3 november 2024
Exodus 17:1: Daarna toog de ganse vergadering der kinderen Israëls naar hun dagreizen uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidîm; daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
INLEIDING
Bij Rafidim, waar het volk van dorst verzwakt en tegen de Heere murmureert en Hem beschuldigt, belooft God in Exodus 17 niet in gramschap uit te varen, maar water uit de steenrots. Midden in opstand openbaart zich Gods onveranderlijke trouw: die geslagen Rots is Christus, waaruit bruisend water voor alle verzwakten en dorsten vloeit tot eeuwig behoud.
Het drama van Rafidim
EXODUS 17:1-6
1 Daarna toog de ganse vergadering der kinderen Israëls naar hun dagreizen uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidîm; daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
2 Toen twistte het volk met Mozes, en zij zeiden: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken. Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij en mijn kinderen en mijn vee van dorst deedt sterven?
4 Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
5 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.
6 Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 17:1
THEMA
Het drama van Rafidim
AANDACHTSPUNTEN
Het volk Israël is op reis naar Kanaän. De Bijbel beschrijft minutieus de route die ze volgen. Van Mara (waar de Heere bitter water zoet gemaakt had), naar (zo staat in Numeri 33) Dofka, van Dofka naar Aluz, en van Aluz naar Rafidim. En ondertussen regent het dagelijks manna uit de hemel. De wolk- en vuurkolom gaat voor hen uit. Totdat ze aankomen dus bij Rafidim. Wat zoveel betekent als rustplaats. Maar de teleurstelling, de desillusie is groot…
Hoewel, ze hadden ondertussen kunnen weten (u ook toch?), hoe ze daarmee om zouden moeten gaan. Bidden, roepen, vragen… Vertrouwen, hopen, wachten… Calvijn zegt: Als er maar één druppel geloof in hen was geweest, dan hadden ze dat gedaan. Maar niet. Voor de vierde keer murmureren ze, ontevreden op en opstandig tegen God.
We overdenken vanmorgen samen, met Gods hulp, Exodus 17:1-7Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israëls, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE? Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven? Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen. Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël. En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om den twist der kinderen Israëls, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?. Met als thema: Het drama van Rafidim
Het drama van Rafidim. We gaan samen letten op de volgende vier aandachtspunten: 1. De Heere brengt hen daar (vers 1) 2. Zij verzoeken de Heere (vers 2-4) 3. De Heere blijft (ondanks dat) bij hen (vers 5-6) 4. Zij mogen dit nooit vergeten (vers 7) Als eerste dus:
Kijk maar vers 1: Daarna toog de ganse vergadering der kinderen Israëls naar hun dagreizen uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim; daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Het is de HEERE Zelf, Die hen na hun dagelijkse verder reizen (naar hun dagreizen), uit de woestijn Sin brengt in Rafidim. Het is, staat er, op het bevel des HEEREN.
Op het bevel van de trouwe God van het verbond met Abraham, Izak en Jakob. Die nooit loslaat het werk van Zijn handen. Die altijd Zijn Woord houdt. Op het bevel van Hem, Die in de hemel woont en Die doet al wat Hem behaagt.
Op het bevel des HEEREN legeren zij zich, slaan ze hun tenten op, te Rafidim. Met andere woorden, dit is geen toeval, dit is geen vergissing, dit is geen ongeluk. Dit is de weg van het alwijze Godsbestuur. Deze weg nodigt hen uit (zoals al Gods wegen tot nu toe hen uitgenodigd hebben) om te zingen: Heilig zijn, o God, Uw wegen. Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen.
Op het bevel des HEEREN legeren zij zich te Rafidim. In de hoop dat ze ook nu, voor het eerst of opnieuw op God zullen hopen. En op Hem zullen vertrouwen. Ook al is er… geen water.
Alweer geen water. Alweer ziek. Alweer zorgen. Alweer verdriet… Alweer ontslagen. Alweer gezakt… Alweer geen werk… Alweer gewantrouwd, tegengewerkt, lastiggevallen… Op het bevel des HEEREN… legeren zij zich te Rafidim. Wie u daar brengt? God! Die alles doet naar de raad van Zijn wil. Opdat? Doel? Opdat u, kijkend naar de wolk- en vuurkolom, in al die omstandigheden op Hem zou vertrouwen. In stil vertrouwen dat, hoe het ook gaat, en waar de Heere u ook brengt, het Hem nooit uit de hand loopt. Maar dat (dat vertrouwen op de Heere), dat doet Israël niet… Ons tweede aandachtspunt:
Kijk maar naar vers 2-3: Toen twistte het volk met Mozes, en zij zeiden: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken. Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij de HEERE? Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij en mijn kinderen en mijn vee van dorst deed sterven?
In plaats van de Heere te vertrouwen, dat Hij ook nu uitkomst geven zal, gaan ze de Heere beschuldigen. Ze twisten met Mozes, de hun door God gegeven leider. En zeggen: ‘Mozes, geef jij ons water!’ Maar Mozes corrigeert ze en zegt: ‘Dit is niet terecht, wat u nu tegen mij zegt. Dit zegt u tegen God. Want, we zijn hier omdat God ons deze plaats gewezen heeft.’
a. Geef ons water! Dat hun eerste zonde. Niet nederig vragen, maar mopperend en scheldend eisen.
b. En dan hun vraag, hun tweede zonde. En daar moeten we even over nadenken… Over die vraag: Waartoe hebt u ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat u mij en mijn kinderen en mijn vee van dorst deed sterven? De vraag is niet: Waarom hebt u, waarom heeft de Heere ons uit Egypte geleid? Nee, het is een vraag met een onderliggende toon van zware beschuldiging: ‘Deed u, Mozes, deed de Heere dat misschien om ons te doden?’
Ze weten wel dat God wonderen kan doen! Die heeft Hij tot nu toe zo vaak gedaan. Zoals u dat ook weet. Dat de Heere hier wonderen (van genade) kan doen.
Maar ze beschuldigen Mozes, en ze beschuldigen de Heere ervan dat Hij dat niet wil! Zoals u misschien nu ook wel denkt: De Heere kan het wel, maar Hij wil mij vast niet helpen. Hij wil mij vast niet redden Maar doden...
c. En alsof dat nog niet genoeg is, zeggen ze (en dat is hun derde zonde) ook nog in vers 7 (wat u misschien ook wel denkt): Is de HEERE in het midden van ons of niet? Die wolkkolom, die vuurkolom? Ja, dat zal wel, maar: ‘Is de HEERE in het midden van ons of niet?’
Na al de wonderen die de Heere gedaan heeft (ook in uw leven)… Vanmorgen hebben ze nog manna geraapt buiten het leger… Vandaag hebben ze nog gegeten van die heerlijke honingkoeken… En nu? ‘Is God hier echt?’
En dus gaan ze brutale vragen stellen. Niet alleen aan Mozes, maar ook aan de Heere. ’t Voelt als een soort van proces, waarbij zij God tot verantwoording gaan roepen. Kijk maar in vers 2: Ze verzoeken de HEERE. En in vers 7: Ze hebben de HEERE verzocht. En later in Deuteronomium 33:8En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met welken Gij getwist hebt aan de wateren van Meriba. zegt Mozes: U hebt God verzocht in Massa, U hebt met Hem getwist aan de wateren van Meriba. U hebt Hem ter verantwoording geroepen en Hem beschuldigd.
Van? Kijk maar in vers 3b: U hebt ons hier gebracht opdat u mij en mijn kinderen en mijn vee van dorst deed sterven? U zoekt ons léven niet (ja, dat zegt U wel), maar U zoekt onze dood.
En dus…, en dus willen ze het vonnis zelf wel uitvoeren. Als wij hier dan toch allemaal gaan sterven, dan hij, Mozes, als eerste. En dus roept Mozes (in vers 4) met voelbare angst (en ook met voelbare onvrede in zijn hart) tot God: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen!
Gemeente, kijk eens even naar binnen. Mensen, die oordelen over God… Die menen recht te hebben, om zich uit te spreken over wat God doet… Herkent u dat? ‘Waarom, Heere, doet U dit? Ziek. Geen geluk. Geen geld. Geen water… ‘Waarom doet U dit? U zegt dat U wat anders wilt, maar wilt U me soms doden?’ ‘En…, bent U (vers 7) eigenlijk wel bij ons?’
Wat zal ik daarop zeggen? Op al zulke vragen, die in uw hart leven? Dit, wat staat in vers 2: Waarom verzoekt u de HEERE? Waarom probeert u Hem te testen? Wilt u Hem uitproberen? Wilt u Hem uit Zijn tent lokken? Test, tart het geduld van de Heere niet. Want tot nu toe is de toorn van de Heere nog niet ontvlamd. Maar wat, als dat nu vanmorgen wel zou gebeuren? Doe het niet, mensen. Speel in je gedachten niet met het vuur van Gods wraak. Want Zijn geduld is niet eindeloos…
Later in Numeri 14:22-23Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! kijkt de Heere terug, ook naar deze tijd, en zegt: Zo is dit uiteindelijk afgelopen. Want al de mannen die gezien hebben Mijn heerlijkheid en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben en Mijn stem niet zijn gehoorzaam geweest; Zo zij het land hetwelk Ik hun vaderen gezworen heb, zien zullen! Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien. Zij zullen, zoals Psalm 95 zegt, zij zullen in Mijn rust niet ingaan.
Geliefde gemeente, die heerlijkheid, die tekenen van de Allerhoogste hebt u ook gezien… U hebt gegeten van het manna, dat uit de hemel regende. U hebt gedronken van het water dat zo meteen uit de steenrots stroomt. En die steenrots was, zegt Paulus, Christus! U zag de zondaarsliefde in Zijn ogen. U hebt woorden van genade uit Zijn mond geproefd. U hebt iets gesmaakt van de krachten van de toekomende eeuw. Ooit zong u misschien wel Zijn lof…
Verhard u niet. Stop met dat stille beschuldigen van God. Buig. Erken dat de Heere God is, en niet u of jij. Anders ga ook jij nooit aankomen in het beloofde land. Want God laat niet met Zich spotten. Hij zal niet tot in eeuwigheid twisten met de mens. Hoewel Zijn geduld schier eindeloos lijkt, met mensen zoals wij: die Hem afwijzen, die Hem lasteren, die Hem beschuldigen.
Gelukkig is Zijn geduld nog niet op. Anders zat u hier niet meer, onbekeerde vrienden… En dus luister zingend naar Gods waarschuwende woorden vanuit de psalm die we samen gaan zingen. Psalm 95:5,7: Verhardt u niet; neemt Zijn genâ Ootmoedig aan". "Laat Meriba, Laat Massa u ten afschrik wezen, Waar 'k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat Mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.
Dies heb Ik, door hun tergend kwaad Op 't hoogst vergramd, dit volk versmaad, En met een duren eed gezworen, Dat, wegens zijn geschonden trouw, Het nooit Mijn rust genieten zou, Die voor Mijn volk nog blijft beschoren.
Gemeente, het gaat vanmorgen in de preek over het drama van Rafidim. De Heere brengt ze daar. Dat was ons eerste punt. Zij verzoeken de Heere. Dat was ons tweede punt. Maar: De Heere blijft (ondanks alles) bij hen. Dat is ons derde aandachtspunt:
We lezen in vers 5-6: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloeg, en ga heen. Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en gij zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël.
Mozes roept in paniek: ‘Ze gaan me stenigen!’ Gods antwoord? Vuur? Toorn? Bliksem? Nee! ‘Zie! Ik zal ze water geven.’
Toen zeide de HEERE tot Mozes (vers 5a): Ga heen voor het aangezicht des volks. Zij hebben Mij publiek beschuldigd? Dan zal Ik ze publiek, in het openbaar gaan antwoorden. En neem met u (vers 5b) uit de oudsten van Israël. Voelt dit niet als een openbaar rechtsgeding? En neem uw staf in uw hand, waarmede u de rivier sloeg. De rivier de Nijl in Egypte, die in bloed veranderd werd. Zoals Psalm 105:29Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen. zegt: Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen. Neem die staf en, ga heen. Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan. In Horeb. Waar Ik, de HEERE, u ooit eerder verscheen in het brandende braambos. Daar zal Ik opnieuw voor u staan op de rotssteen.
Israël heeft uitdagend geroepen in vers 7: Is de HEERE in het midden van ons, of niet? En in plaats van dat de heilige God van Israël in toorn ontbrandt over zoveel minachting en ongeloof, zegt de Heere (let op, ook nu!): Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan. Als de heerlijkheid des HEEREN verschijnend, oplichtend in de vuurkolom? Of, in het geheel onzichtbaar, als de onzichtbare God? Maar hoe dan ook: aanwezig. Want Ik zal in Mijn gunst en genade dit volk niet verlaten.
Zie, Ik (de heilige God van Israël) zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u (Mozes) zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke Dus, twee dingen. a. Mozes, Ik zal daar staan. Want meer dan dat ze water nodig hebben, hebben ze Mij nodig. Want (Psalm 63): Beter dan dit tijdelijk leven, is Mijn goedertierenheid. b. En, dat is het tweede: Slaat u op de rotssteen. Als een zichtbaar Evangelie. Als een zichtbaar teken van een bereidwillige God, Die ook uw God wil zijn.
En als een zichtbaar, profetisch teken van de geslagen Steenrots, van Wie Paulus zegt in 1 Korinthe 10:4En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.: Zij dronken daaruit, uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus.
En dus, geliefde gemeente, schittert hier genade, midden in de woestijn. Bij een volk dat God getart en uitgedaagd heeft. Hier geen Zichzelf terugtrekkende God. Hier geen toorn en bliksem. Maar alleen Israëls trouwe God, Die laat zien en horen: Ik ben in uw midden. Alleen een staf die slaat, op de rots. Vooruitwijzend naar Christus.
‘Mozes, man van Gods heilige wet, sla die steenrots!’ Zoals in de volheid van de tijd al de slagen van Gods geschonden heilige Wet en van de hele toorn van God daarover, neergekomen zijn op Christus. Op de Steenrots.
’t Is hier nog enigszins verhuld opgeschreven. Want opvallend genoeg schrijft Mozes hier nog niet, dat er daadwerkelijk water uit rots kwam. Hij blijft hier in Exodus 17 bij een belofte: U, Mozes, zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Maar uit andere Bijbelgedeelten weten we, dat die belofte wel vervuld is. Psalm 78 zingt ervan: Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren (Psalm 78:15-16). Er stroomt een levende rivier van water door de woestijn, die hen zo meteen volgt op hun weg naar het beloofde land.
Nu is er niet alleen dagelijks manna, engelenbrood, maar ook een dagelijkse stroom van water uit de steenrots, die hen zal volgen op hun verdere weg. Zoals dichter zingt in Psalm 105: Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit; die gingen door de dorre plaatsen als een rivier (Ps. 105:41). Midden in het drama van Rafidim stroomt, gedreven door Gods barmhartigheid, een stroom van levend water door de woestijn. Zoals eeuwen later op Golgotha bloed en water zou stromen uit de geslagen Zaligmaker, uit de doorstoken zijde van de Middelaar.
Daar op Golgotha onthulde God Zijn goede bedoelingen, het eeuwige plan van Zijn welbehagen. Hij had niet het voornemen om de mens te doden. Maar het zwaard van Zijn toorn en de staf van Zijn heilige wet, liet Hij neerkomen op Zijn Eigen lieve Zoon. Die Hij overgaf tot in de dood van het kruis. Om vijanden en opstandelingen terug te brengen tot Hem.
Dat is wat twee hoofdstukken hierna ook wordt geprofeteerd. In Exodus 19:4Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebracht heb.: U hebt gezien wat Ik de Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u (in de woestijn) op vleugelen der arenden gedragen en… u tot Mij(!) gebracht heb. Wat hier in Rafidim gebeurt, Israël, is om u tot Mij te brengen. Wat eeuwen later op Golgotha gebeurde dat was, geliefde gemeente, om mensen door de genade van de Heilige Geest tot Christus te brengen. En door Hem tot God.
Laten we, gemeente, hier een paar lessen uit trekken. a. Laten we (als eerste) de Heere bidden en vragen om nooit meer te mopperen, om nooit meer ontevreden te zijn, om nooit meer de Heere te beschuldigen. Als de Heere u brengt op moeilijke wegen van ziekte, ongeneeslijke ziekte, arbeids- ongeschiktheid of zoveel ander leed..., denk dan niet dat de Heere u kwijt wil. De Heere doet het echt om u tot Hem te brengen. Verhard u dan niet, maar laat u leiden.
b. En vergeet ook niet (als tweede), dat de Heere juist door zulke wegen uw oog wil richten op Zijn genade. Om u te brengen tot de geestelijke Steenrots Christus. Die een overvloeiende bron van genade en vergeving is, beschikbaar voor mensen zoals u en ik. En dus: Keer weder, afkerige kinderen. Ik, zegt de Heere, zal Uw afkeringen genezen.
En dus, als u zich herkent als soortgenoot van deze mensen: uitdagend, God tartend, opstandig, hardleers (ook na gekregen genade) … Laat u dan toch voor het eerst of opnieuw vanuit dit drama bij Rafidim heenwijzen. Laat u dan vanuit uw drama heenwijzen naar Gods grote daden. Op Golgotha.
Want, wilt u weten Wie God is? Wilt u weten, wat God wil? Wilt u weten Wie Christus is? En wat Hij wil? Kijk dan naar de geslagen Steenrots. Kijk dan naar het kruis. Daar onthult God Zich in Zijn volkomen rechtvaardigheid. De zonde kan niet ongestraft blijven. Geen enkele zonde. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedde.
Op Golgotha onthult God Zijn volkomen rechtvaardigheid. En tegelijkertijd Zijn weergaloze liefde tot Zijn vijanden. Daar wordt werkelijkheid, daar wordt zichtbaar wat Hosea ooit profeteerde: Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren. Ik zal die niet uitvoeren op u. Maar Ik zal de Steenrots, Ik zal Christus slaan.
En daarom is er overvloedige genade, stromend uit die geslagen Steenrots. Een bruisende Godsrivier. Water op de dorstige, stromen op het droge. Wateren in de woestijn en beken in de wildernis. Een stroom van bloed en water uit de zijde van Christus, die spatte op deze vervloekte wereld.
En daarom, geliefde gemeente, kunt u allemaal zalig worden. Ondanks dat wij allemaal de dood verdiend hebben. Ondanks dat wij allemaal uit onszelf nooit naar God gevraagd hebben, nooit naar Hem gezocht hebben. Midden in het drama van uw leven, waarin u (wees maar eerlijk) linksom of rechtsom God de schuld geeft van alles. Midden in dat leven, treedt God naar voren. Hij staat voor u. Om u dorst te geven naar levend water. En om u levend water te geven, om die dorst te stillen. O, kom dan, en drink dan van het Water des levens om niet.
Veracht Christus, de geslagen Steenrots, de gekomen Zaligmaker vanmorgen niet opnieuw. Maar wend u naar God toe en word behouden. Heden, zo u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, gelijk te Meríba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn.
En vind in Hem, al Gods kinderen, opnieuw levend water voor uw blijvend murmurerende, God vergetende, God beschuldigende hart. Laten we door Gods genade dagelijks manna oprapen, eten van het Brood dat uit de hemel is neergedaald. En dat is Christus. En laten we door Gods genade dagelijks drinken van het water uit de geslagen Steenrots. En de Steenrots is Christus.
Alles schittert in Rafidim van onverdiende genade. Zoals eeuwen later alles op Golgotha nog veel meer schitterde van genade. Toen God Christus (zoals Paulus schrijft in Romeinen 3.25) voorgesteld heeft tot een Verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden die tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods. Genade van waarheid blij ontmoet, en vrede met een kus van het recht gegroet.
Vers 7: En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meríba, om de twist der kinderen Israëls en omdat zij de HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet? Want, ons vierde en laatste punt:
Mozes noemde die plaats… Hoe…? Water uit de geslagen Steenrots? Bruisende rivier van levend water? Of zoals Simson in Richteren 15:19. Simson heeft dodelijke dorst. En dan lezen we dit: Toen kloofde God de holle plaats die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk; toen kwam zijn geest weder en hij werd levendig. Daarom noemde hij haar naam: De fontein des aanroepers; die in Lechi is tot op deze dag. Hij noemde die plaats: fontein des aanroepers. Roepersfontein. Want God heeft mijn gebed, mijn geroep verhoord.
Ja maar…, werd hier gebeden? Werd hier geroepen tot God? Nee, hier werd geroepen tegen God! Maar in groot geduld en uit bijzondere gunst gaf God nog een keer Zijn genade.
Zoals God in groot geduld vanmorgen nog een keer Zijn genade en Zijn Christus aan u aanbiedt. Afgewezen… Veracht… Maar desondanks, maar toch: ‘Hier is Hij.’ Beschikbaar voor u. U denkt dat Hij u wil doden? Nee, Hij wil u leven geven, eeuwig leven. Kom, drink van het water des levens om niet. Belijd uw schuld, bekeer u en geloof het Evangelie. Dat Christus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken.
Komt u? Of blijft u hangen in uw beschuldigingen tegen God? Blijft u buiten staan? Wilt u dan omkomen in de woestijn van dit leven? Zoals deze mensen uiteindelijk toch zijn omgekomen in de woestijn, de meesten in ongeloof? Want zeg nu zelf: Lees je hier iets van bekering, van belijdenis van schuld? Lees je hier iets van een nieuw vertrouwen op God, of van geloof? Lees je hier iets van vreugde in God? Van: En ze zongen Zijn lof? Nee, niets! Dat is het drama van Rafidim! Wordt dat ook het drama van de [naam]-kerk vanmorgen?
Daarom! Daarom noemt Mozes de naam van die plaats: Massa. Plaats van testen en uitdagen. Meriba. Plaats van twisten en ontevreden zijn.
Zo zijn de namen van die plaats bewaard gebleven tot nu toe. Als een waarschuwende vinger voor u en voor mij. Zo noemde Mozes, zo noemde God die plaatsen.
En vandaar mijn laatste vraag. Die bank, he, waarop u nu zit… Die plaats daar, waar het iedere zondag manna regent… Waar een rivier van levend water beschikbaar is voor u… Die bank, die plaats waar u nu zit, hoe gaat God die straks noemen? Ook Massa? Plaats van testen en uitdagen (ondanks alles)? Ook Meriba? Plaats van twisten en ontevreden zijn?
Onbekeerde vrienden, verhard uw hart niet, gelijk te Meríba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn. Maar kom, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft. Maar zo niet, dan zweert de Heere (Die Zijn Woord houdt): Dan zult u in Mijn rust niet ingaan.
Amen.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken