13 oktober 2024
Exodus 15:23: Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd deszelfs naam genoemd Mara.
INLEIDING
Na de blijdschap over de doortocht door de Schelfzee ervaart Israël in Exodus 15 al snel de beproeving van dorst en bitter water bij Mara, totdat de HEERE Zich openbaart met de woorden: “Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.” Deze leespreek laat zien hoe de Heere Zijn volk juist door de bitterheid heen leidt tot vertrouwen op Zijn genezende trouw.
EXODUS 15:22-27
22 Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af, en zij trokken uit tot in de woestijn Sur; en zij gingen drie dagen in de woestijn en vonden geen water.
23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd deszelfs naam genoemd Mara.
24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?
25 Hij dan riep tot den HEERE, en de HEERE wees hem een hout; dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve,
26 En zeide: Is het dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden en houdt al Zijn inzettingen, zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.
27 Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 15:23
Wat is er in de afgelopen tijd veel gebeurd. Het volk Israël is door een wonder van de Heere uit Egypte vertrokken. Bewaard, gered, omdat zij veilig waren achter het bloed van het Paaslam, dat vooruit wees naar het bloed van de Heere Jezus Christus. Ze hadden de zuurdesem uit hun huizen weggedaan. Ze hadden hun afgoden opgeruimd. Ze hadden met de zonde gebroken, hoewel er in hun hart nog veel zonde was overgebleven.
Maar wat waren ze blij geweest! De Heere ging voor hen uit in de wolk- en vuurkolom. Hoewel, het liep heel anders dan ze dachten. Hun weg liep vast bij de Rode Zee. Rechts de rotsen, links de zee. En voor hen een lelijk, dreigend afgodsbeeld. En tot hun grote schrik achter hen het zachte, aanzwellende gedreun en de stofwolken van het leger van Farao met zijn 600 wagens.
En toen. Wat deden ze toen? Mopperen. Schreeuwen. Tegen Mozes en dus tegen de Heere. Want, zegt Psalm 106: Ze waren wederspannig aan de zee. Maar de Heere gaf uitkomst. Hij baande een pad dwars door de zee, waar het volk Israël doorheen kon lopen naar de overkant. En waar de Egyptenaren zo in vastliepen, dat ze verdronken in het water.
Wat waren ze blij! Ze hebben blij gezongen met muziekinstrumenten en met reidansen. Want Exodus 14 eindigt met: Israël zag de grote hand die de Heere aan de Egyptenaren bewezen had. En het volk vreesde de Heere. En zij geloofden in de Heere en aan Mozes, Zijn knecht.
Zij geloofden in de Heere. De Hebreeënbrief zegt het later in Hebreeën 11:29Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.: Door het geloof zijn ze door de Rode Zee doorgegaan als door het droge, hetwelk de Egyptenaren ook verzoekende, zijn verdronken.
Dus voor veel Israëlieten is het een zaak geweest van geloof. Hoewel, dat blijkt later uit 1 Korinthe 10, het merendeel van hen dat echte geloof niet kende. En dus (zo is het ook nu vanmorgen, hier in de kerk): Er zijn mensen die weten in hun hart en leven wat het betekent, verlost te zijn uit het Egypte van de zonde. Die mogen geloven dat ze door een wonder van de Heere gerukt zijn uit de macht van de satan.
Terwijl er onder de wolk- en de vuurkolom hierboven ook mensen leven, die wel meelopen met het volk, maar die niet geloven. In hun hart hangen ze nog steeds aan de zonde van Egypte, aan de dingen van dit leven.
En dus, voordat we naar onze tekst gaan de vraag, gemeente, heel persoonlijk: Bij welke van die twee soorten mensen hoort u, hoor jij?
En dan gaat de reis verder. Dan komen ze bij Mara. En daarover gaat de preek van vanmorgen. Met als thema: Door de Heere gebracht bij Mara
We letten samen op drie punten. In de eerste plaats op: Gods weg. In de tweede plaats op: Gods wonder. En als derde op: Gods belofte.
Dus: Door de Heere gebracht bij Mara 1. Gods weg. 2. Gods wonder 3. Gods belofte
En bij die punten gaan we steeds kijken naar twee dingen. Als eerste naar dat wat er gebeurt. En als tweede naar wat dat voor ons voor betekenis heeft. Beginnend dus bij:
1. Gods weg Want, wat gebeurt er? Want ja, tot nu toe ging het zo goed. Maar nu? Kijk eens in vers 22: Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af, en zij trokken uit tot in de woestijn Sur. En ze gingen drie dagen in de woestijn en vonden geen water.
Nog maar nauwelijks is het danklied van Mozes verstomd: U leidt door Uw weldadigheid dit volk dat U verlost hebt. U voert ze zachtjes door Uw sterkte tot de lieflijke woning van Uw heiligheid… Nog maar nauwelijks is dat lied verstomd en de laatste akkoorden van de tamboerijn- muziek van Mirjam zijn nog maar nauwelijks weggestorven aan de oever van de Schelfzee, of Mozes wijst de weg: achter de wolkkolom aan tot in de woestijn Sur.
Droog. Dor. Heet. Snikheet. Even gaat het nog wel, maar niet lang. Het put ze uit. Hun lichaam schreeuwt om water. De kinderen huilen, de ouderen hijgen, want er is geen water. En na drie dagen, dat begrijpt u, zijn ze letterlijk op. Ze zijn wanhopig. Want waar ze ook zoeken (vers 22), ze vonden geen water.
En iedereen weet het. Jong en oud. En iedereen voelt het: Zonder water gaan we het niet redden hier in de woestijn. Dit wordt onze dood.
Totdat, eindelijk! Een oase! Vers 23: Toen kwamen zij te Mara. Doch (wat een desillusie!), zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter. Daarom werd deszelfs naam genoemd Mara.
Eindelijk. Iedereen is blij en opgelucht. Daar, water! Ze rennen erop af. Ze knielen neer en drinken. Maar, bah, dit is vies, dit is smerig water. Dit is gewoon bitter!
De kinderen huilen. Nog steeds geen water. En, jongens en meisjes, wat doen de grote mensen? De Bijbel zegt in vers 24: ze murmureren, ze mopperen tegen Mozes, zeggende (heel boos!): Wat zullen wij drinken? Met andere woorden: Zeg, Mozes, dit was jouw idee, toch? Daarom zijn we toch hier? Het was jouw idee om hier naar toe te gaan. Ga jij het nu maar voor ons oplossen.
Ze mopperen, ze schelden. Ze zijn boos op Mozes, maar vooral op de Heere God. Want, zo zegt de kanttekening bij de Statenvertaling: mopperen is kwalijk, dat is slecht, boos spreken over God. En zo staat het ook in het volgende hoofdstuk, in hoofdstuk 16:7. Dit gemopper, dat is ten diepste allemaal murmureren tegen de Heere!
Boos mopperen. Wie doen dat meestal, jongens en meisjes? Kleine kinderen toch vooral? Ja, vaak wel. Maar grote mensen ook. Ik ook. Kijk maar, dat staat hier in de Bijbel. Ze mopperen. Ze murmureren.
Ze hadden moeten... Wat hadden ze moeten doen? Mopperen? Nee toch? Ze hadden moeten bidden. Heel eenvoudig. Zo eenvoudig als bidden is: ‘Heere, help ons. Dit water van Mara, dat vieze, bittere water kunnen we echt niet drinken.’
Ze hadden moeten bidden. Ze weten toch dat de Heere naar hun gebed zal luisteren? Want dat was kortgeleden in Egypte ook gebeurd. En ze weten dat de Heere hen kan redden. Dat had Hij een paar dagen geleden ook gedaan. En ze weten dat de Heere macht heeft over het water. Zoals ze dat drie dagen geleden zagen bij de Rode Zee. Maar nee, ze bidden niet, ze roepen niet tot de Heere, Ze zijn boos en mopperen heel erg op God en op Mozes.
Zeg, als u zelf knielt bij het bittere water van Gods leiding in uw leven…, wat hoort God dan? Een roep om genade? Of alleen maar hier van binnen, een diep gegrom tegen een (volgens u) onbetrouwbare God?
Wat betekent dit eigenlijk voor ons? Waarom staat dit hier eigenlijk in de Bijbel? Gemeente, om ons te laten zien, dat de weg van de Heere met Zijn kinderen, na hun bekering, na hun verlossing uit Egypte, na de wonderen die ze gezien hebben… Dat die weg van de Heere geen weg is, direct van genade naar glorie.
Maar dat die aanvankelijke triomf meestal gevolgd wordt door verdrukking. Het beloofde land, zo blijkt, kan alleen bereikt worden door de weg van de wildernis. En dat is een moeilijke weg. Niet dat dat, kinderen van God, geliefde medechristenen, nodig is voor ons om iets te presteren, om iets toe te voegen voor onze zaligheid. Maar die weg is wel nodig voor onze heiligmaking.
Want de dingen die wij op die weg moeten leren, die leer je nu eenmaal niet als alles in je leven voor de wind gaat. Als je alleen maar zingend en blij en huppelend verder zou mogen gaan. Dan zou je niet leren om geduldig te zijn. Dan zou je niet leren te vertrouwen. Dan zou je het na verloop van tijd wel best vinden in de woestijn. Fijn toch? Dan zou je niet leren leven door het geloof. Want zingen van de Zaligmaker is één ding, maar leren leven door het geloof is iets anders. En dan zou vooral ook de Heere niet groot gemaakt en verheerlijkt worden in je leven. Als de God die alleen wonderen doet.
En dus zegt de Heere in de Bijbel, moeten we door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk der hemelen. We krijgen onderweg, op die weg naar Kanaän, op de weg naar Immanuëlsland te maken met teleurstellingen, met moeilijkheden, met ontmoediging, met twijfel. Waarom? Om je diep in je hart te confronteren met iets, waarvan je bij jezelf dacht, dat het nu eindelijk wel eens een keer over zou zijn.
Denk maar aan Psalm 106. Psalm 106:7 zegt: Eerder, bij de Rode Zee, waren ze weerspannig, opstandig. Ja, denk je bij jezelf, ja, maar dat was toen. Dat was vroeger. Maar dat zal nu toch wel over zijn? Na al de wonderen die de Heere heeft gedaan? Want, zo zegt Psalm 106:12: Toen geloofden zij aan Zijn woorden en zongen Zijn lof. Doch…, maar…, ze vergaten haast Zijn werken.
Confronterend, nietwaar? Na al die gekregen genade. Vergeetachtig. Ondankbaar. Maar vooral ook zo ongelovig. En, zo blijkt, nog steeds zo weerspannig, opstandig en rebels. Calvijn zegt: De Heere had ook vanaf het begin af aan hun gewoon zoet water te drinken kunnen geven. Maar door dat bittere water heeft hij de bitterheid, die in hun harten verborgen was, aan het licht willen brengen.
Met andere woorden dit is, om zo te zeggen, de weg van Gods ontdekkende genade. Die moeilijke dingen in ons leven, daarmee wil de Heere ons laten zien: wie we van onszelf zijn en wie we ook na gekregen genade blijven.
Niet: vriendelijk, zingend en goed gelovig. Maar, hier bij mij en ongetwijfeld ook daar bij u: mopperend, boos, ondankbaar, ongelovig. Mopperend van binnen op van alles en nog wat. Hardop of zacht. Op grote dingen, op kleine dingen. Van thuis, van school, van uw werk, van de kerk.
Op tijdelijke dingen, op geestelijke dingen. ‘Waarom Heere? Waarom deze ellende? Waarom deze dorst? Waarom doet U dat, o Heere, in mijn leven? Waarom doet U dat?’
Of is het soms toeval dat de Israëlieten bij Mara komen? Is het toeval dat wij op moeilijke wegen komen? Nee, dat is het niet. Het is de Heere Zelf die hen leidt. De leiding van ons leven, zegt de catechismus, ligt in de handen van God de Vader, Die (zoals staat in zondag 9), Die ons met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen wil, en die ook al het kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal toeschikt (hier, alstublieft…) ons ten beste wil keren als een almachtige God en als we getrouw Vader.
Het is de Heere Zelf Die Zijn volk toen en Die Zijn kinderen nu brengt op moeilijke wegen. En de Heere doet dat vaak na eerder ontvangen zegen. Je zou het misschien wel bijna om kunnen draaien. Rijke zegen in het leven met de Heere is vaak een voorbode van bijzondere beproeving daarna. Eerst laat de Heere zien Wie Hij is en Wie Hij voor ons wil zijn. Als Hij een pad baant door de Rode Zee. En dan test, dan toetst, dan beproeft Hij ons geloof. Met als doel dat het goud van Zijn werk in ons leven openbaar zou komen. Dwars door onze zwakheid, door onze zonden en door ons onvermogen heen.
En hoe doet de Heere dat? Door ons te confronteren, eens en opnieuw, met ons opstandige, mopperende en ongelovige hart. Zodat we, zoals zondag 45 van de catechismus zegt: onze nood en de ellendigheid van dit mopperende hart meer dan voorheen zouden zien. En die ziende onszelf voor God zouden verootmoedigen, klein en buigend. Om ons te leren te bidden. Om ons te leren om van nu af aan anders te gaan bidden. Niet vragend om onze wil. Niet vragend om onze zin, zo van: ‘Heere, dit wil ik graag en dat wil ik ook zo graag…’ Maar om ons te leren te bidden zoals onze Meester bad: Vader, U hebt mij op deze weg geleid. U weet zonder twijfel wat het beste is. Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede. . Om Christus’ wil, wil God zulke gebeden altijd verhoren. Door op Zijn manier en op Zijn tijd uitkomst te geven uit de nood. En tegelijkertijd hier van binnen ons hart te genezen van dat eindeloze gemopper en van dat morrende ongeloof.
Gaat je dorst daarvan over? Zijn daarmee alle vragen opgelost? Zijn dan ineens alle problemen voorbij? Stel je eens voor, jongens en meisjes. Je moet het eigenlijk een beetje in gedachten voor ogen zien wat daar gebeurt. Iedereen midden in de woestijn van Mara heeft heel erg dorst. Mensen snakken naar water. Kinderen huilen. Opa's en oma's zijn op. Want het duurt nu al drie dagen dat er geen water is.
Thuis in je tent heb je samen met pappa en mamma gebeden. En papa zei tegen je: ‘Bidden hôr, want de Heere hoort en de Heere verhoort! Denk maar aan de woorden van de latere Psalm 42: Maar de Heere zal uitkomst geven. Hij zal wonderen gaan doen…’
En nu ineens, midden in de woestijn, na drie dagen lijkt het, dat er uitkomst komt. Water! ‘Maar pappa, dit is vies, dit is smerig, dit is bitter water! Pappa, u zei toch dat de Heere wonderen zou doen? Maar waar is de Heere nu? Ziet Hij ons wel? Weet Hij wel dat wij zo erg dorst hebben?’
Wat denk je? Wat gaat je pappa zeggen? Ik hoop dit. Twee dingen. ‘Jongen, meisje, dit is heel naar. We hebben allemaal heel erg dorst. Dit is echt heel verdrietig. En ik zelf zie (misschien heeft pappa wel een traan in zijn ogen), ik zie zelf ook geen heerlijk verfrissend water. En dit smerige water, dat vind ik ook heel erg vies. En dus onze dorst blijft.’ ‘Maar, jongen, meisje, je vroeg zojuist: Waar is de Heere? Ziet Hij ons wel? Kijk eens omhoog. Daar boven Mara... Ook boven Mara staat de wolk- en vuurkolom. Dus jongen, meisje, de Heere is heel dichtbij. Hij is het Zelf Die ons hier brengt. De Heere vergeet ons echt niet. Hij vergeet ons nooit. Kijk maar, stil maar, het komt goed. Want de Heere is erbij…’
En dus, geliefde gemeente, kijk omhoog! In al uw verdriet en zorgen. Wees stil en let op de redding door de Heere. Terugdenkend aan wat Hij eerder zei: Ik zal voor u strijden en u mag stil zijn en op Mij hopen.
We gaan samen met elkaar zingen, van Psalm 73, het 1e vers. Ja waarlijk, God is Isrel goed, Voor hen, die rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, Mijn voeten waren in mijn leed Schier uitgeweken, en mijn treên Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.
Gemeente, we gaan naar ons tweede aandachtspunt:
2. Gods wonder Want wat gebeurt er? Vers 25 zegt: Hij (Mozes) dan riep (in zijn hart heel hard) tot de HEERE, en de HEERE wees hem een hout en dat wierp hij in het water. Toen werd het water zoet. Heel Israël moppert. Iedereen. Maar er is er één, die dat niet doet. En dat komt omdat hij een beeld is van de grote Mozes, de latere Heere Jezus Christus, de Middelaar tussen God en mensen. De Middelaar, de Voorspraak van Zijn Kerk. Kinderen van God in ons midden, jongeren en ouderen, Die ook bidt als wij mopperen. En Die ook voor ons bidt, als wij niet meer kunnen. En zelfs als wij niet meer willen
bidden. Terwijl Zijn Heilige Geest in onze harten bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen.
Alleen Mozes doet wat hij moet doen. En dat, jongens en meisjes, moeten jullie ook doen. Als er moeilijke dingen zijn. Als er verdrietige dingen zijn. En vooral als je last hebt van je zonden, van je zondige hart. Dan moet je doen wat Mozes hier doet: biddend roepen tot de Heere. Op een stille plek, ergens in huis, op je kamer misschien, waar niemand je ziet. Waar je stil je knieën buigt. En stil alles wat in je hart is, tegen de Heere vertelt. En vraagt of Hij je zal helpen, of Hij je zondige hart zal veranderen en je een nieuw hart zal geven.
Door een wonder! Door het wonder van de Heere Jezus, Die naar deze wereld kwam om harten van mensen zoals wij, vol van zonden, vol van slechtheid en vol van bitterheid, levend te maken, te genezen en nieuw te maken. Zo stil bidden op je kamer. Want de Heere ziet het, Hij hoort het en Hij verhoort het. En ook vragen of de Heere je zal helpen in alle andere moeilijke dingen van thuis, van de familie, van vriendjes of vriendinnetjes, of op school.
Mozes roept tot de Heere uit de nood van zijn hart. En dan antwoordt de Heere. Zo is onze Heere. Heere luistert niet naar gemopper en geklaag en geschreeuw. Maar wel naar een roepend gebed uit de nood van je hart. Zo staat in Psalm 65: U hoort het gebed, Heere, tot U zal alle vlees komen.
De Heere hoort ook jouw gebed, ook uw gebed, als je roept tot Hem en blijft roepen. Hoe hoort, of beter gezegd: hoe verhoort de Heere ons gebed? Op de manier zoals Hij dat wil, zoals Hij het goed vindt, zoals Hij het het beste vindt voor u, voor jou en voor mij. Dus niet door ons altijd onze eigen zin te geven. Maar door ons wel echt het allerbeste te geven. Wat ook is tot de heerlijkheid en de glorie van Zijn Naam. Door ons iets te geven wat het bitter van ons leven en het bitter van ons hart toch anders maakt, wat het toch zoet maakt.
Kijk maar naar vers 25: En de HEERE wees Hem een hout, dat wierp Hij in dat water en toen werd dat water zoet. Dus er gebeurt op Gods tijd een wonder. Als Mozes dat stuk hout in het water gooit, dan wordt dat bittere water zoet.
Wat betekent dat eigenlijk voor ons? Wat maakt onze bitterheid zoet? Eerst even goed kijken naar vers 25. Daar staan eigenlijk twee dingen.
a. Het eerste is dat de Heere dat hout aanwijst. Met andere woorden: dat hout, dat lag daar al. Maar Mozes moet er door de Heere op gewezen worden. Dat wil zeggen, ook voor ons geldt: de Heere moet het ons aanwijzen. De Heere moet, zo noemt de Bijbel dat, onze ogen ervoor openen, zodat we het gaan zien. Het middel dat de Heere wil gaan gebruiken om dat wonder te gaan doen.
b. En het tweede wat je dan leest is, dat Mozes dat hout vervolgens midden in dat bittere water van Mara gooit.
Dat hout, geliefde gemeente, kan op verschillende dingen wijzen. a. Het kan in de eerste plaats wijzen op het Woord van de Heere. Hoe donker Gods weg in ons leven ook is, hoe donker het in ons hart in geestelijke zin ook is, als de Heere het licht van Zijn Woord erop laat vallen, dan wordt alles anders. Pijn, verdriet, lijden, eenzaamheid… Het kan misschien wel zo blijven. En ons zondige, mopperende en ongelovige hart is ook niet direct genezen. Want je bent nog steeds niet in Kanaän.
Maar toch verandert er wel iets in ons leven als de Heere persoonlijk tot ons gaat spreken door Zijn Woord. En Zijn licht laat vallen op die moeilijke wegen. En sprekend door dit Woord gaat zeggen: Mijn kind, dit doe ik om je bestwil. Ik ben het, Die je test, Die je toetst, Die je beproeft. Om je dingen te leren, die je anders nooit zou leren. Namelijk dat Ik regeer en niet jij. En dat je je weg in dit leven aan Mij mag overlaten.
Zo leert de Heere ons bidden en roepen. Zo leren we afhankelijkheid, buigen, wachten. Zo leren we sterven aan onszelf en aan onze eigen wil. En leven van genade. Want alles wat je krijgt na al dat gemopper en na al dat ongeloof en vergeten van de wonderen van de Heere, is genade en niets anders. Zo leert de Heere ons heiligmaking. Door de scherpe confrontatie met ons mopperende, God-vergetende hart. Zo leert de Heere ons te wachten. Door die moeilijke wegen van ziekte, van pijn, van verdriet, van schade die andere mensen ons aandoen of aangedaan hebben. Daardoor leren we geduldig wachten op de Heere. Stil zijn. Biddend hopen op God.
En, lieve mensen, dat is zoveel beter dan mopperen en ontevreden zijn. Midden in lijden, hopen op God. Midden in de nacht zingen, terwijl je stil op de Heere wacht. Met hoop, met verwachting en met een stille blijdschap in je hart die de wereld niet kent.
Daaraan denkend zegt de apostel Jakobus: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt, wetende dat de beproeving van uw geloof lijdzaamheid werkt. Het wordt echt anders in ons leven als de Heere licht laat vallen op Zijn Woord.
b. En het wordt als tweede vooral ook anders in ons lijden, als de Heere licht laat vallen op Zijn Christus. Want dit hout dat Mozes in het water werpt, kan ook beeld zijn van het latere kruis van de Heere Jezus Christus. Die veertig dagen lang verzocht werd in de woestijn, maar Die nooit één keer mopperde.
En uiteindelijk werd Hij in de volheid van de tijd geworpen, midden in de bitterheid van het bitterste lijden. Terwijl Hij de toorn van God over de zonde droeg.
Kinderen van God, geliefde medechristenen, jongeren en ouderen, verzacht het ons lijden, verzacht het onze wonden niet, als we zien op de wonden van Christus? Vinden we, als we door Gods genade op Hem mogen zien, midden in al ons verdriet geen vertroosting in Zijn wonden voor onze zonden?
Als we denken aan wat Jesaja schrijft: Door Zijn striemen is ons genezing geworden? Zo wil de Heere ons in Zijn goedheid en wijsheid leren om met lijdzaamheid, met geduld te lopen, de loopbaan die ons voorgesteld is (zo staat in Hebreeën 12:2Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.), ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, die voor de vreugde Hem voorgesteld, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. En is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods. Nog kort ons derde, ons laatste punt.
3. Gods belofte. Want wat gebeurt er verder? En wat kunnen wij daar nog van leren? Ik kijk naar vers 25 en 26. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve, en zeide: Is het dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden en houdt al Zijn inzettingen, zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.
In beproevingen wil de Heere zegen leggen. Deze beproeving bij Mara gebruikt de Heere om Zijn volk meer te leren van Hem, van Wie Hij is en wil zijn voor hen. Ooit in Egypte, hoorden ze van Hem, als van de grote en verheven Ik ben die Ik ben, van de Ik zal zijn die Ik zijn zal. Daarna leerden ze Hem kennen, dwars door moeite en verdriet heen, als de God Die hoort, als de God Die redt. En nu, na al hun gemopper, gaat de Heere (vindt u dat geen wonder), aan die mopperaars Zichzelf onthullen als de God Die heelt: Ik ben de HEERE, Jehova, uw Heelmeester.
Om Christus’ wil, heel Ik u van zonde en schuld, van lijden en verdriet. Om Christus’ wil, Die Ik Zelf, midden in de bitterheid van het water, van de golven, van de stormen van Mijn toorn heb geworpen. En daarom, om Hem, onthul Ik Mij nu, midden tussen als mopperend volk, als: Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.
Met andere woorden. Heb je het gezien wie je bent? Heb je gezien hoe je bent? Zelfs na al die wonderen en na al die gekregen zegeningen? Ik ben het Die u geneest van die innerlijke corruptie van uw hart, van die innerlijke opstandigheid, van die rebellie hier van binnen. Door deze weg. Door deze weg wil Ik u Mijn heiligheid deelachtig maken. Mijn Vaderlijke kastijding doet pijn en dat voelt u. Maar zo wil Ik u oefenen en brengen, zoals de Bijbel dat zegt, tot een vreedzame vrucht van gerechtigheid.
Zo wil Ik u innerlijk helen en genezen. Zo wil Ik u een nieuw hart en een nieuwe geest geven. Zodat u straks gaat zingen: Het was goed, o Heere, voor mij, om verdrukt te zijn geweest.
En zo wil Ik de Heere, u ook brengen op de weg van een nieuwe gehoorzaamheid. Kijk maart naar vers 26. De Heere zegt: Luister met ernst naar mijn stem. Doe wat recht is en luister naar Mijn geboden. Dan zult u ervaren: in het houden daarvan is groot loon, genadeloon! Als u zo in Mijn weg gaat, in de weg van een nieuwe gehoorzaamheid, dan zal Ik met u zijn, op de verdere reis die voor u ligt. Dan zal Mijn oog op u rusten. Dan zal Ik, wat er ook gebeurt, uw Heelmeester zijn. Die u herstelt, Die u heelt, Die u geneest.
Niet alleen wat betreft de zorgen van het dagelijkse leven. Maar zeker ook in geestelijke zin. Als het gaat om de zonde en het ongeloof en de twijfel en het gemopper in uw hart. Kortom, wat betreft uw hele leven zal Ik u herstellen, helen en genezen.
En dan mag u dat ook (want dat is de bijzondere troost in deze toezegging en deze belofte), dan mag u dat ook middenin al uw zorgen (die misschien wel blijven) ook zo voelen en ervaren.
Wie ziet hierin, gemeente, niet ook een profetie van het werk van de Heilige Geest? Van de toen nog komende grote Trooster? Die alles wat de Heere Jezus heeft verdiend, ook nu, toepast door Zijn wonderlijke werk in onze harten, kinderen van God? Die ons leert om de Heere lief te hebben. Die ons leert om de Heere te dienen en te volgen, wat Hij ook doet, en waarheen Hij ons ook leidt. Die ons stil leert zeggen: Vader, wat U doet is goed. Die door Zijn werk in ons hart ons leert stil te zijn, te wachten en te hopen op Zijn onfeilbare Woord. Die ons innerlijk herstelt, geneest en heelt.
Soms nu al, midden in tijdelijk verdriet. Vooral door ons door het Woord te wijzen op de wonden van de Zaligmaker. Waarin, zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, we allerlei vertroosting vinden. Maar vooral door in onze harten boven het verdriet van deze tijd uit te tillen. In de verwachting, kinderen van God, van de toekomende wereld. Om te zeggen met Paulus in 2 Korinthe 4: Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid; dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.
Tot slot, vers 27 Toen kwamen zij te Elim en daar waren twaalf water fonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar aan de wateren.
Dan leidt de Heere, na die moeilijke beproeving, Zijn volk naar een heerlijke oase. Twaalf water fonteinen. Genoeg voor de twaalf stammen van Israël. En zeventig palmbomen, genoeg voor de zeventig oudsten en allen die bij hen horen. Kortom: overvloed. Genade en vrede vermenigvuldigd.
Kinderen van God, geliefde medechristenen, hoe vaak (zeg eens eerlijk voor uzelf), hoe vaak heeft de Heere dat ook in ons leven niet gedaan? Ons na Mara, na bitterheid gebracht in Elim?
En dus luister eens. Dat jonge christenen die pas op de weg zijn, mopperen, ja… Maar, oudere christenen, u die al langer op de weg met de Heere bent..., u (en het zeg ik ook tegen mezelf), u kent de trouw van de Heere toch? Is dat nu geen reden voor mij, mopperaar, en voor u, mopperaars, om nooit meer te mopperen?
Laten we dan Paulus nazeggen, die schrijft in Filippenzen 4: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.
En dus, Filippenzen 2:13Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.: Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken. Want welk lijden ons ook treft in deze tegenwoordige wereld, en wat ons ook ontbreekt, de wolk- en vuurkolom verlaat ons nooit. Die hangt gelukkig zelfs boven Mara. De HEERE, onze Heelmeester.
En dus, en daar sluit ik mee af, is christelijke tevredenheid in lijden een zeldzaam juweel, een kostbaar geschenk van Gods genade.
Amen.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken