PREEK · KERKELIJK JAAR

Vijfde kruiswoord: Mij dorst - Johannes 19

Goede Vrijdag, Lijdenstijd - 24 maart 2024

Johannes 19:28: Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.

INLEIDING

Aan het kruis roept de stervende Heere Jezus: "Mij dorst." Dit is een klagende roep, bewijs van Zijn mens-zijn en van de diepte van Zijn lijden onder Gods toorn. Tegelijk is het een sterk verlangen: naar terugkeer tot de Vader en naar de voltooiing van Zijn verlossingswerk voor de Zijnen. En het is een liefdevolle nodiging aan vijanden en spotters, om hen tot Hem te trekken. Wie zelf dorst naar God, mag komen en drinken uit de fontein van levend water.

THEMA

Het vijfde kruiswoord: Mij dorst

KERNPUNTEN

  1. Een klagende roep
  2. Een sterk verlangen
  3. Een vriendelijke nodiging

JOHANNES 19:28-34

28 Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.
29 Er stond dan een vat vol edik, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.
30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht; en het hoofd buigende, gaf den geest.
31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus dat hun benen zouden gebroken en zij weggenomen worden.
32 De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten en des anderen die met Hem gekruist was;
33 Maar komende tot Jezus, als zij zagen dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet;
34 Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.

VOLLEDIGE TEKST

Vijfde kruiswoord: Mij dorst - Johannes 19

ds. J. IJsselstein - Johannes 19:28

THEMA

Het vijfde kruiswoord: Mij dorst

LITURGIE

Psalm 22:1

Psalm 22:2

Lezen Psalm 69:20-22 Johannes 19:28-33

Psalm 22:5,6

Psalm 69:9

Psalm 22:12,13

Gemeente, de tekst voor de preek op deze […e] lijdenszondag kunt u vinden in Johannes 19:28. Daar lezen we Gods Woord en onze tekst als volgt: Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst. En, zo voegt vers 29 daar aan toe: Er stond dan een vat vol edik, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.

Het thema voor de preek is: Het vijfde kruiswoord: Mij dorst

We letten samen op drie aandachtspunten. Op: 1. Een klagende roep 2. Een sterk verlangen 3. Een liefdevolle nodiging Als eerste dus:

1. Een klagende roep

Kort geleden klonk die andere klagende roep nog, in de duisternis van Zijn diepste verlating: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? En nu, drie uur nadat de zon haar stralen introk, begint het weer te lichten. De zon komt weer tevoorschijn. Maar het lijden is nog niet voorbij. De laatste druppels uit de beker moeten nog gedronken worden.

Terwijl Schriftwoord na Schriftwoord vervuld wordt. Uit Psalm 22: Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht van het volk. Allen die Mij zien, bespotten Mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op de HEERE gewenteld, dat Hij Hem nu uithelpe, dat Hij Hem redde, dewijl Hij lust aan Hem heeft (Ps. 21:7-9). Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneengescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands (Ps. 21:15) Uit Psalm 69: en Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden (Ps. 69:21).

Het zal nog maar even duren, of Hij zal Zijn laatste adem uitblazen, en Zijn geest geven in de handen van Zijn Vader. Nu de benauwdheid van de dood sterk op Hem afkomt. En dus is Zijn roep als eerste: een bittere klacht vol angst.

Die beantwoord wordt door de soldaten. Niet met een druppel water, maar met spot en azijn-zure soldatenwijn. Spot, die beantwoord wordt met… liefde. Want (ik citeer ds. Kohlbrugge): Jezus weet van geen vijanden. Ja, u en ik, kunnen vijandig staan tegen over Hem, net zoals de soldaten hier. Maar Hij is anders. Hij weet van geen vijanden.

Dat de Heere dorst heeft, is: a. Als eerste een teken en bewijs van Zijn mens-zijn. Hij komt als baby ter wereld en wordt in doeken gewikkeld. Als kind, zo wordt ons verteld, neemt Hij toe in wijsheid en in grootte. Als jongen zien we Hem vragen stellen in de tempel. Als man is hij vermoeid. Hij heeft honger. Hij slaapt. Hij verheugt zich. Hij kreunt. Hij huilt. Hij bloedt. En hier in onze tekst roept Hij: ‘Ik heb dorst.’ (Bron: A. Pink) Zijn broeders is alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

Dat de Heere dorst heeft, is: b. Als tweede een bewijs van de diepte, van de zwaarte van Zijn lijden. Hij lijdt in heel Zijn lichaam, zonder één moment van verlichting. Zijn handen en voeten zijn doorboord met spijkers, op de meest zenuwrijke en gevoelige plaatsen. Hij is gewond. Hij is vermoeid. De zon brandt op Zijn bebloede hoofd, de koorts jaagt door Zijn lichaam. Zijn ogen staan oog in oog met gruwelijke zondaars, met wrede moordenaars. Zijn oren worden gepijnigd door smadelijke Godslastering: Indien U de Koning der Joden bent, zo verlos Uzelf (Luk. 23:37). Zijn smaak is bedorven door edik en gal. Zijn gevoel lijdt pijn in ieder deel van Zijn uitgedroogde lichaam. En Zijn tong is aan Zijn verhemelte gekleefd door dorst: Mij dorst…

Al de golven van Gods toorn gaan over Hem heen. Zonder enige verlichting. Dorst…, zonder één druppel water.

Wat u vast ook doet denken aan de rijke man uit Lukas 16. Die na een vrolijk en overdadig leven zonder God, en zonder medelijden met de arme Lazarus, stierf en begraven werd. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lázarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam (Luk. 16: 23-24). In dit vuur, waarin ik onderga, onder de toorn van de Almachtige God.

Waar de profeet Nahum zo indringend voor gewaarschuwd had, toen hij zei: De bergen beven voor Hem en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht; en de wereld, en allen die daarin wonen. Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld (Nah. 1:5-6).

Hoeveel zwaarder, hoeveel meer als die rijke man, lijdt Jezus hier onder de toorn van de Almachtige. De Vader spaart Zijn Zoon niet. Opdat Hij tegen de Zijnen zou kunnen zeggen: Grimmigheid is bij Mij niet. Opdat Gods kinderen tot hun troost zouden weten: De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem.

Dat de toorn van God hier zo zwaar op Hem drukt, wijst ons, geliefde gemeente, op de ernst van ons natuurlijke leven. Ons doopformulier zegt: Wij zijn, met onze kinderen, van nature kinderen des toorns. Liggend onder diezelfde toorn van God. En even later in het doopgebed, zie je de ernst van die toorn van God weer oplichten, als farao en al zijn mannen gaan verdrinken in de Rode Zee.

Gemeente, wij en onze kinderen zijn van nature verloren. En we leven onder de dreiging van het oordeel, van het komende gericht, van de brandende toorn van God. Zoek de Heere toch, vraag Hem toch om vergeving van zoveel schuld. En leer uw kinderen toch vroeg om genade te vragen, om vergeving te zoeken in het bloed en in de wonden van deze lijdende en stervende Zaligmaker.

Leer hier, gemeente, ook van: hoe erg de zonde is. Als u vanmorgen geluisterd hebt naar het voorlezen van de Wet, dan weet u dat. Maar hier ziet u het, als nooit tevoren. Hoe verschrikkelijk erg de zonde is. En ook hoe verschrikkelijk het zal zijn, om door die zonde voor eeuwig om te komen in het helse vuur.

De last van de toorn van God, laat de Zaligmaker in enkele uren diep lijden en uiteindelijk sterven. Maar hoe moet het dan…, als dat een eeuwigheid lang zal duren, terwijl u nooit zult sterven? Hier ziet u wat de toorn van God over de zonde betekent. Mensen, laat je toch waarschuwen, laat je toch met God verzoenen, voordat het te laat is!

Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, zeide: Mij dorst, opdat de Schrift zou vervuld worden. Heel vaak Zijn de Schriften vervuld, door wat Hij of Zijn vijanden deden, of door wat er gebeurde. Zoals bijvoorbeeld staat in vers 24: Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan (Ps. 22:19).

Maar hier is het anders. Hier zegt Hij iets met het doel om de Schrift te vervullen. De profetie namelijk van Psalm 22:16: Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof des doods. En ook de profetie van Psalm 69:22: In mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Hijzelf vervult de Schrift. Zodat geen van Gods woorden op de aarde zal vallen. En dat alles ook als uitdrukking van (in de tweede plaats):

2. Een sterk verlangen

Want, jongens en meisjes, waar dorst de Heere naar? Je zegt: ‘Naar water’. Dat klopt. Maar… de soldaten geven Hem zure azijn-wijn.

Maar de Heere Jezus dorst ook en veel meer naar iets anders. Naar twee dingen. Want er staat: Wetende dat nu alles volbracht was…

a. Wetend dat Zijn werk voltooid is, nu dorst Zijn hart naar God. Naar de terugkeer naar de zalige gemeenschap met Zijn Vader. Naar het moment dat aanbreekt, dat in de hemel klinken zal: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga (Ps. 24:7). Naar het moment dat Hij opnieuw zal horen uit de mond van Zijn Vader: U bent Mijn geliefde Zoon!

b. En, wetende dat nu alles volbracht was, wetend dat Zijn werk voltooid is…, nu dorst Hij ook meer dan ooit naar het voltooien van Zijn werk voor de Zijnen. Naar het moment dat Hij tegen Zijn Vader zal kunnen zeggen: ‘Vader, kijk, degenen die Ik gekocht heb met de prijs van Mijn kostbare bloed. Ze waren Uwe, U hebt ze Mij gegeven. Ik heb ze verlost. Nu zult U nooit meer op ze toornen of schelden.’

In deze enkele woorden, gemeente, schittert de weergaloze liefde van Christus. Tot Zijn Vader en tot degenen voor wie Hij hier lijdt en sterft. Hij lijdt dorst voor hen. Om hen te drinken te geven van het water des levens om niet.

Als vervulling van wat staat in Johannes 4 (uit het gesprek van de Heere Jezus met de Samaritaanse vrouw): Zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4:13-14). Als vervulling van wat staat in Johannes 7: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien (Joh. 7: 37-39).

Nergens schittert de liefde van Christus meer, dan hier aan het kruis op Golgotha! Dit deed Christus in plaats van al de Zijnen. Om onze dorst te lessen, kinderen van God, geliefde medechristenen. En om ons te kunnen laten drinken uit de Levensbron, van het water des levens om niet.

Hij lijdt dorst. Hij krijgt geen druppel water. Opdat wij met vreugde water zouden mogen scheppen uit de Fonteinen des heils. [stilte]

Onbekeerde vrienden, ik denk…, dat je vaak gedaan hebt, wat de soldaten hier doen. Antwoorden op een vriendelijk verzoek, met een doorzichtige, dubbele reactie. En ik vraag je liefdevol, dringend, ernstig, om dat nu eerlijk onder ogen te zien, aan de voet van het kruis. Wat we hier zien is een vriendelijk verzoek om water… Beantwoord een dubbel antwoord: azijnwater gemengd met spot…

Zij weten niet wat ze doen. En u weet ook niet wat u doet… Deze Jezus deed vaker, deed heel vaak ook een vriendelijk verzoek aan u en jou. Misschien gaf je Hem een halve traan in je oog of in je hart, omdat de liefde van Zijn hart je emotioneel wel een beetje raakte… Hoewel, even maar, en daarna niet meer. En dus gaf je je zondige leven, of je leven in je eigen godsdienst, niet op. En dus ging je, net als deze soldaten, gewoon door zoals altijd, met spotten (op je eigen manier).

En nu klinkt vanmorgen weer de roep, zo oprecht en welgemeend: Gij slechten, hoe lang…? Hoe lang zult u (die) slechtheid beminnen, en de spotters voor zich (dat) spotten begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken. (Spr. 1:23-23). Liefdevolle woorden van genade. Die wel voorbijgaan! Want dag der genade gaat voorbij… En uzelf gaat voorbij…

Kan de liefde van de Zaligmaker… Ik zei toch aan het begin: Jezus Zelf weet hier van geen vijanden. Hier geen toorn van Hem, maar enkel medelijden. Hier geen bliksem, maar tranen. Hier geen haat, maar een gebed: ‘Vader, vergeef het hun?’ Hier geen toorn, geen bliksem, geen haat. Maar wel een klacht uit een verwond hart: U hebt Mij zonder oorzaak gehaat (Joh. 15:25). Kan de liefde van de Zaligmaker… je hart vanmorgen niet breken? Wat anders zou dan ooit wel je hart kunnen breken?

Christus verlangt. Naar Zijn heengaan tot de Vader. Naar de definitieve redding van al de Zijnen. En, o zondaars, naar uw redding en behoud! Nu er vanwege Zijn dorst, in deze laatste dagen een fontein geopend is voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem (Zach. 13:1). Voor verbondskinderen, die met God gebroken hebben. Die de Zaligmaker verworpen en gekruist hebben. Er is een weg terug! Kom! Ga niet verloren! Ga straks niet omkomen onder deze vloed van Gods toorn. Maar word behouden! Door de stroom van bloed en water uit de doorstoken zij van de Gekruisigde Christus (Joh. 19:34). Volkomen genoeg, volkomen genoeg om u allemaal af te wassen van al uw zonden!

Dat bloed, dat u en ik uit Zijn aders geperst hebben, daarmee wil Hij u wassen. Die druppel water, die wij Hem niet wilden geven, wil Hij voor u en mij veranderen in een overvloed van levend water, om de zonde van ons en onze kinderen af te wassen. Om de dorst, die in ons leven kwam door de zonde, voor altijd te stillen.

Mensen, ga niet verloren, maar kom! Je leven hangt aan een zijden draad boven de eeuwige afgrond. Je staat op het punt te verdrinken in de zondvloed van Gods toorn om je zonden. Maar je kunt behouden worden! Zoals Noach en zijn gezin. Door de grote Ark der behoudenis, Jezus Christus. Je staat op het punt om met farao te verdrinken in de Rode Zee. Maar je kunt behouden worden! Zoals het verbondsvolk Israël. Gered door de weg die God Zelf gebaand heeft, dwars door dat oordeel heen.

Bekeert u, bekeert u, want waarom zou u sterven? Zo zegt HEERE, de God van uw Doop, de God van Zijn verbond: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zou u sterven, o huis Israëls? (Ezech. 33:11)

Luister zometeen verder naar Zijn vriendelijke nodiging, in ons derde aandachtspunt, maar we zingen eerst uit Psalm 69, het negende vers: Versmaadheid breekt en scheurt mij 't hart vanéén; Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden Mij door de ziel; ik wacht naar medelijden, Naar troosters, maar, helaas, ik vind er geen. Ja, grote God, zij hebben mij, tot spijs, Bij al mijn smart nog bitt're gal gegeven; Een edikteug is zelfs een gunstbewijs, Wanneer de dorst mijn lippen saâm doet kleven.

Ons derde aandachtspunt:

3. Een vriendelijke nodiging

Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst. Dat is (1) een klacht, dat is (2) een uitdrukking van verlangen. En dat is als derde een vriendelijke nodiging.

Want het zegt, gemeente, vooral iets, ja alles, over de vriendelijkheid van het hart van de Heere Jezus. Hij haat de mensen die om Zijn kruis staan niet. En dat geldt niet alleen de vijf mensen (vier vrouwen en één discipel) die nu van verre staan. Maar dat geldt ook al die mensen, die Hem met spottende en vijandige blikken aankijken.

Godsdienstige spotters, Schriftgeleerden en farizeeën, die zeggen: Hij heeft anderen verlost; Zichzelven kan Hij niet verlossen (Mark. 15:31). En sadistische Romeinse soldaten, die Hem spottend wat zure azijn op Zijn lippen geven.

En… er is er niet één, die Hij haat. Hij weet van geen vijanden. Ook nu vanmorgen niet. Ook hier niet… Er is hier niemand die Jezus haat. Ja, zij haten Hem wel, en wij (van nature) ook. Maar Hij hen (en ons) niet.

En dus, breekt Hij niet met hen. Maar vraagt Hij hen vriendelijk om een blijk van meevoelen. Niet alleen als uitdrukking van dodelijke dorst. Maar ook en vooral om in liefde (om zo te zeggen) contact met hen te maken. Zoals je ook nu iemand die een verschrikkelijke hekel aan je heeft, soms kan winnen door hem of haar bescheiden en nederig iets te vragen. Waarmee je laat blijken: ik heb je niet afgeschreven, ik ben niet klaar met je, ik wil iets met je… ‘Mag ik van je een druppel water?’

De Heere Jezus wil iets van je, jongelui. De Heere wil iets van u, gemeente. Waarom? Om je te bevrijden van eeuwige spot en ondergang. Om je vijandschap te breken. Zodat je je zult overgeven aan Hem. Als iemand, die Hem nodig heeft. Om verlost te worden van schuld, en leven te krijgen.

‘Kom ‘es. Mag Ik’, zegt de Heere Jezus vanmorgen, ‘een druppel water van je?’ Maar, hoe dan? Nee, zeker niet om iets te verdienen, want er valt niets meer te verdienen. Maar, hoe dan wel? Met een druppel water, waarmee je dichter bij Hem komt, dan dat je ooit geweest bent.

Want tot nu toe stond je op afstand, je spotte, je negeerde Hem, je liep door, je liep weg... Maar, hoor je nu niet die wenkende woorden? En zie je vanmorgen niet die wenkende ogen van Hem, Die hangt aan het kruis?

Mij dorst… Ik lijd diep. Maar in Mijn diepste lijden, verlang Ik naar God, naar Mijn Vader. En, zondaar, zondares…, naar u, en naar jou. Mag ik een druppel water, mag ik één traan in je oog, één traan van berouw? Om alles wat je Mij hebt aangedaan? Om alles wat je tegen God gedaan hebt? Zondaars, geef Hem geen zure edik, maar geef Hem je tranen!

Helaas, er zijn er onder ons (veel te veel), die nog nooit één traan in hun ogen of in hun hart hebben voelen branden, als het ging om hun schuld, om hun slechtheid, om hun verlorenheid, om het gevaar hun leven. Als het ging om de liefde van Christus…

Lieve vrienden, je gevaar is levensgroot. Dat je om zult gaan komen onder deze toorn van God. Breek uit in tranen! Bekeer je! Heb berouw om zoveel zonden, en om zoveel leed dat je de Zaligmaker aangedaan hebt. Ga met Petrus naar buiten en ween bitter. Doornat met David je bed met tranen.

Moge vanmorgen aan de voet van het kruis, hier in [plaatsnaam] de profetie van Zacharia vervuld worden: Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene (Zach. 12:10).

Dan zal ook zonder twijfel deze profetie van Zacharia in [plaatsnaam] vervuld worden: Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid (Zach. 13:1).

Een fontein van levend water. Het water van een fontein blijft altijd stromen, dat wordt nooit vuil. Hoeveel zonden je ook hebt, wat je ook doet of gedaan hebt, het wast alle zonden weg. Want het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonde (1 Joh. 1:7).

Zondaars, harde, verharde zondaars, kom! U zit al jaren in de kerk, maar nog steeds bent u onbekeerd. Het is niet voor niets dat hier bij het kruis harde en verharde soldaten staan. Je denkt misschien al lezend: ‘Wat heeft dat voor nut? Die hadden ook gewoon weggelaten kunnen worden, toch?’ Nee, ze staan er bij als bewijs voor u en mij. Dat de Heere Jezus geen vijanden heeft, niet één! En dus als bewijs dat ook u welkom bent bij Hem. Kom dan. Want alles is volbracht, alles is voldaan. Om zondaars, om vijanden, om goddelozen met God te verzoenen.

Wijs Zijn liefde, wijs deze weergaloze liefde niet af, wijs die niet weer af… Want u zult (net als ik) begrijpen, dat de Vader, Die Zijn Eniggeliefde Zoon overgaf om vijanden met Hem te verzoenen, en Die uit onbegrijpelijke liefde Zijn Zoon zo zwaar liet lijden, het niet dulden kan en zal, dat U Hem… zou verachten. Ik vermaan u met tranen (Hand. 20:31): Veracht Hem dan niet. Wijs Hem niet af. Maar kom en buig. Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden!

Ik verzeker u, als u Zijn hart zou kennen, dan zou u komen, dan zou u buigen, dan zou u breken. En roepend met tranen zeggen: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24).

Hier is een vriendelijke nodiging van Christus, aan het adres van Zijn vijanden. Maar ook en in het bijzonder gericht aan allen die dorsten naar Hem. Vroeger was het anders. U had geen dorst. Dan alleen dorst naar alle dingen van deze tijd.

Totdat de Heere Zelf in uw leven kwam, en u liet zien wie u was, en wat u miste. Alles…. Alles wat u dacht te hebben, glipte u door de vingers, waar u stond voor God. En toen, die wonderlijke dorst in uw hart, in je ziel. Die je nooit eerder gekend had.

Mijn ziel dorst naar God. Waar is God? Want mijn ziel dorst naar Hem, Die alleen al mijn schuld verzoenen kan. Want mijn ziel dorst naar Christus, Die zo gewillig en zo diep leed, en stierf voor mensen zoals ik.

Dorst je ziel naar God? Kom dan! O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55:1). Komt herwaarts tot Mij (zegt Christus), allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28). Hij Die dorst had, wil de dorstige te drinken geven van het water des levens om niet.

Maar wees ondertussen (nadat u Hem zo lang liet wachten) niet ongeduldig. Probeer de Heere niet te dwingen. Wacht op de Heere. Hoop op Zijn Woord. Heb geduld. Hij zal zeker komen. Op Zijn tijd. Niet zó vroeg, dat het geen wonder voor je zal zijn. En niet zó laat, dat je van dorst bezwijken zal. Wacht op de HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken; ja, wacht op de HEERE (Ps. 27:14). Op Zijn tijd, zult u merken, hoe Hij uw dorst zal stillen.

En laten we, tot slot, onze dorst, kinderen van God, geliefde medechristenen, blijvend richten op Hem. Dagelijks drinkend uit de bron van Zijn genade en kracht. Denkend aan wat de dichter zingt in Psalm 36: Bij U, Heere, is de Levensbron. Bedelend bij de Bron!

En laat Zijn dorst ook onze dorst zijn. Niet plaatsvervangend, maar wel in navolging van Hem, Zijn voetstappen drukkend. Verlangend naar God, verlangend naar Hem. En ook innig verlangend (ook in de gemeente) naar de redding van anderen, van medezondaars, die nog steeds Zijn vijanden zijn.

Want: de Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome. En die wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17).

Amen.

Slotzang Psalm 22:12,13:

Gij, die God vreest, gij allen prijst den HEER’; Dat Jacobs zaad Zijn groten naam vereer'; Ontzie Hem toch, o Israël, en leer Vertrouwend wachten. Wie mij veracht', God wou mij niet verachten, Noch oor noch oog Van mijn verdrukking wenden; Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden Riep naar omhoog.

Ik loof eerlang U in een grote schaar, En, wat ik U beloofd' in 't heetst gevaar, Betaal ik, op het heilig dankaltaar, Bij die U vrezen, 't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen, Ten dis geleid. Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid!