Gods macht, maar ook (in de tweede plaats) naar Gods wet, die wij gebroken hebben. Zeker, wereldwijd, landelijk, maar laten we opnieuw maar dichtbij huis blijven, want het oordeel begint van het huis Gods. Roept deze crisis ons niet op tot schuldbelijdenis? - Ons, predikanten, die meestal ook naar anderen wijzen? Om schuld te belijden vanwege (en nu kijk ik in de eerste plaats naar mijzelf), vanwege onze ontrouw, vanwege ons werelds bezig zijn met geld en bezit, vanwege het wantrouwen van elkaar, vanwege kwaadsprekerij en minachting van anderen (binnen onze gemeente en daarbuiten)? En ook vanwege het zoeken van eer en aanzien, van status en invloed? We doen ons vaak zoveel beter voor, dan dat we zijn… Ons past de schuldbelijdenis en het gebed: Gedenk, Heere, niet meer aan het kwaad dat wij(!) bedreven. Onze misdaden worden ons uit de gunst vergeven. - Roept deze crisis ons niet op tot schuldbelijdenis, broeders van de kerkenraad, vanwege vergelijkbare zonden? - Roept deze crisis ons als gemeente (en daar horen wij als ambtsdragers ook bij) niet op om schuld te belijden vanwege het zo bezig zijn met het meebeleven, het meeconsumeren van alle mooie dingen van deze tijd? Vanwege het zo gericht zijn op onszelf? En het zo weinig bezig zijn met de nood van de mensen om ons heen? Als het met ons maar goed gaat…! Roept deze crisis ons niet op om schuld te belijden vanwege het minachten van vreemdelingen en het discrimineren van buitenlanders, precies zoals dat de Egyptenaars dat destijds deden met de Israëlieten? Vanwege ontrouw in huwelijken? Vanwege het misbruiken van Gods Naam? Vanwege de steeds losser wordende seksuele moraal? Vanwege het loslaten van het geloof in de schepping in zes dagen, en van het gezag van de Heilige Schrift in het algemeen? Wat wijzen we toch naar anderen! Terwijl we onze harten en handen vol moeten hebben met onszelf en met onze eigen schuld!

Wij, predikanten, ambtsdragers en gemeenten, wij moeten terugkeren. Naar de Heere toe, met ootmoedige belijdenis van schuld. Terwijl we ondertussen net als de profeet Daniël, en net als de profeet Jeremia de mensen om ons heen meenemen in onze gebeden, ook schuld belijdend voor hun zonden (Daniël 9:4-8, Jeremia 14:7).

c. De vinger van God in deze corona-epidemie wijst als eerste op Gods macht, als tweede naar Gods wet, en in de derde plaats naar het enige Redmiddel uit deze moeilijke crisis: God Zelf, Zijn Christus en Zijn kruis. En dat in het perspectief van het komende gericht.

Want als wij, christenen in Nederland, die weg gaan, (niet de weg van schouderophalen, van verzet, gemopper en ongehoorzaamheid, maar) die weg van schaamte, vernedering en berouw, omdat wij God op het hoogste misdaan hebben, dan, in die weg, zal God Zijn Woord en belofte waarmaken zoals we die lezen in 2 Kronieken 7: Zo Ik de hemel toesluit, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan gebied, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend, en Mijn volk, over dewelken Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit den hemel horen, en… hun zonden vergeven, en hun land genezen (7:13-14).

Maar, daarbij is grote haast geboden. Bekeer u, zo zeg ik tegen mezelf en tegen u als gemeente, voordat Gods vingers ook op de muren van mijn huis, op de muren van uw huis, en op de muren van dit kerkgebouw zal schrijven: MENE, MENE, TEKEL UPHARSIN. Gewogen, gewogen, maar te licht bevonden.

Laten we daarom samen zingen met hart en mond uit Psalm 106:4: Wij(!) hebben God op 't hoogst misdaan; Wij(!) zijn van 't heilspoor afgegaan; Ja, wij(!) en onze vaderen tevens, Verzuimend' alle trouw en plicht, Vergramden God, den God des levens, Die zoveel wonderen had verricht.

Gemeente het gaat in de preek van vanmorgen, die zich richt op de nood van deze tijd, over de derde plaag, de plaag van de luizen of de muggen. We hebben samen gelet op wat er gebeurt en op wat de mensen ervan zeggen. We gaan nu verder met ons derde aandachtspunt:

3. Wat het met ze doet

Je kan hopen… Je kan hopen dat God deze crisis gebruikt om mensen te bekeren. Maar als je eerlijk naar de geschiedenis kijkt, zie je meestal iets anders. Namelijk dat, wat we nu ook zien in onze samenleving en ook in onze kerk. Welke reacties we zien?

a. Ik noem als eerste de Adams-reactie, of (als u vrouw bent) de Eva’s-reactie. De aangewezen schuld, aangewezen door Gods vinger, leidt vaak tot verder wijzen. Zoals Adam daar in het paradijs al mee begon. God wees naar Adam, en hij wees verder. Adam wees naar Eva, en zij wees verder. En de vinger van God wijst naar ons, en wij wijzen verder…

Wij, predikanten, wijzen naar de zonden van u, als gemeenteleden. En u als gemeente wijst naar de zonden van uw buren. En dan vooral naar die zonden (en dat geldt ons beiden), waar wij zelf vrij van denken te zijn. Wezen we nog maar naar zonden, waar we zelf ook deel aan hebben, maar helaas. Onze reactie en de reactie van de kerk is tot nu toe vooral een Adams-reactie of een Eva’s-reactie.

b. Er is (in de tweede plaats) binnen de kerk ook een andere reactie te zien en te horen. Een reactie die ik wil typeren als een farao’s reactie. Gods vinger raakt hem aan, maar er gebeurt niets. Hij komt niet in beweging. Zijn nee blijft nee. Hij weigert gewoonweg te luisteren (Exodus 8:32). De meeste mensen worden van het aanraken met Gods vinger niet beter, maar slechter en harder.

Want hoe vaak, onbekeerde vrienden, bent u al aangeraakt door Gods vinger? Door een ziekte, een sterfgeval dichtbij, en nu in deze tijd door moeite op uw bedrijf, of door het verlies van uw werk? Jullie, jongelui, nu je leuke leven en al je plannen overhoop zijn gehaald? Doe niet als farao! Verhard je niet! Want voor farao (hij had het kunnen weten!) was dit ook een schaduw van wat komen zou, later, op de bodem van de Rode Zee. En zo is het ook voor u en voor jou, als je je verhardt. Weet dan dat deze crisis maar een schaduw is van wat komt. Dat deze crisis maar een schaduw is van de grote dag, waarop je alles kwijtraakt. Van de dag waarop je, met al je weigering, staat voor God. De dag van de Zoon des mensen, waarop je wel moet buigen voor de Almachtige. Maar helaas, dan… te laat.

c. Er is (in de derde plaats) nog een andere, een betere reactie. Laat ik die (denkend aan de moordenaar aan het kruis) de moordenaarsreactie noemen. ‘En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben… Maar, Heere, denk aan ons, wees ons genadig. Uw toorn is rechtvaardig, maar vergeef ons toch uit genade al onze zonden, die Uw hoogheid schonden.’ Luister naar wat Johannes zegt in zijn eerste zendbrief: Indien wij zeggen (persoonlijk, als gemeente, als kerkverband), dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf, en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Joh. 1:8–9). Laten wij, gemeente, die weg gaan. Laten we niet wijzen. Laten we niet blijven staan, schouderophalend en ongeraakt. Maar laten we buigen, zoals de moordenaar aan het kruis, genade vragend aan de Man,

Die naast hem hing. Genade vragend aan Hem, aan Christus, Die voor u staat. Laten we onze schuld belijden. Laten we bidden om genade, voor onszelf en voor de mensen om ons heen. Laten we de Heere ernstig bidden of Hij Zijn hand van ons wil terugtrekken. Want onze God vergeeft, om Christus’ wil, menigvuldiglijk (Jesaja 55:7).

Laat ik u, gemeente, en mezelf tot slot wat dingen meegeven, om aan te denken in deze moeilijke tijd. In de bede dat deze tijd u tot zegen zal worden, en niet zal leiden tot verzet en tot verharding.

a. Erken in de eerste plaats voor uzelf (in uw gebeden, in uw gedachten, en ook in uw dagelijkse woorden) dat God u en uw plannen overmeesterd heeft. Dat Hij sterker is dan u. Buig voor Hem in het stof.

b. Buig (in de tweede plaats), ook als het gaat om wat u van uzelf denkt. Wij denken dat wij de beste en slimste mensen van de wereld zijn, maar we zijn zo blind voor onze zonden en gebreken. En we zijn zo hoogmoedig. En als God iets haat, dan is het wel onze hoogmoed. De Spreukendichter zegt: Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogmoed des geestes voor de val (Spreuken 16:18).

c. Overdenk (in de derde plaats) uw wegen. Zoals Haggai daartoe oproept als hij zegt: Stel uw hart op uw wegen (Haggai 1:5). Ga er stil, biddend voor zitten en denk na over uw eigen zonden. Ik zeg niet: ‘Praat over de zonden van Nederland.’ Of: ‘Denk aan de zonden van andere mensen.’ Dat is een Adamsreactie. Ik zeg ook niet: ‘Laat het maar rustig over u heen komen, het waait vanzelf over.’ Dat is een farao’s reactie. Nee, ik zeg: ‘Overdenk bij uzelf uw eigen zonden en uw eigen schuld voor God. Erken en belijd die. En zeg met David, met een hartelijk voornemen in uw hart: Ik zal belijdenis doen van mijn overtredingen (Psalm 32:5).

d. Zoek (in de vierde plaats) juist in deze haastig tijd, meer tijd om stil te zijn, om te denken, om te overdenken. Laat uw tijd niet te snel voorbijgaan, met al die snelle en vluchtige dingen die u zogenaamd moet doen. Is het niet beter om meer tijd te nemen om rustig voor uzelf in uw Bijbel te lezen? Om vaker een goed boek te nemen? Om uw zondag anders in te vullen? Is het niet beter om echt de Heere te gaan dienen, in plaats van dat te bewaren tot twee diensten op zondag, die u met moeite uitzit? Onderzoek de Schriften, want die zijn het die van Christus getuigen. Als u zoekt, zult u vinden: leven, eeuwig leven en de rust voor uw ziel.

e. Heb oog (in de vijfde plaats) voor deze ondergaande wereld. U weet hoe u uw schuld moet belijden. En u weet waar u die mag belijden. Moeten we andere mensen dan niet veel meer de weg wijzen omdat ook te doen? De mensen van ons dorp? De arbeidsmigranten die voor ons werken? Moeten we daarvoor ook niet veel meer een vriendelijke relatie met ze aangaan, omdat we ze nu veelal niet kennen?

f. Laten we (in de zesde plaats) ook het goede voorbeeld geven in deze tijd, door echt ons aan de regels te houden en de overheid te respecteren. Niet mopperend, niet schouderophalend doen waar we zelf zin in hebben, en dat zelfs soms ook onder een schijn van vroomheid.

g. Laten we (in de zevende plaats) aan de wereld ook laten zien, wat we door Gods genade gekregen hebben. Rust, stil vertrouwen en vrede in ons hart, midden in de stormen van het leven. Laten we een lichtend licht zijn in deze donkere wereld. En de mensen om ons heen vooral ook de boodschap meegeven (op welke manier dan ook): dit is Gods vinger. Het doet ons pijn, maar Gods vinger wijst door naar het kruis, naar de weg van de redding en behoud, dwars door de oordelen heen. Juist in deze laatste dagen, nu God wonderen geeft in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp… Nu de zon veranderd wordt in duisternis en de maan in bloed… Nu de grote en doorluchtige dag des Heeren komt, maar nog niet gekomen is… Nu is het zo, dat iedereen die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden (zie Handelingen 2:21).

Jongelui, nog wat laatste dingen voor jullie. Fijn dat je hier in de kerk bent, of dat je thuis meekijkt en meeluistert. Het is voor jullie een extra lastige tijd. Het is lastig om elkaar te zien, lastig om vriendschappen aan te gaan en te onderhouden, de toekomst voelt onzeker aan en diep in je hart kan je bang zijn: waar loopt dit allemaal op uit…, en nog zoveel meer…

Probeer geduld te hebben, elkaar te helpen en voor elkaar te zorgen. Zorg juist in deze tijd ook voor buitenkerkelijke mensen, voor ongelovige vrienden of voor wie dan ook. En neem tijd om alleen, of (als dat kan) met vrienden of vriendinnen in de Bijbel te lezen en samen te bidden. Zoek zo voor jezelf en met anderen vrede met God en rust voor de toekomst. Bereid je stil en met ernst voor op dat wat na deze schaduw komt: de grote dag des Heeren. En wees er voor jezelf en samen van overtuigd: God is betrouwbaar. Hij houdt Zijn Woord. Zeker, ook het Woord van Zijn dreiging. Doe dus niet als farao. Maar ik bedoel nu vooral: het Woord van Zijn belofte: Mijn zoon, Mijn dochter, zoek Mij en leef! Zoek Mij, dan zal je Mij vinden. Kom tot Mij, Ik zal je rust geven. Echte rust in God en vrede voor de toekomst. Een gelukkiger leven (wat er ook in je leven gebeurt) is er niet.

Laten we, tot slot, gemeente, èn voor onszelf, èn voor de gemeente, èn voor ons land, èn voor deze wereld de Heere ernstig bidden. Denkend aan het Woord van de Heere Zelf: En roept Mij aan in de dag der benauwdheid Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren (Psalm 50:15).

Amen.

Slotzang Psalm 99:2:

God, die helpt in nood, Is in Sion groot; Aller volken macht Niets bij Hem geacht; Buigt u dan in 't stof, En verheft met lof 't Heilig Opperwezen; Wilt het eeuwig vrezen.