14 september 2025
Exodus 19:4: Gijlieden hebt gezien wat Ik den Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
INLEIDING
Bij de berg Sinaï, in de week van voorbereiding op de bediening van het Heilig Avondmaal, ontmoet Israël de HEERE op indrukwekkende wijze: Hij droeg Zijn volk op vleugelen der arenden en bracht het tot Zich (Exodus 19:4), en toonde tegelijk Zijn ontzagwekkende heiligheid door een grens rondom de berg te stellen. Deze leespreek neemt u mee in de verwondering over Gods eenzijdige liefde en verheven heiligheid, als voorbereiding op de nadering tot de Heere aan de Avondmaalstafel.
Een indrukwekkende ontmoeting met God
EXODUS 19:1-15
1 In de derde maand na het uittrekken der kinderen Israëls uit Egypteland, ten zelven dage kwamen zij in de woestijn Sinaï.
2 Want zij togen uit Rafidîm en kwamen in de woestijn Sinaï en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.
3 En Mozes klom op tot God; en de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis Jakobs spreken en den kinderen Israëls verkondigen:
4 Gijlieden hebt gezien wat Ik den Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
5 Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijne.
6 En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die gij tot de kinderen Israëls spreken zult.
7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden die de HEERE hem geboden had.
8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.
9 En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want Mozes had den HEERE de woorden des volks verkondigd.
10 Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,
11 En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen op den berg Sinaï.
12 En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen en zijn einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.
13 Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.
14 Toen ging Mozes van den berg af tot het volk; en hij heiligde het volk, en zij wiesen hun klederen.
15 En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 19:4
THEMA
Een indrukwekkende ontmoeting met God
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, de woestijnreis van het volk Israël is een reis, vol van de machtige daden van de Heere voor Zijn volk. Het is ook een reis die beelden en parallellen in zich heeft, van de reis van Gods volk nu: door de woestijn van dit leven, op weg naar het hemelse Kanaän. Door de machtige hand van de Heere is Israël uit Egypte uitgeleid. Door de Rode Zee geleid tot in de woestijn. Waar ze langzaam getrokken zijn in de richting van de berg Sinaï.
Vijftig dagen na hun vertrek uit Egypte, in de derde maand, komen ze daar aan. Zoals we lezen in vers 1 en 2. Kijkt u maar mee in uw Bijbel, vers 1 en 2: In de derde maand na het uittrekken der kinderen Israëls uit Egypteland, ten zelven dage kwamen zij in de woestijn Sinaï. Want zij togen uit Rafidîm en kwamen in de woestijn Sinaï en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich aldaar tegenover die berg.
En dan, in de verzen die daarop volgen, zien we twee dingen. a. In de eerste plaats dat God nabij is, dat Hij dichtbij is. b. En in de tweede plaats dat God heilig is. Dat zijn zo meteen de twee punten van de preek in deze dienst van voorbereiding op de bediening van het Heilig Avondmaal, zo de Heere het geeft aanstaande zondag.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Een indrukwekkende ontmoeting met God Een indrukwekkende ontmoeting met God, waarvan we hopen en bidden dat we die aanstaande zondag ook zullen hebben.
Twee aandachtspunten: 1. God is nabij (dat zien we in vers 1-6). 2. God is heilig (dat zien we in vers 7-15) Als eerste dus:
Want wat gebeurt er daar bij de berg Sinaï? Wat denk je, jongens en meisjes? Terugdenkend aan de Bijbelverhalen op school, denk je: daar krijgt het volk van Israël zo
meteen van de Heere de wet van de Tien Geboden. Die wij zojuist ook gelezen hebben. Dat klopt helemaal. Maar eerst gebeurt er iets anders.
Kijk maar in vers 3: En Mozes klom op tot God; en de HEERE riep tot hem van de berg, zeggende: Aldus zult u tot het huis Jakobs spreken en de kinderen Israëls verkondigen. Dus wat gebeurt er? Mozes klimt omhoog. Want de Heere is hoog. En de Heere, de grote God van hemel en aarde, komt naar beneden om Mozes te ontmoeten.
De Heere gaat tot Mozes spreken. En Mozes gaat naar de Heere luisteren. En Mozes gaat de woorden van de Heere die hij hoort, doorgeven aan het volk. En het antwoord van het volk gaat Mozes weer teruggeven aan de Heere. Trouwens niet één keer. Als je doorleest in het Oude Testament, in de boeken van Mozes, blijkt dat Mozes tot wel zeven keer naar de Heere toe gaat, om met Hem te spreken. Zoals staat in Deuteronomium 34: van aangezicht tot aangezicht (Deut. 34:10).
Mozes, de grote Mozes van het Oude Testament, staat hier en steeds weer tussen God, de heilige God, en het volk, het zondige volk van Israël. Daartussenin staat Mozes als Middelaar. Als beeld van de grote Middelaar van het Nieuwe Testament, de Heere Jezus Christus. Die zelf als God uit de hemel kwam om verloren zondaars van deze aarde terug te brengen bij God.
Mozes gaat de berg op naar de Heere toe. En de Heere komt naar beneden om met Mozes te spreken. En als je dan goed leest en kijkt naar wat de Heere tegen Mozes zegt, dan gaat het over drie dingen. Dan gaat het over het verleden, over het heden en over de toekomst.
Kijk maar. Eerst zegt de Heere via Mozes tegen Zijn volk iets over hun verleden. En datzelfde zegt de Heere door Zijn Woord ook vanmorgen tegen al Zijn kinderen, hier in de kerk en thuis. Wat staat in vers 4: U hebt gezien wat Ik de Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb. Wat een bijzonder beeld als je dat probeert voor te stellen. ‘Ik’, zegt de Heere, ‘heb u, Mijn kinderen, uit Egypte gehaald. Gedragen als op de vleugels van een machtige arend.’
Een indrukwekkende vogel, die met grote zorg met zijn jongen omgaat. Die ze te eten geeft. Zoals Ik, de Heere, u manna gaf in de woestijn. Die ze met grote moed verdedigt. Zoals Ik u verdedigde tegen de aanvallen van Amalek. Die ze draagt op zijn machtige vleugels, terwijl ze zelf nog niet zo goed kunnen vliegen. ‘Zo’, zegt de Heere, ‘heb Ik u, Mijn volk, gebracht uit Egypte, gedragen op arendsvleugels. En Ik heb u tot Mij gebracht.’
Dat laatste, Ik heb u tot Mij gebracht, dat klinkt als een climax. En dat is het ook. Dit is wat God destijds met Zijn volk Israël deed. En dit is ook wat de Heere nu met al Zijn volk deed en doet.
De scheiding tussen God en ons, kinderen van God, was eindeloos groot. Omdat wij de Heere de rug en de nek hadden toegekeerd. Onze zonden maakten scheiding tussen de Heere en ons. We zaten door eigen schuld vast in de slavendienst van het Egypte van de zonde. Maar God greep in. Hij haalde ons daaruit. En Hij droeg ons als op arendsvleugels en bracht ons tot Hem. De Heere wil eigenlijk zeggen: Zoals een bruidegom zijn bruid tot zich brengt, zo heb Ik u, Mijn volk, uit het diensthuis van Egypte uitgeleid. Om u hier tot Mij te brengen. Om hier bij deze berg Sinaï met u in ondertrouw te gaan.
Want de Heere wil, en dat heeft Hij eerder gezegd, bij de Horeb, bij de Sinaï, met Zijn volk een trouwverbond sluiten. Dus brengt Hij nu Zijn volk hier in de eenzaamheid van de woestijn bij de berg Sinaï.
Mag ik u vragen, geliefde gemeente, kent u iets van wat ik zojuist zei? Van dat: voorheen leefde ik in het Egypte van mijn zonde. Vreemdeling voor God en mijn hart. Ik kende God niet. Ik kende mijn eigen hart niet. Maar de Heere Zelf greep in. Hij bracht me, waar ik van mezelf niet kon en wilde komen. Ik was door eigen schuld verloren. Maar, Gode zij dank, ik ben uit dat Egypte van de zonde vrijgemaakt. En door de Heere Zelf teruggebracht bij Hem. Kent u daarvan iets in uw eigen leven? Van dat wat vers 4 zegt: En Ik heb u tot Mij gebracht.
Waarom deed de Heere dat destijds? En waarom doet Hij dat nog steeds? Dat kwam alleen maar door Gods eenzijdige liefde. Dat kwam alleen maar door de onbegrijpelijke zondaarsliefde van Christus. Dat: Ik bracht u tot Mij. En u werd van Mij. U werd Mijn eigendom.
Zoals de profeet Ezechiël dat later verwoordt in Ezechiël 16, waar de Heere zegt: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE. En (en dan komt het), en u werd Mijne. U werd van Mij, Mijn eigendom.
b. En dan stapt de Heere in vers 5 van het verleden over naar het heden. Lees maar mee in vers 5: Nu dan, indien u naarstig Mijn stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijne.
Hier komt een liefhebbende God naar Zijn volk toe. Tot het volk dat Hij uit enkele liefde tot Zich gebracht heeft, om Zijn verbond met hen te vernieuwen. Het verbond wat Hij eerst onthulde aan Adam. Later ook aan Abraham, Izak en Jakob. En nu onthult de Heere het hier opnieuw: het genadeverbond. Het verbond wat de Heere Zelf gemaakt heeft met Christus, met de Zoon van Zijn liefde. Een verbond vol van onbreekbare liefde voor Zijn volk. Een verbond wat in de Bijbel meestal omschreven wordt als een huwelijk, als een huwelijksverbond.
Dus, wat de Heere hier zegt, is dit: ‘Mijn volk, Ik heb u gedragen op arendsvleugels. Ik heb u bij Mij gebracht. En Ik heb u getrouwd. Ik heb u opgenomen in een verbond, in een geestelijk huwelijk met Mij…’ En jongens en meisjes, wat hoort er bij zo'n relatie, bij zo'n huwelijk? Daar hoort trouw bij, toch? En wel trouw van beide kanten. En dus zegt de Heere in vers 5: ‘Als u ook trouw bent aan Mij, dan zult u Mijn bijzondere eigendom zijn.’ Met andere woorden gezegd: Na zoveel liefde en trouw van Mij tot u, verwacht Ik, Mijn kinderen, ook van u: liefde en trouw. Want Ik ben toch de Heere, Die u uit het diensthuis van Egypte uitgeleid heb? Nu dan, Mijn volk, dan verwacht Ik ook van u, dat u Mijn verbond zult houden. En dat u Mij, de Heere, zult liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf. Dat is Mijn liefde-eis. De liefde-eis van Mijn eenzijdige verbond.
Geliefde gemeente, kinderen van God, wat kwam daar de afgelopen tijd van terecht? Van onze liefde en trouw? Hoe zijn wij in de afgelopen tijd omgegaan met de onbegrijpelijke liefde en trouw van de Heere tegenover ons? Zijn we dicht bij Hem gebleven? Of hebben we, zoals een psalmdichter zegt, de Heere misschien wel vergeten, dagen zonder getal? Waren onze zonden geen ontrouw? Letterlijk: huwelijkse ontrouw tegenover de Heere? De Heere wist het. En Hij weet het. Want Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten.
Maar, denkt u misschien bij uzelf: Waarom vraagt de Heere dit dan toch van Zijn volk? Nu dan, indien u naarstig Mijn stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de hele aarde is van Mij. Waarom vraagt de Heere dit dan toch? Hij weet toch hoe Zijn volk is?
Dit is als eerste bedoeld om ons te brengen tot innerlijke verbazing en verwondering. Want als wij zo ontrouw zijn en blijven, waarom wilde en wil de Heere dan nog steeds met ons van doen hebben? Waarom? Later zegt Mozes het namens de Heere zelf tegen het volk Israël in Deuteronomium 7. De HEERE heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken. Maar omdat de HEERE u liefhad en opdat Hij hield den eed die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte (Deut. 7:7-8). Omdat de Heere, kinderen van God, ons liefhad. Niet om onze intrinsieke waarde of schoonheid, maar uit en om Zichzelf. Liefgehad met een eeuwige, eenzijdige liefde. Omdat Hij ons liefhad, daarom wilde Hij ons tot Zijn eigendom. En dat horen en lezen, wil ons brengen tot innerlijke verwondering.
En die verwondering wordt des te groter als je letterlijk leest wat er staat in vers 5: zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken. Mijn eigendom. Dat woord heeft in het Hebreeuws de klank van: Mijn kostbaarheid, Mijn juweel, Mijn kroonjuweel. Mijn volk, Mijn juweel, Mijn kroonjuweel, voor wie Ik Mijn enig geliefde Zoon heb overgegeven tot
de dood van het kruis. Opdat, zo schrijft de apostel Paulus aan Titus, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken (Tit. 2:14Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.). Deze oproep om naarstig Gods stem te gehoorzamen en Zijn verbond te houden, is (zo zagen we) als eerste bedoeld om ons te brengen tot verwondering en verbazing.
Maar die oproep tot gehoorzaamheid en trouw is in de tweede plaats ook bedoeld om ons te ontdekken. Opdat we ons diep zouden schamen voor God. En opdat we ook in deze week van voorbereiding onze zonden zouden betreuren en bewenen. Onze zonden, waarmee we de Heere ondanks alles wat Hij deed, ook in de afgelopen tijd zoveel pijn en verdriet hebben gedaan. Wat voelbaar is in de klacht van de Heere door de mond van Jeremia. Waarom…, waarom keert dan Mijn volk af met een altoosdurende, met een zich eindeloos repeterende afkering (zie Jer. 8:3En de dood zal voor het leven verkoren worden, bij het ganse overblijfsel der overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen der overgeblevenen, waar Ik hen henengedreven zal hebben, spreekt de HEERE der heirscharen.)?
Deze oproep tot liefde, trouw en gehoorzaamheid is in de derde plaats bedoeld om ons te laten voelen, kinderen van God, dat we genade nodig hebben. Niet één keer, maar blijvend en altijd weer. De genade van de Zaligmaker, van de Heere Jezus Christus. Die dit verbond wél hield. Want Hij was gehoorzaam in alles. En Hij was trouw tot de dood, ja, tot de dood van het kruis toe.
Dus wil dit ons dringen tot de gelovige belijdenis: ‘Heere, dat wat U van ons vraagt, ook na gekregen genade, komt niet en nooit uit onszelf. Zie ons dan toch aan, Heere, in Uw lieve Zoon, de Heere Jezus Christus. Vaak, heel vaak, zijn wij ontrouw geweest. Zijn wij van U afgedwaald, ook in de afgelopen tijd.’
We moeten terugkeren naar de Heere. Maar hoe? Want voelt u ook niet, dat we dat in eigen kracht niet kunnen? Denk eens even met me mee. Kinderen van God, hoe begon het ooit in ons leven? Met God. Die ons uit Egypteland haalde. Die ons droeg op arendsvleugels. En Die ons tot Hem bracht. En dus: zo moet het ook verder. Met God, met Hem alleen. En het kan ook niet anders dan alleen door Gods kracht en door Zijn genade.
Zoals staat in Ezechiël 34:16Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel., waar de Heere zo liefdevol belooft: Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken. Maar, dat is de andere kant, het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal hen weiden met oordeel. Zoals ook Petrus zegt in het Nieuwe Testament in 1 Petrus 3:18Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest;: want Christus heeft ook eens voor de zonde geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Opdat Hij ons tot God zou brengen. Dat is niet ons werk. Dat is Zijn werk.
Christus alleen is onze hoop. In al onze ontrouw, in al ons dwalen. Christus, Die ons leven is. Alleen een biddend en gelovig beroep op de trouw en de gehoorzaamheid van Christus…
Alleen blijvende, diepe afhankelijkheid van Hem… Dat alleen zal ons terugbrengen tot en houden bij Zijn liefdedienst. Waarbij de Heere in vers 5 genadeloon belooft: zo zult u (als u zo leeft: in diepe afhankelijkheid van uw Zaligmaker, kracht puttend uit Hem), zo zult u Mijn eigendom zijn. Mijn geliefde, Mijn gekoesterde kroonjuweel. Gekocht met het bloed van Mijn Zoon en tot Mij gebracht. Voel je de liefde in deze woorden: U bent Mijn eigendom. U bent van Mij. Ik koester u zoals je een juweel koestert. Als een persoonlijke schat aan Mijn hart gedrukt en gedragen.
Kinderen van God, geliefde medechristenen, onbegrijpelijk, nietwaar? Als je deze woorden tot jezelf door laat dringen? Wij zuchten, als het goed is, om onze ontrouw. En wij gaan in stilte gebukt onder de beschuldigingen van ons hart. En wij denken bij onszelf, ongetwijfeld ook in deze week van voorbereiding: zou de Heere me niet zat worden? Zou Hij me niet zat zijn? Maar, de Heere zegt: U bent kostbaar in Mijn ogen. U bent Mijn juweel, Mijn kind. Door de genade van Mijn eeuwige genadeverbond houd Ik meer van u, dan u ooit hebt durven vermoeden en geloven. En dat alles komt uit God, uit God alleen. Het is door Hem, door Hem alleen, om het eeuwige welbehagen. Gemeente, laten we dit in deze week van voorbereiding stil en biddend overdenken.
Deze eenzijdige liefde en trouw van de Heere dringt ons tot verwondering, tot schaamte en tot dagelijks vragen om genade. En (en dan gaat het over de toekomst), die dringt ons ook tot dienst en gehoorzaamheid.
Maar laten we voordat we daarmee verder gaan eerst gaan zingen uit Psalm 89:8 Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven. - - - - -
Gemeente, we hebben het nog steeds over ons eerste punt, namelijk: dat God nabij is. En dat Hij, kinderen van God in het bijzonder, aanstaande zondag ook tot ons komt in de bediening van het Heilig Avondmaal. En dat in eenzijdige liefde voor een ontrouw en dwalend volk. En die eenzijdige liefde en trouw van de Heere, zei ik voor het zingen, die dringt ons tot verwondering, tot schaamte en tot blijvend vragen om genade.
En —maar gaat het niet meer over verleden of heden, maar over de toekomst— die liefde en trouw van de Heere dringen ons ook tot dienst en gehoorzaamheid.
Kijk maar naar vers 6: En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u (zegt de Heere tegen Mozes) tot de kinderen Israëls spreken zult. Dus nog even goed opletten. Wat gebeurt hier bij de berg Sinaï? Hier komt de Heere niet naar Zijn volk toe met tien harde woorden. Niet met een nieuw wetboek van strafrecht, zo van: Dit moet u doen en dan is het goed. Maar als u dat niet doet, dan zal Ik u straffen. Nee, hier komt de Heere naar Zijn volk toe met een liefdebevel.
Het begon met genade. Ik heb u uit Egypte gebracht. Ik heb u gedragen als op arendsvleugels. Ik heb u tot Mij gebracht. En nu, hier bij de Sinaï, komt de Heere (juist vanwege zoveel eenzijdige liefde van Hem), aan Zijn volk vragen om trouw aan Hem, om terugliefde, om wederliefde tot Hem. Als Hij zegt, letterlijk: u zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.
Voor Mij. Geroepen dus om de Heere te dienen en lief te hebben. Waar dan ook, overal en in alles gericht op de eer van de Heere. Want, zo zegt de Heere in vers 5: de hele aarde is van Mij. En dus bent u geroepen, zo zegt Petrus later (terwijl hij hiernaar terugwijst) om te verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2:9Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;). Dus getrokken uit de duisternis. Om als een licht te schijnen in die duisternis. Gekozen uit de wereld, maar ook voor de wereld.
Hoe is dat in de afgelopen tijd bij ons geweest, geliefde medechristenen, kinderen van God? Werd ons leven, hoe dan ook, gekenmerkt door liefde tot God en tot onze naaste? Door trouw aan de Heere en Zijn verbond? Door gerichtheid op de deugden, op de volmaaktheden van Degene, Die ons uit de duisternis geroepen heeft? En gebracht heeft tot Zijn wonderlijke licht? Dat was wel wat de Heere van mij en van u vroeg…
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt. Ook met het oog op de bediening van het Heilig Avondmaal.
Want het volk beantwoordde de liefde-eis van de Heere, dat staat in vers 7 en 8, met beloften van trouw en gehoorzaamheid. Lees maar mee in vers 7 en 8: En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had. Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden des volks weder tot de HEERE.
Dus wat is het antwoord van het volk? ‘Alles wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen.’ Een stellige belofte, die vooral getuigt van heel veel geestelijke blindheid.
Ze ménen wel wat ze zeggen. Het is niet een soort van bedrog. Maar ze kennen —dat is eerder gebleken, en blijkt straks weer opnieuw— vooral hun eigen hart niet. Ze weten niet wie ze zelf zijn. Dat ze altijd weer geneigd zijn tot ontrouw, tot ongehoorzaamheid, tot gemopper en tot opstand tegen God. Ze kennen zichzelf niet. En ze kennen ook de Heere niet in Zijn vlekkeloze heiligheid.
En misschien is dat wel de reden, wie zal het zeggen, dat het beeld nu langzamerhand gaat kantelen. De Heere kwam tot Zijn volk, uiting gevend aan Zijn nabijheid en eenzijdige liefde. Maar nu Hij komt en zij stellig beloven, dat ze Hem zullen liefhebben in alles… Nu laat de Heere ineens ook iets zien van Zijn hoogheid, van Zijn majesteit en van Zijn verhevenheid.
Twee kanten van het Goddelijke wezen: Hij komt dichtbij en… Hij is vlekkeloos heilig. Twee kanten die geen tegenstelling zijn. Maar die ons wel willen leren wie en hoe God in werkelijkheid is. En wie Hij (ook nu) wil zijn voor Zijn volk.
Zoals Jesaja later schrijft in Jesaja 57, waar je al lezend ook die twee kanten ziet, zonder dat ze een tegenstelling zijn. Jesaja schrijft: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jes. 57:15). Ik ben hoogverheven en heilig. En tegelijkertijd dichtbij en Mij ontfermend over de gebrokenen van hart.
En dus zegt de Heere tegen Mozes in vers 9: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven. Want Mozes had de HEERE de woorden des volks verkondigd. God komt tot Zijn volk (zoals vaker in het Oude Testament en zoals ook volgende week zondag hier bij de bediening van het Heilig Avondmaal): gehuld, verhuld, verborgen in een dikke wolk. In een wolk die Gods glorie, majesteit en heerlijkheid verbergt voor ons, kleine, nietige mensjes.
Wat ons, geliefde gemeente, leert dat hoe dichterbij de Heere komt, zoals ook komende zondag bij het Heilig Avondmaal, hoe meer we zullen zien van Zijn grootheid. En ook van de blijvende afstand die er is tussen Hem en ons. Vanwege Zijn heerlijkheid, majesteit en glorie.
Hoe dichterbij, hoe meer onthuld in liefde en genade. En tegelijkertijd: hoe dichterbij, hoe meer verhuld, verborgen en onzichtbaar in heiligheid en glorie.
Waarom deed de Heere dat laatste? En waarom doet de Heere dat ook in deze tijd? Zich verhullen, Zich verbergen in heiligheid, in grootheid en in majesteit? Daar zijn tenminste twee redenen voor.
a. In de eerste plaats om Zijn hoogheid, Zijn glorie, Zijn anders-zijn dan ons mensen, om Zijn eeuwige mysterie te bewaren. Als, zo staat in 1 Timotheüs 6: De zalige alleen machtige Heere, Koning der koningen en Heere der heren, tot wie wij als kleine mensjes ten diepste niet kunnen naderen (1 Tim. 6:15).
b. En het is in de tweede plaats ook voor onze eigen bescherming. Want onze grote God is zo groot en heilig, dat het niet veilig voor ons is, om dicht in Zijn aanwezigheid te zijn.
Hoe hebben sommige mensen zich daar in het verleden in vergist! U kent de voorbeelden wel, uit het Oude Testament. Nadab en Abihu, die vreemd vuur op Gods altaar brachten. En Uza, die met zijn onheilige handen greep naar de heilige ark. En hoe vergissen sommige mensen zich daar nog steeds in!
We kunnen, lieve mensen, niet zomaar tot God naderen. We kunnen niet zomaar naderen tot de aanwezigheid van de heiligheid des Heeren. Hier in de kerk op zondag niet, en in het bijzonder aan de Avondmaalstafel niet. We kunnen daar niet zomaar gaan zitten. Want onze grote God is driemaal heilig. De Koning der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleenwijze God, Die eer en heerlijkheid ontvangt tot in alle eeuwigheid.
Onze heilige God is, en nu zeg ik het maar gewoon even met mijn eigen woorden: onze heilige God is gevaarlijk voor ons onheilige mensen.
a. En dus paste het hun destijds, en past het ons nu in deze tijd, als eerste om eerbiedige afstand van Hem te houden. Leest u maar mee in vers 12 en 13. En bepaal (dat wil zeggen: begrens) het volk rondom, zeggende: Wacht u op de berg te klimmen en zijn einde aan te roeren; al wie de berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden. Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de berg klimmen.
Dus er wordt een grens bepaald. Hoe het ook geweest is, met een touw, met een lint of met een hek. Maar de betekenis is helder: tot hier en niet verder. Want onze God, daar boven op de berg, is driemaal heilig. En daarom past het ook ons om eerbiedige afstand te houden.
b. En dus paste het hun, en past het ons (als tweede) om alleen dicht bij God te komen na een periode van voorbereiding. Zij doen dat op twee manieren. Als eerste moeten ze hun kleren wassen. Kijk maar naar vers 10 en 11: Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen. En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen op de berg Sinaï. Alles wat vies, alles wat vuil is, moet weg. Als teken van innerlijke heiliging. Het staat symbool voor: ‘Mensen, breek met de zonde.’ Laten zo ook wij, geliefde gemeente, in de komende week breken met onze zonden.
En het tweede wat Mozes zegt, is (dat staat in vers 15) dat man en vrouw die getrouwd zijn, in deze dagen van voorbereiding, geen huwelijkse gemeenschap met elkaar mogen hebben. Vers vijftien: En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw. Calvijn zegt daarbij: hoewel die gemeenschap de echtgenoten niet bezoedelt of besmeurt, dus niet vies of onrein maakt, moesten de Israëlieten toch vermaand worden daarvan af te zien en alle vleselijke (alle lichamelijke) begeerten af te leggen, opdat zij volledige aandacht zouden hebben voor het horen van de woorden van de Heere. Met andere woorden, ook in de komende week van voorbereiding: ‘Mensen, aandacht weg van alles van dit leven wat uw aandacht opeist en opslokt!’ Richt u, geliefde gemeente, in deze week van voorbereiding op: dat de Heere komt. Bereid u voor op de komst van de grote, heilige, genadige en barmhartige God.
Alles wat hier staat, doet denken aan wat Paulus zegt later in 2 Korinthe 7: Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods (2 Kor. 7:1).
Hoe moet dat? Hoe moet dat in deze week? En hoe moet dat komende zondag? Als je dit leest en verplaatst naar deze tijd? Een grens, een onzichtbaar lint belemmert de werkelijke toegang tot de heilige God. Want God is heilig. En wij zijn, ook na gekregen genade, onheilig. En dus, dit voelt —u weet wel hoe dat eruitziet— als zo'n rood-wit politielint: Niet betreden. Verboden toegang. Want deze grond is heilig. En u bent onheilig. Hoe moet dat komende week? Hoe moet dat komende zondag?
De enige oplossing staat in vers 14. Kijk maar. Je zou er zo overheen lezen. Het zijn maar een paar woorden. Vers 14: Toen ging Mozes van de berg af tot het volk; en hij heiligde het volk, en zij wiesen hun klederen. Zoals de Heere trouwens ook daarvoor al zei in vers tien: 'Mozes, heilig hen, en dat zij hun kleren wassen.’
Twee verschillende dingen zijn er dus. Mozes, de Middelaar tussen de heilige God en het zondige volk… Mozes, die God kent, van aangezicht tot aangezicht… Hij, staat er, hij heiligde het volk. Dus het volk wordt geroepen om zichzelf te heiligen. En dat is ook nu, gemeente, onze opdracht. Maar gelukkig is dat niet het enige. Gelukkig staat er meer. Want alleen met al dat heiligen van onszelf kunnen we nooit voor God verschijnen. Omdat onze zonden en onze blijvende ontrouw scheiding blijven maken tussen de heilige God en ons onheilige hart en leven.
Maar, Gode zij dank, de Middelaar Mozes zelf heiligt als eerste het volk. Hoe? Dat staat er niet, maar ongetwijfeld door een offer. Want Gods heiligheid vroeg en vraagt altijd om een offer. En zo, gemeente, en zo alleen, kan God volgende week zondag tot ons komen.
En zo, en zo alleen mogen wij, kinderen van God, aanstaande zondag tot Hem naderen. Door de meerdere Mozes, Jezus Christus. Die Zelf een weg heeft gebaand, daar waar door ons geen weg meer was. Hij, Jezus Christus, de Gekruisigde en de Opgestane, de eeuwig Levende, heeft de grote afstand overbrugd, die er was tussen de heilige God en ons verloren leven. Hij heeft het voorhangsel gescheurd en de muur die scheiding maakte afgebroken. Door Zichzelf te offeren aan het kruis. Waar Hij Zichzelf als de Middelaar voor God heeft opgeofferd, Gode tot een welriekende reuk.
En alleen daarom, alleen door Hem, alleen door de gekruisigde en opgestane Christus, kan en wil de grote heilige God, ook aanstaande zondag, dwars door al onze onmogelijkheid doen wat er staat in vers 3: ons tot Hem brengen. Door Immanuël, de hoge en verheven God, met ons, gebrokenen van hart. Hij, Christus, heiligt Zijn volk. En zegt tot hen en tot ons: ‘Heilig u.’
Amen.
Psalm 97:1De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.,7
God heerst als Opperheer; Dat elk Hem juichend eer'; Gij, aarde, zee en eiland, Verheugt u in uw Heiland. Hem dekt met majesteit Der wolken donkerheid; Hij vestigt Zijnen troon Op heil'ge rijksgeboôn, Vol recht en wijs beleid.
Gods vriend'lijk aangezicht, Heeft vrolijkheid en licht Voor all' oprechte harten, Ten troost verspreid in smarten. Juicht, vromen, om uw lot; Verblijdt u steeds in God; Roemt, roemt Zijn heiligheid; Zo word' Zijn lof verbreid Voor al dit heilgenot.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken