9 juni 2024
Hooglied 3:1: Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:
INLEIDING
De bruid mist plots haar Bruidegom, na een periode van innige gemeenschap. Zoekend in eigen kamer en daarna in de stad, bij de wachters, vindt zij Hem eindelijk – zij het slechts even nadat zij hen verlaten had. Zo leert de duisternis haar dat genade geen bezit is, wekt zij dieper zoeken en liefde. Zij houdt Hem vast en brengt Hem naar haar moeders huis. Ten slotte waarschuwt zij: bewaar deze liefde, wek haar niet lichtvaardig op.
De Bruidegom uit het oog verloren
HOOGLIED 3:1-5
1 Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:
2 Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
3 De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?
4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft.
5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem, die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Hooglied 3:1
THEMA
De Bruidegom uit het oog verloren
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, we overdenken in de dienst van het Woord van vanmorgen de eerste vijf verzen van het hoofdstuk dat u voorgelezen is, Hooglied 3. Hooglied 3 de verzen 1 tot en met 5. Ik lees u samenvattend (de andere verzen komen straks) vers 1 en 2. Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zei: Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: De Bruidegom uit het oog verloren Er zijn vier aandachtspunten: 1. Gemist 2. Gezocht 3. Gevonden 4. Gewaarschuwd Dus: de Bruidegom uit het oog verloren: gemist, gezocht, gevonden en gewaarschuwd. Als eerste dus:
Het voelt, al lezend, als een angstige droom, als een nachtmerrie. Hoofdstuk 2 is zo geweldig geëindigd. Het eindigde met de uitroep, vol van zekerheid en hoop: mijn Liefste is mijn! Letterlijk: Hij is tot mij! Hij heeft mij lief, en nu heb ik Hem ook zo van harte lief (2:16). Zeker, er zijn nog schaduwen, daar sloot hoofdstuk 2 ook mee af. Met de innige roep van verwachting: keer om mijn Liefste! En met de blijde roep van hoop: totdat er geen schaduw meer is, en ik altijd met U zal zijn (2:17).
En dan begint hoofdstuk 3. Het voelt als een schok: het was zo licht, en nu ineens is het zo donker! Zo snel als de overgang is tussen Hooglied 2:17Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether. en Hooglied 3:1, zo snel kan het licht in het leven van Gods kinderen veranderen in geestelijke duisternis. Denkt u maar aan Psalm 30:8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.: want, HEERE! U had mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet (wat was het licht!), maar…, toen U Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt (wat een duisternis!).
We lezen in vers 1: Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Ik zocht Hem. Ik, dat is de bruid, kind van God. Hem, dat is de Bruidegom, de Heere Jezus Christus. Ik zocht Hem. Hier is een kind van God, die in de ervaring van het hart de Heere kwijt geraakt is. Ze voelde dat Hij er was, ze merkte Zijn dichtbij zijn, Zijn liefde en genade, en dat maakte haar zo vol van vreugde en blijdschap, maar nu…, nu is Hij er niet meer, nu ziet ze Hem niet meer. En daarom mist ze Hem zo!
Jongens en meisjes, wanneer mis je iemand? Je mist iemand die je kent, iemand van wie je heel veel houdt, iemand die heel veel voor je betekent. En… nu is Hij er niet meer, althans de bruid ziet Hem niet meer. Kan je je voorstellen, jongens en meisjes, dat de kinderen van de Heere soms heel verdrietig zijn? Dat we zeggen: ‘het is zo donker, ik zie de Heere niet meer, en het lijkt alsof mijn gebed niet meer door het plafond van de kamer komt, de hemel lijkt zo gesloten’. En de duivel zegt: ‘Waar is God op Wie u bouwde?’ Kan je je dat voorstellen? Snap je dat? Je denkt misschien: ‘nou en, je moet gewoon wachten op een betere tijd…, die komt vanzelf wel weer…’
Maar, dat is het nu net, dat kan niet! Als je lieve vriend of vriendin een poos weg is, zeg je dan ook: ‘nou en…, hij of zij komt vanzelf wel weer een keer terug?’ Nee, dan voel je pijn, dan voel je verdriet en gemis in je hart. Dan denk je: ‘o, was hij of zij er maar weer, wat zou ik dan blij zijn!’ Zo is het ook in ons hart, als het geestelijke donker is. Dan denken we, dan zeggen we: ‘wat zou ik toch blij zijn, als ik Hem weer zag, in Zijn liefde, in Zijn genade, en in alles wat Hij deed en doet en wil zijn voor mij’.
Hoe komt het dat het soms licht is, en dat het in andere perioden donker is, in het leven van Gods kinderen? Waarom kan het gebeuren dat je je vriend van wie je houdt soms een poosje minder ziet? Dat kan door allerlei oorzaken, maar bijvoorbeeld ook als je ruzie gemaakt hebt. Waarom trekt deze Bruidegom Zich soms terug van Zijn bruid? Nee, Zelf maakt Hij nooit ruzie. Maar zij, de bruid wel. Het is vaak onze eigen schuld. Als de lucht betrekt, de zon verduistert, en het licht van de maan verandert in het donker van een donkere nacht, dan komt dat vaak (zoals dat staat in hoofdstuk 2) door de vossen, de kleine vossen, die ons geestelijke leven stuk knagen (2:15). Dan komt dat vaak door onze zonden, door de zonde van onze hoogmoed, dat we denken dat we beter zijn en meer genade hebben gekregen dan anderen, door de zonde van onze liefde tot de wereld, door de zonde van het niet meer bidden en niet meer lezen in het Woord. Wij verlaten (door onze zonden) Christus, voordat Hij ons ‘verlaat’.
Maar, er zijn meer mogelijke oorzaken. Want de verhouding tussen de bruid en de hemelse Bruidegom is wel een beetje, maar eigenlijk ook helemaal niet te vergelijken met
de verhouding tussen een gewone bruid en bruidegom, met de verhouding tussen een gewone hartsvriend en hartsvriendin. Want deze Bruidegom is zo anders. Hij munt uit in liefde, in volmaakte liefde, in wijsheid, in alles! Hij munt ver uit boven Zijn bruid!
Hij, de Heere Jezus Christus, de hemelse Bruidegom, trekt het licht van Zijn aanwezigheid in het leven van Zijn kinderen ook in, om ons nieuwe dingen te leren. De bekende puriteinse dominee Samuël Rutherford schrijft: Nacht en schaduw zijn goed voor bloemen, het maanlicht en de dauw zijn beter dan het continue licht van de zon. Zo is de afwezigheid van Christus ook bijzonder nuttig, het heeft voedende waarde, voedt nederigheid, dringt tot honger en maakt ruim baan voor het geloof…
Wat wil de Heere dan bereiken met die tijden van donkerheid, strijd of aanvechting? Wat is dan Zijn goede doel daarmee? a. Het leert ons in de eerste plaats zien dat genade geen bezit is, dat genade niet iets is wat je hebt, wat je bezit in eigen kracht. Maar dat genade en het ervaren ervan vrije, onverdiende goedheid is, een gunst en gift uit de hemel. b. En dus leert ons in de tweede plaats ook om niet hoogmoedig te zijn, om niet trots te zijn op wat we hebben, op wat we gekregen hebben. c. Het leert ons in de derde plaats Christus veel meer waarderen en hoogachten. In een tijd dat je als mensen elkaar niet ziet, in een periode dat je elkaar heel erg mist, verdiept zich de liefde meer dan ooit tevoren. Juist in perioden van geestelijke duisternis en in tijden van geestelijke verlating leren we Christus meer dan voorheen liefhebben, waarderen en hoogachten. d. Het leert ons in de vierde plaats ook dieper zoeken naar verborgen zonden als oorzaak van Zijn afwezigheid. We kunnen, als het gaat om onze zonden, zo snel klaar zijn met onze conclusies: ‘nee, zo ben ik niet!’ We kunnen er zelfs boos om worden, als onze zonden worden aangewezen. Maar de Heere kan Zich in de ervaring van ons hart terugtrekken, met de bedoeling om ons op te roepen: ‘Kijk verder, kijk dieper in uw hart’. Daar zijn verborgen afdwalingen. In het donker leren we zingen: Reinig U, o Heere, die vuile bron van al mijn wanbedrijven. e. In de vijfde plaats verbergt de Heere Zich ook om onze liefde en ons geloof te beproeven. Als het licht is, dan is het niet zo moeilijk om lief te hebben en te geloven. Maar als het donker wordt, dan (en dat is Gods goede doel!) komen juist die genaden aan het licht, die anders niet zo helder zouden blinken. De Heere leert ons in het donker geduldig te zijn, lief te hebben en vooral te geloven. Dit: hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet toch in gunst op die Hem vrezen (Psalm 73:1Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn., ber.) Het geloof is als een ster, die het meest helder schijnt in het donker van de nacht.
Kent u uit uw eigen leven ook van die perioden van donkerheid? Van die perioden van pijnlijk gemis? Kent u dit gemis: waar is God, mijn Schepper, mijn Heere, mijn Zaligmaker? Onderzoek uzelf nauwkeurig. Als u daar niets van kent… Als je je vriend niet mist, als hij weg is, dan is het de vraag of je hem wel goed kent, dan is het de vraag of je wel echt van hem houdt!
Als u nooit geleden hebt onder de afwezigheid van Christus, als u Hem nooit gemist hebt, dan is het te vrezen dat u Hem nooit hebt ontmoet en dat u Hem niet kent. Luister dan naar de ernstige waarschuwing van de profeet Amos: Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samaria! (Amos 6:1Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israëls komen.)
Zie tegelijkertijd tot uw troost, kinderen van God in het donker, Godzoekende mensen in de strijd en twijfel: de Heere beproeft uw geloof. Hij wil de kennis van uw verdorven hart verdiepen. Hij wil juist in deze tijd van donkerheid en duisternis uw liefde en geloof versterken. Dat wil Hij u juist nu leren! En tegelijkertijd wil de Heere u met die duisternis ook aanmoedigen om Hem ernstig te zoeken in gebed, in meditatie, in persoonlijk overdenken, in smeken en klagen, in het lezen van het Woord, in het luisteren naar het gepredikte Woord, kortom in het gebruik van alle middelen der genade. Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt gezocht, maar we gaan eerst zingen uit Psalm 63, daarvan het eerste en tweede vers. O God, Gij zijt mijn toeverlaat; Mijn God, U zoek ik met verlangen, Zo ras wij 't morgenlicht ontvangen, Bij 't krieken van den dageraad. O HEER, mijn ziel en lichaam hijgen, En dorsten naar U in een land, Dat, dor en mat, van droogte brandt, Waar niemand lafenis kan krijgen.
'k Heb U voorwaar in 't heiligdom Voorheen beschouwd met vrolijk' ogen; Hoe zag ik daar Uw alvermogen! Hoe blonk Uw Godd'lijk' eer alom. Want beter dan dit tijdelijk leven Is Uwe goedertierenheid. Och, werd ik derwaarts weer geleid! Dan zou mijn mond U d' ere geven.
De preek van vanmorgen gaat over de bruid, die de hemelse Bruidegom Christus uit het oog verloren heeft. Na ons eerste punt gemist, gaan we nu verder met ons tweede aandachtspunt:
Want zo begint direct al in vers 1: Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Ik zei: Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Twee echo’s klinken er in deze verzen, en die horen echt bij elkaar. Ik zocht Hem, die mijn ziel liefheeft. Zoeken en liefhebben. Wie liefheeft zoekt, en wie zoekt heeft lief. Echte zoekers zoeken vanuit een pijnlijk ervaren gevoel van gemis. Omdat ze de Heere
niet kunnen missen. En (eenmaal door Hem gevonden) omdat ze weten hoezeer ze Hem blijvend nodig hebben.
Ik zocht Hem, op mijn leger, op mijn bed, dat wil zeggen in mijn privévertrek, in mijn persoonlijke, verborgen gebeden. Maar ik vond Hem niet. Het doet denken aan het zoeken van de dichter van Psalm 22: Mijn God! Ik roep des daags, maar u antwoordt niet; en des ‘s nachts, en ik heb geen stilte (22:3). Het doet denken aan het zoeken van Job: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet. Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet (23:8-9). Het doet denken aan het zoeken van de dichter van Psalm 63: O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (63:2). Het doet denken aan het zoeken van Jesaja: Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken (26:9).
Maar dan opeens, de bruid kan het niet uithouden in haar gemis: ze stapt uit bed en gaat de straat op. Kijkt u maar in vers 2: (Ik zei): Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. De stad is hier het beeld van de kerk. De straten en de wijken van de stad zijn beeld van de middelen die de Heere gegeven heeft om Hem te vinden, beeld dus van wat we noemen de genademiddelen (zie Psalm 87:3Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela.; Hebreeën 12:22-23Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;).
Ze gaat ijverig niet alleen één, maar nu alle mogelijke middelen gebruiken om de Bruidegom terug te vinden. Oprechte zoekers zoeken in verborgen gebeden. Maar zulke zoekers zoeken ook in het Woord. En ze komen ook onder het gepredikte Woord. Een zoekend mens laat zijn plaats in de kerk niet leegstaan. Het is geen goed teken als u aan één dienst op zondag genoeg hebt. Kom! Zoek de Heere terwijl en waar Hij te vinden is! Wie deze instelling van Christus, de prediking van het Woord, verwaarloost, die kan dat alleen doen tot zijn eigen schade.
Ze gaat de stad in, ze gaat de straat op, ze zoekt (u voelt, het is nog steeds als de beeldspraak van een droom), ze zoekt angstvallig en overal: waar is Hij die mijn ziel liefheeft?
Totdat ze de wachters tegenkomt. Kijk maar in vers 3: De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? De wachters, dat zijn zij die waken over uw zielen (Hebreeën 13:17Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.). Nietige mensen. Ezechiël wordt door de Heere heel nadrukkelijk een mensenkind genoemd. Nietige mensen, die de opdracht van Christus gekregen hebben om in de nacht te waken voor gevaar. En wij zelf hebben daarvan rekenschap te geven en zullen dat doen.
U voelt die opdracht en verantwoordelijkheid heel nadrukkelijk in wat de Heere gezegd heeft tegen de profeet Ezechiël, die (zoals ik zei) door de Heere heel bewust wordt aangeduid als een mensenkind. Luister maar naar zijn roeping tot profeet: Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen (Ezechiël 3:17Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.). Gods knechten zijn aangesteld als wachters op de muur van Sion. Sommigen geven acht op de woorden van de wachter, zien het gevaar en laten zich waarschuwen. Anderen helaas niet...
Maar hier, in vers 4, zien we ook een andere kant van het werk van de wachter. En dat maakt deze plaats, waar wij het Woord verkondigen, tot een gelukkige en gezegende plaats. De wachters staan op wacht in de buurt van de Bruidegom. We lezen hier niet wat de wachters gezegd hebben. Of ze iets gezegd hebben, of dat ze alleen de weg gewezen hebben, het staat er niet. Het ligt voor de hand dat ze het beide hebben gedaan. Want de vrienden van de Bruidegom doen niets liever dan spreken over de Bruidegom en de vinger op Hem richten, om de weg naar Hem te wijzen. We lezen daar echter niets over. En dat komt waarschijnlijk omdat de Bruidegom Zelf in beeld komt. En dan verdwijnt de wachter. Hij moet wassen, maar ik minder worden (Johannes 3:30Hij moet wassen, maar ik minder worden.). Een dienaar van het Woord, een ambtsdrager zoekt als het goed is nooit zichzelf. Hij waarschuwt voor het kwaad, voor het gevaar van de nacht. En staat verder liefst, met de vinger wijzend, in de schaduw van zijn Meester.
Ons derde aandachtspunt:
We lezen in vers 4: Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft. Dit leert ons tenminste twee dingen. a. In de eerste plaats dit: Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft…, en: weg zijn de wachters! De wachters zijn vergeten! En zo moet het ook. Het is een slecht teken als u altijd maar over dominees praat. Als uw liefde in de eerste plaats liefde is tot deze of gene dominee. Dat redt je ziel niet voor de eeuwigheid. Dat is een levensgevaarlijke vergissing. Het gaat om de Bruidegom! Als u nooit van hen (de wachters, de ambtsdragers) weggegaan bent, en Hem, de Bruidegom, hebt ontmoet, dan bent u in het donker van de nacht nog steeds in levensgevaar.
b. Het tweede wat blijkt is dit: de Bruidegom is niet ver van degene die Hem zoekt. Ik vond Hem. De Bijbel is vol van zekerheid van dat op Gods tijd vinden, van dat vinden en terugvinden door Gods kinderen van hun Liefste, van Christus. Denkt u maar aan Spreuken 8: Die Mij vroeg (Mij ijverig) zoeken, zullen Mij vinden (8:17). Denkt u maar wat de Heere zegt door de mond van Jeremia: U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij vragen zult met
uw ganse hart (29:13). En wat denkt u van de woorden van de Heere Jezus Zelf in Mattheüs 7? Zoekt en u zult vinden! (7:7) Waarom is dat vinden op Gods tijd eigenlijk zo zeker? Ik zei u eerder: Gods kinderen verlaten Hem eerder, dan dat Hij hen ‘verlaat’. Dat zoekers zullen vinden, dat is zo zeker, omdat dit ook waar is: Hij zoekt hen eerder, dan dat zij Hem zoeken. Zegt de Heere niet in Jesaja 65: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik (65:1)?
Dit vinden is ten diepste vrucht van Gods onwankelbare trouw, van het zoeken en vasthouden van Christus. Hoe donker ooit Gods weg mogen wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen (Psalm 73:1, ber.). Hij houdt Zijn kerk vast. In Johannes 10 zegt de Heere Jezus: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Wat een troost is dit, in alle strijd, aanvechting en duisternis. Niemand zal de bruid ooit uit de handen van Christus, uit de handen van de Bruidegom kunnen rukken Want, zo gaat Heere Jezus verder: Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een (10:27-30). Wat een troost is dit, in alle strijd, aanvechting en duisternis: niemand zal ook de bruid ooit kunnen rukken uit de handen van de Vader. Haar leven en zaligheid liggen vast in God.
En daarom, hoe hoog de nood ooit zal gaan, Gods kinderen zullen nooit omkomen in moeilijke tijd, duisternis of hongersnood. Vastgehouden door Christus, vastgehouden door God Zelf. En dat ligt vast verankerd in het vaste fundament van het eeuwige verbond der genade, in de eeuwige, eenzijdige liefde van God in Christus. Het is vanwege Zijn liefde, omdat de bruid aan Hem gegeven is, en omdat Hij die bruid gekocht heeft met de prijs van Zijn bloed, omdat Hij haar zoekt, vasthoudt en nooit zal laten omkomen. En dat maakt de bruid (terwijl Hij haar hart aanraakt) ook weer zoekend. En dan ontmoet Hij haar in het donker van de nacht…
Wat wij ervaren, is dat wij Hem vinden. En zo zegt de bruid het ook. Maar wat in werkelijkheid gebeurt, is dat de Bruidegom de bruid zoekt, dat Hij haar zoekt en Zich door haar laat vinden.
Denkt u maar aan de dag van de opstanding van de Heere Jezus Christus. Twee engelen, twee hemelse wachters, zeggen tegen de zoekende Maria: ‘Wat weent u? Waarom huilt u zo?’ Ze vragen niet: ‘Wie zoekt u?’ Want dat is zondermeer duidelijk. En zo is het hier ook. De bruid hoeft de naam van de Bruidegom helemaal niet te noemen. Ze mag volstaan met te zeggen: ‘het gaat om mijn Liefste’.
En die (wachters) zeiden tot haar: Vrouw, wat weent u? Zij zei tot hen: Omdat zij mijn Heere (mijn Liefste!) weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent u? Wie zoekt u? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo u Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar u Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! (De schapen horen Zijn stem, en kennen Hem…!) Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester (Johannes 20:13-16En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester.). Terwijl zij Hem zocht, al voordat zij Hem zocht, kwam Hij tot haar. En zei, en zegt: zie hier ben Ik!
Toen ik (vers 4) een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Het voelt als een innige omhelzing tussen de Bruidegom en de bruid, als een omhelzing tussen een liefhebbende man en vrouw: ik laat U nooit meer los. Ik zal U nooit meer vergeten, al mijn Hoop en Lust.
Ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Opvallend, wat de bruid doet. Ze neemt de Bruidegom niet mee naar haar eigen slaapkamer, maar naar het huis van haar moeder. Hier is niets ongepasts, hier is alles eerlijk, zuiver en rein. Maar wat het vooral ook laat zien, is dat de bruid haar Bruidegom niet egoïstisch voor zichzelf houdt. Het opnieuw vinden van de Bruidegom moet zijn tot grootmaking en heerlijkmaking van Hem: in de gemeente, in heel de kerk. Want moeder is in de Bijbel vaak beeld van de kerk (Galaten 4:26Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.).
Daarom zegt Paulus in zijn brief aan de gemeente van Efeze (en dan voel je ook direct iets van persoonlijke omhelzing): Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus (Efeze 3:14Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus,). En daarna, dan voelen we ook iets van dat ‘willen meegeven aan’, van dat willen ‘aanprijzen bij anderen’, als hij schrijft: Opdat Hij u (ook u!) geve, naar de rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens. Opdat Christus door het geloof in uw (ook in uw!) harten wone, en u (ook u!) in de liefde geworteld en gegrond zijt (Efeze 3:16-17). Met andere woorden: Kom ga met ons en doe als wij! Zoek toch ook onze Bruidegom! Ga toch niet door zonder Hem. Zoek toch niet de dingen van deze wereld, want die gaan voorbij. Onze Bruidegom overtreft iedereen en alles. Hij is zo vol van onbegrijpelijke en eenzijdige liefde en trouw, voor het zondige, juist voor het zondige en verlorene. O, kon ik Hem u naar waarde aanprijzen!
Tot slot nog kort ons vierde aandachtspunt:
Want we lezen in vers 5: Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! Zo schrikachtig en bang als dat jonge vrouwelijke antilopen zijn, als dat vrouwelijke herten zijn, zo plotseling kan de in het hart ervaren aanwezigheid van Christus, ook uit de gemeente, uit ‘het huis van mijn moeder’ wijken!
Ditzelfde vers staat ook in hoofdstuk 2, maar daar geldt het het persoonlijke leven (2:7). Hier gaat het heel nadrukkelijk om het huis van moeder, om de gemeente. Want de bruid is nu met haar Bruidegom thuis bij haar moeder, in haar huis, in de kerk.
De tere gemeenschap met Christus in het persoonlijke leven, maar ook het tere werk van de Heilige Geest in de gemeente, beiden kunnen zo gemakkelijk verstoord worden. Wie de liefde van Christus niet kent, is daar niet bang voor. Maar zij die Zijn liefde het beste kennen, zij zijn het meest beducht dat zij door hun eigen schuld de ervaring van die liefde weer zouden moeten gaan missen. Daarom schrijft de apostel Judas: Bewaart uzelven (en dat geldt ook het gemeenteleven) in de liefde Gods (Judas 1:21Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.).
Hoe gemakkelijk kan de Geest van Christus uit de gemeente wijken, als Hij door onze zonden bedroefd wordt, door openbare of verborgen zonden. En de schade van het ‘aan de hand houden’ ervan, en de consequenties daarvan als het gaat om verlies van ijver, geloof, hoop, liefde, heiligheid, sterven aan de zonde en hemelgerichte gezindheid, zijn niet te overzien! Vandaar de vermaning van de Bruidegom in het vorige hoofdstuk (2:15): vang de vossen (doe de zonden weg!), de kleine vossen (ook de verborgen zonden) die de wijngaard, die de gemeente verwoesten!
Vandaar ook het gebed, tot slot, van de dichter van Psalm 19. Het is een gebed dat niet alleen gepast is voor het persoonlijke leven, maar ook een gebed dat in het midden van de gemeente blijvend en indringend gebeden moet worden: Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig ons van de verborgene afdwalingen. Houd ons ook terug van trotsheden; laat ze niet over ons heersen; dan zullen we oprecht zijn en rein van grote overtreding. Laat de redenen van onze mond, en de overdenking van ons hart (toch) welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE! (naar Psalm 19:13-15)
Amen.
Slotzang Psalm 73:1,13
Ja waarlijk, God is Isrel goed, Voor hen, die rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, Mijn voeten waren in mijn leed Schier uitgeweken, en mijn treên Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.
Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bittere smart Of bange nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
Andere preken over Hooglied
Andere preken voor Voorbereiding