20 oktober 2024
Exodus 16:14-15: Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde. Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
INLEIDING
Als het volk Israël in de woestijn hongert en murmureert, belooft de Heere in Exodus 16 niet in gramschap uit te barsten, maar genadig het manna, brood uit de hemel, te regenen—klein en wit als de rijm die op de aarde ligt. Dit voedsel wijst voor ons vooruit naar Christus, het ware Brood des levens, die voor hongerigen en dorstigen uit de hoogte nederdaalt.
EXODUS 16:13-19
13 En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkels opkwamen en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger.
14 Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde.
15 Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
16 Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Verzamelt daarvan eenieder naar dat hij eten mag: een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen die in zijn tent zijn.
17 En de kinderen Israëls deden alzo, en verzamelden, de een veel en de ander weinig.
18 Doch als zij het met den gomer maten, zo had degene die veel verzameld had, niets over, en dien die weinig verzameld had, ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zoveel als hij eten mocht.
19 En Mozes zeide tot hen: Niemand late daarvan over tot den morgen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 16:14-15
De Heere heeft wonderen gedaan bij Mara. Het bittere water werd zoet. En daarna was er in Elim een heerlijke oase, midden in de woestijn. Met water tegen de dorst en met schaduw tegen de hitte van de zon. Maar daar konden ze niet blijven. De reis ging weer verder. De wolk- en vuurkolom wees hen weg.
Kijk maar Exodus 16:1Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israëls in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinaï, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.: Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israëls in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinaï, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. En (vers 2-3): En de ganse vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn. En de kinderen Israëls zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn om deze ganse gemeente door den honger te doden.
Dacht u ook niet (na al de wonderen die de Heere deed), dat dat gemopper nu wel voorbij zou zijn? Dacht je dat ook niet van... jezelf? Dat je eindelijk, na alles wat de Heere gaf en deed, wel zou vertrouwen in Zijn goede zorg? Niet mopperen, maar vertrouwen?
Maar nee! Ze mopperen, ze rebelleren. Ze murmureren (vers 2) tegen Mozes en Aaron, en (vers7) tegen de HEERE, Israëls grote God. Ze zeggen: ‘We sterven hier van de honger!’ Behoorlijk overdreven trouwens, want in het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 17:3) blijkt dat ze gewoon vee hebben. En dus hebben ze melk, en dus kunnen ze kaas maken, en zo nodig vlees eten. En, zeggen ze: ‘In Egypte, daar hadden we nog eens overvloed aan brood en vlees!’ O ja? Was farao zo goed voor jullie?
Maar in hun opstand is vooral grote verachting van de HEERE, want zo zeggen ze in vers 3: ‘Want gijlieden, jullie, Mozes en Aäron hebben ons uitgeleid in deze woestijn!’ Maar, was het niet de Heere Zelf, Die hen uit Egypte leidde? ‘t Is hardleerse, onredelijke opstand tegen God, Die zoveel wonderen heeft gedaan!
Wat zal Heere doen, gemeente? Zal de Heere, na zoveel verachting van Zijn goedheid in Zijn toorn ontbranden? Zal Hij (zoals staat in Psalm 11:6Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.) vuur en zwavel regenen op deze goddelozen?
Nee! Nee! Hier echo-en de latere woorden terug uit Hosea: Hoe zou Ik u overgeven, o Israël? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken (Hos. 11:8Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.). Hoe zou Ik u overgeven aan Mijn toorn, opstandelingen, mopperaars? Mijn hart brandt nog steeds van zondaarsliefde en van medelijden, met u!
En dus regende de Heere toen geen vuur en zwavel. Kijk maar naar vers 4: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit de hemel regenen. En zo regent het nu hier vanmorgen in [plaatsnaam], vanwege Gods innige en hartelijke bewogenheid met ons, óók geen vuur en zwavel, maar manna, hemelse brood. Uit de hemel, vrij om op te rapen, om mee nemen, en om op te eten.
Later, in Deuteronomium 8, vertelt Mozes wat de bedoeling van de Heere met dit alles was, als hij schrijft: De Heere verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat (wat was Gods doel?) Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat (Deut. 8:3).
Dus dat manna wilde niet alleen hun honger stillen, maar het was ook een beeld, een teken, dat wees op het Woord van de Heere, op de Bijbel die je hebt. Zoals staat in Exodus 16:15: Dit(!) is het brood, hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
En nog later zegt de Heere Jezus Zelf waar het manna vooral op wees. In Johannes 6, waar de Heere Jezus zegt: Mijn Vader geeft u het ware Brood uit den hemel. En dat Brood Gods is Hij Die uit de hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft. Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Dit is het brood dat de HEERE aan u, gemeente, te eten gegeven heeft en geeft.
Vers 6: Toen zeide Mozes en Aäron tot al de kinderen Israëls: Aan den avond, dan zult gij weten dat u de HEERE (dus niet wij, maar de HEERE!) uit Egypteland uitgeleid heeft. En (vers 7): Morgen, dan zult gij des HEEREN heerlijkheid zien, dewijl Hij uw murmureringen tegen de HEERE gehoord heeft. En zo gebeurt het ook in vers 10: Zo zie, de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de wolk. In de wolkkolom licht ineens iets op van de heldere vuurgloed van Gods aanwezigheid. Van de zichtbare presentie van Zijn onzichtbare majesteit. Die hen ongetwijfeld (na al hun gemopper op de Heere) doet huiveren… God is aanwezig! Hij heeft alles gezien en gehoord…
God is aanwezig, ook nu, gemeente. We staan en zitten hier, ook na al onze opstand, in de aanwezigheid van God Zelf. Die ons niet in grote toorn verteert, maar Die ook vanmorgen manna laat regenen uit de hemel.
Daar zal ik vanmorgen vooral de aandacht aan besteden, aan het manna. Ik ga voorbij aan de kwakkels, de patrijzen, die ze ook in overvloed krijgen.
Het regent manna op een opstandig volk. Daar, toen. En hier, nu. In het Woord dat gepreekt wordt, waarin Christus voor uw ogen geschilderd wordt, licht iets op van de heerlijkheid des Heeren. Waarschuwend. Om ons te verootmoedigen. Om ons te laten buigen. Er is hemels brood, eeuwig leven te verkrijgen. Bij God vandaan, Die vanmorgen ook bij ons iets van Zijn heerlijkheid wil openbaren, vanuit dit Woord.
Luister daarom met eerbied en ernst naar wat de Heere vanmorgen tegen u te zeggen heeft. De tekst voor de preek kunt u vinden in Exodus 16:15b, waar we lezen: Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
We gaan samen op zoek, al lezend in Exodus 16 en in andere Bijbelgedeelten, naar de betekenis van wat de Heere daar doet, bij en voor Zijn volk Israël. Wetend dat dat manna beeld is van het ware Brood des hemels, dat vanmorgen ook hier uit de hemel regent. Beeld van het Woord van de Heere, en van Christus in dat Woord. Hij is immers het ware Brood des levens.
Ik wil u meenemen in de volgende lessen ,die we uit deze geschiedenis gaan trekken. De volgende zaken vallen op. Het eerste wat opvalt is:
1. Het manna komt uit de hemel In vers 4 zegt de Heere: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen. En in vers 14 staat dat het manna valt op de dauw die op de aarde ligt. Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde. En in vers 15: Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man (wat letterlijk betekent: wat? wat is dit?), want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.
Een teken vanaf nu, van Gods dagelijkse zorg voor Zijn volk Israël, veertig jaar lang. a. Zoals, meisjes en jongens, de Heere ook iedere dag zorgt voor ons dagelijkse brood. b. Maar het is vooral ook een beeld van dit Woord, dat dagelijks uit de hemel tot ons komt. Tot u, tot jou, tot mij. Ongevraagd, als een vrije gift van God uit de hemel. Voor opstandige mensen. Zoals toen, zoals ook nu. Wat een zeldzaam voorrecht. Miljoenen mensen hebben dit Woord niet. Dat Woord van God, dat ons is toevertrouwd. Maar, gemeente, wat doet u daarmee? Met uw Bijbel? Leest u er wel in? Lees je je Bijbel nog, jongelui? Is dat Woord van God uw dagelijkse voedsel? Wat je leest, waarover je in stilte nadenkt? Terwijl je bidt op knieën voor God: O, Heere, open toch mijn ogen, dat ik zal zien de wonderen van Uw Wet? Waarom? Waarom is dat zo belangrijk?
Omdat dat de weg is, die de Heere je wijst om zalig te worden. Als je ijverig, biddend zoekt in deze Bijbel, dan zul je vinden! Wat? Nee, Wie! Christus, de Zaligmaker, het Brood dat uit de hemel nedergedaald is.
c. Het manna was (als eerste) voor Israël dagelijks brood. Het wees (als tweede) als beeld ook op het Woord van de Heere. En het wees (als derde) ook vooral vooruit naar de Heere Jezus Christus. Komend uit de hemel. Ongevraagd, als een vrije gift van God de Vader. Komend in de wildernis van deze aarde, in een woestijn vol opstand en rebellie. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Ze hebben Hem verworpen. Voor Hem was geen plaats. Maar toch kwam Hij…
De heerlijkheid des Heeren verscheen in glorie en heerlijkheid. Zoals Johannes schrijft in Johannes 1:14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Onbegrijpelijk wonder van Goddelijke genade. Op gevallen en opstandige nakomelingen van Adam, ook hier [plaatsnaam], daalt niet de toorn van de Heere neer. Maar door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God (zo zingt Zacharias in Lukas 1), verschijnt de Opgang uit de hoogte, de Ster in Jakob. Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in de vergeving van hun zonden.
Verwonder u, gemeente, met mij om zoveel goedheid en gunst van de hemel. Dat Vader Zijn Zoon gaf. Dat Christus Zichzelf gaf. En dat de Heilige Geest Hem wil onthullen en wil leren kennen aan mensen verloren in zonde en schuld, om ze met God te verzoenen. Het manna kwam (als eerste): uit de hemel. Het tweede dat opvalt is:
2. Het manna moet opgeraapt worden Het viel niet rechtstreeks in hun keukens of in de ovens waar gebakken werd. Het viel ook niet als kant-klaar brood op hun bord. Maar er viel manna, buiten het leger. Ze moesten er even voor lopen. Maar niet ver. En daar moesten ze het oprapen, daar moesten ze het verzamelen: die heldere, ivoorwitte korrels. Kijk maar in vers 16: Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Verzamelt daarvan eenieder naar dat hij eten mag: een gomer (dat is ruim 3½ liter) voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen die in zijn tent zijn. En wat bleek? Als je teveel raapte, dan had je niets over. En als je te weinig raapte, dan had je niet te weinig. Het was altijd passend, het was altijd genoeg. Maar, je moest het wel oprapen, je moest het wel verzamelen. En zo is het, gemeente, ook vanmorgen hier. Het Woord komt tot u. Woorden van genade druppen uit de hemel. En Christus in dat Woord, daalt diep tot ons neer. Zijn handen kloppen aan de deur van je hart. Zijn lippen smeken je. Ik bid u, namens Hem: Laat u met God verzoenen.
Raap je dat woord op? Neem je dat Woord mee naar huis? Buig je straks je knieën om te vragen om een blijvende zegen over dat Woord? Neem je dit Woord echt ter harte? Neme je het van harte aan? Of laat je het liggen? Of trap je erop? Of loop je erover heen? O, nu u Gods stem heden hoort, de nodigingen van Christus, gelooft dan toch Zijn heil- en troostrijk Woord, en verhard u niet. Maar ontvang dit Woord, zoals het waarlijk is, als Gods Woord. Ontvang (zoals Jakobus zegt) met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zalig maken (Jak 1:21Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.). Want dit is een getrouw (een betrouwbaar) woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is (komend uit de hoge hemel) om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1 Tim. 1:15Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.).
Ellendige en verloren mensen in uzelf, opstandelingen tegen God (zoals ik), Christus is uit de hemel neergedaald om mensen zoals u en ik in de dorre en droge woestijn van ons verloren leven te redden van de ondergang. Weiger Hem niet. Veracht Hem niet. Maar omhels Hem. Neem Hem door Zijn genade aan, als de Zaligmaker van uw verloren leven. Want zonder dat gaat u voor eeuwig omkomen in de woestijn van dit leven. Er is echt maar één Weg om zalig te worden. En dat is, dat u gelooft in Hem Die God van de hemel gezonden heeft!
Laat ik u (als derde), vanuit het beeld van het manna, proberen Christus voor uw ogen te schilderen in Zijn heerlijkheid, in Zijn schoonheid en aantrekkelijkheid. Hopend en biddend dat, door het werk van de Heilige Geest in uw harten, uw weerstand gebroken gaat worden. Waardoor u dit ‘Manna uit hemel’ vandaag niet weer opnieuw voorbij zult lopen. Maar dat u zult oprapen, wat in dit Woord voor u neergelegd wordt. U mag bukken. U mag door de knieën gaan. Om te ontvangen en aan te nemen wat de Heere u aanbiedt.
Maar voordat we daarmee verder gaan, gaan we eerst zingen uit Psalm 95:5: Verhardt u niet; neemt Zijn genâ Ootmoedig aan". "Laat Meriba, Laat Massa u ten afschrik wezen, Waar 'k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat Mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.
Gemeente, het derde wat al lezend in deze geschiedenis opvalt, is:
3. Het manna is beeld van de Heere Jezus Christus a. Vers 14 zegt: dat Manna, dat was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde. Als kleine, bevroren waterdruppeltjes, in de vorm van kleine, witte korreltjes. Zo was Christus klein en veracht, toen Hij in de wereld kwam. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. (Jes. 53:3Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.). En zo is Christus in de ogen van heel veel mensen nog steeds veracht. Wat moet ik toch met Jezus doen? Zoals Pilatus zei: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden (Mat. 27:22). Het Brood des levens? Weg met Hem!
Is dat niet hoe wij van nature allemaal zijn? Hebben we niet liever de dood dan het leven in Hem? Maar, zeg eens eerlijk: Vind je dat ook (als je daar nu over nadenkt) niet dwaas? Dat je leven, eeuwig leven kan krijgen? En dat je dat veracht?
Weet je hoe dat komt? Kijk eens in vers 15: Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Onbekeerde vrienden, je veracht Christus, omdat je Hem niet kent. Omdat je nog steeds blind bent voor de schoonheid en voor de heerlijkheid van Christus, de enige Weg tot je behoud. Roep dan toch nu vanuit je bank naar de hemel met Bartimeüs: Zone Davids, ontferm U mijner, dat ik ziende mag worden! Doe dat nu, want dan zal de Heere, door het werk van Zijn Geest in je hart, je ogen geven om te zien. Om te zien dat Christus wel klein en veracht is geworden en door jou altijd veracht is geweest, maar dat God Hem een Naam gegeven heeft boven alle Naam, opdat iedereen zich voor Hem zou buigen. Het Manna was klein, ze kenden het van zichzelf niet.
b. En (vers 31) het was als korianderzaad (klein, rond, zoet ruikend), wit, en de smaak daarvan was als honingkoeken. Wit, vooruitwijzend naar Christus, smetteloos wit. Hij was zonder zonde. Hij heeft nooit zonde gekend of gedaan. Hij is heilig, onnozel (onschuldig), onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden. Zoals Petrus zegt: een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petr. 1:19Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;). Het Lam Gods, Dat geslacht is, om de zonden van de wereld weg te dragen. Christus, is blank in Zijn heiligheid!
Ziet u iets in Hem? Of niets? Mensen met zonde beladen, mensen met een hemelhoge schuld, dit is een zo gepaste Zaligmaker voor mensen zoals u. Voor u is geboren de Zaligmaker, Christus de Heere. Neergedaald uit de hemel, midden in onze ellende, nood en dood. Om mensen zoals u daaruit te verlossen. Hij heeft alles wat u nodig hebt voor uw zonden en voor uw
schuldige hart: volkomen heiligheid. En Hij heeft voor de zonde volkomen betaald met de prijs van Zijn kostbare bloed. Dat onstraffelijke en onbevlekte Lam
Christus, het Brood dat uit de hemel is nedergedaald. U, die honger hebt naar leven, dorst naar God, kom! In dit Woord wordt Hij u aangeboden. Ontvangt Hem. Neem Hem aan. Met lege handen. Verloren als u bent. Hij zal u zalig maken van al uw zonde. Hij zal uw dorst stillen. En u zult nooit meer hongeren. Als u Hem van harte ontvangt. Dan zult u ook ervaren, wat er verder staat van dit manna.
c. De smaak daarvan was als honingkoeken. Als honing-koeken… Dus wat is er met dat manna gebeurd? Door welke weg is Christus het Brood des Levens geworden? Door welke weg werd Zijn smaak, om zo te zeggen: zoet als honingkoeken?
Door de weg van Zijn bittere lijden en sterven. Waar in Numeri 11:7-8Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedolah. Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie. naar vooruitgewezen wordt, als daar staat: Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verve was als de verve van den bedólah (ivoorwit dus). Het volk liep hier en daar en verzamelde het en maalde het met molens of stiet het in mortieren en zood het in potten, en zij maakten daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie. Die kleine korrels werden dus gemalen, fijn gestampt en gekookt. En in het vuur van de oven gebakken tot zoet smakende koeken.
Zo werd Christus in de volheid van de tijd vermalen en verbrijzeld onder de loodzware last van Gods toorn tegen ’s mensen zonde en schuld. Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem. Lijdend, stervend, in de hitte van Gods toorn. Hij heeft, zegt Zondag 15 van de catechismus: aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, de (ondeelbare) toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen.
En omdat Hij die gedragen heeft, in Zijn leven en in Zijn sterven, daarom is de hitte van Gods gramschap geblust. En daarom regent het hier in de woestijn Sin manna op dat murmurerende volk. En daarom regent het hier vanmorgen op ons in [plaatsnaam] geen vuur en zwavel, maar manna, hemels brood. Nu worden wij door God niet weggestoten in grote toorn, maar (hoewel de Heere klagen moet uit de hemel over ons: Wat murmureert u tegen Mij; en hoewel wij van Zijn aangezicht weggegaan zijn en blijven hangen aan onze afkering tegen Hem) ...
Maar nochtans was God met hen begaan. En nochtans is God met ons begaan. En dus zegt de Heere vanmorgen hartelijk, vriendelijk en oprecht gemeend: Hoe zou Ik u overgeven, o Israël, o gemeente van [plaatsnaam]? Hoe zou Ik u maken als Adama, u
stellen als Zebóïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal u niet verderven. Want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u.
Ik zal u niet verderven, maar Ik zal manna van de hemel regenen voor u. Mijn woorden van genade, beschikbaar voor u. Mijn Zaligmaker, beschikbaar voor u! Kom, smaak de zoetheid van Mijn genade voor mensen die de dood verdiend hebben. Smaak de honing van Mijn liefde voor u, die Mij altijd gehaat hebt. Laat u met Mij verzoenen, door Christus, de Zaligmaker van zondaars.
Wat is Christus zoet en goed, voor mensen, verbroken van hart en verslagen van geest; voor hongerigen en dorstigen. Kom, u die geen geld hebt, u die niets verdiend en alles verzondigd hebt, kom, koop zonder geld, wat Christus u aanbiedt. Zichzelf! En dat is alles, wat u nodig hebt voor uw kostbare ziel op weg naar de eeuwigheid.
Er is nog een vierde ding dat opvalt:
4. Het manna moet dagelijks geraapt worden Het manna rapen, onbekeerde vrienden, dat mag nu. Vandaag. Het is voor vandaag en niet voor morgen. Morgen kan het te laat zijn. De Evengeliekalender kent maar één dag: Zo u Zijn stem dan heden hoort, verhard u niet.
En is nog iets. Iedere morgen moesten de Israëlieten weer op pad, om manna te zoeken, om hun lege handen op te houden. Gemeente, kinderen van God, genade is iets om dagelijks van te leven. Dagelijks bedelend bij de Bron, dagelijks bedelend aan de voeten van Christus. Want alles wat je hebt, alles wat je bezit is, alles wat je in je zak hebt, gaat bederven. Kijk maar naar vers 20: Sommige mannen lieten daarvan over tot den morgen. Toen wiesen (toen groeiden) er wormen in en het werd stinkende. Je kan toch niet leven, zo vraag ik u, van dingen die vijf, tien, twintig of dertig jaar geleden gebeurd zijn? Kan je daarvan in leven blijven? Daar kruipen de wormen ondertussen uit, toch? Laten we leven van dagelijkse genade.
Anderzijds staat er ook in vers 33-34: Ook zeide Mozes tot Aäron: Neem een kruik en doe een gomer vol Man daarin; en zet ze voor het aangezicht des HEEREN tot bewaring voor uw geslachten. Gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had, alzo zette ze Aäron voor de getuigenis tot bewaring. In een gouden kruik (dat staat in Hebreeën 9:4Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds.) wordt een gomer manna weggezet. En die wordt later in ark van de Heere bewaard. Als teken, dat we ontvangen zegeningen van de Heere wel mogen bewaren. We mogen de dag der kleine dingen (zegt Zacharia), we mogen het eerste begin van Gods werk in ons leven niet verachten of vergeten. We mogen die dingen wel als kostbare herinneringen bewaren. Maar ervan leven, dat kunnen we niet. We kunnen alleen maar leven van dagelijkse genade, totdat we (vers 35) in het land Kanaän aankomen.
e. Tot slot is er als vijfde en laatste nog een andere ding dat opvalt: dat manna, dat brood uit de hemel bederft op sabbat niet. Het is opnieuw een profetie van de toen nog komende Christus. Die op Goede vrijdag stierf. In gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Fil. 2:8). Op sabbat rustte Hij in het graf. Maar Zijn lichaam heeft daar geen verderving, geen bederf gezien (Hand. 13:37Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.).
Totdat op de vroege zondagmorgen van Pasen, Die in de ogen van heel veel mensen verachte Jezus, door Vader is opgewekt uit de doden. Hij heeft Hem uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is, opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie (ook nu, uw knie) dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong (ook nu, uw tong) zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders. (Fil 2:9-11).
De zaligheid is in geen ander. Want er is, geliefde gemeente, ook onder den hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij (niet alleen kunnen, maar ook) moeten zalig worden (Hand. 4:12En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.)
Die honger heeft kome, en ete van het Brood levens dat uit de hemel nedergedaald is. En die dorst heeft kome, en drinke van het Water des levens om niet.
Amen.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken