PREEK · VRIJE STOFFEN

Johannes de Doper in de gevangenis - Mattheüs 11

1 februari 2015

Mattheüs 11:3: En zeide tot Hem: Zijt Gij Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?

INLEIDING

Johannes de Doper zit in de gevangenis en twijfelt: is Jezus wel echt de Messias? Zijn vraag toont dat ook Gods kinderen niet vrij zijn van twijfel, juist wanneer God hen klein maakt en beproeft. Jezus reageert niet met verwijt, maar wijst hem, via de discipelen, terug naar Zijn werken: blinden zien, doven horen, doden worden opgewekt, en vooral: aan armen wordt het Evangelie verkondigd. Wie met al zijn twijfel tot Hem komt, wordt niet afgewezen. Zalig hij die aan Hem niet geërgerd wordt.

THEMA

Bent U het echt? Of: Johannes de Doper in het donker

KERNPUNTEN

  1. De twijfel van Johannes
  2. Het antwoord van Jezus

MATTHEÜS 11:2-6

2 En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen,
3 En zeide tot Hem: Zijt Gij Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?
4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet:
5 De blinden worden ziende en de kreupelen wandelen, de melaatsen worden gereinigd en de doven horen, de doden worden opgewekt en den armen wordt het Evangelie verkondigd.
6 En zalig is hij die aan Mij niet zal geërgerd worden.

VOLLEDIGE TEKST

Johannes de Doper in de gevangenis - Mattheüs 11

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 11:3

THEMA

Bent U het echt? Of: Johannes de Doper in het donker

LITURGIE

Psalm 13:1,5

Psalm 38:6 (morgen), 9:10 (middag)

Lezen Mattheüs 11:1-15

Psalm 102:1,7,10

Psalm 42:6

Psalm 38:15,22

Gemeente, de tekstwoorden die wij vanmorgen met de hulp van de Heere met elkaar overdenken, kunt u vinden in Mattheüs 11:2-6. Het is het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is, waarvan ik u samenvattend alleen nog het derde vers opnieuw voorlees, waar staat: En zeide tot hem: zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?

Het thema voor de preek is: Bent U het echt? Of (zo zou je ook kunnen zeggen): Johannes de Doper in het donker

Er zijn twee aandachtspunten. We letten als eerste op de twijfel van Johannes, en als tweede op het antwoord van Jezus. Dus: 1. De twijfel van Johannes 2. Het antwoord van Jezus Als eerste dus:

1. De twijfel van Johannes

Het is donker. Johannes zit in de gevangenis. Hij zit in de gevangenis in Machaerus, een plaats aan de overkant van de Dode Zee. Daar heeft Herodes Antipas een prachtig paleis gebouwd, en daaronder is ook een gevangenis. Johannes de Doper zit in de gevangenis.

Wat kon die man vroeger preken, zeg! Het hele land kwam erop af! Zeker, zijn prediking was een scherpe boeteprediking. Maar uiteindelijk toch met één doel: bekering. Want alleen degene die de zonde ziet, erkent en belijdt, die gaat uitzien naar de komst van de Messias. En daarom was zijn prediking tegelijkertijd als een prediking van één die vrede verkondigt, in het bijzonder toen hij uitriep: Zie, het Lam Gods!

Maar, wie zo preekt, die mag vijanden verwachten. Dat is nog steeds zo. De farizeeën, zo zouden wij zeggen, luisteren zijn preken nog eens na. Maar zij kunnen op dit moment weinig doen.

Maar als Johannes de Doper Herodes Antipas waarschuwt vanwege het overspel met zijn schoonzus, dan is het over en uit met Johannes. Hij wordt opgepakt, vastgebonden en achter slot en grendel gezet: ver weg van huis, onder die grote, zware burcht, dat paleis van Herodes Antipas. Zo, opgeruimd staat netjes!

Zie je hem in gedachten zitten? Een man die de Heere kent en dient van zijn jongste dagen af. In vers 11 staat: er is niemand meer dan Johannes de Doper. Maar nu zit hij in de gevangenis. En ongetwijfeld (zo gaat dat, als je alleen bent) denkt hij terug aan alles wat gebeurd is. Hoe hij gepreekt had van de Komende, van de komende Messias. God zelf had Hem aangewezen, want hij kende Hem ook niet. God had Hem aangewezen: De Geest daalde neer als een duif en bleef op Hem. En toen had hij het ook zelf gezien en geloofd: dit is de Zoon van God. Het toen heeft hij het ook gepreekt, toen heeft hij Hem ook aangewezen: Zie het lam Gods!

Maar dat was toe… Ik was Zijn voorloper, Zijn wegbereider… Ik moest de weg klaarmaken… En daarna… Daarna moest ik plaatsmaken. Hij moest groter worden, ik moest minder worden. Maar ja…, het is nu wel heel letterlijk uitgekomen, een beetje te letterlijk bijna… Want, nu zit ik hier, in de gevangenis…

Maar…, waarom komt Jezus eigenlijk nooit eens op bezoek bij me? Ik mag toch bezoek ontvangen? Mijn discipelen komen toch ook? En waarom stuurt Hij nooit eens een boodschap? Wij zouden zeggen: waarom stuurt Hij nooit eens een kaartje? Waarom vraagt Hij nooit naar me, als ik dan Zijn wegbereider ben geweest? En zo vat de gedachte post in zijn hart: ‘maar zou…, zou Hij dan wel echt de Messias zijn? Of heb ik me vergist? Komt er nog een ander? Is er nog een andere ‘Komende’ (zo staat er letterlijk)?’

Het doet denken aan de dichter van Psalm 77, die schrijft in vers 3-6: Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar (ik huilde in mijn hart); peinsde ik (ik tobde, ik piekerde), zo werd mijn ziel overstelpt. Sela. U hield mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet. Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht: Zou het wel waar geweest zijn…? Ik heb het wel gezegd: zie het Lam Gods… En ik heb Hem zelf wel gezien, en ik heb het ook geloofd… Ik wist het zo zeker: Hij is het…! Maar nu: is het wel waar geweest? Is Hij wel de Messias? Of heb ik me vergist?

Hier ziet u een kind van God. Hij vreest de Heere van zijn kindse dagen af. Hij wordt genoemd de grootste in het Koninkrijk der hemelen. Een dienaar van het Woord. En… hij kan niet meer geloven. Sommige mensen zeggen: Gods kinderen twijfelen nooit! En als ze horen van wel, dan ontlokt hen dat harde verwijten en goedkope adviezen!

Maar, mag ik u eens vragen: bent u meer dan Johannes de Doper? Dient u de Heere langer? Hebt u vrijmoedig er over Hem gepreekt?

Het moet maar eens anders gaan in je leven: je verliest je man, je vrouw, je kind, je verliest je werk, je gezondheid of je vrijheid, je raakt in een diepe depressie… De zon verdwijnt achter een wolk… En…, je zucht: zou God Zijn genade vergeten? Vroeger zo veel licht, vrede, blijdschap, hoop en moed… En nu: alles zo donker! Gods kinderen (dat is wat we leren van deze geschiedenis) zijn niet vrij van twijfel.

Ik snap wel dat sommige mensen daar zo tegen botsen! Want: twijfel…, wat doet dat eigenlijk? Twijfel laat zien dat je in jezelf geen kracht hebt om te geloven! Dat het geloof een gave, een gift van God is, iets wat je zelf niet kunt maken. En twijfel laat (na alles wat je van de Heere gekregen hebt) je vaak ineens weer in de spiegel kijken. En je vraagt je af: wie ben ik eigenlijk, voor God, de heilige God? En mijn hart: het is arglistig, bedrieglijk, ja, dodelijk.

Gods weg in het leven begint ook niet met een vaste, onwankelbare keus van onze kant, of met geloof dat wij staande houden in eigen kracht en dat nooit meer wankelen of twijfelen zal. Wie kijkt naar de prediking van Johannes de Doper, die ziet dat de weg naar de Messias begint met: het voorbereiden, met het banen van de weg. Het Woord van God, de wet van God baant de weg: heuvels worden afgegraven, dalen worden opgevuld, wat hobbelachtig is wordt vlak gemaakt en wat krom is wordt recht gemaakt. Het is niet zo, dat je eerst zonder God leeft, en dat dan ineens de Messias voor je staat, en dat je vanaf dat moment voor altijd zeker en vast geloven kunt. Spreekt de Bijbel niet van vijanden die in het hart getroffen worden? En van dodelijk getroffen mensen die aan de voeten van de Heere terechtkomen? Spreekt de Bijbel niet van droefheid in het hart naar God, die ik zo vertoornd heb door mijn zonden? Van innig en hartelijk berouw? Van mensen die een walging aan zichzelf zullen hebben? En die uiteindelijk zullen komen met koorden van de veroordeling om de hals, biddend en smekend om genade? Wee mij, dat ik zo gezondigd heb. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, o heilige God?

Hebben zulke mensen direct oog voor Christus en Zijn werk? Nee, meestal niet. De meesten van hen gaan gebukt onder de last van hun zonde en schuld. En ze stellen alles in het werk om daarvan bevrijd te worden. Maar van onszelf hebben wij geen oog voor het Lam. Totdat God Zelf onze ogen op Hem richt. En we Hem in de verte of dichterbij zien en in Hem geloven mogen.

Maar we kunnen Hem ook weer zo uit het oog verliezen. Onze voorouders spraken vroeger niet onterecht van een komende en een gaande Jezus. Want we kunnen Hem ook weer zo uit het oog verliezen. We worden geestelijk lui, we zijn niet op onze hoede, we zijn weer zo gerust. Onze gebeden verslappen, in plaats van

dat we ‘waken in de gebeden’. We worden vatbaar voor de influistering van de duivel. Eén duivelse influistering is genoeg. Want ons geloof is maar zwak. En de twijfel slaat toe… Twijfel die knaagt aan de waarheid van het werk van God: zou het wel waar geweest zijn? Of bedrieg ik mezelf? Is het misschien alleen maar opvoeding? Twijfel die zelfs uiteindelijk kan knagen aan de wortel van het Godsgeloof: Bestaat God wel echt?

Ons geloof is maar zwak. In eigen kracht kunnen we niet staande blijven. Eén duivelse influistering is genoeg, om ons aan het wankelen te brengen. Maar wat een troost is het dan ondertussen wel, dat in de hitte van de verzoeking de duivel ook zijn vurige pijlen op Jezus gericht heeft, toen Hij verzocht werd in de woestijn. Een verzoeking die oneindig veel groter en zwaarder was, maar Hij verdroeg en Hij overwon.

Het is hier ook de duivel, het is de duivelse Herodes, die Johannes de Doper in de gevangenis gooit en in het donker bereikt. Maar niet vergeten, nooit vergeten, daarachter is een hoge hand, een Goddelijke hand die het geloof van Johannes de Doper beproeft, loutert en zuiveren wil. Want de Heere wil Johannes de Doper leren, meer leren over Wie Hij werkelijk is. Dat is het nut van donkerheid, dat is het nut van dat ‘niet meer weten’.

Hier zien wij dat de groten altijd maar weer klein moeten worden. Als ik niet klein word, wordt Hij, Christus, niet groter. Ik moet meer leren dat ik nog maar zo weinig weet, en dat ik van mezelf uit de dingen vaak ook zo verkeerd zie. Ootmoed, bescheidenheid, weten en erkennen dat ik nog maar zo weinig weet: dat is een kenmerk van een kind van God. Dat ik ten dele ken. Niet dat opgeblazen idee, die opgeklopte uitstraling: ik weet alles al. Maar dit: ik ben zwak, en mijn kennis is maar zo beperkt.

Want, eerlijk gezegd, ook Johannes de Doper heeft de dingen niet altijd helemaal goed gezien. Hij dacht: de Messias zal komen als Degene die straft, als Degene die oordelen zal. En daarom heeft hij ook gepreekt van de toekomende toorn. Hij dacht (en daar zien we opnieuw de zwakheid van de dienaars van het Evangelie), hij dacht dat hij profeteerde alleen van de eerste komst van de Messias, maar hij preekte deels ook over de tweede komst van Christus. Hij (die ook maar een mens was) heeft de dingen niet altijd in het goede perspectief gezien. Hij dacht ongetwijfeld aan het oordeel over Israël en over Herodes Antipas, denkend aan wat staat in Jesaja 35: ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en (en dan…, dan zal Hij) ulieden verlossen (Jesaja 35:4). Hij zal komen en u verlossen…! Maar, Hij komt maar niet… Daar ziet hij helemaal niets van… En dan vat de gedachte post: zou Hij het wel echt zijn? Of komt er toch nog een ander?

We kunnen Johannes de Doper zo goed begrijpen. Hij snapt het niet. Hij weet het niet meer. Misschien zit u zo wel in de kerk vanmorgen. Zou het wel waar geweest zijn? Of was het alleen maar opvoeding? Of is het allemaal zelfbedrog? Als je dat nooit gedacht hebt, als hij dat voor onmogelijk houdt, dan ken je jezelf niet. Dan zit het goed mis met je! Gods kinderen herkennen die twijfel wel.

Wat moet je doen, als je zo twijfelt? De dominee vragen? En ouderling vragen? Zeker, het is goed om met elkaar te praten, maar toch: mensen zullen je nooit overtuigen. Volg de raad van Johannes de Doper maar op: hij bracht zijn twijfel, zijn vragen bij Jezus. Met al uw twijfels, raadsels en zorgen moet u bij God, moet u bij Christus zijn.

Voordat wij gaan luisteren naar het antwoord van Jezus, gaan wij nu samen eerst zingen uit Psalm 42, daarvan het 6e vers: 'k Zal tot God, mijn steenrots, spreken: Waarom, HEER, vergeet Gij mij? 'k Ga in 't zwart, door rouw bezweken, Om mijns vijands dwingelandij, Die mij hoont, mij 't hart doorboort, Dat gestaâg deez' lastering hoort: Waar is God, op Wien gij bouwde, En aan Wien g' uw zaak vertrouwde?

Ons tweede aandachtspunt:

2. Het antwoord van Jezus

Johannes de Doper stuurt zijn discipelen naar Jezus toe, en die leggen zijn vraag aan Jezus voor. En, staat er, toen haastte Jezus Zich naar de gevangenis om met Johannes de Doper te praten, om hem te overtuigen dat Hij het werkelijk was? Nee, dat lees je helemaal niet. Ze krijgen een boodschap mee van de Heere Jezus. Het Woord zal het doen. En ligt ook geen overtuiging, vastheid of zekerheid in iets bijzonders, er ligt alleen maar overtuigingskracht in het Woord. ‘Discipelen, ga maar terug naar Johannes en zeg de boodschap die Ik je meegeef’. We lezen in vers 4 en 5: En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet: De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen, de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd. Je zou bijna zeggen: er zit niet zoveel nieuws in die boodschap. Immers, in vers 2 staat toch ook al dat Johannes de Doper de werken hoorde van Jezus?

Maar toch: ‘Johannes, wegbereider, luister en kijk! Ben Ik het of niet?’

En ik zeg het vanmorgen ook tegen mezelf en tegen u: luister en kijk! Vergist u zich of niet? Is het God, Die in uw leven gewerkt heeft of niet? En moge de Heere vanmorgen Zijn Woord gebruiken om de donkerheid van leven op te klaren. Luister en kijk! Of om u te ontdekken aan het feit dat u zich echt vergist hebt en uzelf bedriegt voor de eeuwigheid. Luister en kijk!

Blinden worden ziende. De letterlijke vervulling van Jesaja 35:5: Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden. Zijn uw ogen al open gedaan? Bent u al ziende geworden?

U zegt: ‘ik heb Jezus gezien! O, wat was het mooi, wat raakte het mijn hart. Indrukwekkend! Ik zal het nooit vergeten!’ Ja, maar, daarvoor was er (als het goed is) iets anders: bergen zullen vernederd worden (zo had Johannes gepreekt), dalen zullen verhoogd worden, en er is zoveel krom wat eerst recht gemaakt moeten worden, en er is zoveel hobbelachtig wat eerst vlak gemaakt moet worden… Is uw (luister en kijk!), is uw hoogmoed, is uw trots wel gebroken? Bent u echt zondaar voor God geworden? Kent u droefheid naar God in uw leven, vanwege zoveel zonden die u gedaan heb tegen een heilig en rechtvaardig, en tegelijkertijd goeddoend God? Gelooft u nu echt in een Lam, op Wie de toorn van God losgebrand is vanwege de grootheid van het kwaad, terwijl u dat kwaad van uzelf nog nooit echt gezien hebt? Of… is dat juist de muur, waar u zo tegenaan kan kijken: uw hemelhoge schuld? Hoewel uw oog, al is het misschien in de verte, ook wel iets zien mag van het Lam? Blinden worden ziende.

En: kreupelen wandelen. Jesaja heeft gezegd: ze zullen springen als een hert. Dat is Gods werk. Luister en kijk! Ik was kreupel. En als je kreupel bent, dan weet je dat, dan voel je, dan merk je dat. Daar heb je last van. ‘Ik wil God te dienen, maar het lukt niet. Ik zou wel willen geloven, maar ik kan het niet’. Het is Gods werk: als Hij een mens die het niet weet en die het niet kan, toch de kracht geeft en in staat stelt om te lopen, om te willen en te doen. Is er in uw hart iets van dat nieuwe verlangen, van die nieuwe wil om God te dienen? Luister en kijk!

De melaatsen worden gereinigd. Van top tot teen melaats, ziek, besmettelijk, dodelijk ziek door de zonde en schuld. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw (Psalm 51:7). Toen, toen ik mijn melaatsheid zag, toen kreeg Hij, die zo smetteloos heilig is, waarde voor mijn ziel. Toen ben ik met mijn dodelijke kwaal naar Hem toe gegaan. De melaatsen worden gereinigd.

En de doven horen. Dat is Gods werk. Altijd ging het aan me voorbij. Het Woord raakte me niet. En nu hoor ik het, en laat het mij niet meer los. Uw hoor ik de eisen van Gods heilige recht: betaal Mij wat u Mij schuldig bent! Ja. Ik hoor meer…

Want, zegt de Heere Jezus, ‘zeg tegen Johannes de Doper nog twee dingen daarbij, die Jesaja destijds niet gezegd heeft.’ Deze twee dingen: ‘Johannes de Doper, de doden worden opgewekt!’ Dat heeft Jesaja niet gezegd. Dat is nieuw, dat is iets extra’s. Johannes de Doper, Wie alleen is in staat om de doden op te wekken? Wie alleen is in staat om een geestelijk dode levend te maken? Dat is het werk van God en van God alleen. Wie was het die leven blies in uw dode ziel…?

En, Johannes de Doper, nog iets: ‘aan de armen wordt het Evangelie verkondigd!’ Dat valt een beetje uit de toon. Het is een beetje een anticlimax. Het lijkt steeds groter te worden: blinden worden ziende, kreupelen wandelen, melaatsen gereinigd, doven horen, en dan… de doden opgewekt, en dan… het grootste, het toppunt, de climax…? Ja, dit is juist de climax! Dit is Zijn machtigste werk: de Messias brengt een goede boodschap aan armen en verloren. Johannes de Doper, je hebt de weg bereid. En nu is er door je prediking plaatsgemaakt voor die goede boodschap. Voor…? Voor mensen die het altijd zeker weten? Nee, voor armen, voor zoekende twijfelaars, voor mensen die het van zichzelf niet weten en niet hebben. Voor mensen die hun eigen hart hebben leren kennen. En, Johannes, dus ook… voor jou. Aan de armen, aan mensen die van zichzelf geen kracht hebben om te geloven, wordt het Evangelie verkondigd!

Hoort u dat, God-zoekende twijfelaars? U zucht, omdat u het niet meer weet… U dacht ook (misschien wel net als Johannes de Doper) dat het zou gaan van hoogtepunt naar hoogtepunt, van kracht tot kracht… Maar nu zit u in het donker. En u zegt: is het wel waar geweest? Ik zie zoveel zonde in mijn leven? En zoveel dorheid en liefdeloosheid en biddenloosheid. Is Hij wel ook een Borg, een Zaligmaker voor mij? Waar toch heen met die vragen? Naar Hem alleen. U moet met al uw donkerheid en twijfel bij Jezus zijn.

En vragen: bent u het Heere? En dan zal Hij tegen u zeggen Wie Hij is en Wie Hij wil zijn voor u. Zal ik het u zeggen vanmorgen, namens Hem? Wie Hij is en wil zijn voor mensen zoals u? Hij is niet Degene die u steeds hoger en hoger zal tillen, die u steeds sterker en sterker zal maken, steeds steviger, totdat u uiteindelijk nooit meer twijfelt en het voor altijd in uw zak hebt. Dat is niet het werk van Jezus. Wat dan wel?

Hij wekt op uit de dood. En hij maakt ziende. Hij laat zonden zien, steeds meer zonden. Hij geeft oren om te horen. De eisen van het Goddelijke recht, waaraan u zeker nooit kunt voldoen. En ondertussen geeft Hij nieuw leven, leven dat God wil dienen. Maar het lukt maar niet. En dus voel ik me steeds beroerder, steeds hopelozer in mezelf. En dus zeg ik: ‘is er nog wel een weg voor mij om zalig te worden? Hoe zal het ooit goed komen? O Heere, ik zei: U bent mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden. Let op mijn geschrei.’

Wat doet de Heere toch, bij Johannes de Doper, en in het leven van Zijn kinderen door zulke, juist door zulke preken als die van Johannes de Doper? Hij bereidt de weg: Hij vernedert heuvels, Hij verhoogt dalen, Hij maakt het kromme tot recht: dit moet weg, dat moet weg, dit moet eraan en dat moet eraan…

Johannes de Doper, geef het allemaal maar af: je eer, je goede naam, je vrijheid (daarom, Johannes, zit je nu hier moederziel alleen in het donker). U, geef het maar af: uw zonden, uw hemelhoge schuld, uw dood… Geef die maar Mij. Maar ook uw ijver, uw zogenaamde goede werken, uw langgekoesterde hoop op levensverbetering, het vertrouwen op uzelf… Geef het allemaal maar af. Wat doet de Heere ondertussen? Hij laat me zien wie ik ben. En dan kan ik zelfs niet meer geloven. Hij maakt arm, hij maakt klein. Totdat er niets anders overblijft dan: let op mijn geschrei: genâ, o God, genâ. Hij maakt arm, Hij maakt klein. Totdat er niets anders overblijft dan het Woord, dan de Christus in het Woord.

De Heere neemt Johannes de Doper alles af, zelfs de troost van zijn mooiste preken, van zijn buitengewone bevinding. Opdat hij met al zijn ellende en twijfel naar Jezus zou gaan. En wat is dan de boodschap? ‘Johannes de Doper, wat ben je toch een uitzonderlijk begenadigd mens? De meeste van het koninkrijk der hemelen?’ Nee, dit is het antwoord: ‘Johannes, jongen, hoor toch en zie! Luister en kijk!’

Luister toch naar Mijn Woord en kijk! Luister naar dit Mijn Woord: De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis (Jesaja 61:1). Ik heb een blijde boodschap voor armen: een boodschap van genade. Door de weg van Mijn lijden (nee, niet door de weg van het oordeel, van het straffen van Israël en Herodes; het gaat anders dan jij dacht en jij wilde), door de weg van Mijn lijden ga Ik de dood in, voor jou. Mijn bloed, dat Ik storten zal, dat is het verband voor je gebroken hart, dat is Mijn medicijn voor je gewonde ziel.

Bij Hem moet u zijn met al uw twijfel. En ik zeg u, zondaar: u zult arm, armer, ja allerarmst worden, totdat u niets meer hebt dan schuld en tekort. En dan zult u zeggen: ‘ja, Heere, ik ben ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt.’ En dan zal Hij tot u zeggen: ‘zie, hier ben Ik. Ik werd de Allerarmste voor armen. Ik werd de Allerellendigste in de plaats van ellendigen. Het Lam, dat geslacht is voor onwaardige zondaars.’

Hoor! Luister! En: Zie! Kijk! Wat Ik heb voor uw kleingelovige hart, dat zo wankelt? Niet alleen het Woord om te horen, maar ook tekenen om te zien. Om uw geloof te versterken, om uw hart te bemoedigen. Het teken van het water van de Heilige Doop, en de tekenen van brood en wijn bij het Heilige Avondmaal. Hoor en zie! Luister en kijk! Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Ik stel me zo voor dat Johannes de Doper wel weer kon preken in de gevangenis. Dat hij na dit antwoord het weer gezegd heeft tegen zijn discipelen: Zie het Lam Gods! Hij is het. En zo zeg ik vanmorgen ook tegen u: Kom en zie! Hij is het! Hij maakt dat de blinden zien, dat de doven horen, dat de kreupelen springen als een hert, en dat de doden opgewekt worden. En de armen (dat is de climax van Zijn werk!) horen de blijde boodschap, dat er genade is voor hun schuld, omdat het Lam geslacht is voor vijanden.

Let ondertussen, gemeente, op de mildheid van de Heere Jezus. Johannes de Doper krijgt geen pak slaag. Er is ook geen enkele reden om zo’n hard oordeel te vellen over de twijfel in het hart van Gods kinderen. Als dat moest, dan had Jezus dat Zelf wel gedaan. Maar Hij deed het niet. Hij zegt niet tegen Johannes: ‘hoe kan het toch dat je niet meer gelooft? Schaam je!’ Hij bestraft hem niet. Hij verbindt zijn verwonde ziel. En… Hij wijst hem heen naar het Woord (in vers 4 en 5). Naar het Woord dat je kunt horen en zien. En Hij zegt trouwens ook niet (in vers 6) vol dreiging: ‘zalig, Johannes, als jij gelooft’, maar Hij zegt het meer algemeen: ‘zalig hij, die niet aan Mij geërgerd zal worden’. En, direct daarna verdedigt de Heere Jezus (in vers 7-140 publiek het geloof, de woorden en het ambt van Johannes de Doper.

Let daarin op de trouw van Christus voor Zijn kind en knecht Johannes. Hij laat hem zelfs in de gevangenis niet los. Hij troost en bemoedigt hem. Hij zal nooit verlaten wat Zijn hand begon. Uw zuchten, zegt Psalm 38, is voor Hem ook niet verborgen. Hij hoort het zuchten van de gevangenen, om los te maken de kinderen des doods, zo zegt Psalm 102. In de diepste verlating, in de zwartste duisternis van twijfel, houdt God Zijn kinderen altijd vast. En... Hij wacht tot ze bij Hem komen?

Nee, Hij trekt ze Zelf naar Hem toe. Het zijn de woorden uit vers 2 (Johannes gehoord hebbende van de werken van Jezus), woorden die hem herinneren aan de profetie van Jesaja 35, die zijn hart naar Jezus toe trekken. Hij hoort van Jezus, van de werken die Hij doet, en dat trekt aan zijn hart. Het is Jezus Zelf die aan zijn hart trekt. En dan komt Johannes de Doper, met al zijn vragen en met al zijn twijfel tevoorschijn. En dus past ons de bede, juist ook in tijden van donkerheid en twijfel: Trek mij, Heere, dan zullen wij nalopen.

Kan het uw hart niet trekken, wankelmoedige zielen, twijfelmoedig harten, als ik u vandaag van Jezus vertel, dat het Zijn werk is om doden levend te maken, blinden, doven en kreupelen te genezen? Kan het uw hart niet trekken, als ik u zeg dat het Zijn werk is om armen het Evangelie te verkondigen? Kom dan toch vanmorgen met al uw vragen en twijfels tot Hem.

En (zo staat in vers 6) zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden. Zalig is hij, die geen aanstoot aan Mij nemen zal. Zalig is hij, die niet over Mij struikelen zal. Want Jezus is voor sommigen het Lam Gods, de gezalfde Messias, Verlosser en Redder van dood, zonde en schuld. Maar voor anderen is hij (zo schrijft Jesaja) een steen des aanstoots: een steen waar je je aan stoot. Een rotssteen der struikeling: een steen waarover je struikelt en valt. En tot een strik en tot een net, waarin je vastraakt, verstrikt en uiteindelijk stikt.

Hoewel Christus Zich voor de oren en ogen van heel veel mensen vertoond heeft (hoor en zie!), geloven de meeste mensen toch niet in Hem. Ze zien geen gedaante of heerlijkheid in een Lam, geslacht voor zonde en schuld.

Zalig, als je je niet stoot. Aan Jezus, aan Christus. Maar pas op! Rampzalig, verloren, te laat! Als je je wel stoot en struikelt en valt in het net. Omdat…? Omdat je van geen zonden weten wilt. En daarom ook deze Christus nooit nodig gekregen hebt in je leven.

Gemeente, hier ligt een uitverkoren Hoeksteen, bij God uitverkoren en dierbaar. En wie u ook bent, en wat u ook denkt, u kunt niet om Hem heen! Het is van tweeën één. Of u buigt. Zalig hij die buigt. Of u valt. U valt voor Hem neer, of u valt over Hem heen. Maak toch grote haast met het werk van uw zaligheid.

Nou, daar zit Johannes. Getroost en bemoedigd. En toch blijft er nog iets onbegrepen: ik zit hier nog steeds in mijn eentje in dat donkere hol. En als priesterzoon en als profeet weet hij maar al te goed, dat Jesaja geprofeteerd heeft van de komende Messias in Jesaja 61:1: De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den

zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis…

Hoor en zie! Maar dat laatste, dat zie ik niet: om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis. Ik zie het nog steeds niet... Nee, klopt. Johannes moet ook nog even geduld hebben. Want terwijl hij het niet begrijpt, wordt de weg ook voor hem bereid. De weg naar huis. De echte vrijheid is dichterbij dan hij denkt. Niet lang daarna ligt zijn hoofd op aarde in een schotel, onthoofd voor een heidens verjaardagsfeest. Terwijl zijn ziel in de hemel rust in de schoot van Abraham.

Sommige vragen blijven onopgelost in het leven van Gods kinderen en Gods knechten. We krijgen niet altijd wat we vragen. We krijgen wat beters. Opdat de beproeving uws geloofs (zegt Petrus), die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde; verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen (1 Petrus 1:7-9). Hem, Johannes is een beter lot bereid. Zijn Heilzon is aan het dagen.

Amen.

Slotzang Psalm 38:15,22:

Want, o trouw en eeuwig Wezen, In mijn vrezen Staat mijn hoop op U alleen; Gij, mijn God, zult in ellenden Bijstand zenden, En verhoren mijn gebeên.

HEER’, ik voel mijn krachten wijken En bezwijken; Haast U tot mijn hulp, en red, Red mij, Schutsheer, God der goden, Troost in noden, Grote Hoorder van ‘t gebed.