PREEK · VRIJE STOFFEN

Hij zal zwijgen in Zijn liefde - Zefanja 3

11 december 2022

Zefanja 3:17: De HEERE uw God is in het midden van u, een Held Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.

INLEIDING

Midden in het oordeel over Juda spreekt God een Goddelijk "maar": een arm en ellendig overblijfsel zal betrouwen op de Naam des HEEREN. Niet omdat zij het verdienen, maar omdat God Zijn eer eraan verbonden heeft. Voor dat volk klinkt vers 17 als troost: de HEERE is in hun midden als een Held Die verlossen zal. Hij is vrolijk over hen, zwijgt in Zijn liefde en verheugt Zich zelfs met gejuich. Dit alles kan alleen omdat God op Golgotha niet zweeg, maar Zijn Zoon overgaf in ondragelijke toorn.

THEMA

Troostvolle woorden in een donkere tijd

KERNPUNTEN

  1. Voor wie die woorden bedoeld zijn
  2. Wat die woorden zijn

ZEFANJA 3:12-17

12 Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.
13 De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.
14 Zing vrolijk, gij dochter Sions, juicht, Israël; wees blijde en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems.
15 De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de HEERE, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien.
16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet; o Sion, laat uw handen niet slap worden.
17 De HEERE uw God is in het midden van u, een Held Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.

VOLLEDIGE TEKST

Hij zal zwijgen in Zijn liefde - Zefanja 3

ds. J. IJsselstein - Zefanja 3:17

THEMA

Troostvolle woorden in een donkere tijd

Gemeente, het Woord van God, dat wij samen gaan overdenken, kunt u vinden in het hoofdstuk dat u is voorgelezen, Zefanja 3, daarvan het 12e en het 17e vers. De tekst voor de preek vindt u in Zefanja 3 vers 12 en 17. Daar zegt de Heere Zelf: (in vers 12) Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen. (en in vers 17) De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal. Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.

De preek van vanmorgen/vanmiddag gaat over: Troostvolle woorden in een donkere tijd Dat is het thema van de preek: Troostvolle woorden in een donkere tijd. We letten samen op twee aandachtspunten. 1. Voor wie die woorden bedoeld zijn (dat staat in vers 12) 2. Wat die woorden zijn (dat staat in vers 17) Als eerste dus:

1. Voor wie die woorden bedoeld zijn

Wat weten we, gemeente, eigenlijk van de profeet Zefanja? Een paar dingen. We weten dat hij een achterkleinzoon is van de Godvrezende koning Hizkia. En verder weten we dat hij leeft in een donkere tijd. De twaalf stammen van Israël zijn inmiddels weggevoerd naar Assyrië. En in Juda regeert de goddeloze koning Manasse. Het is een donkere tijd.

De tijd van Zefanja is ook een tijd vol van afgoderij. God, de God van Israël is uit leven verdwenen. Hoewel, bij de meesten, maar niet bij iedereen. Want als vader Cuschi zijn pasgeboren zoontje een naam moet geven, dan noemt hij hem: Zefanja. Dat betekent: de Heere beschermt, de Heere biedt een schuilplaats. En zo zal hij straks ook preken! Dus: het is een donkere tijd en het is een tijd vol afgoderij.

Het is ook een tijd vol van dreiging. De dreiging vanuit Babel in de richting van Juda en Jeruzalem neemt met de dag toe. Juda heeft God verlaten. En wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. En dus kan de straf op zoveel verlaten van de Heere en op zoveel afgoderij ook niet uitblijven.

En juist in die tijd (terwijl donkere wolken van oordeel zich samenpakken boven Juda, en de vijand langzaam oprukt in de richting van Jeruzalem), juist in die tijd roept de Heere Zefanja om te gaan profeteren, om Zijn boodschap te gaan brengen. Een boodschap van…? Een boodschap van oordeel. En tegelijkertijd een boodschap van hoop! Zo is zijn naam immers ook: Zefanja, er is een schuilplaats bij God! De prediking van Zefanja is prediking van hoop, dwars door het oordeel heen!

Zefanja’s profetie is oordeelprofetie. Luister maar hoe hij begint in Zefanja 1: Het woord des HEEREN: Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE. Ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE. En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem Hoor je, het oordeel komt. Het is onafwendbaar. God zegt: Ik zal!

Oordeelprofetie is het. Maar ook profetie van hoop. Want niet iedereen zal weggeraapt worden en omkomen. Want er klinkt nog zo’n zeker: Ik zal. In onze tekst, in Zefanja 3:12: Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen.

Kijk eens even goed naar die tekst. Het begint met: Ik zal! Dus als er straks nog iets van Juda en Jeruzalem overblijft, dan is dat niet te danken aan wie dan ook! Juda heeft zich Gods genade onwaardig gemaakt. En Jeruzalem heeft Gods genade niet verdiend. Maar God zegt: Ik zal! Want Mijn eer zit vast aan dit volk! Zij zijn niet beter dan anderen. Maar: Ik! Ik wil bij hen wonen, in Juda en Jeruzalem. Bij wie? Bij wat voor soort van mensen? Bij mensen die het oordeel even waardig zijn als alle andere mensen. Bij mensen die hebben leren erkennen: Ik, Heere, ben Uw gramschap dubbel waardig. Bij mensen die hebben leren bidden: In Uw toorn, o God, denk aan Uw ontferming. Gedenk niet meer aan het kwaad dat wij bedreven, onze misdaden worden ons uit gunst vergeven.

Zijn er ook in deze tijd niet van zulke mensen? Mensen die zeggen moeten: Heere, ik ben Uw oordeel waardig. Ik kan wijzen naar de zonden van anderen, maar, Heere, mijn zonden…! Tegen Uw wet, tegen Uw goedheid, tegen Uw evangelie, tegen Uw genade… Wat houd je dan op met wijzen naar anderen. Je leert zeggen: Ik, Heere, ben Uw gramschap dubbel waardig. Wees mij, zondaar, genadig. In Uw toorn over mij, o God, denk aan Uw ontferming.

Is er antwoord op zulk bidden, op zulk zuchten en vragen? U bent misschien vanmorgen/-middag wel met dit soort van vragen naar de kerk gekomen Is er antwoord van de Heere op zulk bidden, op zulk zuchten en vragen? Ja, dit antwoord. Een Goddelijk maar: Maar, Ik zal… Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen. Ik zal in liefde en genade, in wijsheid en geduld, uw hoogmoed breken. Ik zal in liefde en genade, in wijsheid en geduld, u uw vermeende rijkdom afnemen. En… in het midden van u doen overblijven.

Dwars door het oordeel zal er een overblijfsel overblijven. Een rest. De meerderheid gaat door. Zonder God. Op weg naar het verderf. Ja, ik weet het. Dat werd in die dagen Zefanja vast niet in dank afgenomen. En dat zal nu niet anders zijn. Maar dit Woord zegt, van Israël, van het volk dat het teken van Gods verbond droeg, en het geldt ook u (ik zeg het met snijdende pijn in mijn hart) gemeente van (plaatsnaam): de meerderheid gaat door! De meerderheid gaat door. Zonder God. Onder de dreiging van het oordeel. Donkere wolken pakken zich samen boven uw hoofd. Liefdevol wordt er geklopt op de deur van uw hart. Maar u gaat door! Rijk en verrijkt voelt u zich en u ziet geen gebrek bij uzelf. Zonder in te zien dat u geestelijk arm bent, straatarm! Zonder Christus en zonder hoop.

Grijpt de gedachte u niet aan (u, medebroeders van de kerkenraad), dan het merendeel van al deze mensen over nog geen 100 jaar voor eeuwig zal zijn ondergegaan? Waarom zijn we dan zo druk met dingen die voorbijgaan? En waarom bent u, gemeente, dan zo druk met dingen die voorbijgaan en met uiterlijke godsdienst alleen? O, lieve mensen, uw ziel moet gered zijn. U moet in Christus geborgen zijn. Anders gaat u straks voor eeuwig ten onder. Hoor, het woord van de HEERE, in deze tijd van dreigende wolken, ook boven u! Ik zal ganselijk alles wegrapen uit deze stad, spreekt de HEERE. Ja, Ik zal de mensen uit deze stad uitroeien, spreekt de HEERE. En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen (plaatsnaam), en tegen alle inwoners van (naam omgeving/streek).

Maar Ik…! Wat een gelukkig maar! Een maar om van te zingen! Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven (o, wat een gelukkig volk!) een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen. En zij zullen niet, zij zullen nooit omkomen! Welke mensen zijn dat eigenlijk? Ook hier in (plaatsnaam)? We zagen als eerste al, dat het (1) een overblijfsel, dat het een rest is. Het wordt in de tweede plaats ook (2) een volk genoemd. Het zijn geen eenlingen, geen individualisten. Maar ze zijn samen een volk, dat hartelijk aan elkaar verbonden is. Door, zo zegt Paulus: Eén Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen, en in u allen (Efeze 4:5-6).

Het is een volk. Een volk op reis, op doorreis. Ze zijn vreemdelingen hier beneden. Het zijn mensen die zich hier op de aarde niet op hun plek voelen. Ze zijn op reis. Naar hun hemelse vaderland. En (dat is het derde) tijdens die reis (3) voelen ze zich ellendig. Ze zijn ellendig. Waarom? Omdat ze geloven dat ze zich weg gezondigd hebben bij God vandaan. Hun zonde is hun ellende. Hun strijd tegen de zonde is hun ellende. Hun strijd, hun aanvechting, hun twijfel is hun ellende. Nee, ze koesteren hun twijfel niet. Het is hun ellende, dat ze maar niet kunnen geloven. Dat ze maar niet ophouden te zondigen tegen een goeddoend en genadig God. Hun gemis is hun ellende. En vanuit dat gemis verlangen ze naar God. Hun roepen en hun zuchten is hun ellende. Ze roepen en zuchten omhoog, naar God… En dat kennen van hun ellende (dat staat hier) is tegelijkertijd het werk van God in hun hart. Dat volk, dat overblijfsel is ellendig.

En (dat is het vierde wat de tekst zegt), ze (4) zijn arm. Ze zijn arm van geest. Dat wil zeggen: ze hebben van zichzelf niets om op te hopen. Ze zijn met heel hun hart en wezen afhankelijk van God. En dus gaat hun roep uit hun armoede en ellende naar boven: Ai, haast U, Heere, tot mijn hulp en red…!

Die mensen (zegt Zefanja), dat arme en ellendige volk, dat (dat is het vijfde) zal op de Naam des HEEREN betrouwen. Zij zullen. Dat zal Ik doen. Ze kunnen tijden dwalen, soms tijden ver bij Mij vandaan leven en geen vruchten voortbrengen. En ze verwachten in hun ellende zo vaak hulp van zichzelf en van anderen. Maar dat overblijfsel naar de verkiezing van Mijn genade, dat zal op Mijn tijd (omdat Ik ze steeds armer en ellendiger laat worden in henzelf), dat zal op Mijn tijd gaan hopen en vertrouwen op Mijn Naam.

Op Mijn Naam. Op Mij. Omdat Ik een weg zal banen en gebaand heb, dwars door het oordeel heen. Dwars door het oordeel heen, waarin ook zij verdienden om te komen. Ze zullen hopen op Mij. En op Mijn Christus. Die vrijwillig voor hen dat oordeel wilde ingaan. In hun plaats. Zij hadden de eeuwige dood moeten sterven. Maar Hij stierf die dood voor hen. Zij hadden de Naam van de Heere alleen maar gelasterd. Zij konden ook Gods Naam nooit meer verheerlijken, zoals Hij waard was. Maar Christus kwam en deed het voor hen! Hij daalde diep in hun ellende. Om deze ellendigen een Helper te worden. Hij daalde vanuit Zijn eeuwige rijkdom diep in hun armoede. Om hen rijk te maken in God. Zodat ze (dat is wat hier eigenlijk letterlijk staat): een schuilplaats zullen vinden bij de Naam des HEEREN. Dat was toch de betekenis van de naam Zefanja? Er is (middenin het oordeel) een schuilplaats. Een schuilplaats voor de toorn van God. Een schuilplaats bij God Zelf.

Voor Christus was er geen schuilplaats, toen de donkere wolken van Gods toorn en wraak het licht op Golgotha doofden. Voor Hem was er geen verberging tegen de vloed van Gods toorn, toen die over Hem heen spoelde. Toen Hij moest uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom? Waarom hebt U Mij verlaten?

Waarom…? Om u! Armen en ellendigen, die daar hoopt. Op Hem. Op de Naam des HEEREN. Want die Man, Christus, zal juist voor mensen zoals u zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land (Jesaja 32:2). Om Hem is de HEERE een Schuilplaats voor de armen en ellendigen, een hoog vertrek voor de verdrukten, een hoog vertrek in tijden van benauwdheid.

Laten we voordat we verdergaan met het tweede punt van de preek, nu eerst samen gaan zingen van die Schuilplaats, met de woorden van Psalm 9, daarvan het 9e en 10e vers. We zingen Psalm 9:9-10.

De HEER zal zijn een hoog vertrek Voor wie getrapt wordt op den nek; Een hoog vertrek in drukkend lijden; Een toevlucht in benauwde tijden.

Hij, die Uw naam in waarheid kent, Zal, HEER, op U in zijn ellend' Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten Hen, die gelovig tot U vluchten.

Troostvolle woorden in een donkere tijd, daarover gaat de preek. We hebben in ons eerste punt gezien voor wie die woorden bedoeld zijn: voor een geestelijk arm en ellendig volk, dat op de Naam des HEEREN betrouwt. Niet losmaken, die twee dingen. Die horen echt bij elkaar. Geestelijk arm en ellendig en tegelijkertijd vanuit die armoede en ellende vertrouwen op de Naam des HEEREN.

Maar ja…, wie kan zulke mensen nu toch opbeuren? Misschien zit u ook wel zo in kerk. Arm en ellendig. Het is donker. U zegt: Waar is mijn hoop, mijn moed gebleven? Zegt U toch, Heere, tot mijn ziel: Ik ben uw heil!

Luister, arm en ellendig volk, dat op de Naam des HEEREN vertrouwt. Hoe donker ooit Gods weg wezen mag, Hij (de hoge God) ziet in gunst… op u! Dit zijn woorden voor u bestemd.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Wat die woorden zijn

En de Heere Zelf geve u geloof en licht in uw hart om deze Zijn woorden te geloven met toepassing voor uw eigen hart en leven:

Zo zegt de HEERE (vers 17): De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.

Hier is alles wat u nodig hebt. De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal. De HEERE, uw God. Dat zegt u? Nee, dat zegt God Zelf! Hij is in het midden van u. In het midden van dat arme en ellendige volk dat op de Heere vertrouwt. Als een Held, die verlossen zal.

Wat is dit toch wonderlijk… Die armen en ellendigen maar zuchten. Maar de Almachtige is met de ellendigen! En de Koning der koningen is met de armen! Wij zijn meestal het liefst een beetje onder mensen met wie we wat gemeenschappelijk hebben. En dus zijn we (ook in het geestelijke leven) zo geneigd om een beetje naar onszelf en naar opzij te kijken. Om onszelf te vergelijken met anderen…, een beetje op te boksen tegen anderen… Maar deze mensen hebben niets om tegen anderen op te boksen. En dus kijkt dit ellendige en arme volk weg van alles en iedereen. Het kijkt omhoog! Op U, Heere, zien mijn schreiende ogen… En… terwijl hun betraande oog omhoogkijkt, klinkt er een vriendelijke stem uit de hemel, ook nu, die zegt: De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal. Midden in strijd en twijfel (zal het wel goedkomen, zal ik dan toch ook omkomen?) klinkt een hemelse bemoediging (kom, luister naar dit woord, Zijn mond brengt niets dan loutere wijsheid voort!): De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal.

De HEERE. De getrouwe God van het eeuwige verbond. Die nooit laat varen, Die nooit zal loslaten het werk dat Zijn hand begon. Uw God. Omdat Hij uw God wil zijn. Omdat Hij gezegd heeft en zegt: Ik zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Een Held. De Held, dat is in het Oude Testament de door God gezalfde koning. Vergelijk het maar met wat staat in vers 15. Een Held is in het midden van u (dat staat in onze tekst). En in vers 15: de Koning Israëls(!), de HEERE, is in het midden van u, u zult geen kwaad meer zien. De Held is dus de koning van Israël. Maar, u weet, Israëls koningen wezen vooruit. Naar de toen nog komende Held, waar Psalm 89 over zingt: Ik heb hulp besteld bij een Held. De Held is dus de komende en inmiddels gekomen Verlosser. De Held die verlossen zal, is Christus! Een machtige Verlosser, die de meest nietige gestalte wilde aannemen als een slaaf, om slaven vrij te kopen. Maar die nu verhoogd is en zit aan de rechterhand van Zijn Vader. De Held is de Leeuw uit de stam van Juda, de Christus der Schriften.

En nu goed luisteren, laat het toch doordringen tot uw hart, armen en ellendigen die op de Naam van de HEERE hoopt: De HEERE, de rechtvaardige en genadige Verbondsgod, is (dat staat hier!) met Zijn Christus in uw midden. En Hij zal u verlossen… Is dat geen troostvolle boodschap? De dreigende wolken blijven boven Juda en Jeruzalem hangen. Uw strijd gaat door. Maar het is alsof de Heere vanmorgen/-middag liefdevol tegen u zegt: ‘Luister nu eens, wees nu eens wat meer bemoedigd. De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, die u verlossen zal. Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. Uw namen staan in Mijn handen en in Mijn hart geschreven. Ik zal u leren van de weg die u gaan moet, maar Mijn oog zal op u zijn. U moet door veel verdrukkingen ingaan, maar de uitkomst ligt vast. In Mij! Ik zal u verlossen!’

En (we lezen verder in vers 17), zo zegt HEERE, uw God: Ik zal over u vrolijk zijn met blijdschap. U zegt: Ja, als ik die woorden hoor en tot me laat doordringen: De HEERE is toch niet meer vertoornd op mij. Hij zal me verlossen. De Heere is bij me, en dus hoef ik niet te vrezen. Wat zal een nietig mens mij doen…. U zegt: Als ik dat hoor, dan kan ik door mijn tranen heen, toch wel weer zingen: Ik, Heere, die al mijn blijdschap in U vind. Ja, dat geloof ik. Maar dat staat hier niet. De Heere heeft meer troost voor u, arm en ellendig volk dat op de Naam van de HEERE vertrouwt. Hij zegt: Ik(!) zal over u vrolijk zijn met blijdschap! Want Mijn verloren zoon is thuis, Mijn verloren dochter is teruggebracht. Door Mij! En dan behoort men vrolijk te zijn. Want er is blijdschap bij God over één zondaar die zich bekeert. God verblijdt Zich in het werk van Zijn handen.

Hebt u daar wel eens over nagedacht? U moet dat vandaag en de komende tijd eens doen. God verblijdt Zich over het werk van Zijn handen. Zeker dat zijn menselijke uitdrukkingen. Maar zulke menselijke uitdrukkingen worden juist gebruikt omdat mensenwoorden tekortschieten!

God verblijdt Zich over werk van Zijn handen. Over uw armoede. Want voorheen was u zo rijk in uzelf Over uw ellende. Want voorheen dacht u (wat een dodelijke vergissing was dat!), voorheen dacht u dat u aan geen ding gebrek had. Maar nu ziet u uw toestand eerlijk onder ogen. En God verblijdt Zich, omdat U daarom op Hem bent gaan hopen!

Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap! Waarom? Omdat de HEERE, de drie-enige God van het genadeverbond u zal verlossen. God, de Vader van het eeuwige verbond (de HEERE met vijf hoofdletters geschreven) verblijdt Zich over u. Want genade en waarheid hebben elkaar blij ontmoet. De vrede is met een kus van het recht gegroet. Christus, de Held, de Leeuw uit de stam van Juda, de Koning Israëls is verblijd over u. Want Hij heeft de prijs betaald voor uw volkomen verlossing. En de prijs is aanvaard.

De Heilige Geest verblijdt Zich over u, want Hij woont in het midden van u. Om u te leren, om u te onderwijzen en te troosten. Om u licht te laten opgaan in uw duisternis. En om u straks te geven sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor uw benauwde geest.

Hij, onze God (o, ellendigen en armen die op de Heere hoopt!), Hij zal over ons vrolijk zijn met blijdschap. Hij! Over ons… Krimpt u niet, als u dat hoort…? ‘Heere, bij mij zoveel zonden. Zoveel zonden van vroeger, van kortgeleden, van nu…? Bij mij zoveel dwalen, zoveel verdwalen. Zoveel gebrek aan liefde, aan verlangen, aan gebed. Zoveel ongeloof. Zoveel… van alles...’ Luister, dit is het hemelse antwoord voor u: Ik zal over u vrolijk zijn met blijdschap! - En (ik lees verder in vers 17): Ik zal zwijgen in Mijn liefde. God zal zwijgen in Zijn liefde. Het beeld wordt zachter, teerder...

Ik zal over u vrolijk zijn met blijdschap! Zoals een bruidegom vrolijk is over zijn bruid. Weet je het nog, mannen, toen je op je trouwdag (een beetje verlegen en vol spanning…, ik wel tenminste!) op weg ging naar het huis van je lieve bruid? Jesaja denkt eraan in Jesaja 62:5, als hij schrijft: Zoals de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn. En even verderop in Jesaja 65:19 zegt de Heere: En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk. Ik zal over u vrolijk zijn met blijdschap. En (nu daarbij): Ik zal zwijgen in Mijn liefde.

Ja, want misschien denkt u wel: Het is al jaren geleden, dat de Heere mij terechtgebracht heeft. En in het begin was er zoveel liefde, zoveel blijdschap, zoals…, ja, zoals een bruid ook vrolijk is over haar bruidegom. Over de hemelse Bruidegom. Maar wat is er na al die jaren van terecht gekomen? Van mijn liefde? Aan mijn kant is zoveel zondige ontrouw. Ik ben mijn Liefste zo vaak kwijtgeraakt. Door eigen schuld. Zodat ik met de bruid uit het Hooglied moest zuchten: Mijn liefste was geweken. Ja, het is waar, dat gemis deed m’n hart op Zijn tijd ook weer ontvlammen van verlangen. Zodat ik uitriep: Mijn Liefste is blank (in Zijn heiligheid), rood (in Zijn kostbare bloed), en Hij draagt de banier (als de Held) boven tienduizend. ‘Maar, mijn liefde, Heere, wat komt er toch van terecht…?’

Antwoord? Hemels antwoord? Ik ben vrolijk over u met blijdschap en… Ik zwijg in Mijn liefde. Hier wordt niet gezongen (en is dat niet iets om ons over te verwonderen?), hier wordt niet gezongen van onze liefde. Maar dit gaat over Gods liefde. Over Zijn liefde voor u, armen en ellendigen die op Zijn Naam vertrouwt.

Hij zwijgt over u in Zijn liefde. Een wat moeilijke zin, die ik zal proberen met twee voorbeelden toe te lichten.

Als je jong bent, als pasgetrouwd stel, dan hou je heel erg veel van elkaar. Je kletst samen honderduit. En je zegt steeds weer hoe veel je toch van elkaar houdt. Kortom, de liefde straalt eraf. Mooi. Bid en werk dat dat zo blijft. Maar, nu kom je bij opa en oma. Ze zijn ergens ver in de 80. Al 60 jaar getrouwd. En nog steeds… twee duifjes. Maar…, praten ze veel? Zeggen ze, net als jullie, steeds dat ze zoveel van elkaar houden? En hoe fijn het is om getrouwd zijn? Vast weleens. Waarschijnlijk als jullie er niet bij zijn. Maar toch niet zo vaak als jullie dat doen. En toch, die stille blikken…, zonder woorden…, die zeggen misschien nog wel veel meer. Hun liefde is bewezen, hun liefde is stil, en kalm, veel sterker dan 60 jaar geleden. Maar… zwijgend. Ze kennen elkaars gedachten, elkaars gevoel, elkaars hart. Zo zwijgt God over u in Zijn liefde, armen en ellendigen die op de Heere hoopt. Hij kent uw hart. Hij heeft u al een eeuwigheid lief. Zijn liefde is vast. Zijn trouw is bewezen.

Laat ik ander voorbeeld noemen, denkend aan wat Zefanja hier zegt: Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Moeders, vaders, je kijkt vanavond voordat je gaat slapen misschien nog één keer in het bedje van je kleine peutertje, in de wieg van je pasgeboren baby. Stil, woordeloos kijkend, misschien wel met een traan in je oog. Stille, woordeloze liefde en onmetelijke vreugde… Ons kind! En nu: Stille, woordeloze liefde en onmetelijke vreugde… Bij God, neerkijkend vanuit de hemel. ‘Ik heb u, Mijn kind, van eeuwigheid liefgehad, gekocht, gevonden…’

Zo kijkt de Heere uit hemel op u neer, armen van geest die op de Naam van de HEERE vertrouwt. Er was een tijd dat de Heere zweeg in Zijn toorn. U riep, maar Hij antwoordde niet. De hemel was zo gesloten. U klaagde: Zal de Heere in eeuwigheid verstoten en me niet genadig zijn? Hij zweeg in toorn.

Maar de hitte van Zijn gramschap is geblust! En nu zwijgt Hij in liefde. Want nu is er geen beschuldiging meer tegen degenen die in Christus Jezus zijn. Er is blijdschap in hemel. Om u! God ziet met onmetelijke en stille blijdschap op u vanwege Zijn werk. Vanwege het werk dat Hij in u begonnen is en ook zeker zal voleinden.

Maar, nog sterker wordt beeldspraak in onze tekst. Beeldspraak, nogmaals omdat de werkelijkheid zich helemaal niet onder woorden laat brengen. Leest u nog eens mee in vers 17: Hij zal zwijgen in Zijn liefde, en dan: Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.

Wat een vreugde, wat een blijdschap kan er zijn in ons hart, als de Heere onze duisternis opklaart. Als we iets van Christus mogen zien, omdat Hij Zich aan ons laat zien. Als de Vader ons aan Zijn hart drukt, omdat Hij dit verloren kind weer thuisgebracht heeft. Dan zingen wij in God verblijd. Dan juichen we, dan springt ons hart op van vreugde, omdat wij Zijn Naam liefhebben (Psalm 5:11).

Zoals je, moeders, kan zingen over je kind! Zoals je, bruidegom, kan zingen over je bruid! Zoals je, vaders en moeders, kan zingen om je kind dat verloren was en gevonden is. Zo zingen de armen en ellendigen die op Naam van de HEERE betrouwen. Ze maken geschal met vrolijk gezang en juichen (Jesaja 54:1)!

Maar dit is weer anders. Het gaat hier weer niet over ons. Dit gaat niet over ons zingen. Maar: de Heere zal van blijdschap zingen met gejuich. De Almachtige God zingt, en juicht…!

Wat kunnen sommigen mensen geweldig zingen… Wat kunnen mensenstemmen de snaren van ons hart raken… Zoveel zuiverder zingen de engelen… Zoveel vreugdevoller en heerlijker de zielen van de gezaligden in hemel… Maar hier zingt God… De Allerhoogste juicht van vreugde!

Wat, jongens en meisjes, zingt de Heere dan? Waarover is Hij verblijd? Over wie juicht Hij? Over dat arme en ellendige volk dat op Hem vertrouwt. En over Zijn werk in hun harten! De Vader zingt en juicht: O, Mijn verkoren volk, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde De Zoon zingt en juicht: Mijn liefste, Mijn bruid, uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk. U bent van Mij, want Ik heb u gekocht met de prijs van Mijn kostbare bloed. De Heilige Geest zingt en juicht: Ik heb u levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden. Ik zal u heilig maken en bewaren tot de dag dat Mijn werk in u voltooid is.

De drie-enige God zingt en juicht. Hebt u, armen en ellendigen die op de Naam des HEEREN vertrouwt, dan nog reden tot tranen? Ja, om uzelf. Dat wel. Maar luister toch naar dit troostvolle woord: De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich. Kinderen van God, is het niet om stil van te worden? Straks zullen we eeuwig zingen van Gods goedertierenheden. Maar ik verzeker u: als de Almachtige gaat zingen en juichen over Zijn werk voor ons en in ons, dan zullen we stilvallen. Zelfs daar, in de hemel. Hoe veel te meer hier en nu.

En waarom is dit alles zo is? Een zwijgende en zingende God, dat kan alleen maar omdat diezelfde heilige en rechtvaardige God ooit niet zweeg. Zijn zwaard ontwaakte tegen Zijn Herder en tegen de Man die Zijn Metgezel was. Op Golgotha moest Christus schreeuwen van pijn en verdriet. Daar was er vanuit de hemel geen zwijgen in liefde. Maar een zwijgen in ondragelijke toorn. Daar aan het kruis werd niet gezongen van blijdschap. In tegendeel. Daar werd de bittere klacht gehoord: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

Wat we hier lezen in Zefanja 3, dat kan alleen maar door dat wat op Golgotha gebeurde. Om dat werk, om Hem, om Christus, mag u armen en ellendigen in uzelf, maar hopend op de Naam van de HEERE, weten en geloven…: Als ik hier op aarde vrees om te zullen komen, in mijn strijd tegen de zonde, de wereld en mijn zondige hart, dan is er Een in de hemel die zegt: Vrees niet, Ik ben in het midden van u! Als ik hier op aarde in stilte mijn knieën buig, en zucht, en verlang naar licht, als ik hier op aarde gekweld word door twijfel, vrees en ongeloof, dan is er in de hemel een Held die zegt: Ik zal u verlossen. Als ik hier op aarde treur om de moeilijke wegen die de Heere ging en gaat, om mijn zonden en ellende, dan is er in de hemel een Heere, die Zich over mij verblijdt. Om Zijn werk in mijn hart. Als ik soms vrees of mijn schuld wel werkelijk verzoend is, als de duivel me influistert: ‘u gaat vast verloren’, dan mag ik weten dat de Heere in de hemel over mij niet meer zwijgt in toorn, maar in liefde. Hij heeft al mijn zonden achter Zijn rug geworpen, in de diepte van de zee. En Hij ziet op mij, alsof ik nooit zonde gekend of gedaan had. En als u soms in stilte of met uw mond juicht over Gods grote daden, vergeet dan nooit: Er is er Een in hemel die echt juicht! Ontzagwekkend! Over Zijn werk! Die vreugde, dat licht, die blijdschap, die van Zijn aangezicht straalt, dat gezang en gejuich uit de mond van de Allerhoogste, dat zal straks onze blijdschap tot het hoogste toppunt laten stijgen.

Daarom, kinderen van God, armen en ellendigen die op de Naam des HEEREN vertrouwt, heb goede moed. Ellende, twijfel, tranen, aanvechting, moeilijke wegen, ze hebben allemaal een goed doel.

Ze leren ons op God te vertrouwen. Ze leren ons in onze ellende onszelf als arme zondaars op God te werpen. En terwijl we dat doen, klinkt het uit de hemel: Ik zal u verlossen. Ik zwijg over u in Mijn liefde. Ze leren ons ook de zonde te haten. Kijk tot slot maar in vers 13. Daar lezen we: De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.

Daarom, ellendigen en armen die op Naam van de Heere hoopt, zo zegt de HEERE: Zing vrolijk, gij dochter Sions, juich, Israël; wees blij, en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems! De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning Israëls, de HEERE, is in het midden van u, u zult geen kwaad meer zien (vers 14-15). Amen.

Slotzang Psalm 73:1,12: Ja waarlijk, God is Isrel goed, Voor hen, die rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, Mijn voeten waren in mijn leed Schier uitgeweken, en mijn treên Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.

'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat; En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.