13 november 2014
1 Koningen 17:6-7: En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
INLEIDING
Elia moet zich verbergen bij de beek Krith, waar de Heere hem dagelijks door raven voedt – een les in afhankelijkheid, ootmoed en stille gehoorzaamheid. Zonder tegenspraak gaat hij, en leeft als een bedelaar die elke dag opnieuw op God moet wachten. Als de beek na verloop van tijd uitdroogt, blijkt dit geen falen van Gods belofte, maar nieuw onderwijs: eerdere genade mag geen bezit worden. Wie alles kwijtraakt, leert met een lege hand alleen naar de Gever te zien.
De profeet Elia aan de beek Krith
1 KONINGEN 17:1-7
1 En Elía, de Tisbiet, van de inwoners van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.
2 Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
3 Ga weg vanhier en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die vóór aan de Jordaan is.
4 En het zal geschieden dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb den raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
5 Hij ging dan heen en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die vóór aan de Jordaan is.
6 En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.
7 En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 17:6-7
THEMA
De profeet Elia aan de beek Krith
Gemeente, Gods kinderen en knechten hebben altijd weer onderwijs nodig. We raken nooit uitgeleerd. En de weg die de Heere Zijn kinderen leert, is vaak een weg van verliezen. Wij zeggen: ‘Nee, ik wil vasthouden wat ik heb!’ Maar God oefent het geloof van Zijn kinderen door ons te leiden in wegen die wij niet gekend hebben. Hij schudt ons geloof en neemt ons af wat we zo graag zouden vasthouden, wat we eerder in goedheid van de Heere gekregen hebben. Opdat wij niet zouden denken, dat de dingen die we ooit gekregen hebben, levenslang ons rechtmatige eigendom zijn. Opdat we niet zouden gaan rusten op gaven, op giften, maar op God alleen.
Want als we rusten op wat we gekregen hebben, dan wordt genade bezit. Maar hoe groot die genade, hoe groot die zegen ook was in het verleden, hoe dierbaar die Godsontmoetingen ook geweest zijn, als het ons bezit wordt, dan is onze hand gevuld. Dan zijn we geen bedelaars meer, maar eigenaars. Dan is genade geen genade meer. Dan worden wij groot. En dan verwordt ons geloof tot het herkauwen van bedorven manna, tot het eten van beschimmeld brood wat we zelf gebakken hebben. Maar de Heere wil dat het anders gaat. Hij geeft water, brood en vlees. Maar dan, op Zijn tijd, dan laat Hij de beek Krith weer opdrogen.
We overdenken de geschiedenis van de profeet Elia bij de beek Krith. We doen dat vanuit het voorgelezen Schriftgedeelte (1 Koningen 17:2-7Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende: Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen. Hij ging dan heen, en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.), waarvan ik u samenvattend alleen nog het zevende vers zal voorlezen: En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
Het thema voor de preek is: De profeet Elia aan de beek Krith
Er zijn vier aandachtspunten. We letten op: 1. Een moeilijke opdracht (vers 2 en 3) 2. Een bijzondere belofte (vers 4) 3. Stille gehoorzaamheid (vers 5 en 6) 4. Hemels onderwijs (vers 7) Als eerste dus:
We lezen in vers 2 en 3: Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende: Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. Daarna…, toen Elia gehoorzaam geweest was aan de eerste opdracht van de Heere. Toen, daarna ging de Heere opnieuw tot hem spreken. Ga weg van hier, richt u naar het oosten en verberg u aan de beek Krith. Bij de wadi Cherith, net over de Jordaan, met zicht op de Jordaan… Is het om Elia te verstoppen? Veilig voor de woedende koning Achab en de bloeddorstige koningin Izebel? Nee, er is iets anders aan de hand. Want Elia is niet zomaar een mens, hij is een man Gods, hij is een man van het Woord. En dus, als Elia weg moet, dan is het Woord weg. Hij is de enige die het oordeel kan afwenden door het Woord des Heeren. Hij is de enige, die de toorn van God over Israël biddend kan wegnemen. En nu moet hij, uitgerekend hij, weg!
Het ergste wat een land, het ergste wat een kerk kan overkomen, is dat God Zijn Woord wegneemt. Dat God de dienaars van het Evangelie terug trekt, de mannen die Hij geroepen had om het Woord te brengen. Jesaja spreekt over tijden van zegen, als hij zegt: De Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid, en wateren der verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien (Jesaja 30:20De Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid, en wateren der verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;). Maar het wordt donker in het land en in de kerk, als Amos moet klagen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN. En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden (Amos 8:11-12Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN. En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.).
Er is geen Woord van God meer. Dat is niet hetzelfde als: ik heb geen Bijbel meer. Bijbels genoeg. Je kunt een kast vol van Bijbels, Bijbelverklaringen en prekenboeken hebben, terwijl er toch ‘geen Woord van God meer is’. Het is het oordeel van God, dat rust op Israël. En dat ook nu nog kan rusten op een land, op de kerk. Ook die 7000 mensen, die de knie voor Baäl uiteindelijk niet gebogen hebben, ook zij zuchten onder datzelfde oordeel: dat er geen Woord van God meer is in het land.
Een moeilijke opdracht voor Elia: Ga weg! Ga weg uit Samaria, ga naar het oosten, steek de Jordaan over en ga wonen bij de beek Krith. Maar ook een nuttige les voor deze man Gods, voor deze profeet, voor de ambtsdrager Elia. Elia moet weg uit Samaria. Want daar dreigt gevaar voor hem. Het gevaar dat hij trots zal worden op de wonderlijke kracht van het Woord van God dat hij gesproken heeft. Het gevaar dat hij de eer ervan naar zichzelf zal gaan toetrekken.
Elia moet leren onvoorwaardelijk gehoorzaam te zijn, onderworpen te zijn aan de wil van zijn Zender. Hij moet leren om te buigen, om ootmoedig de weg te gaan die de Heere hem wijst. En hij moet leren een weg van beproeving te doorstaan, voordat hij uiteindelijk geschikt is voor een nieuwe taak, die in de toekomst op hem wacht.
Zijn plaats? Bij de beek Krith, een beekje aan de overkant van de Jordaan. Voor aan de Jordaan, met zicht op de Jordaan. Met zicht op die rivier, die zo herinnert aan vroeger. Bij de Jordaan heeft God in het verleden zo veel wonderen gedaan. Daar heeft God een pad gebaand dwars door de rivier, zodat ze er met droge voeten door zijn gegaan. God heeft daar in het verleden Zijn heerlijkheid getoond, Zijn daden groot gemaakt, voor de ogen van het volk van Israël. Maar toch, nu… eenzaam, verlaten en beproefd; leren ootmoedig te zijn, afhankelijk te zijn, klein te worden, klein te blijven…
Een weg die al Gods knechten moesten en moeten gaan: beproevingen doorstaan, klein worden, afhankelijk blijven, om maar enigszins geschikt te zijn om te dienen in het Koninkrijk van God. Jozef moet in Egypte eerst in de gevangenis, voordat hij onderkoning wordt. Mozes moet eerst veertig jaar achter de schapen aan, voordat hij het volk leiden mag. Paulus moet eerst drie jaar naar Arabië, voordat hij aan zijn grote opdracht beginnen mag. En zelfs de grote Profeet Elia, de Heere Jezus Christus, zwijgt eerst dertig jaar lang, voordat Hij slechts een korte tijd in het openbaar dient. En vlak voor Zijn openbare optreden wordt Hij geleid in de woestijn om veertig dagen verzocht te worden. Als wij Elia zien bij de Krith, zien we in de verre toekomst de grote Profeet Elia oplichten, hoewel er toch ook heel veel verschillen zijn. Deze Elia kan zich verbergen aan de beek Krith, dankzij het feit dat hij dagelijks gevoed wordt en weet van Gods belofte van zorg. Maar Christus at en dronk niet. Hij werd verzocht door de duivel. Maar desondanks blijft de Grote Profeet uiteindelijk overeind, en komt Hij als Overwinnaar en Triomfator tevoorschijn. Een moeilijke opdracht, nu ons tweede aandachtspunt:
We lezen in vers 4: En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen. Daar, op die plek. Ook al is het niet de plaats van zijn voorkeur, ook al wil hij liever elders zijn… Nee, daar zal Ik u onderhouden. Je krijgt alleen te eten als je bent op de plaats waar God je hebben wil. Het regent alleen \ bij de wolkkolom in de woestijn. Er is alleen zegen, als je bent op de plaats van Gods instellingen, op de plaats waar je hoort, op de plek waar je thuishoort.
Daar is water, in de beek. Geen rivier, geen meer, maar een beekje dat uitmondt in de Jordaan. En eten wordt gebracht. Iedere maaltijd wordt apart gebracht.
Om Elia te leren om niet bezorgd te zijn voor de dag van morgen. Net als het manna, dat iedere dag regende uit de hemel. Dagelijks genadebrood.
Maak je er je bezit van, ga je het bewaren? Doe je het in de koelkast? Dan kruipen de wormen eruit. Dan is het geen genade meer. Dan is het bezit geworden. Van jezelf… Nee, leren leven als een bedelaar. Als een bedelaar, die iedere dag precies genoeg krijgt. En wat vraagt dat een kinderlijk vertrouwen van Elia. Het vraagt ontzag voor Gods vrijmacht: onreine vogels gaan hem eten brengen. Maar God doet het zoals Hij het wil. Maar het vraagt ook vooral kinderlijk vertrouwen. Raven? Raven die mij eten gaan brengen? Gaan die beesten dat onderweg niet zelf opeten? Wat oefent de Heere Elia in geloof en in afhankelijkheid. Want het is God en God alleen die ervoor zorgen kan dat die beesten dat vlees niet gaan doorslikken. Het is God en God alleen die Elia leert vertrouwen op Zijn belofte:
Ik zal u onderhouden. Het is een belofte voor het tijdelijke leven. Vertrouwen op Gods belofte: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Ik zorg voor u. Ik ben onder degenen die u helpen. U zegt: ook al loopt alles anders dan God beloofd heeft…? Nee, dat is niet waar! Het loopt nooit anders dan God beloofd heeft. Het gaat anders dan wij dachten. Omdat we het vaak zelf invullen: hoe de Heere het zal doen, of hoe de Heere het moet doen, wat ons betreft. Maar God zegt: Nee, Ik doe het op Mijn manier. Elia, je krijgt geen eten van Obadja, niet van de 7000 die Baäl niet dienen, niet van de engelen, maar van onreine raven.
Ik zal u onderhouden, Mijn kind. Het is een belofte voor het tijdelijke leven. Maar het is ook een belofte voor het geestelijke leven. Elia moet leren vertrouwen op de belofte van God: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. En dan…? Dan hopen op dat Woord… Vertrouwen op het verleden? Vroeger was er dit, toen is er dat gebeurd, en toen heb ik zus gekregen en zo gekregen? Nee, daar kun je aan de Krith niet van leven. Bedelaars leven niet van bezit. Bedelaars hebben niets. Bedelaars mogen iedere dag (nee, niet omkijken naar vroeger, toen ze nog wat hadden), bedelaars mogen iedere dag naar boven kijken. En dan, wonder van genade: kijk, daar is die raaf weer. En hij legt het weer voor me neer, onverdiend: brood en vlees. Nooit krijg je te weinig. Nooit krijg je teveel. Niets om te bewaren. Geen luxe ook: geen groente, geen fruit, geen toetje. Maar eenvoudig: brood en vlees. Wat moet Elia toch zijn eigen armoede inleven, iedere dag weer opnieuw. En wat zorgt de Heere toch goed voor hem.
Een bijzondere belofte. Nu ons derde aandachtspunt:
Er staat in vers 5: Hij ging dan heen, en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. Dat is bijzonder! Je hoort Elia niets vragen. Je hoort hem ook niet tegensputteren: ‘Heere, is het niet beter dat ik hier in Samaria blijf…, hier is meer werk voor mij…, hier is meer eer voor U te behalen…’ Nee, geen woord. Hij gaat. Als de Heere je roept tot Zijn dienst, waar ook, als Hij je stuurt, als is het een heel andere kant op dan gedacht…: Ga! Ga gerust, stil en gehoorzaam. Zorg met Mozes voor je schapen, wees met Jozef geduldig in de gevangenis, ga met Elia maar naar de Krith. Want je ontvangt zegen, je ontvangt alleen zegen als je gaat in Gods weg.
Hij ging heen, en deed naar het Woord des Heeren. Hier zien we, dat het oprechte geloof niet alleen zegt, niet alleen praat, niet alleen een indrukwekkend getuigenis geeft voor koning Achab, maar het geloof blijkt ook uit de vrucht: uit daden! Elia was geen man alleen van het woord, maar ook van de daad. Het doet denken aan het Johannes schrijft in 1 Johannes 3:7Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.: Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is. En in het tiende vers dat daarop volgt: Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft. Geloof blijkt uit onderworpenheid en (zo schrijft Johannes) uit liefde tot de broeders.
Hij gaat. Hij gaat wonen bij de Krith. Onder de open lucht, midden in de wildernis, bij een stromend beekje, met zicht op de Jordaan. En verder is er… niets. Klagende roerdompen in het riet, in de verte het gebrul van een leeuw, dichterbij soms huilende wolven, maar verder… niets… stilte. Peinzen, bidden, kijken en mediteren over een natuur vol van beelden. Rotsen… U bent mijn Steenrots, mijn Toevlucht, een veilige Vesting en Schaduw tegen de hitte… Water… U zult mij leiden aan de oevers van zeer stille wateren, en ik zal geen kwaad vrezen. Peinzen, bidden, stil zijn, eenzaam, maar met God…, met God gemeenzaam.
Persoonlijke lessen zijn het, die Elia krijgt. Privéonderwijs. Onderwijs in afhankelijkheid. Kijk, daar komt hij weer, die raaf met brood en vlees. Onderwijs in ootmoed. Werkloos is die man, die zoveel moed en dapperheid tentoon gespreid heeft. Maar nu zit hij daar werkloos in de eenzame wildernis. Onderwijs in hopen. Hopen op de Heere, op Zijn onfeilbare Woord. Onderwijs in vertrouwen, op het Woord van Gods belofte: Ik zal u onderhouden. En ondertussen brengen de raven eten en drinkt hij uit de beek.
Dat brengt ons bij ons vierde aandachtspunt: Hemelse zorg. Maar we gaan eerst samen zingen Psalm 46:1. God is een toevlucht voor de Zijnen, Hun sterkt', als zij door droefheid kwijnen; Zij werden steeds Zijn hulp gewaar, In zielsbenauwdheid, in gevaar; Dies zal geen vrees ons doen bezwijken, Schoon d' aard' uit hare plaats mocht wijken; Schoon 't hoogst gebergt', uit zijne steê, Verzet wierd in het hart der zee.
In vers 6 staat: En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. Iedere morgen, iedere middag zijn ze er weer: de raven. Kan het niet misschien in één keer, voor de hele dag tegelijk? Ja, dat kan wel, maar dat doet de Heere niet. Dan gaat Elia, dan gaan wij God vergeten. Als je ‘s morgens al weet, dat het voor de hele dag goed zit, dan heb je God niet meer nodig.
Iedere dag is er eten uit Gods hand en drinken uit de beek. Elia wordt niet lui gemaakt. Hij krijgt geen gedekte tafel. Hij moet zelf ook iets doen: hij moet zelf water halen uit de beek. God geeft onmiddellijke zegen (de raven brengen eten), maar bindt ons ook aan de gewone middelen. Zo ook Elia. Hij moet zelf water uit de beek halen.
En dan… U zegt: ‘Dan gaat het fout…, dan loopt het mis …, dan blijkt dat de zorg die beloofd was, toch niet blijvend was…’ Nee, dat is niet waar! Het loopt helemaal niet mis. De belofte blijft waar: Ik zal voor u zorgen! Maar er is wel een nieuwe les voor Elia. Want, zo staat er in vers 7: En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
Na vele dagen. Waarschijnlijk was het na een periode van ongeveer een jaar. Toen geschiedde het… Het was geen toeval. Het was Gods plan, Gods voorzienigheid, het was Zijn hoog beleid dat het gebeurde, wat toen plaatsvond. De beek droogt langzaam uit. Was het nu door een wonder geweest (ineens was alle water weg, ineens was alles kurkdroog!), dan zou Elia gezien hebben: dit is Gods hand! Maar nu, heel eenvoudig, heel natuurlijk: de beek droogt uit. Want (zo staat er in vers 7) Er was geen regen in het land geweest.
Na een jaar in stille ootmoedigheid en afhankelijkheid gewoond te hebben aan de beek Krith, dringt het oordeel van God over Israël ook door tot Elia. Hij gaat het zelf ook voelen. Er is nog wel vlees en brood, iedere dag, maar wat moet je doen zonder water?
Wat zegt Elia, als de beek opdroogt…? Weer horen we helemaal niets. Een jaar lang heeft Elia geleerd om stil en afhankelijk te zijn. En zelfs nu, nu alles anders lijkt te lopen dan hij verwacht heeft…, nu blijft hij stil. Die hoe het ook nog tegenlopen, gestadig op Gods goedheid hopen. Stil zijn en wachten. Zoals de dichter zegt van Psalm 145: Aller ogen wachten op U; en U geeft hun hun spijs te zijner tijd (Psalm 145:15). Zoals Jeremia zegt Jeremia 14: Zijt Gij die niet, o HEERE, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen (Jeremia 14:22). Zoals Micha uitroept in Micha 7: Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen (Micha 7:7).
Op een bijzondere manier gaat God opnieuw het geloof van Elia beproeven. Zoals God dat zo vaak doet in het leven van Zijn kinderen. Zodra wij denken te weten hoe het gaat, omdat het in het verleden ook zo ging, zodra wij denken te weten hoe God werkt, en dat wij dat hebben en kennen, dan…, dan is het wonder voorbij, dan is genade geen genade meer. En dan gaat God in Zijn wijsheid veranderen, verrassen, verbazen, of ons kruis verzwaren. Het doet denken aan wat Jeremia schrijft in Jeremia 48: Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd (Jeremia 48:11). Moab is van jongs af aan gerust geweest. Maar God zet het leven van Zijn kinderen in Zijn wijsheid steeds weer op z’n kop. Hij oefent hun geloof, Hij beproeft hun vertrouwen, Hij schudt ze heen en weer.
Waarom? Waarom mag ik niet rustig leven van alles wat ik vroeger gekregen heb? Als een echt, bewezen en erkend kind van God (in eigen oog)? Vertrouwend op eerdere zegeningen? Leunend op eerdere Godsontmoetingen? Het is toch allemaal het werk van de Heere? Nou dan! Ja, zegt de Heere: ‘Dat is wel waar, dat heb Ik wel gedaan, maar daarmee is het nog niet van u, van jou geworden!’ Als je denkt dat het je eigendom is, als genade je bezit geworden is, dat laat Ik in Mijn wijsheid de beek uitdrogen. Want, Mijn kind, je moet niet denken dat je jarenlang mag blijven zitten in groep 1, terend op de eerste lessen van de basisschool van het werk van de Heilige Geest. Je moet vooruit!
Hoe? Door een weg van minder worden. Door een weg waarin je alles kwijtraakt. Door een weg waarin je steeds minder je hoop gaat zetten op de dingen die je gekregen hebt, op
gaven en giften. Door een weg waarin je steeds meer met een lege hand omhoog gaat kijken. Niet naar je gaven (hier, bij mij, mijn bezit, mijn ervaring), maar naar de Gever, daar in de hemel!
Geen hulp verwachten uit het verleden. Niet rusten op gaven van weleer. Maar leren vertrouwen op, leren hopen op de levende God. Ja, hoe vaak zeggen we dat, terwijl we diep in ons hart toch vertrouwen op wat we hebben, op wat we gekregen hebben? Maar de Heere neemt het ons wel af. Opdat we weer zó arm worden, dat we alleen als een arme bedelaar omhoog kunnen kijken en zeggen: ‘Heere, ik heb nog iets van 10 jaar geleden, toch?’ Nee! ‘Heere, het water is op! En zonder water, zonder U, zal ik sterven!’ ‘Dank u, Heere, 10 jaar geleden zag ik iets glinsteren van het water des levens…?’ Nee! Daar kan ik niet van leven. Ik heb het iedere dag nodig. ‘Heere, geef me ook op deze dag van het Water des levens. Geef mij Jezus, of ik sterf.’ Dat is een levenslange les, voor Elia, voor al Gods kinderen. Voor ons die wat we gekregen hebben zo graag gaan beschouwen als permanent bezit. Maar dat brengt ons uiteindelijk alleen maar in dorheid en geesteloosheid.
Maar als ik zeg: ‘Heere, nu is alles op!’ Dan zegt God: ‘Ja, maar Ik zal Zelf een Lam ten brandoffer voorzien!’ Als ik zeg: ‘Heere het brood is op.’ Dan zegt Christus: ‘Vrees niet, Mijn kind, hier ben Ik, Ik ben het Brood des levens voor een hongerige ziel.’ Als ik zeg: ‘Heere, het vlees is op!’ Dan zegt Christus: ‘Vrees niet, Mijn kind, hier ben Ik, Mijn vlees is waarlijk spijs, Mijn bloed is waarlijk drank.’
Mijn water is op! Maar de Godsrivier is vol van water. En dan wordt het toch waar, dwars door die onbegrepen wegen van de Heere heen, waarin we alles kwijtraken, terwijl we staan aan de oever van die uitgedroogde beek: De Heere doet mij nederliggen in grazige weiden, Hij (Hij!) voert mij zachtjes aan zeer stille wateren, Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor van Zijn gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.
Amen.
Slotzang Psalm 65:6,7
Gij geeft, dat d' uitgang van den morgen En van den avond juicht, En dat men U voor al Uw zorgen Ootmoedig dank betuigt. Het land bezoekt Gij met Uw zegen, En, door U droog gemaakt, Verrijkt Gij 't grotelijks weer met regen, Die tot den wortel raakt.
De Godsrivier doet G' overvloeien, En op 't bereide land, Het nuttig koren welig groeien; Uw Goddelijke hand Maakt d' opgeploegde voren dronken, Tot uit de weke kluit, Waar 't droppelend nat is ingezonken, Gezegend voedsel spruit.
Andere preken over 1 Koningen
Andere preken voor Elia