2 oktober 2014
1 Koningen 17:1: En Elía, de Tisbiet, van de inwoners van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.
INLEIDING
In een tijd van diepe afval onder koning Achab, wanneer Baäl heel het openbare leven beheerst, klinkt in 1 Koningen 17:1 plotseling een onverwachte stem: "Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta." Deze eerste leespreek uit de serie over de profeet Elia (1 Koningen 16:29-17:1) laat zien hoe God te midden van afval Zijn woord handhaaft, en roept de lezer op tot bekering en gebed.
De komst van de profeet Elia
1 KONINGEN 17:29-1
29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël te Samaría twee en twintig jaar.
30 En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen die vóór hem geweest waren.
31 En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouw nam Izébel, de dochter van Eth-Baäl, den koning der Sidoniërs, en heenging en diende den Baäl en boog zich voor hem.
32 En hij richtte voor den Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, hetwelk hij te Samaría gebouwd had.
33 Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed om den HEERE, den God Israëls, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die vóór hem geweest waren.
34 In zijn dagen bouwde Hiël, de Betheliet, Jericho; op Abíram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.
1 En Elía, de Tisbiet, van de inwoners van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 17:1
THEMA
De komst van de profeet Elia
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, we maken vandaag een begin met een serie preken over de profeet Elia, de grote profeet van het Oude Testament. Zijn plotselinge verschijning, zijn krachtige optreden, zijn hemelvaart, alles doet denken aan en verwijst naar de komende, grote profeet Jezus Christus. Wij overdenken met elkaar het voorgelezen Schriftgedeelte: 1 Koningen 16:29-17:1. Het thema voor de preek is: De komst van de profeet Elia. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Een tijd vol afval (dat ziet u in 1 Koningen 16:29-34) 2. Een stem vol kracht (dat ziet u in hoofdstuk 17:1) Als eerste dus:
We zijn ergens rond het jaar 860 voor Christus. Het is al weer bijna 60 jaar geleden dat Israël in tweeën gescheurd is. Het tienstammenrijk is inmiddels bezig aan een zevende koning. Geen van al die koningen heeft de Heere gediend. Het is door de loop van de jaren alleen maar van kwaad tot erger gegaan. Omri, de vader van Achab, deed wat kwaad was in de ogen des Heeren, meer nog dan zijn voorgangers. Maar Achab maakt het nog erger. We lezen in Vers 33: Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om den HEERE, den God Israëls, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren.
Het koninkrijk onder koning Achab is stabiel. Hij is, zo staat in vers 29 tweeëntwintig jaar lang koning van Israël. Dat duidt op een periode van relatieve rust. Koning Achab. Hij heeft zijn kinderen nog wel namen gegeven, die doen denken aan de God van Israël, maar verder wordt zijn leven als mens en als koning gekenmerkt door verval. In vers 31 staat dat hij wandelde in de zonden van koning Jerobeam. Die stelde na de scheuring van het rijk een eigen godsdienst in, rond twee kalveren, twee stieren in Dan en Beth-El. Maar het gaat verder. Als je de verzen van ons Schriftgedeelte leest, dan klinkt het als een voortdurende echo door al die verzen heen: Baäl… Baäl… Baäl…
Achab dient Baäl (vers 31), hij bouwt een altaar voor Baäl, een tempel voor Baäl (vers 32) en zijn vrouw komt ook al uit een Baäl-dienende familie. Een strategische zet overigens van koning Achab. Voor de vrede en de stabiliteit van zijn rijk sluit hij een verbond met de Feniciërs, en hij trouwt met Izebel, die vervolgens een soort van huisevangelist voor Baäl wordt in het koninklijke paleis. En in haar kielzog neemt ze een horde Baälpriesters met zich mee, later wordt zelfs een getal van 450 genoemd. En later is zij, koningin Izebel, ook de drijvende kracht achter de doden van de profeten van de God van Israël.
Baäl is God. En ondertussen dient men ook (zo noemt de Statenvertaling dat): de bossen. In vers 33 staat: Achab maakte een bos. Het is een wat verhullende verwijzing naar de godin, de moedergodin Astarte of Asjera. Baäl is de god van de donder, de god van de oorlog en ook van de vruchtbaarheid van het land. Astarte of Asjera, zij is de godin van de vruchtbaarheid, van de seksualiteit. Een afgod die vooral werd gediend in en rond Sidon, de plaats waar Izebel vandaan kwam. Baäl is god, en Asjera mengt godsdienst met plezier. En… de God van Israël lijkt uit het straatbeeld te zijn verdwenen.
En dan is er nog iets, wat speelt in die tijd. Het vers 34 blijkt dat Achab een contract geeft aan Hiël. Er staat: In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongste zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had. Na de verwoesting van de stad Jericho had Jozua de vloek uitgesproken over degene die ooit de stad Jericho zou herbouwen. Maar, Achab vindt Jericho een strategische plek en geeft opdracht om de stad te herbouwen. Maar die vloek dan? Dat woord van de HEERE dan? Achab heeft er geen boodschap aan. Hij geeft het contract aan Hiël. En… de eerstgeboren zoon van Hiël, Abiram sterft. En als het project klaar is, als de deuren in de poorten gehangen kunnen worden, dan kan Hiël ook de begrafenis regelen van zijn jongste zoon, Segub.
Maar dit is symptomatisch, dit is kenmerkend voor de tijd van Achab. En voor de tijd van nu… Vervolging is er niet, nog niet tenminste. Maar in het openbare leven? God bestaat niet meer. En het woord van God telt ook niet meer. Het gaat om plezier, om genieten, om je fijn voelen. Nee, niet per se zonder religie of spiritualiteit, maar in ieder geval gericht op nu, op de aarde, op jezelf… De tijd van Achab lijkt er een beetje op onze tijd. Voortgaand verval, openlijke opstand en lastering. Gemeente van Pergamus, zo schrijft Johannes, God weet uw werken en waar u woont, namelijk daar waar de troon van de satan is. Hopeloos? Uitzichtloos? Is het voorbij met het geloof in de ware God?
Zo lijkt het wel. Maar, nee! Want dan ineens volgt hoofdstuk 17:1: En Elia, de Thisbiet, van de inwoners van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls,
leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! Midden in die donkere tijd, is daar ineens een sprekende stem. Dat brengt ons bij ons 2e aandachtspunt.
Ineens, plotseling… Waar komt die man vandaan? Als een parachutist landt hij aan het hof van Achab. Als een bliksemstraal uit de hemel treedt hij het paleis van de koning binnen. Elia is zijn naam. ‘El’ betekent: ‘God’. ‘i’ komt van ‘mijn’, ‘a’ of ‘ya’ komt van Yahweh, HEERE. Elia: mijn God is de HEERE. Een moedgevende naam. Waaruit misschien ook wel iets doorklinkt van het geloofsvertrouwen van zijn ouders.
Zijn naam kennen we. Maar verder…? Zijn familie, zijn stam? Onbekend. Zijn afkomst, zijn leefwijze, zijn beroep? Onbekend. Zijn leeftijd dan? Getrouwd of ongetrouwd? Allemaal onbekend. Hij woont in Gilead, over de Jordaan. In dat beboste, heuvelachtige, soms bergachtige gebied, waar schaapherders leefden in kleine, primitieve dorpjes. Daar kan je je wel iets bij voorstellen, bij die door de natuur geharde, sobere man in zijn eenvoudige mantel. Daar woont hij, in het dorpje Thisbe. Hij wordt genoemd een Thisbiet. Maar waar dat dorpje gelegen heeft, dat weet tot op de dag van vandaag niemand.
Elia, hij lijkt een beetje op Melchizedek. Ook zo’n man van wie wij weinig weten. Ineens is hij er. In de tijd van Abram en Lot. Hij was priester en koning. Net zoals Elia hier. Ineens is hij er, een de door God geroepen profeet. Zoals later de grote Profeet-Priester-Koning, door God geroepen en gezalfd, daar plotseling is in de volheid van de tijd, in de stikdonkere nacht van de Romeinse overheersing.
Elia heeft iets(!) van Zijn ijver. Later zegt hij (19: 10,14): Ik heb zeer geijverd voor de Heere, de God der heirscharen. Groot is zijn ijver, dat wil zeggen zijn geestdrift, gloed, vuur en vurigheid. Hij is moedig als een jonge leeuw, vreest niet voor tienduizenden, zelfs als een leger hem belegert, zo vreest hij niet. Maar hij is nog maar een schaduw van de meerdere Elia. Want van Hem geldt: De ijver van Uw huis heeft Mij verslonden (Johannes 2:17En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.) Het heeft Mijn leven, Mijn lichaam en Mijn hart verteerd.
Daar staat hij ineens, voor de goddeloze koning Achab. Met het zwaard van het woord en de sleutel van de hemel in zijn mond en in zijn hand: Zo waarachtig als de Heere, de God Israëls, leeft!
Achab, je dient Hem niet meer. Hij bestaat ook niet meer in de gedachten van de mensen. Hij speelt geen rol meer in het volksleven. En Zijn woorden tellen niet meer, ook niet hier aan het hof.
Maar dan ineens, dan is het alsof God Zelf voor Achab staat en zegt: Ik leef. Ik ben God. Ik ben de HEERE, de God van Israël, de God van het verbond, de God met Wie je gebroken hebt. Zoals de Heere vandaag misschien ook wel plotseling voor u staat. Hij speelt geen rol van betekenis meer in uw of jouw leven. Je hebt andere dingen, andere prioriteiten, andere doelen in je leven. Totdat ineens, als een bliksem uit de hemel, het woord naar binnen slaat: Ik ben God! Ik ben de HEERE! En Ik leef, Ik besta echt!
Zo waarachtig als de Heere, de God Israëls leeft, voor Wiens aangezicht ik sta. Ik sta voor een vuurgloed van Gods aanwezigheid, van Zijn Goddelijke tegenwoordigheid. En ik heb een woord van God voor u!
Kijk, daar staat hij, in al zijn eenvoud. Een eenvoudige man in een ruige mantel. Niets van gewichtigdoenerij. Hij is een gewoon mens. Later zegt Jakobus: Hij was een man van gelijke bewegingen als wij (Jakobus 5:17Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.). Mens onder de mensen. Maar wat deze man gewicht geeft, dat is Gods stem! God spreekt door deze man. Hij staat voor God, en geeft door, wat God tegen hem zegt. ‘Zo zegt de God van Israël!’ Hij zweert bij de levende God.
Geen dominee durft te staan in de schaduw van Elia. Hij was een grote onder de profeten. En ook is het werk van de profeet niet helemaal gelijk te stellen met het werk van een predikant. En toch…, er zijn wel een paar dingen. Wat geeft ons vrijmoedigheid, wat geeft ons de vrijheid om het woord van de Heere door te geven? Het besef van, wat u vertolkt ziet in de naam Elia: mijn God is de HEERE! En dat we weten, dat we (terwijl we staan tussen God en mensen) staan voor Gods aangezicht. Dat geeft ons in de vertolking van het woord van God iets van ongebondenheid. Zo zegt de HEERE! Denkt u er anders over? Zo zegt de HEERE! Minacht ons als de profeten. Stop uw oren voor ons en werp stenen op ons zoals bij Stefanus. Maar dwars door onze beperkte, menselijke woorden heen, is er iets van Gods spreken, voor Wiens aangezicht we staan. Onbewogen, staande voor God, en staande tussen God en mensen, met het woord van God in de hand. En dan vrezen we niet, al zouden tienduizenden tegen ons zijn, al zou een leger ons belegeren.
En tegelijkertijd moeten ons goed realiseren dat die houding niets te maken heeft met menselijke heerszucht, met denken dat we meer zijn, met denken dat we bijzondere mensen zijn die aanbeden moeten worden. Het tegendeel is waar! Nee, Jakobus zegt: hij was gewoon, een mens, van gelijke bewegingen als wij.
U zegt: ‘Maar wat maakte deze man dan toch anders?’ In de eerste plaats (1) iets wat niet te zien was, zijn gebed. Jakobus schrijft in Jakobus 5:17: Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. Zijn gebed was de bron van zijn openbare kracht. Daarom staat hij daar onbewogen, zonder blikken of blozen.
In de tweede plaats (2) was het voor hem een levende werkelijkheid: Ik sta voor God en Hij leeft! Zo waarachtig als Hij leeft! Wij treden niet op voor een dode Baäl, voor houten palen van Astarte, maar het is de levende, de eeuwig levende God, die stuurt en roept. Wat maakt deze gewone man toch anders? In de derde plaats (3) dat hij tot in het diepst van zijn bestaan beseft dat het waar is, als hij zegt: voor Wie ik sta. En dat maakt, gemeente, dat sommigen van u misschien wel hopen, vragen, of misschien zelfs wel bidden of er niet een andere boodschap gebracht kan worden vanaf deze preekstoel (iets meer van dit, iets minder van dat), u mag het ook vragen of bidden. Maar wij staan voor God. Als u ons aanwijst in het Woord, als u ons leert als Aquila en Priscilla (want wij zijn ook mensen), dan zullen we naar u luisteren, dan zullen we de Heere vragen, en als we op het verkeerde spoor zijn, dan zullen we onze boodschap veranderen. Maar als u zegt: ik vind het gewoon minder fijn, om die dingen te horen uit het Woord van God, die er eigenlijk toch wel staan…, maar ik vind ze gewoon naar om te horen… dan hebt u een probleem.
Ik sta, wij staan voor God. Wat een zegen is dat, wat een heerlijk werk. En tegelijkertijd wat een zware verantwoordelijkheid, de last te dragen van zoveel zielen. Dus hoop en bid ik dat er in de gemeente veel bidders zullen zijn, die de last meedragen. In het besef: ook onze ambtsdragers zijn mensen van gelijke bewegingen als wij.
Laten we nu samen eerst zingen uit Psalm 119:4:
Ik zal, oprecht van hart, Uw naam, o HEER, Gestaâg den roem van Uwe grootheid geven, Als ik 't gezag en 't heilig oogmerk leer Van 't vlekk'loos recht, door Uwe hand beschreven. 'k Zal Uw geboôn bewaren tot Uw eer; Verlaat mij toch niet gans'lijk in dit leven.
Als ik zeg: ik sta voor God, dan neem ik tegelijkertijd u mee. Voor Gods aangezicht. Daar staan wij dan samen: voor God, de Alwetende. Die heel het leven van Achab, die heel ons leven doorziet en alles weet.
Zo waarachtig als de HEERE, de God van Israël leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! Dit dreigement komt niet uit de lucht vallen. De Heere had het vroeger al gezegd tegen Israël, in Deuteronomium 11:16-17Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt; Dat de toorn des HEEREN tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.: Wacht uzelf, dat ulieder hart niet verleid worde, dat u afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt, dat de toorn des HEEREN tegen ulieden ontsteke, en Hij de hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en u haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.
En, zo zegt Jakobus, Elia bad een gebed dat het niet zou regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. Geen regen in de regentijd. Geen dauw in de droge tijd. Dus zal alles verder verdrogen. Immers de droogte duurt nu al 6 maanden. Als je er bij zou staan, zou je het gezicht van Achab zien verschieten. Nu is het al zes maanden droog (dat weten we uit Lukas 4), maar nu, als met de sleutel van het woord, de wolkenhemel definitief op slot gedraaid.
Oordeel, dreiging, donkere wolken en toorn. En Elia, Gods knecht, bidt er nota bene om. Weet u, wanneer het pas echt hopeloos zou zijn? Als de Heere helemaal niet meer spreken zou. Als niet alleen de wolkenhemel, maar ook de hemel der hemelen op slot zou gaan. Maar dat de Heere nog spreekt tot Achab en tot ons, dat is een wonder van geduld van God. Want achter de straf die de Heere aankondigt, gaat de oproep schuil: Bekeer u toch! Zoals ook strenge woorden in de preek altijd de oproep in zich bergen: Bekeer u toch! Het zou pas echt hopeloos zijn, als God niet meer spreken zou, en als Elia niet meer bidden zou. Want uiteindelijk is zijn gebed gericht op het behoud van het volk. Zoals Jeremia ook zegt: ik heb, o Israël, uw dodelijke dag niet begeerd (Jeremia 17:16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.).
Sodom en Gomorra werden zonder aankondiging verwoest. Maar dit is anders. Hier komt de God van Israël, de HEERE (met 5 hoofdletters), de God die trouw vasthoudt aan Zijn verbond. Zijn oordeel wil plaatsmaken voor zegen, wil brengen tot bekering, tot terugkeer naar Hem toe. Het is de toorn, de wraak van de gekrenkte liefde van God. Van de Verbondsgod van Israël, die recht heeft op Zijn volk. En Die zuchten moet: maar Mijn volk wilde niet naar Mijn stem horen. En die nu toch nog roept: keer terug, keer weder, afkerige (afvallige) kinderen.
Zoals God ook twist met ons. Hij kruist ons pad, Hij blokkeert onze weg. Door ziekte, tegenslag, moeite of verdriet… Zolang God met ons twist, zolang is er hoop.
Hier klinkt als een klacht uit de hemel de echo van Psalm 89, midden in het donkere hof van Achab: Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen (Psalm 89:32-33)
Achab, luister toch naar Mij! U, jij, luister toch naar Mij! Maar het blijft stil bij koning Achab… Geen antwoord…. En Elia bidt, of hij heeft al gebeden, en de hemel wordt blijvend gesloten: geen regen en geen dauw.
God regeert het wereldgebeuren in het groot, en ook in het klein (in de gemeente, in onze gezinnen, op onze scholen) door bidders. Vaak kleine, onbeduidende, niet geachte mensen. Mensen die leven voor Gods aangezicht, en wie het gaat om de eer van God.
En dat verborgen gebed van gewone mensen, dat hebben wij zo nodig. Dat hebben wij nodig in onze gezinnen. Voor onze kinderen, die nog onbekeerd zijn, hoewel ze in alles meegaand en braaf zijn. Voor onze andere kinderen die afdwalen en God steeds verder de rug dreigen toe te keren. Dat hebben wij nodig in onze gemeente en in de kring van onze gemeenten. Gebed voor zoveel onbekeerden. Gebed om de doorwerking van het Woord: Och, dat U de hemelen scheurde. Gebed om geestelijke opwekking. Gebed voor de mensen, van gelijke beweging als iedereen, die God plaatste voor Hem, en tussen Hem en ons. Gebed om zoveel dwalende schapen, die met de kerk dreigen te breken of al gebroken hebben met de gemeente. Gebed voor zoveel mensen in onze stad of in ons dorp, die God niet kennen. Gebed voor elkaar. Jakobus zegt in Jakobus 5:16: Een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel. Een ernstig gebed, vurig, vol van vuur en ijver voor de eer van God. Zoals de meerdere Elia zo vaak bad, in stille eenzaamheid. Met ijver voor het huis van Zijn Vader. Het verteerde Hem. Het kostte Hem Zijn leven. Zijn leven voor Zijn schapen. Staande voor God, hangend aan het kruis, tussen hemel en aarde, tussen God en Zijn kerk. Niet alleen als Profeet, maar ook als Hogepriester. Als Priester en als Lam. Maar nooit bad Hij om ons oordeel. Hij bad zelfs voor Zijn vijanden.
Een biddende Elia. Een biddende Borg. Maak ons, o Heere, Uw beeld gelijk.
Laten ons zo ook biddende gemeente zijn. Zoals Paulus zegt tegen de gemeente van Kolosse: Houdt sterk aan in het gebed. Amen.
Slotzang Psalm 89:13,14:
Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat. Maar zo zijn kinders ooit Mijn zuiv're wet verlaten, Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter reeg'ling niet kan baten, Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven, Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven.
Dan zal Ik hen, die dwaas en wreev'lig overtreên, Bezoeken met de roe en bitt're tegenheên; Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden. Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden; 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.
Andere preken over 1 Koningen
Andere preken voor Elia