PREEK · KERKELIJK JAAR

Voor een stervende moordenaar - Johannes 19

Goede Vrijdag, Lijdenstijd - 24 april 2020

Johannes 19:18: Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.

INLEIDING

Deze leespreek over Johannes 19:18 tekent Christus als de Zaligmaker van een stervende moordenaar aan het kruis. Naast Jezus hangen twee misdadigers; eerst spot ook deze moordenaar mee, maar door Gods ingrijpen breekt zijn hart: hij erkent zijn schuld en de onschuld van Christus, en wendt zich tot Hem. Zonder eigen werken, zonder tijd, zonder uitstel wordt hij gered, alleen door genade. Christus geeft meer dan gevraagd: niet slechts gedenken, maar "heden met Mij in het paradijs." De preek roept dringend op tot dezelfde vlucht tot de Gekruisigde, vóórdat het te laat is.

THEMA

Jezus, Zaligmaker voor een stervende revolutionair

KERNPUNTEN

  1. Naast Hem gehangen
  2. Tegen Hem gekeerd
  3. Voor Hem gevallen
  4. Door Hem gered

JOHANNES 19:16-18

16 Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus en leidden Hem weg.
17 En Hij dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;
18 Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.

VOLLEDIGE TEKST

Voor een stervende moordenaar - Johannes 19

ds. J. IJsselstein - Johannes 19:18

THEMA

Jezus, Zaligmaker voor een stervende revolutionair

Gemeente, het Woord van God komt vanmorgen tot ons vanuit Johannes 19. We letten samen vooral op het achttiende vers, Johannes 19:18: Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.

Het thema voor de preek is: Jezus, Zaligmaker voor een stervende revolutionair

Een stervende Zaligmaker voor een stervende moordenaar. En van die moordenaar gelden vier zaken, en dat zijn ook de vier aandachtspunten voor de preek. Hij is: 1. Naast Hem gehangen 2. Tegen Hem gekeerd 3. Voor Hem gevallen 4. Door Hem gered Als eerste dus:

1. Naast Hem gehangen

Voor ons speelt zich een afschuwelijk tafereel af. We zien drie mannen staan, op Golgotha, op de kruisplaats. Hij en twee anderen. Hij, dat is Jezus. Hij die van eeuwigheid was in de schoot van zijn Vader. In eeuwige heerlijkheid en volmaaktheid. Vanaf de eerste dag van de schepping bezongen door miljoenen van heilige engelen. Gekroond met eer en majesteit. In de hemel der hemelen, vol van luister en glorie. Hij, de Eeuwige, de Volmaakte, de Rechtvaardige, de Heilige. Maar kijk! Zijn kleding wordt afgerukt. Schaamte bedekt Zijn gezicht. En terwijl het bloed nog van Zijn hoofd drupt vanwege de doornenkroon, en het bloed nog van zijn rug stroomt vanwege de geseling, wordt hij ruw op zijn rug gelegd. Gekruist. Met een grote hamer worden grote en scherpe spijkers door Zijn handen, door Zijn polsen en door Zijn voeten geslagen, vast geslagen in het hout van het kruis. En met vereende kracht wordt de paal overeind gezet. Nog een bordje erboven: Jezus, de Nazarener, Koning der Joden. Zo, eerst die, dan die, en die als laatste. Die links, die rechts, en de ergste in het midden.

Wie zijn die twee anderen eigenlijk? Kwaaddoeners, zo worden ze genoemd. Letterlijk wordt hetzelfde woord gebruikt, als dat gebruikt wordt voor Bar-Abbas. Hij was een moordenaar. Revolutionaire terroristen waren het, opstandelingen die het geweld niet schuwden, en voor wie het bloed van een medemens niet teveel was om te nemen.

Jezus op de plaats van Bar-Abbas. De voornaamste in het midden. Het toppunt van de rebellie. In de ogen van de mensen althans… Maar er is meer.

Kruisigen was een afschuwelijk barbaarse straf. De spijkers werden door de polsen en de voeten gejaagd, precies op die plek waar de meest gevoelige zenuwen van het lichaam lopen. Maar als je dan gekruist bent, en je hangt aan je armen, en je laat je slap hangen, dan krijg je geen lucht. Dan kun je, terwijl je hangt in de brandende zon, niet goed ademhalen. Dus je moet je even optrekken aan je armen en opduwen met je benen, met je voeten. En juist dan schuren die spijkers langs de meest gevoelige zenuwen en schieten messcherpe pijnen door je lichaam heen. En zo hangt de kruiseling, urenlang in de brandende zon, snakkend naar adem, vermoord door pijn. Totdat, soms na een dag, soms zelfs na meerdere dagen, de beul komt en met een lange hamer de onderbenen van de kruiseling verbrijzelt, zodat hij geen enkele kracht meer heeft om zich overeind te duwen en adem te halen, en tenslotte stikt. Zo barbaars was deze straf, dat de Romeinen de kruisdood verboden hadden voor hun eigen, Romeinse burgers. Maar er is meer.

Voor de Romeinen was dit een vreselijke straf, maar voor Joden was deze straf nog veel erger. Deze straf was door God vervloekt. Wie hangt aan een hout, aan een boom, aan een paal of aan een kruis, was door God vervloekt. De gekruisigde was verstoten, door de mensen, maar vooral door God. Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. En daarom moest dat allemaal buiten de stad gebeuren. Kijk daar hangt Hij: de door Gods Vervloekte. Voor hen, in de plaats van hen, voor wie geldt: vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen. Kijk daar hangt Hij: de door de mensen Verstotene, gescholden, bespot en gesmaad, maar kijk, Hij is scheldt niet terug. Hij is met de overtreders, met de misdadigers gerekend. Wie? Die, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, Die (zo zegt de apostel) zonde voor ons is gemaakt. Maar hier treuren wij niet, hier is voor ons geen reden om te huilen. Dit is de hoop en de blijdschap van allen die God vrezen. Goede Vrijdag is een hoogtijdag voor Gods kerk. Dit is de verwachting van allen die naar Hem uitzien. Wij treuren niet bij het kruis, wij zeggen met Paulus: wij roemen in het kruis. Want hier op Golgotha schittert de liefde van Christus. Zoals Paulus zegt in Galaten 3:13: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. De kruisdood. Deze dood van Christus, toont ons de diepte van onze verlorenheid, de zwaarte van onze schuld, de hitte van Gods gramschap, en tegelijkertijd de weergaloze en onvergelijkbare liefde van Christus voor Zijn bruidsgemeente.

Want Hij hangt hier niet voor Zichzelf. In Hem is geen enkele zonde, maar de zonde is op Hem gelegd. En Hij draagt de last volkomen en vrijwillig, en terwijl Hij die draagt, zoekt Hij niets anders dan de eer van Zijn Vader en de redding van de Zijnen. Als Lam Gods draagt Hij de zonde van de wereld weg. Van de wereld, van allerlei soorten van mensen. Van de wereld die naast Hem hangt. Immers Zijn naam is niet voor niets genoemd: Vriend van tollenaren, zondaren, opstandelingen, revolutionairen. Van dat soort!

Wat is het dan toch een grote vergissing in het leven van duizenden kerkgangers. Die denken: Jezus stierf voor goede, betrokken, liefhebbende, nette en gelovige mensen. En wat is het dan toch een grote vergissing in het leven van zoveel God zoekende zondaars. Die denken: Jezus stierf voor mensen vol berouw, vol van liefde en tranen, voor mensen die hun uiterste best doen om zichzelf geschikt te maken en te verbeteren. Nee! Dit is het, wat ons zo afhoudt van het bloed van de Gekruisigde. Hij stierf voor totaal verloren zondaren, voor opstandelingen, voor rebellen, voor terroristen. Dat is wat we hier zien. En daarom heeft deze man geen bekeringswerk van 25 jaar. Hij buigt straks zijn hoofd onder het oordeel, en er drupt genade op zijn ziel.

2. Tegen Hem gekeerd

Wie is toch die man, die straks gerechtvaardigd naar huis gaat? Ik zei het al, hij was een terrorist, een moordenaar. Maar kijk, terwijl de mensen om het kruis heen spotten, doen zij, die twee moordenaars, samen ook mee. De voorbijgangers lasteren: U zei het toch, breekt dezen tempel af en in drie dagen zal Ik hem opbouwen? Nou dan, als U dan de Zoon van God bent, doe het dan! Kom dan van het kruis af!

En de overpriesters en de ouderlingen spotten ook. Ze zijn te arrogant om omhoog te kijken. Ze spotten onder elkaar, en zeggen tegen elkaar: anderen heeft Hij verlost, maar nu Hij nog! En de krijgsknechten spotten ook. Spot van beneden, stilte van boven. Want straks wordt het donker, drie uur lang, een stikdonkere nacht van Godverlating. Verlaten door God en mensen. Later denk Petrus eraan terug als hij schrijft (1 Petrus 2:23-24): Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.

Maar gelukkig, er zijn er twee die mee- lijden. Die tenslotte ook gekruist zijn. Niet dus. Zij, schrijft Markus, smaden Hem ook. Een van hen zegt: Als U de Christus bent, verlos Uzelf en ons! Vijandschap tegen vrije genade, vijandschap tegen het kruis van Christus. Die vijandschap is even groot bij de wereld, bij de voorbijgangers en bij kerkgangers. Ze lasteren en spotten allemaal.

Nooit heeft iemand voor God en Christus gebogen, die niet voorheen met Hem spotte en Hem lasterde. Er zijn openlijke spotters, openlijke vloekers. U zegt: zo zijn wij niet... Er zijn ook stille vijanden. Waar dan? Hier, in de kerk. Er zijn verachters van het Evangelie van vrije genade, en weigeraars die het aanbod van genade niet willen aannemen. Waar dan? Hier, in de kerk.

En trouwens, kijk nog eens goed, waar zijn de discipelen? Daar is Johannes, maar waar is de rest? Was ook hun hart niet vol van afkeer en verzet tegen deze weg van lijden en sterven? Lijden en sterven voor mij? Nee, dat wil ik niet. U mijn voeten wassen? Nee, dat wil ik niet. Ik ben bereid om voor U te sterven! Maar U voor mij? Nee dat wil ik niet. Dat vernedert mij zo diep, dat wil ik niet.

Een ander zegt, dat kan ook: Ik? Ik ben heel anders. Ik ben voor Jezus. Ik ben Zijn vriend. Ik kies voor Hem. Hij is de mijne en ik ben de Zijne. Maar dat wringt ook aan alle kanten met wat we hier zien. Hier aan de voet van het kruis, waar de liefde van Christus drupt op de aarde, Zijn bloed en Zijn tranen, Zijn liefde tot het einde. Ik zie hier helemaal geen menselijke vriendschap, ik zie hier alleen maar vijandschap!

En daarom, gemeente, is deze bekering geen uitzonderlijk geval. Het is de duivel die u dat wil doen geloven. Dit is de kern van een ‘gewone’ (tussen aanhalingstekens) gewone bekering, hoewel de omstandigheden misschien wat uitzonderlijk zijn. Maar zo wordt een mens gevonden. Niet als een vriend, maar als een vijand. Want Hij, de Gehangene, de Gekruiste, is gekomen om vijanden met God te verzoenen.

3. Voor Hem gevallen

Het wordt stil aan een kant… Letterlijk: stil gezet. Er wordt ingegrepen. Ingegrepen van bovenaf. Ingegrepen van opzij. Te midden van het diepste lijden, de foltering van het kruis, de marteling van het doodsvonnis, is er plotseling een Goddelijk ingrijpen. Wat een onbegrijpelijk wonder toch van Goddelijke en eenzijdige genade.

Het wordt stil… De gedachten gaan ongetwijfeld terug… Wonderlijk was het toch, op weg hierheen. Hoe gewillig was Hij toch, de Man die naast me hangt. Wij scholden, vloekten, tierden, maar Hij zei niets. Hij was vriendelijk en geduldig. Zijn ogen straalde niets dan medelijden en liefde. En wat zei Hij ook alweer, toen Hij die huilende vrouwen zag? Weent niet over Mij, maar huilt over uzelf en over uw kinderen. En zojuist, toen zij hier op hun rug gelegd werden omgekruist te worden, en toen de hamerslagen klonken, wat heb ik met mijn collega geschreeuwd en gevloekt, maar toen zei Hij, zo rustig: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen. En kijk, dat bordje boven Hem: Jezus… Hij zal zijn volk zalig maken van hun zonden… Nazarener, Koning der Joden… En, heb ik het vroeger niet geleerd van mijn vader, en later van de rabbijnen: zij hebben Zijn handen en voeten doorgraven… Kijk, Zijn handen, Zijn voeten… En hoor de spotters, ik zei net zelf ook: anderen heeft Hij verlost… Anderen heeft Hij ook verlost… En kijk, het gezicht van die Man… Ik zie sporen van diep en smartelijk lijden, maar tegelijkertijd straalt Zijn gezicht niet anders dan liefde, tederheid, maar tegelijkertijd ook Goddelijke majesteit…

En dan, dan kan hij het niet meer aanhoren! Zijn maat gaat maar door met spotten. Maar hij zegt: Vreest u ook God niet, daar u in hetzelfde oordeel bent? En dan ziet u, gemeente, dat in het beginnende leven van de genade, altijd ook iets van liefde is tot medezondaren, die ook niet verloren mogen gaan. Stop toch met dat spotten! Vreest u ook God niet, daar u in hetzelfde oordeel bent? Maar wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen strafwaardig hetgeen wij gedaan hebben, maar Dezen (kijk toch naar Hem!), heeft nog nooit iets onbehoorlijks gedaan.

Wat een belijdenis! Ik vrees God. Ik hang onder het oordeel. En dat oordeel is rechtvaardig.

God grijpt in, in het leven van een terrorist. Dat is bekering. En hij ziet het: ik ben verloren, ik lig onder het oordeel. Ik heb de straf verdiend. Het is eerlijk, het is rechtvaardig. Hij buigt zijn hoofd en zijn mond zwijgt. Gods Geest grijpt in, hij buigt zijn hoofd en zijn hart breekt. En we horen de smart in zijn stem, de smart van zijn zielewond, waarvan de pijn de pijn van de wonden van zijn handen en voeten ver overtreft: o God, ik heb gezondigd!

En terwijl de pijn door zijn ziel snijdt (wonderlijk is dat toch), is er toch helemaal niets dat op wanhoop wijst. En daar ziet u gemeente, hoe God werkt. De Geest opent onze ogen voor de diepte van onze verlorenheid, en tegelijkertijd is er (ook in het beginnende leven) altijd een zeker besef van Gods barmhartigheid, waardoor de mens nooit wanhopig wordt. Want, Jezus hangt in het midden. En de moordenaar wijst ook naar Hem, als hij zegt: Deze heeft nog nooit iets onbehoorlijks gedaan. Hij heeft nog nooit gezondigd.

Waarom, zegt u, terwijl u zo voor jezelf wat zit na te denken, gaat deze bekering zo snel? Waarom komt Christus zo snel tot deze man? En hoe komt het dat deze man zo snel tot Christus komt? Ik wil daar graag drie dingen over zeggen. Er is meer over te zeggen, u mag het zelf aanvullen. a. Als eerste dit: op zijn werken vertrouwen kan hij niet. Goede werken heeft hij niet. En dat is wat ons, wat u vaak zo weg houdt van de Zaligmaker: ‘Heere, kijk toch, naar mijn bloed, mijn tranen, mijn worstelen.’ Dat vertroebelt zo ons oog, en dat houdt ons zo weg bij Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden. Waarom gaat deze bekering zo snel, zegt u? b. Omdat, als tweede, hij wel zou willen vluchten, maar hij kan nergens heen. Hij zou zijn leven wel over willen doen, maar dat kan hij niet meer. Hij is gekruist, en gaat sterven. Dat weet hij. We kunnen zolang gerust voortleven, in de overtuiging van onze zonde, zonder gelovig gebruik te maken van het bloed van Christus, omdat er nog zoveel andere dingen zijn waar we heengaan, en waar we ons heil zoeken. In onze levensverbetering, in onze tranen en in onze gebeden. Maar deze man zit klem! En hij hoort dat er behoud is, bij de Man die naast hem hangt. c. Als derde (als het gaat om de vraag: waarom duurt mijn overtuiging zolang, en waarom gaat deze bekering zo snel) wil ik graag dit nog zeggen. U zegt: waarom duurt mijn overtuiging nu al 10 jaar, al 15 jaar, al 20 jaar, en ondertussen troost ik mezelf (eerlijk gezegd) met allerlei gedachten als: een mens kan ook een onbekende Jezus liefhebben, en sommige kinderen van God (zegt men) zouden sterven zonder ooit een blik op het kruis geslagen te hebben… En deze man vindt de redding en zaligheid op een dag?! Hoe kan dat toch? Hoe dat komt, hoe dat kan? Dat komt omdat u denkt dat Hij, Christus, ver weg is. Maar Hij is dichterbij dan dat u denkt. Zo begon het Evangelie van Johannes: Hij staat midden onder u, die u niet kent. En hier zou gezegd kunnen worden: Hij hangt naast u, die u niet kent. Nabij u is het Woord. En het Woord zegt: kom, Ik wil u als een vijand met God verzoenen, maar… u buigt niet, zoals deze moordenaar. U zegt: een vijand? Een moordenaar? Nee, dat ben ik niet. Maar als u toestemmen zou, werkelijk van harte: ik ben een moordenaar, ik ben een vijand, een rebel, een verlorene, een opstanding, en in mij is niets, ja helemaal niets dan zonde en schuld, en mijn vermeende gerechtigheid is vuilnis voor God… Als u dat werkelijk van harte

zou toestemmen, dan zou u deze moordenaar dadelijk volgen in zijn gelovig vluchten tot Christus. Hoor toch en geloof, roepende zondaars, verharde rebellen: er is zaligheid in Christus. Maar buiten Hem (waarin zo druk aan het zoeken bent) daar is de dood. Wend u dan toch naar Hem toe en wordt behouden.

Hij zei tot Jezus: gedenk mij HEERE, als U in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Hij wendt zich tot Jezus. Dat is wat u ook moet doen met al uw zonde en schuld. Hij had in wanhoop zijn laatste adem kunnen uitblazen. Want de kennis van zijn ellende en de bewustheid van zijn schuld had hem niet kunnen redden. En dat geldt ons ook. Maar hij wendt zich tot Jezus. En hij zegt: Heere, dat wil zeggen Koning. U hebt alle macht. Indien U wilt, U kunt mij reinigen. Gedenk mijner. Denk aan mij.

Zijn ogen zijn geopend. En hij ziet het en gelooft het: dit is werkelijk de Koning der Joden. En Hij zal ingaan in zijn heerlijk hemels Koninkrijk. En toch vraagt hij geen ereplaats. Hij kan niet geloven dat er in dat hemelse Koninkrijk een plaats zou zijn die geschikt is voor hem. En dat is nog terecht ook. Nooit wordt een mens geschikt voor de hemel, nooit is een mens geschikt voor de Zaligmaker. Maar hij werpt zich neer voor Christus, in de vaste overtuiging dat Hij, dat Jezus geschikt is. Dat Hij een geschikte Zaligmaker is voor een verlorene zoals hij. Immers, Hij heeft anderen ook verlost! En daarom zegt hij het: denk aan mij. Denk aan mij, om Uw goedheid eer te geven. We gaan dat samen eerst zingen, voordat we verder gaan met onze vierde en laatste gedachte, uit Psalm 25:3. Denk aan 't vaderlijk meêdogen, HEER, waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriendelijk ogen, Zijn bij U van eeuwigheid. Sla de zonden nimmer ga, Die mijn jonkheid heeft bedreven; Denk aan mij toch in genâ, Om Uw goedheid eer te geven.

4. Door Hem gered

Zijn mond is stil geworden. Zijn gedachten gaan terug, vooral naar die stille preek van zojuist: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En hij ziet ogen vol van medelijden en zondaarsliefde en dat trekt zijn hart. Jezus trekt zijn hart, door Zijn woorden, door Zijn blik, door Zijn zwijgen, door Zijn liefde. En dan kan het niet anders, dan roept hij het uit: Heere, denk aan mij, om Uw goedheid eer te geven. Ik kom tot U gevloden. Vergeef toch mijn ongerechtigheid, want die is groot.

En wat valt er toch mee, als we op die plaats terechtkomen. Je verwacht als antwoord: nee. Nee, je hebt te veel gezondigd, nee, je hebt te lang en te vaak gezondigd. Je hebt je te lang verzet tegen Mijn genade en je hebt Mijn liefde te vaak veracht. Maar wat valt het mee. Want, hij vraagt om een zegen voor de toekomst, misschien wel denkend aan de wederkomst van de Heere Jezus Christus. Maar wat zegt de Heere? Vandaag. Niet in de toekomst, maar heden.

En hij vraagt aan de Heere Jezus: denk aan mij. Maar de Heere zegt niet: Ik zal aan je denken, maar: u zult met Mij zijn. En hij vraagt: vergeet mij niet. Maar de Heere zegt niet: Ik zal je niet vergeten, maar Hij zegt: u zult met Mij in het paradijs zijn. Dat is nu onze Zaligmaker. Hij geeft zoveel meer, dan dat wij bidden of van Hem vragen.

Kom, Godzoekers, u die over de wereld gaat met een last van zonde en schuld op uw schouders. Kom toch tot Hem. U die vermoeid bent en belast, vanwege al uw pogingen om uzelf te verbeteren en geschikt te maken voor de Zaligmaker. U zult nooit geschikt worden voor Hem, maar Hij is zo geschikt voor u. Daarom: kom tot Hem, Hij zal u rust geven. Rust toch in Zijn volbrachte werk. De Geest van God moge u door Zijn krachtige genade daar brengen, waar uzelf niet wilt en kunt komen. Maar ik roep u toe, vanuit het Woord van God: laat toch los, al die voorwaarden die u uzelf, en die anderen u hebben opgelegd. Voorwaarden als: u mag tot Hem niet gaan, want: zo werkt de Heere niet, of: uw schuldbesef is te gering, of: u mag zomaar niet tot Hem gaan, en wat dies meer zij. Ik roep u toe, in de Naam van mijn Zender: kom, vijanden, verlorenen, opstandelingen, rebellen. Er is een gewillige Zaligmaker, Die van harte bereid is om u te wassen in Zijn bloed. Weeg dan toch geen geld meer uit voor wat geen brood is, en geen arbeid meer voor wat niet verzadigen kan. Maar luister aandachtig naar Hem. En kom tot Hem, en uw ziel zal leven. Kom, voor het eerst of opnieuw, want hier is zaligheid, vrede met God en ingang in het hemelse paradijs. Daar waar Zijn bloed drupt op een verloren ziel. Buig en beken uw hemelhoge schuld en vlucht tot Hem. Bij Hem is genade voor de grootste, de vuilste en de smerigste van de zondaren. Zie toch en geloof, roepende en zoekende zondaars. Hier hangt de laatste Adam, op de plaats waar ik, waar u, waar de eerste Adam behoorde te hangen. Hier is verzoening voor de grootste van de zondaren. Hier is verzoening beschikbaar voor u. Eén blik, op de verhoogde koperen slang, op de Gekruisigde, en het is genoeg. Uw ziel zal witgewassen zijn en u zult in vrede naar huis gaan.

Maar alleen dan gaat u veilig naar huis. Want wees gewaarschuwd. De eeuwigheid is dichtbij. De ander, de collega-moordenaar stierf ook. Maar zonder genade. Hij ging door met spotten en weigerde te buigen. Zijn kruisdood was slechts een fractie van wat hem wachtte. De een gaat in, in het paradijs, en de ander zinkt weg in de eeuwige rampzaligheid. Kom vrienden, ook uw uren, uw seconden tikken weg. Uw eeuwigheid komt snel dichterbij. Het kan zijn, letterlijk, dat u na deze dienst niet meer thuiskomt. O, kom dan toch tot deze Zaligmaker, voordat het te laat is. U hebt geen jaren van overtuiging nodig, alvorens u tot Hem gaan mag. Dat, die jarenlange overtuiging, is weggelegd voor de hardsten van Gods kinderen. Beleid toch nu uw schuld, uw verlorenheid, uw doodschuld. Wij toch rechtvaardig, want wij verdienen straf, de doodstraf. Vergeet toch uw werken, ze zijn waardeloos. En buig als een verlorene, als een moordenaar, als een misdadiger aan de voeten van Christus.

Ik preek u geen daad van de mens, ik preek u geen menselijk vermogen, maar ik preek u Christus, de kracht Gods tot zaligheid. Het Evangelie van vrije genade. Het is voor de Joden, voor de vrome en nette kerkmensen, een ergernis. Het is voor de Grieken, voor de verstandig

denkende mensen, een dwaasheid. Maar voor hen die geloven, is het een kracht Gods tot zaligheid. Namelijk, dat als u op de Gekruisigde ziet, dan zult u zalig worden.

Zoals de Israëlieten in de woestijn keken naar de koperen slang, zoals Zacheüs uit de boom klom en aan de voeten van Jezus terechtkwam, zoals de moordenaar aan het kruis ziet op de Gehangene die naast hem hangt, en zoals Paulus terechtkomt aan de voeten van Christus op de weg naar Damascus, zo zullen al Gods kinderen ten laatste buigen en zeggen: o God, het is verloren aan mijn kant. Is er nog een weg om zalig te worden? En in die weg zullen zij allemaal door genade op Christus zien en in geloof tot Hem vluchten en zeggen: Heere, indien U wilt, U kunt mij reinigen. Heere help me. Denk aan mij, om Uw goedheid eer te geven. Wees mij zondaar genadig. Zo zegt de HEERE, de eeuwige God, op deze Goede Vrijdag, als antwoord tot zulke God zoekende zondaars, moordenaars, vijanden, opstandelingen en rebellen: ga heen in vrede, u geschiede gelijk gij geloofd hebt.

Amen.

Slotzang Psalm 22:13:

Ik loof eerlang U in een grote schaar, En, wat ik U beloofd' In 't heetst gevaar, Betaal ik, op het heilig dankaltaar, Bij die U vrezen, 't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen, Ten dis geleid. Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid!