18 september 2024
Exodus 12:15: Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel die zal uitgeroeid worden uit Israël.
INLEIDING
In voorbereiding op het Heilig Avondmaal roept Exodus 12:14-20, tezamen met 1 Korinthe 5, tot geestelijke reinheid: zeven dagen zonder zuurdesem, ons breken met de zonde. Paulus doet zien hoe deze heiligheid niet uit eigen kracht ontstaat, maar door het werk der Heilige Geest, die in ons die zuurdesem wegdoet en ons in Christus tot ongezuurde broden maakt.
EXODUS 12:14-20
14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.
15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel die zal uitgeroeid worden uit Israël.
16 En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk in dezelve gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden.
17 Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelven dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.
18 In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.
19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde; want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering Israëls uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.
20 Gij zult niets eten dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 12:15
Gemeente, we overdenken samen met Gods hulp, biddend om Zijn licht en de opening van Zijn woorden, wat we gelezen hebben in Exodus 12:14-20En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden. Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting. In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond. Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands. Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten., samen te vatten met de woorden van Exodus 12:15: Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel die zal uitgeroeid worden uit Israël.
Paulus komt erop terug in 1 Korinthe 5:6-8Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid., waar hij zegt tegen de gemeente van Korinthe: Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Zo dan laat ons feest houden, niet in den oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.
Het thema voor de preek is: Een oproep tot het breken met de zonde in een week van voorbereiding
We letten, denkend aan de woorden van Paulus in 1 Korinthe 5, samen op twee aandachtspunten, namelijk op: 1. De zuurdesem der kwaadheid en der boosheid 2. De ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid Als eerste dus:
1. De zuurdesem der kwaadheid en der boosheid Gemeente, in Exodus 12 wordt uitgebreid beschreven op welke manier het volk Israël het Pascha moest houden. Een volkomen een lam werd vier dagen lang in huis geobserveerd. Om te zien of het wel echt volmaakt was. Daarna werd het geslacht. Zijn bloed werd gestreken aan de zijposten en aan de bovenste dorpel van de deur. Zijn vlees werd in het vuur gebraden, en daarna gegeten met bittere saus. En (en daar gaat het nu over): met ongezuurde broden.
En dat alles moest trouwens gebeuren (zo staat in vers 11) met de lenden omgord. De lange kleding die men aanhad, die moest wat omhooggetrokken en met de riem vastgemaakt worden, want men ging op reis! Zo (met je kleren wat opgetrokken) kon je beter lopen en werden je kleren ook minder snel vuil. Zoals Paulus later zegt in Efeze 6:14Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;: Staat dan, uw lendenen omgord hebbende met de waarheid. Leven bij de waarheid van het Woord van God bewaart voor het vuil van de wereld en voor de modder van de zonde.
Met de lendenen omgord, en met de schoenen aan de voeten. Want de reis gaat beginnen. Geen toeristische wandeling, maar een moeilijke pelgrimsreis. Zoals Paulus zegt in Efeze 4:15Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;: En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes.
En eet zo, met haast, want de Heere staat op het punt om te komen! En vier zo (vers 14) deze dag tot een gedachtenis, tot een feest vóór de HEERE, gericht op Hem! En zo mogen, kinderen van God, ook avondmaaltijden tijden van blijdschap en vreugde zijn. Denkend met innerlijke verwondering en blijdschap aan Hem. Want het is (vers 14) den HEERE tot een feest.
Een feest, maar wel een feest met twee kanten. Want aan de ene kant is er de heerlijke smaak van het gebraden lam. Verwondering en vreugde om zoveel goedheid en genade van Christus. Die Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot in de dood van het kruis. Maar aan de andere kant zijn er de bittere kruiden die ons herinneren aan voorheen. En de en de ongezuurde broden. Want, zo zegt Paulus: Zo dan laat ons feest houden, maar niet in den oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.
Met andere woorden: het Pascha kan alleen maar gehouden worden zonder zuurdesem. En zo kan ook het Heilig Avondmaal alleen maar gehouden worden, als we persoonlijk en als gemeente breken met de zonde. Ik ga dat zo meteen verder uitleggen.
Op de dag dat Israël het Pascha vierde, moest al de zuurdesem uit hun huizen weggedaan worden. En dat moest zeven dagen zo blijven. En dus moest men in die tijd ook brood zonder zuurdesem eten.
Jongens en meisjes, als wij brood bakken gebruiken we gist. Maar vroeger gebruikte je om deeg laten rijzen een klein restje van het vorige, van het oude deeg. Dat was ondertussen door het werk van bacteriën zuur geworden. Zuur deeg, zuurdesem. Je loste het op in lauw water, mengde het door het deeg, en dan ging het rijzen. De kleine luchtbelletjes van dat zuurdesem drongen overal in door. En zo raakte dat broodje langzaam steeds meer opgeblazen. Dan moest je het brood vervolgens wel snel afbakken, want anders ging het helemaal bederven.
Die gist, zulke zuurdesem is in de Bijbel meestal een beeld van de zonde. Dat verzuurde zuurdesem is eigenlijk bedorven deeg. Het is zuur. En het bederf ervan dringt overal in door. En maakt uiteindelijk het hele deeg zuur. Het laat het opzwellen, het laat het rijzen. Dat bedoelt Paulus ook, als hij zegt in 1 Korinthe 5:2: u bent opgeblazen. Dat is wat zuurdesem, dat is wat gist doet. Het blaast het brood op. Dat is wat zonde doet. Het blaast je op. Het maakt je arrogant. En zo was dat destijds ook in Korinthe.
Want er waren in de gemeente van Korinthe bijzondere zonden. Maar men was opgeblazen. Dat wil zeggen: ze wekten de indruk dat ze veel groter en beter waren, dan dat ze eigenlijk in werkelijkheid waren. Als je erin zou prikken, dan zouden ze direct leeglopen. ’t Was alleen maar lucht; gebakken, verzuurde, bedorven lucht.
Dat was in Korinthe niet iets nieuws. Dat begon eigenlijk al in het paradijs. Het was het begin van alle zonde: die bedorven opgeblazenheid, die hoogmoed. Die sindsdien ook onze zondige natuur, onze zondige aard geworden is. Levend voor onszelf, levend in zonden (in welke zonden dan ook), maar tegelijkertijd met een arrogante schouderophaal (net als Adam destijds): hoogmoedig, opgeblazen.
En dat zuurdesem, die zure gist, die dringt overal in door. Dat geldt ons eigen, persoonlijke leven. Maar die bedorven luchtbelletjes zijn ook besmettelijk! Die kunnen (daarom stelt Paulus het aan kaak in 1 Korinthe 5) ook een hele gemeente besmetten. Want (zo schrijft Paulus in Galaten 6:9Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.): een weinig zuurdesem verzuurt het hele deeg. Een klein beetje zuurdesem maakt een heel brood opgeblazen.
Eén zonde bederft een hele mens. Ja, nu kan je kijken naar andere mensen, die grote en zichtbare zonden doen. Ja, dat valt op. Zeker, als je veel zuurdesem in het deeg doet, dan gaat het goed rijzen. Maar laten we ons niet vergissen. Eén zonde, van welke soort dan ook, bederft ook onze hele mens. Een klein beetje zuurdesem, laat het deeg namelijk ook prima rijzen! En het uiteindelijke resultaat is hetzelfde: opgeblazen deeg.
Dus of ik nu een opvallende zondaar ben, die in de zonde leef, of dat ik heel netjes lijk… Ja, tenzij ik natuurlijk helemaal geen zonden doe. Maar wie van ons is vrij van zonde? Steek uw hand eens op… Al houd je maar één of twee zonden aan de hand, dan doortrekt dat als een zuurdesem je hele bestaan. En het heeft u (zegt Paulus), het heeft u bedorven. (2 Kor. 11:5Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.).
Als je dat echt tot je door laat dringen, als de Heilige Geest je daaraan ontdekt, door vanuit dit Woord daar (als met een zaklantaarn) op te schijnen, dan kijk je in deze week van voorbereiding en aanstaande zondag niet meer opzij. Dan zeg je: ‘Ik doe wat kwaad is in Uw oog, o Heere. Mijn hart en mijn leven zijn totaal verzuurd en bedorven. Dat is mijn ellende.’
Eén zonde in ons leven, kinderen van God, die we aan de hand houden, kan heel ons geestelijke leven bederven. Het kan ons in grote geestelijke donkerheid brengen. Het kan ons ook tot veel vertwijfeling leiden. En het is vooral tot oneer van God en tot schade van de gemeente. Eén zondaar in de gemeente, die openlijk in de zonde leeft, en die niet gecorrigeerd wordt, kan als zuurdesem een hele gemeente besmetten.
a. En dan mag je denken aan wat Paulus hier noemt: de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid. Aan de gist van kwaadheid, van een vijandige, onvriendelijke, hatelijke levenshouding. Aan de gist van boosheid, van slechtheid, gierigheid of onzedelijkheid. Dan gaat het dus over die mensen, die het avondmaalsformulier typeert, als: ongehoorzaam aan het gezag, doodslagers, kijvers (ruziemakers), mensen die in haat en nijd tegen hun naasten leven. Alle echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars (mensen die veel te veel rente vragen), rovers, spelers (verslaafden), gierigaards, en al degenen die een ergerlijk leven leiden… Herkent u dat in uw eigen leven? Blijf dan goed luisteren… Want de Bijbel heeft het ook nog over andere vormen van zuurdesem.
b. In Mattheüs 16:6En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der Farizeën en Sadduceën. gaat het namelijk ook over de zuurdesem van de Farizeeën. Mensen die de Zaligmaker proberen te ontwijken. En die ondertussen veel meer waarde hechten aan hun eigen gewoontes en tradities. Altijd zuur, kritisch, zelfgenoegzaam, opgeblazen. Herkent u dat in uw eigen leven? Blijf dan goed luisteren…
c. Want in Mattheüs 16:6 gaat het ook nog over de zuurdesem van de Sadduceeën. Dat waren weer heel andere mensen. In Handelingen 23:8Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide. staat dat ze zeggen dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest. Kortom, door en door rationalistisch en materialistisch. Moderne mensen van deze tijd. Alleen maar bezig met alles van nu. Herkent u dat in uw eigen leven? Blijf dan goed luisteren…
d. Want de Bijbel noemt ook nog de zuurdesem van Herodes (in Markus 8:15En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeën, en van den zuurdesem van Herodes.). Die zondermeer een vriend en liefhebber van de wereld was. Levend in de zonde. Herkent u dat in uw eigen leven? Luister zo dan verder… Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 1:3,4: Gans anders is 't met hem, die 't kwaad bemint; Hij is als kaf, dat wegstuift voor den wind; Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen…
De HEER toch slaat der mensen wegen gâ, En wendt alom het oog van Zijn genâ, Op zulken, die, oprecht en rein van zeden, Met vasten gang het pad der deugd betreden…
Gemeente, zuurdesem heb je dus in allerlei soorten. Je hoeft er niet eens voor opzij te kijken, naar iemand anders. Want ‘t zit hier, in mijn en uw bedorven hart. Bij de één ziet het er zus uit, bij de ander zo. Maar het is allemaal even zuur en bedorven.
Onze zonde. En er is niets, dat God meer haat, dan de zonde! En er is niets, wat meer onverenigbaar is met de ontmoeting met God bij de bediening van het Heilig Avondmaal, als de als zonde! En dus zegt de Heere door de mond van Paulus in 1 Korinthe 5:7a: Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. En dus zegt de Heere tegen Mozes in Exodus 12:15: Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen.
Zeven dagen lang zult u ongezuurd brood eten. Een complete, een volledig periode van zeven dagen. Als symbool voor een heel leven, voor heel uw pelgrimsreis. Te beginnen bij: nu…
Dat brengt me bij ons tweede aandachtspunt:
2. De ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid 1 Korinthe 5:8 zegt: Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.
Avondmaal vieren dus, niet met een zondige levenswandel, maar met een manier van leven die in alles overeenkomt met de waarheid van het Woord, oprecht voor God. Zoals de kanttekening bij Statenvertaling zegt: in zuivere en onbesmette wandel.
Doe de zuurdesem, zegt Mozes, weg uit uw huizen. De (zoals Jozua later tegen het volk Israël zegt), de goden die uw vaders gediend hebben aan gene zijde der rivier en in Egypte. Met andere woorden, kijk eerlijk naar je huis, naar je leven, je ambt, je studie, je werk. En doe je afgoden weg. Doe ze het huis uit. Vliedt van de afgodendienst, zegt Paulus als hij in 1 Korinthe 10 schrijft over het Heilig Avondmaal.
Als er dingen zijn, fysiek of digitaal, waarvan je weet dat ze botsen met Gods heiligheid, doe ze de deur uit. Doe dat zuurdesem weg uit uw huizen. Zuivert dan de oude zuurdesem uit, zegt Paulus. Doe alles wat onrein is, uit uw leven weg.
En ga in alle dingen oprecht leven voor Gods aangezicht. Volgens de waarheid van Zijn Woord. Zet uw treden in Zijn spoor. Want de zonde past niet bij de heiligheid van God. Want God is heilig. Alles wat in je leven en in je hart gist. Dingen die je hebt. Gewoontes die je doet. Gedachten die je denkt. Verlangens die je verlangt. Gevoelens die je voelt. Die overal in
doorgedrongen zijn. En die vooral je hart opgeblazen maken, vol met bedorven lucht, onverenigbaar zijn Gods heiligheid.
Geliefde gemeente, dat kan niet. Bij een nieuw hart hoort een nieuw leven. Bij de enge poort hoort een smalle weg. Bij pelgrim-zijn hoort dat je lendenen omgord zijn met de waarheid en dat je voeten geschoeid zijn met de bereidheid van het Evangelie des vredes. Dat je wandel in hemelen is.
Het kan niet, het is onverenigbaar met de wil van onze heilige God. En het is ook gevaarlijk. Voor jezelf, en ook voor heel gemeente. Denk maar aan wat de apostel schrijft in Hebreeën 12:14-15Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal; Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.: Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal; toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen(!) ontreinigd worden. Eén enkele zonde infecteert een hele mens. En één enkele zondaar infecteert ook heel de gemeente.
a. Dus moeten we niet alleen persoonlijk de zuurdesem, de zonde uit onze huizen wegdoen. Ons hart en leven ervan zuiveren. b. Maar het hoort ook bij gemeente-zijn, dat we samen breken met de zonde. Dit gebod om alle zuurdesem uit het huis weg te doen, gold heel de gemeente van Israël. En de straf op weigering om dat te doen, was zwaar: Want (zo staat in Exodus 12:15 en 19, het staat er bewust twee keer!): want wie het gedesemde eet, diezelve ziel die zal uitgeroeid worden uit Israël.
Het hoort bij gemeente-zijn, dat we allemaal samen breken met de zonde. En dat we dus ook anderen, van wie we weten en zien dat ze in de zonde leven daarvoor waarschuwen en liefdevol aansporen daarmee te breken. Wetend (zegt de apostel Jakobus, in Jakobus 5:10Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens, en der lankmoedigheid de profeten, die in den Naam des Heeren gesproken hebben.): dat degene die een zondaar van de dwaling van zijn weg bekeert, een ziel van den dood zal behouden en menigte der zonden zal bedekken.
Niet opgeblazen, niet hoogmoedig, niet vanuit het besef dat wij beter zouden zijn dan anderen. Want, dat zegt Jakobus ook: wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden (Jak. 3:2Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.). Daarom zegt de apostel in Hebreeën 3:13Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.: vermaant elkander allen dag, zo lang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde. Maar dan zo (1 Korinthe 10:12), dat degene die meent te staan, toezie dat hij (zelf) niet valle.
God vraagt heiligheid. God en Zijn heilige geboden liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. En, zo vraagt Zondag 2 van de catechismus: Kunt u dit alles houden? Antwoord: Nee, ik...
Dus, hoe moet dit? Hoe moeten we, kinderen van God in het bijzonder, dit liefdebevel opvolgen? Is dit een aanmoediging om toch weer te gaan hopen op wat je zelf kunt doen? Is dit een bevel om alsnog zelf te gaan presteren? Zou dat ons niet veel meer opgeblazen maken? Zou dit bevel ons niet veel meer klein willen maken? Ons voor God willen verootmoedigen?
Dit, wat het avondmaalsformulier noemt: dat we nog vele gebreken en ellendigheid in onszelf vinden, dat we geen volkomen geloof hebben, dat we niet bruisen van ijver om God te dienen, maar dagelijks te strijden hebben met de zwakheid van ons geloof en met de boze lusten van ons vlees (die nog tegen onze wil in ons overgebleven zijn)? Dit, wat Paulus laat zuchten: Ik ellendig mens, wie verlost me toch van dit lichaam der zonde en des doods?
Wil dit ons aansporen om alsnog en weer te gaan vertrouwen op eigen krachten? Nee, dit wil ons klein maken. Dit wil ons leren leven van… genade. Dit wil ons leren hopen op God. Met vertrouwen dat dat alles ons niet zal hinderen, dat onze Heere ons desondanks in genade zal aannemen.
Dit wil ons leren het anker van onze ziel te werpen in de hemel, waar Christus voor ons bidt. Onze zondenood, onze ellende, nood en dood willen ons uitdrijven tot Christus. Die, zegt Paulus, ons ook geworden is tot heiligmaking. Door Wie we (zegt Paulus in Romeinen 12:2En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.) ook: veranderd worden in de vernieuwing ons gemoed.
Dus, gemeente, als de Heere ons bij het licht Zijn Woord en door Zijn Heilige Geest onze zonden laat zien, en we onszelf daardoor wel moeten mishagen en voor God verootmoedigen… Dan niet in de zonde blijven liggen. Dan niet allerlei dingen gaan beloven, die je niet kan waarmaken. Dan niet gaan vechten in eigen kracht. Vecht niet, maar vlucht tot Christus!
Want alles wat ons ontbreekt, wil de Heere ons geven. Heiligmaking is geen zaak van eigen prestatie. Zelf doen, zelf proberen, maakt ons nog maar veel meer opgeblazen. Wat de Heere vraagt, wil Hij Zelf geven. Zoals Zondag 18 zegt: We worden door de kracht van Christus opgewekt tot een nieuw leven. Het is de Heere Zelf, Die door de inwoning van de Heilige Geest in de harten van Zijn kinderen, hen een nieuw hart en een nieuwe geest geeft.
En Die hen ook een nieuwe wil geeft. Die ons niet met geweld dwingt (DL, III/IV, 16), maar geestelijk levend maakt, heelt en geneest. Terwijl de Heere onze wil ondertussen liefelijk en krachtig buigt. Zo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses tevoren ten enenmale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen. Het is God Die in ons werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen.
En zo wordt (ja, meestal is de zuurdesem in de Bijbel een beeld van zonde), maar zo wordt ook het verborgen werk van de Heilige Geest door de Heere Jezus Zelf vergeleken
met een zuurdesem. Als Hij in Mattheüs 13 zegt: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zuurdesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was.
De zuurdesem van de krachtige werk van de Heilige Geest is het enige tegengif tegen de zuurdesem van onze zonden. Hij leert ons (biddend in onze harten) ook zelf bidden: O, Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.
Dus deze opdracht om met de zonden te breken, wil ons biddend aan de Heere verbinden. Hij wil ons dringen tot Christus te vluchten, Die in hemel voor ons bidt. Opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen, kinderen van God, wij genezen zijn (1 Petr. 2:23Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;). Hij wil ons dringen onze hoop te stellen op het werk van de Heilige Geest, Die in ons woont. Van Wie Paulus zegt: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En Die de harten doorzoekt, weet welke de mening des Geestes is, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt (Rom. 8:26-27En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.).
Laten we God de Heilige Geest niet bedroeven, door Hem uit het oog te verliezen. Laten we al onze kracht en hulp van Hem verwachten. Van (zo zeggen de Dordtse Leerregels) die Werkmeester van het geloof, zonder Wie we nooit uit de zonde zouden opstaan en daarmee zouden breken.
Zo legt dan af, in de kracht van de Heere Jezus Christus, door het werk en de inwoning van de Heilige Geest, alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen. En als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; indien u anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is. Tot Welken komende als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar, zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn, door Jezus Christus, onze Heere (1 Petr. 2:1-5).
Amen.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken