Weeszondag - 16 mei 2021
Handelingen 1:16-17: Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond van David voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen; Want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen.
INLEIDING
Tussen Hemelvaart en Pinksteren wacht de gemeente biddend, zoekend de Schrift. Petrus wijst op de vervulling van de profetie over Judas' val en die over zijn vervanging. Het apostelgetal moet weer twaalf worden; Jozef en Matthias worden voorgedragen, zonder zelf te strijden om de plaats. Na gebed tot de Harteziener valt het lot op Matthias. Zo houdt God Zijn Woord: in zegen voor wie gelooft, maar evenzeer in waarschuwing voor wie, als Judas, zijn eigen weg kiest.
De profetie is, de profetie wordt vervuld
HANDELINGEN 1:15-23
15 En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen):
16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond van David voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen;
17 Want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen.
18 Deze dan heeft verworven een akker door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts over gevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.
19 En het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is een akker des bloeds.
20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone; en: Een ander neme zijn opzienersambt.
21 Het is dan nodig, dat van de mannen die met ons omgegaan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is,
22 Beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe in welken Hij van ons opgenomen is, een derzelve met ons getuige worde van Zijn opstanding.
23 En zij stelden er twee, Jozef genaamd Bársabas, die toegenaamd was Justus, en Matthías.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Handelingen 1:16-17
THEMA
De profetie is, de profetie wordt vervuld
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, we overdenken op deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren samen het Schriftgedeelte dat ons voorgelezen is: Handelingen 1:15-26En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen): Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen; Want hij was met ons gerekend, en had het lot dezer bediening verkregen. Deze dan heeft verworven een akker, door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort. En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds. Want er staat geschreven in het boek der Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone. En: Een ander neme zijn opzienersambt. Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in gegaan en uitgegaan is, Beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe, in welken Hij van ons opgenomen is, een derzelven met ons getuige worde van Zijn opstanding. En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias. En zij baden en zeiden: Gij Heere! Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt; Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats. En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.. Dat Schriftgedeelte bestaat uit twee delen. En het knooppunt, het schakelpunt tussen die twee delen is vers 20. En daar staan twee citaten uit de Psalmen, één uit Psalm 69 en één uit Psalm 109. Het eerste deel over Judas eindigt met: dit is de vervulling van Psalm 69:25, hun paleis zij verwoest, in hun tenten zij geen inwoner. Of, zoals het hier staat: zijn woonstede worde woest, en er zijn iemand die in dezelve wone. Het tweede deel begint met: dit is de vervulling van Psalm 109:8, dat zijn dagen weinig zijn, een ander neme zijn ambt. Of, zoals het hier staat: een ander neme zijn opzienersambt.
Vandaar het thema voor de preek van vanmorgen: De profetie is, de profetie wordt vervuld Als eerste: wat betreft Judas, als tweede: wat betreft zijn vervanging. Dus: de profetie is, de profetie wordt vervuld: 1. Wat betreft Judas 2. Wat betreft zijn vervanging We beginnen met:
De Heere Jezus is naar de hemel gegaan. Hij werd opgenomen daar zij het zagen en een wolk nam Hem weg van hun ogen (1:9). En nu? Nu is het tijd om te wachten. Immers de Heere Jezus had gezegd: En zie, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte (Luk. 24: 49). Met andere woorden: Blijf hier wachten!
Tja, maar hoe vul je die tijd van dat wachten? U herkent het misschien wel, ook in deze tijd: hoe vul ik mijn tijd, want ik heb zoveel tijd? Er is geen koor meer, geen vereniging, geen club. We moeten wachten, tot de crisis weer voorbij is. Ineens (dat zou tenminste kunnen) heb ik zeeën van tijd. Maar, die tijd is niet bedoeld om uit je neus te eten, om een Netflix-abonnement te nemen en films te kijken, om de bouwmarkt leeg te kopen en je huis te verbouwen.
Dat kan natuurlijk wel, maar het is de vraag of die tijd daarvoor bedoeld is.
Zij, de discipelen, de 120 mensen die bij elkaar zijn in Jeruzalem, hebben ook zeeën van tijd. Om te wachten. Zoals het volk Israël eerder moest wachten na de overtocht over de Jordaan. Ze moesten vier dagen lang wachten. Ze waren vast liever direct in actie gekomen, direct tot de aanval overgegaan, maar nee, zegt de Heere: eerst vier dagen lang wachten. Maar dat waren geen dagen van luieren. De mannen die niet besneden waren, moesten besneden worden. En ze hebben samen voor het eerst sinds lange tijd het Pascha gevierd. Ze moesten wachten.
Zoals ook zij, de discipelen hier moeten wachten. Zoals jij of u in deze tijd misschien ook wel (terwijl je in je hart de belofte van de Heere met je draagt) moet wachten. Op…? Op je verkiezing als ouderling of diaken. Op de vergadering van het curatorium. Op je werk als evangelist of zendeling. Of, vul het verder zelf maar in.
Je zou denken: Laat die mannen in die tussenliggende tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren maar weer even gaan vissen. Of laat ze alvast gaan evangeliseren in de dorpen. Dan doen ze tenminste wat nuttigs.
Maar nee, God leert hun en ons wachten. Wachten op de vervulling van Gods belofte. God leert ons die vervulling verwachten. En ondertussen is die tijd van wachten geen tijd om te luieren, maar voorbereidingstijd. Tijd om geduldig te worden. Tijd om klein en afhankelijk te worden. Tijd om te leren om alle dingen aan de Heere over te laten. Tijd om, zoals hier, de Schriften te bestuderen en te bidden. Tijd om het verleden te overdenken en om in de gemeente orde op zaken te stellen. Juist in deze tijd, waarin de Heere ook in ons kerkelijk leven, in ons gemeenteleven blaast. We moeten niet wachten totdat we weer verder kunnen ‘zoals vroeger’! Is deze tijd niet bedoeld tot onze bekering? Dan moeten we nu met onze persoonlijke en kerkelijke zonden breken en orde op zaken stellen. En dat vraagt om gebed, om veel gebed, maar ook om gezamenlijke bezinning.
Zoals hier in Jeruzalem. Want wat doen ze daar in die tijd dat ze moeten wachten? In vers 14 staat: zij waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen. Ze zijn eensgezind bij elkaar en ze bidden. En ze bestuderen de Schriften, de profetieën van het Oude Testament. Dat kan niet anders, want ineens gaat Petrus (en hier, en op de Pinksterdag) allerlei teksten citeren uit het Oude Testament.
Dus, als je niks te doen hebt, en zeker als je wacht op de vervulling van Gods Woord: doe wat deze mensen deden! Het Woord van God bestuderen en bidden. In die weg zal de Heere gaan doen, wat Hij heeft beloofd.
En dan, in die dagen (zoals staat in vers 15) staat Petrus op en begint die groep mensen die daar bij elkaar is (120 personen in totaal) toe te spreken. Terugwijzend naar Judas. Wat moeten ze zich ook door hun medebroeder bedrogen hebben gevoeld. Hij leidde de bende (vers 16) die Jezus arresteerde in Gethsémané. Hij was (zo zegt Petrus in vers 17) met ons gerekend en had het lot van deze bediening verkregen. Aangrijpende tekst… Hij was met ons gerekend, maar hij hoorde niet bij ons. Je kunt gerekend worden tot het getal van de broeders (als predikant, als ouderling, als diaken), en er toch niet bij horen. Je kunt gerekend worden tot het getal van de christenen, en er toch niet bij horen. Wachtend op het moment dat tarwe en onkruid samen geoogst worden. Wachtend op het moment dat het kostelijke van het snode, het waardevolle van het slechte gescheiden zal worden.
Ons ambt, broeders, ons lid zijn van de gemeente, gemeente, kan verzwaring worden van ons oordeel en van ons verderf. Als we wel het uiterlijk hadden van godzaligheid, maar in ons hart een werker van ongerechtigheid bleven.
Deze dan (ik lees verder in vers 18 en 19) heeft verworven een akker door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts over gevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort. En het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is een akker des bloeds. Judas heeft Jezus verraden. Hij heeft de dertig zilverlingen, het verradersloon, voor de voeten van de priesters in de tempel gesmeten. Maar zij dachten heel schijnheilig: dat geld is niet van ons, en dat willen we ook niet hebben ook. Dat is van hem, van Judas! Laten we er dan maar een akker van kopen. Die akker is dus eigendom van Judas. En daar, op of bij die akker, beroofd Judas zichzelf van het leven. Iedereen weet het ondertussen. En die akker heeft men ondertussen ook een naam gegeven: Akeldama, bloedakker.
Er is binnen de kring van de discipelen veel misgegaan. Zoals er soms ook in de kerk veel mis kan gaan. En de discipelen zien dat eerlijk onder ogen. Als er zonde in de gemeente is, moeten we niet wegkijken. We moeten de zonde eerlijk onder ogen zien. Zoals zij dat hier doen, en zoals het even later ook gebeurt bij Ananias en Saffira. Niet wegkijken. Maar erkennen wat er gebeurd is.
Er is ook ruimte voor verdriet. Een van ons, zegt Petrus, is niet meer… En er is in het betoog van Petrus ook ruimte voor confrontatie. Hij, Judas, was een van ons. En dat confronteert ons ook, met wie we zelf zijn. Er is nooit reden om jezelf er bovenuit te tillen. Wij allemaal hebben onze Meester verlaten, en ik, Petrus, heb Hem zelfs verloochend.
Het is belangrijk, gemeente, om misstanden in de gemeente ootmoedig, nederig en met medelijden, maar eerlijk onder ogen te zien, te benoemen, en orde op zaken te stellen.
Hij, Judas is niet meer. Maar (en dat zijn woorden om over na te denken) het was voorzegd door de Heilige Geest, door de mond van David. En dat moest vervuld worden (vers 16). Wat? Dat wat geschreven staat in het boek van de Psalmen, in Psalm 69: zijn woonstede worde woest, en er zijn iemand die in dezelve wone.
Wat de Heilige Geest ook voorzegd heeft, al is het zoals bij David al 1000 jaar geleden, het Woord wordt vervuld. God laat nooit één van Zijn woorden op de aarde vallen. Wat betreft de komst van de Messias niet. En ook niet wat betreft Zijn vijanden. Want, wat bad de Heere Jezus ook alweer voor Zijn dood? ‘Ik heb ze geprobeerd te bewaren, Vader, in Uw Naam, die U Mij gegeven hebt. Maar helaas, een van de twaalf (ongelooflijk, onvoorzien) heeft Mij bedrogen?’ Nee, dit bad Jezus: Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde (Joh 17:12Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.).
God voert Zijn plannen uit. En niets en niemand kan Hem daarin in de weg staan. De duivel niet, en Judas ook niet. In deze dramatische gebeurtenis is geen falen van Gods plan. Trouwens ook geen excuus voor Judas. Want hij viel niet door de profetie, hij viel door de slechtheid van zijn eigen hart.
U zegt: Wat is de boodschap van dit Schriftgedeelte voor ons? Voor mij? Dit: God vervult altijd Zijn Woord. Hij doet wat Hij beloofd heeft.
Toen je, jongelui, gedoopt werd, beloofde de Heere: als je Mij vroeg zoekt, zal je Mij vinden (Spr. 8:17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.). En in de jaren daarna, ouderen, beloofde de Heere: Als u de Naam des Heeren zult aanroepen, dan zult u zalig worden (Hand. 2:21En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.). Ooit komt het moment, vroeg of laat, dat gezegd zal worden (zal het zijn over jou, over u, over mij?): De Schrift is vervuld. Hij zocht en hij vond. Zij riep en zij is zalig geworden.
Maar, lieve mensen, de Heere heeft ook gezegd: Want velen (zeg Ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen (Luk 13.24). Dan zullen de kinderen des Koninkrijks uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn en knersing der tanden (Mat 8:12). Ooit komt het moment, vroeg of laat, dat gezegd zal worden (zal het zijn over jou, over u, over mij?): De Schrift is vervuld. Hij zocht niet. Maar nu is het te laat. Hij was gewaarschuwd. Maar hij luisterde niet. Zij verachtte haar doop. Nu is er geen weg meer terug. Zij was gewaarschuwd. Maar nu is het te laat. Nu is de deur gesloten.
Gemeente, God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken. De beloften van het verbond, en de dreiging van het verbond. Want God is geen leugenaar of iemand die ooit berouw zal krijgen van Zijn woorden.
De beloften of de dreiging van je doop, jongelui, zal uitkomen. Er zal in eeuwigheid, lieve mensen, geen Bijbeltekst zijn die doorgehaald moet worden. Wees getroost…, of wees gewaarschuwd…
Laat de dreiging van het verbond, of liever gezegd: laat de liefde van uw Schepper en de betrouwbaarheid van Zijn woorden u bewegen om Hem te zoeken. Zoek Hem, u zult Hem vinden (Luk. 11:6Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette;).
We gaan samen zingen, voordat we verdergaan met het tweede aandachtspunt van de preek, uit Psalm 2, het zesde vers: Vreest 's HEEREN macht en dient Zijn Majesteit; Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen, En kust den Zoon, van ouds u toegezeid, Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller o - gen; U op uw' weg tot stof doe wederkeren, Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag, U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren, Tot staving van Zijn langgehoond gezag.
Gemeente, het gaat vanmorgen over: De profetie is, de profetie wordt vervuld. Als eerste wat betreft Judas. Nu ons tweede punt:
Op het schakelpunt in vers 20, staat namelijk nog een tweede tekst, die nu ook vervuld gaat worden. De tekst uit Psalm 109:8: een ander neme zijn opzienersambt. Want, zo zegt Petrus, in vers 21 en 22: Het is dan nodig, dat van de mannen die met ons omgegaan hebben al de tijd in welke de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, beginnende van de doop van Johannes, tot de dag toe in welken Hij van ons opgenomen is, een derzelve met ons getuige worde van Zijn opstanding. Ons getal is niet meer compleet zijn. We waren met twaalf, maar nu is Judas er niet meer, dus zijn we nog maar met elf.
Nou, zeg je: dan gaan jullie toch gewoon verder met elf? Nee, er zijn een paar redenen waarom die lege plaats van Judas weer ingevuld moet worden. a. In de eerste plaats had de Heere twaalf discipelen, twaalf apostelen uitverkoren. Twaalf was een volmaakt getal. Zoals er twaalf stammen waren, ze waren er twaalf discipelen. En die staan nu op het punt om publiek te gaan getuigen van wat Jezus gedaan en geleerd heeft. Van Zijn lijden en sterven, van Zijn opstanding en hemelvaart, en dat voor de twaalf stammen van Israël. Maar… een van de twaalf is niet meer.
En straks gaat het in het boek Openbaring over de kroon van de kerk met twaalf sterren. En in het eindgericht zijn er twaalf tronen. Maar… een van de twaalf is niet meer. Dat kan dus niet. Gods werk is volmaakt. Ook Judas haalt daar geen streep door. En dus moet die lege plaats weer opgevuld worden. b. En er is nog een tweede reden, dat Judas vervangen moet worden: de Schriften moeten vervuld worden. Want, zo staat er in Psalm 109:8: een ander neme zijn opzienersambt.
Iemand moet de plek van Judas innemen. En daarvoor stellen ze bepaalde eisen. Hij moet vanaf het begin van het optreden van de Heere Jezus tot aan Zijn hemelvaart, met hen getuige geweest zijn van hun Meester. Hij moet Zijn preken gehoord, Zijn wonderen gezien, Zijn liefde geproefd en Zijn woorden geloofd hebben. En daarvan moet hij ook zelf getuige worden: hij moet met ons getuige worden van Zijn opstanding (vers 22).
De Bijbel stelt eisen aan ambtsdragers, aan werkers in Gods Koninkrijk. Alles begint met zelf getuige zijn van de waarheid, die je wilt gaat delen met andere mensen. Je kan geen opgestane Christus preken, als je Die zelf niet kent. Het is nodig als ambtsdragers om zelf kennis te hebben aan het lijden en sterven, aan de dood en de opstanding van de Zaligmaker. Anders kan je echt geen dominee, ouderling, diaken, evangelist of zendeling zijn. Je moet er eerst zelf getuige van geweest zijn, en dan kan je voor anderen getuigenis geven. Matthew Henry zegt: Zij, die naarstig, getrouw en standvastig zijn geweest in de vervulling van hun plicht in een minder aanzienlijke positie (namelijk door stille en onopvallende volgeling Jezus te zijn), zij zijn het meest geschikt om tot een hogere positie bevorderd te worden. Aan hen, die getrouw zijn geweest in het kleine, zal het grotere toevertrouwd worden.
Voor hun keuze golden voorwaarden. Zoals die ook bij ons gelden. Ik doel op voorwaarden die de Bijbel stelt aan ambtsdragers: een opziener moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw, wakker (beheerst), matig, eerbaar, gaarne herbergende (gastvrij), bekwaam om te leren (om te onderwijzen), niet genegen tot de wijn (geen alcoholist), geen smijter (geen vechtersbaas of ruziezoeker), geen vuil-gewinzoeker (iemand die verkeerde winst zoekt), maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid (eerbaarheid), geen nieuweling (geen pas bekeerde), opdat hij niet opgeblazen (verwaand) worde en in het oordeel des duivels valle. En hij moet ook een goed getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid (dat wil zeggen: in opspraak geraakt) en in de strik des duivels (1 Tim. 3:2-7Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leren; Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid; (Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente Gods zorg dragen?) Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle. En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in den strik des duivels.).
Het is in onze kerkorde de taak van de kerkenraad om zo een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen. Zo laten ook zij de uiteindelijke keuze aan de 120 personen die samen vergaderd zijn.
En zij (zo staat in vers 23) stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toe genaamd was Justus, en Matthias.
En zij (zo lezen we verder in vers 24 en 25) baden en zeiden: Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats. Er valt misschien van alles over die twee mannen te zeggen, over Jozef en Matthias. Maar eigenlijk weten we verder geen details van deze mannen, dan hun naam en hun bijnaam. Maar er vallen in hun keuzeproces wel een aantal dingen op. En het is niet voor niets dat dat hier zo expliciet staat. En het is daarom ook zeker niet iets om over te slaan in de zondagse preek. Dit gaat over gemeente-zijn op de manier zoals God het wil. En daarmee gaat het over de manier waarop God Zijn zegen wel geven aan degenen die dienen.
a. Het eerste wat opvalt is dit: Jozef en Matthias zelf verroeren geen vin. Ze introduceren zichzelf niet. Ze proberen geen stemmen te winnen. Ze strijden niet om een plek. Ze wachten stil en ootmoedig, wie er gekozen gaat worden. En degene die niet gekozen wordt, gunt de ander zijn plek. Met andere woorden: kandidaten voor een ambt, moeten ootmoedig zijn en wachten op God.
b. Het tweede wat opvalt is dit: de elf apostelen ontvangen nummer twaalf als een broeder. Ze stellen ook geen hiërarchie voor. Zo in de trant van: wij zijn van de eerste rang, en jij bent van later. Wie het lot van de bediening ontvangen heeft, moet zijn medebroeder aanvaarden. Als gelijke. Want mijn gekregen genade is gelijk aan die van de ander.
c. Het derde wat opvalt, is vooral het gebed wat gedaan wordt voor deze verkiezing: Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, die Gij uitverkoren hebt.
U, Heere, opgestane Koning, Die aan de rechterhand van de Vader in de hemel zit… U, Koning van de kerk, Die alle macht hebt en beloofd hebt met ons te zullen zijn… U, Kenner van het hart van iedereen… Als ambtsdrager kan je soms denken, dat je ook zo vergevorderd bent, maar dat is een grote vergissing. Wij zijn geen hartenkenners, en dus past ons altijd bescheidenheid. We mogen het Woord laten spreken. En dat Woord veroordeelt zondige levens, die zichtbaar in het kwaad van de zonde leven. En dat Woord veroordeelt verkeerde leringen, die in het openbaar gedeeld worden met anderen. Maar harten kennen wij niet.
Zelfs de groten in het Koninkrijk der hemelen hebben zich in dezen schromelijk vergist. Samuel, de grote profeet, kiest een zoon van Isaï, om koning te worden over Israël. En de eerste die voor hem langskomt, denkt hij, die moet het zijn. Hij schrijft in 1 Samuel 16: En het geschiedde toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk is deze voor de HEERE Zijn gezalfde. Doch de HEERE zeide tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen.
Want het is niet gelijk de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan (1 Sam. 16:6-7En het geschiedde, toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor den HEERE, Zijn gezalfde. Doch de HEERE zeide tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.). Wat een pijnlijke vergissing! Een vergissing, laten we eerlijk zijn, zoals wij mensen die nu zeker ook kunnen maken en in het verleden gemaakt hebben. Als kerkenraad, als curatorium, als deputaatschap voor zending of evangelisatie: aanzien wat voor ogen is…, maar je ondertussen totaal vergissen!
En dus is er reden om de Heere ernstig te bidden en te vragen. Zoals Mozes bad, toen er een opvolger moest komen in zijn plaats. We lezen in Numeri 27: Toen sprak Mozes tot de HEERE, zeggende: Dat de HEERE, de God der geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering, die voor hun aangezicht uitga en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide en die hen inleide; opdat de vergadering des HEEREN niet zij als schapen die geen herder hebben (15-17). Is dat, gemeente, broeders van de kerkenraad, ook ons gebed? Zoals er gebeden wordt voor de diakenen in Handelingen 6: Welke zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op (6:6). Bidden we zo, gemeente, broeders van de kerkenraad, voor onze ambtsdragers en medebroeders?
Zij bidden gezamenlijk: Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats. Heere, U hebt één van deze mannen verkoren, dat wil zeggen: uitgekozen. Wijs hem toch aan! Een man met een wijs hart, oprecht, gehoorzaam en zachtmoedig, om getuige te zijn van Uw opstanding. Kies toch één van deze mannen. Want Judas heeft een eigen keus gemaakt. En is heengegaan naar zijn eigen plaats. God had voor hem een plaats gekozen, God had hem een plaats gegeven. Maar hij koos zelf een andere plaats, buiten het heil.
Het klinkt als een laatste waarschuwing. Je kunt dichtbij geweest zijn, je kunt met Jezus omgegaan hebben, je kunt Zijn woorden gehoord en Zijn wonderen gezien hebben, en toch uiteindelijk kiezen voor een plaats buiten het heil.
En dan (in vers 26) werpen zij hun loten: En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthías, en hij werd met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.
Matthias wordt gekozen door het lot. En iedereen stemt er mee in. Ook de andere kandidaat, Jozef, genaamd Barsabas. Het getal is weer zoals het was: twaalf apostelen. En dus is de Schrift vervuld: een ander neme zijn opzienersambt.
Is er reden om ook in deze tijd het lot te werpen om ambtsdragers te kiezen? Het valt op dat dit na het Oude Testament een uitzondering is. Tijdens het optreden van Jezus gebeurt het niet, en hierna ook niet meer. En ook in de Vroege Kerk is dit geen gebruik geweest.
Als de Bijbel en de Vroege Kerk stil zijn over iets, dan moet de kerk nu voorzichtig zijn en geen gewoonte invoeren die geen sterke papieren heeft.
Tot slot, gemeente, de conclusie aan het einde van de preek: De Schriften zijn vervuld. God houdt Zijn Woord. Zonde en duivel, nood en dood zullen Hem niet tegenhouden. Ook wij niet.
Dat is troostvol, maar ook vol dreiging. Wie gelooft zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden. God houdt Zijn Woord! Maar die niet gelooft zal hebben, zal verdoemd worden. Want God houdt ook dat Woord! (Mk. 16:16).
Zo u Zijn stem dan heden hoort, geloof Zijn heil- en troostrijk Woord, verhardt u niet, maar laat u leiden.
Amen.
Slotzang Psalm 115:6:
Vertrouwt op God, gij allen, die Hem vreest; Hij is altoos hun schild, hun hulp geweest. De HEER was ons gedachtig. Zijn zegen blijft op Israël verspreid; Aärons huis is die ook toebereid; God is getrouw en machtig.
Andere preken over Handelingen
Andere preken voor Weeszondag
Andere gerelateerde preken