Zondares in huis Simon Farizeeër · Lukas 7

Zondares aan voeten Jezus
Preek Lukas 7:36-50: Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

Thema preek Lukas 7:36-50: Zondares in huis Simon Farizeeër

1. Een vrouw die Jezus liefheeft
2. Een man die haar liefde verdacht maakt
3. Een Zaligmaker die zonden vergeeft

LEESPREEK

Schriftgedeelte over Zondares in huis Simon Farizeeër · Lukas 7:36-50
36 En een der farizeeën bad Hem dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des farizeeërs huis, zat Hij aan.
37 En zie, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande dat Hij in des farizeeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf.
38 En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.
39 En de farizeeër die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: Deze, indien Hij een profeet was, zou wel weten wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.
40 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon, Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het.
41 Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig;
42 En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben?
43 En Simon antwoordende zeide: Ik acht dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.
44 En Hij Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd.
45 Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen.
46 Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.
47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
48 En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.
49 En die medeaanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?
50 Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.

Link bij preek Lukas 7: Zondares in huis Simon Farizeeër
– De hemelse Dokter – Lukas 5
– Bloed vloeiende vrouw – Markus 5
Verzoeking in de woestijn · Lukas 4
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 7

TERUG LUKAS

Gemeente, we overdenken vanmorgen met de hulp van de Heere de geschiedenis die we samen gelezen hebben, de geschiedenis van de zalving van de Heere Jezus, door een zondares in het huis van Simon de Farizeeër.
Ik lees als samenvatting van die geschiedenis en als samenvattende tekst voor de preek vers 47 van Lukas 7.
Lukas 7:47, waar de Heere Jezus tegen Simon zegt:
Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel
liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

Het thema voor de preek is:
Aan de voeten van Jezus

We letten samen op drie aandachtspunten, op:
1. Een vrouw die Jezus liefheeft
2. Een man die haar liefde verdacht maakt
3. Een Zaligmaker die zonden vergeeft

Als eerste dus:

1. Een vrouw die Jezus liefheeft

Wie ze is, hoe ze heet, dat weten we eigenlijk niet. Maar we weten wel iets van haar. Een paar dingen:

a. Ze was -vers 37- een zondares.
Ze staat publiek bekend als iemand die in de zonde geleefd heeft. Sommigen zeggen dat ze een prostitué was, maar zo expliciet staat het er niet. Er zijn meer zonden, dan die ene.
Maar dat ze openlijk in zonde leefde (en zo ook bekend staat), dat is duidelijk.

b. Het tweede wat duidelijk wordt, is dat de mensen op haar neerkijken.
‘Dat is… dat mens, je weet wel…!’
Zoals, voor het oog nette mensen, zo vaak neerkijken op zondaars. En ze een etiket opplakken, dat ze er ook nooit meer af willen halen.
Omdat…?
Omdat ze zelf nooit echt in spiegel gekeken hebben…

c. Het derde wat we van haar weten is (we zullen er zo meteen nog veel meer van horen), dat haar leven veranderd is. Ze heeft met de zonde gebroken.
De Heere heeft de hoogste plaats in haar leven gekregen. Hij is alles voor haar geworden.
Hoe?
Ongetwijfeld door het optreden van de Heere Jezus Zelf. Misschien heeft ze Hem eerder ontmoet. Misschien heeft ze Zijn woorden gehoord.
Maar hoe dan ook: Hij(!) heeft haar leven veranderd.

Zulke mensen zijn er ongetwijfeld ook in [plaatsnaam].
Je ziet ze niet. Ze zijn onbekend. Ze hebben geen naam. Mensen weten weinig van ze.
Behalve dan van hun zonden. Die tot hun groot verdriet tot op de dag van vandaag door de mensen misschien wel breed uitgemeten worden.
Als het om de publieke opinie gaat, om hoe vooraanstaande mensen tegen hen aankijken, dan hebben ze alles tegen.
Maar (en wat maakt dat deze mensen gelukkig): ze kunnen zonder de Heere niet meer leven! Hun zonden (waar anderen nog steeds op spugen) zijn hun vergeven.

Laten we kijken wat er gebeurt, in vers 36, 37 en 38.
Vers 36 zegt: En een der farizeeën bad Hem dat Hij met hem at; en ingegaan zijnde in des farizeeërs huis, zat Hij aan.
Simon, een van de farizeeërs, nodigt Jezus uit voor een maaltijd.
Maar dat de Heere Jezus nu echt welkom is, daar lijkt het niet op. Want het gewone welkom, laat Simon achterwege. En dat kan geen vergissing zijn…

Wat beweegt Simon toch om Jezus bij hem thuis uit te nodigen?
Is het nieuwsgierigheid? Is het omdat men Hem een groot Profeet noemt? (7:16)
Wil hij daar misschien ook zelf een oordeel over vormen, door Hem eens wat van dichter-bij mee te maken? Of (dat kan ook) wil hij een aanklacht tegen Jezus formuleren? (6:7)
Eén ding is duidelijk: Het gaat niet erg van harte!

En toch heeft Jezus deze uitnodiging niet afgeslagen.
En zo wil Hij, ook vanmorgen, even graag bij farizeeërs binnenkomen, als bij hoeren en tollenaars.

En zie! (vers 37). Kijk! Er gebeurt iets bijzonders!
Want? Nou, die maaltijd wordt gehouden in een soort zuilengalerij. Zeg maar: in een open zaal. En dus kan iedereen vanaf de straat zien, wat er gaande is.
Zo’n maaltijd is ook een soort statussymbool. Iedereen mag zien dat hier lekker gegeten wordt! Bij… Simon, de farizeeër!

Maar…, pijnlijk, vervelend incident!
Mensen mogen natuurlijk wel kijken, iedereen mag dit zien, maar dit is natuurlijk niet de bedoeling!
Kijk, daar komt ze aan!
O nee! Zij niet…!
Vers 37: Een vrouw in de stad, die een zondares was, verstaande dat Hij in het huis van de farizeeër aanzat… zij(!) komt naar binnen lopen.
Je voelt ineens een ongemakkelijk stilte vallen…
Ja, iemand die binnenkomt wegsturen, dat kan zomaar niet in het oosten.
Maar dit is wel heel erg vervelend, dit is wel heel erg storend!
Alsjeblieft, zij niet…!

Je zegt: Ze heeft trouwens ook wel heel veel lef. Dat zij het huis binnenloopt van die nette farizeeër Simon!
Ja, zo groot is haar liefde voor Jezus, zo groot is haar drang om haar liefde voor Hem laten zien!

Zij komt binnen, met (vers 37) een albasten fles met zalf. In een stenen flesje, met een lange hals, die je eraf kan breken… Ze komt binnen en loopt naar Jezus toe…
Je ziet het voor je: de mannen eten (zo was de gewoonte) half liggend aan tafel. Hun hoofd rust op hun linkerhand, met hun rechterhand kunnen ze eten pakken en opeten, en hun voeten steken, zeg maar, naar achteren…

Kijk! Ze loopt in richting van de voeten van de Heere Jezus. Ze trekt zich niks aan van al die afkeurende en minachtende blikken. Ze ziet Hem! Daarheen! Hij is al haar liefde waard!

En (vers 38) staande achter aan Zijn voeten, wenende…
Ineens (kijk, jongens en meisjes!), ineens begint ze heel hard te huilen!
De tranen stromen over haar wangen.
Tranen van berouw, om wat ze vroeger gedaan heeft.
Gemengd met tranen van verwondering en blijdschap, om alles wat haar vergeven is.

Nu ze de Heere Jezus ziet (of weer ziet), nu begint de wond van haar hart opnieuw te bloeden. ‘Heere, ik heb zoveel kwaad gedaan! Ik schaam me er zo diep over!’
Nu ze de Heere Jezus van zo dichtbij ziet (of weer ziet), nu springt haar bloedende hart ook meer dan ooit op van blijdschap. ‘Heere, wat hebt U me toch veel vergeven!’

En zo is het nog steeds. Als we ooit met hartelijk berouw naar de Heere gevlucht zijn, en we mogen Hem opnieuw ontmoeten (in de prediking van het Woord, in onze stille gebeden, of bij de bediening van de sacramenten), dan maakt dat ons zondeverdriet weer zo levend, dan maakt dat onze blijdschap en verwondering weer zo groot.
Zoals de profeet Ezechiël zegt: Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande… Wanneer? Wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE (Ezech. 16:63)

Ze laat haar tranen de vrije loop. En ze druppen op de voeten van de Heere Jezus.
Jongens en meisjes, ik kan het niet laten, om je te vragen: Heb jij de voeten van de Heere Jezus ook wel eens nat gemaakt met je tranen?
Het zijn dubbele tranen. Daarom zijn het ook zulke gelukkige tranen!
Tranen van verdriet en schaamte, maar ook tranen van blijdschap.
Dat jij daar mag komen. Dat de Heere je niet wegstuurt, maar liefdevol aankijkt.
Ze (vers 38) begon Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.
Die tranen, die op Zijn voeten gevallen zijn (wat een eer voor Jezus: zondaarstranen druppend op Zijn voeten!), ze veegt ze droog met haar lange haar. Wat een dubbele eer!
Ze kust Zijn voeten. Wat een blijk van nederigheid! Want om de voeten van iemand te kussen, moet je heel diep buigen.
En ze zalft Zijn voeten met zalf. Ze breekt de hals van dat kleine flesje en giet de kostbare zalf op Zijn voeten! Geen gewone olijfolie, maar peperdure zalf. Maar Jezus is haar alles waard.
Wat een hernieuwd verdriet, wat een hernieuwde schaamte. Wat een liefde: Ik zal U, Heere, al mijn liefde waard schatten. Wat een hoogachting, wat een eer.
Ze zegt geen woord. Maar dat hoeft ook niet. Haar daden zeggen meer, haar daden zeggen alles. Er zijn van die momenten dat je ook maar beter niets kunt zeggen, dat je maar beter stil kunt zijn.

Volwassenen, ouderen, ik kan het niet laten om het natuurlijk ook aan u en aan mezelf te vragen: Hebt u de voeten van Jezus wel eens nat gemaakt met uw tranen?
Met tranen van berouw? Voor het eerst, of nieuw leven ingeblazen door de ontmoeting met Hem? Wat verdiept dat ons verdriet: zoveel kwaad tegen zoveel goed bedreven…
Hebt u de voeten Heere Jezus ook wel eens gezalfd met meest kostbare zalf van uw liefde tot Hem? ‘Heere, om Uw liefde, is hier mijn wederliefde, mijn terugliefde tot U.
Dit… is allemaal… voor U! Mijn leven, mijn liefde, mijn hart…, alles! Want: Ik zal U al mijn liefde waardig schatten, omdat U mijn rechterhand wilde vatten. Om me op te trekken uit de modder van mijn zonde en schuld.’
Laten we er samen van zingen uit Psalm 73:12:
Wie, ver van U, de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren
En U den trotsen nek toekeren;
Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
‘k Vertrouw op Hem geheel en al,
Den HEER, Wiens werk ik roemen zal.

Gemeente, het thema van de preek van vanmorgen is: Aan de voeten van Jezus.
We hebben stilgestaan bij: Een vrouw die Jezus liefheeft.
We gaan nu verder met het tweede punt van de preek:

2. Een man die haar liefde verdacht maakt

Want, zo lezen we in vers 39: En de farizeeër die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij (tegen) zichzelf, zeggende: Deze, indien Hij een profeet was, zou wel weten wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.
Hij zegt het niet hardop, maar hij denkt het wel: Wat een vertoning!
Zoals zo vaak dingen misschien wel niet hardop gezegd worden, maar wel gedacht…
Maar de Heere weet en ziet alles.
Simon denkt bij zichzelf: als Jezus een profeet was (dat zeggen de mensen wel, maar als Hij dat echt was), dan zou Hij wel weten wat voor een mens dit is: een zondares…!
En je voelt de gedachte erachter: Zij is een zondares, zij is slecht. Maar zo ben ik, zo zijn wij niet…

Doe jij dat ook? Doet u dat ook? In gedachten jezelf met anderen vergelijken?
Ja, en dan natuurlijk vooral met mensen die slechter zijn dan jezelf (dat denk je tenminste…).
Je denkt, je vergelijkt, en… (zie je je eigen blik?), je kijkt op die ander neer!
Zo? Nee, gelukkig, zo ben ik niet!
Dan (nee, dat zeg je niet, maar zo voel je het wel), dan voel je jezelf beter!
Omdat je denkt, dat God je vast ook beter vindt. Om wat je doet, of niet doet.
En dat het daarom goed of beter zou zitten tussen God en je hart, dan bij hem of haar.
Maar als je van genade leeft, dan kijk je echt niet op andere mensen neer.
Want dan weet je wie jezelf bent: ook zo’n zondaar, ook zo’n zondares.
Maar dat zit probleem bij Simon: Hij kent zichzelf niet. Hij denkt dat hij beter is.
En daarom kent hij ook de Heere Jezus niet.
Hij denkt bij zichzelf: als Jezus een profeet was, dan zag Hij natuurlijk wel, hoe slecht zij was! Ja, dat klopt. Maar hij vergeet, dat Jezus dan ook zou zien (en ziet), hoe slecht hijzelf is.

Luister maar. De Heere Jezus gaat een verhaal vertellen.
In vers 40: En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon, Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het. Een zeker schuldheer (schuldeiser) had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig. En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt.
Dus twee mensen hebben allebei schuld. De een tien keer zoveel als ander. Maar dat is het enige verschil. Verder zijn ze gelijk: ze hebben allebei NIETS!
Dat… wil ontmaskeren. Dat… confronteert.
En dat voelt u (die misschien ook wel denkt, dat u beter bent dan de buren of de mensen naast u), dat voelt u ook!
Voor God zijn we allemaal gelijk: We hebben niets. Alleen schuld.

Hoort u dat? U hebt van uzelf niets. Alleen schuld. En niets om te betalen.
En alles wat u denkt te hebben, daar kunt u niets mee. Daar kunt u uw schuld niet mee afbetalen. Sterker nog: het is allemaal waardeloos!

En (ik lees even verder) als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt.
Zeg dan, Simon, wie van dezen zal hem meer liefhebben? En Simon antwoordende zeide: Ik acht dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: U hebt recht geoordeeld.
Dat klopt, Simon. Degene van wie de grootste schuld vergeven is, die zal de man die die schuld kwijtschold, het meest liefhebben en eren.

En Hij (vers 44) Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw?
Simon, op drie manieren heeft zij meer liefde en meer hoogachting voor Mij laten zien dan jij.
Vers 44: Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven.
Die eer heb je Mij als gast niet gegeven, maar deze (vrouw) heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd.
En, vers 45: U hebt Mij geen kus gegeven (geen groet, geen welkom), maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen.
En, vers 46: Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze (vrouw) heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.

Let eens goed op, jongens en meisjes, jongelui. Wat doet de Heere Jezus? Krijgt Simon publiek een klap in zijn gezicht?
Nee, je proeft aan alle kanten de mildheid van de Heere Jezus.
Hij is wel heel eerlijk: Simon, ook jij hebt van jezelf niets, dan schuld.
Maar verder is dit geen harde afwijzing. De vorm is vriendelijk en mild. In de vorm van een verhaal, van een gelijkenis. En hij mag, en jij en u en ik, wij mogen zelf de toepassing maken op onszelf.
Simon, je hebt niets dan schuld.
Zeg jij, u…, u hebt alleen maar schuld bij God! U lijkt in uw eigen oog misschien wel beter dan een ander, u denkt het misschien wel, maar het is niet waar!
Simon, je had deze vrouw het liefst weg willen sturen. Maar zo ben Ik niet.
Kijk toch (u ook, jij ook) naar Wie Ik ben en naar hoe Ik ben. Ik ben juist gekomen voor zulke mensen, die niets hebben, dan alleen maar schuld. En Simon, en u en jij (zie het toch onder ogen!), u hebt ook niets. Dat denk je wel, maar het is niet zo.

Voel je ondertussen niet de vriendelijke uitnodiging van de Heere Jezus?
Simon, u…, jij…, laat die gedachten over dat beter zijn dan anderen los. En kom ook! Zoals zij, aan Mijn voeten!
Wilt u dat? Ik bedoel u die (nee, nu ontkent u het, maar ik bedoel u die) zich zo vaak beter voelt als een ander? Wilt u ook komen, zoals zij? Als een zondares, als een zondaar?
Lieve vrienden, vijanden van Jezus, kom. Kom en belijd vanmorgen aan Zijn voeten ook uw zonden en schuld.
Ons derde en laatste aandachtspunt:

3. Een Zaligmaker die zonden vergeeft

Want, zo lezen we in vers 47: Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
Haar zonden zijn haar vergeven. Die veel waren. Maar nu zijn ze vergeven.
Voor jou, Simon, blijft ze zondares. Zoals wij mensen levenslang blijven aankijken op hun zonden. Maar Ik, Simon, ben anders: ze zijn haar vergeven.
In vrede is haar de bitterheid (van haar zonden) bitter geweest, maar Ik heb haar ziel liefelijk omhelsd, Ik heb al haar zonden achter Mijn rug geworpen (Jes. 38:17).
En nu heeft zij Mijn voeten omhelsd.
Want ze heeft veel liefgehad.
Is dat de reden van haar vergeving? Omdat zij zoveel van de Heere had en heeft?
Nee. Hier is wat anders gebeurd. De Heere had haar zonden vergeven. Door haar geloof te geven is Zijn vergevende genade.
Een groot geloof? Of een klein geloof?
Een groot geloof.
Waar blijkt dat grote geloof dan uit? Ook nu?
Uit hoge gedachten over de Heere, en uit lage gedachten over jezelf.
En daar schort het bij Simon aan. Bij hem is het andersom. Hij denkt laag over de Heere Jezus. Is Hij wel echt een profeet? En hij denkt hoog over zichzelf; en dus kijkt neer op deze vrouw.

Maar het oprechte, het echte geloof redeneert andersom.
Het heeft hoge gedachten over God en lage gedachten over zichzelf.
Uitgesproken met woorden, maar vaak ook zonder woorden, alleen met tranen.
Want: ik kan geen woorden vinden voor de grootheid van mijn schuld, en voor het wonder dat de Heere naar mij omgezien heeft.
Uitgedrukt met nederigheid, met tranen van verwondering, van schaamte en berouw.

Gemeente, deze vrouw, leert ons nederigheid.
Hoe nederiger u bent (zegt Samuel Rutherford), hoe dichter u bij de Heere bent. Wanneer u nederig bent, bent u binnen het bereik van de adem van Christus en zal Hij op u blazen.
Zij leert ons nederigheid.
Maar zij leert ons hier ook dankbaarheid en liefde
Want, zegt de Heere Jezus, haar is veel vergeven. En, Simon, mensen, dat kan je aan haar zien! Aan?
Aan haar nederigheid. Want ze droogt Mijn voeten met haar tranen!
Aan haar hoogachting. Want ze zalft Mijn voeten met kostbare zalf!
Aan haar liefde en onderwerping. Want ze kust Mijn voeten.
En daaraan, Simon, zie je vooral ook Wie Ik echt ben. Laat je vooroordelen maar los.
Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken: dat veel zonden had, dat verloren was!
En wie verloren was en gered is, wie veel zonden had die nu vergeven zijn, kijk, Simon, dat zie je: die heeft veel lief!

Is dat, gemeente, bij ons ook zo? Kan de Heere Jezus dat ook van ons zeggen?
Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren? Want (kijk maar, je kan het zien) zij heeft veel liefgehad?
Is dat in ons leven te zien? Al zijn er misschien geen woorden voor?
Is dat in ons leven te zien? Wat? Nederigheid? Hoogachting voor Christus? En innige, hartelijke liefde voor Hem?
En nu moet u niet direct denken aan grote dingen, die u voor de Heere doet. Die opvallen, die de mensen geweldig vinden, of die je zelf geweldig vindt.
Nee, denk maar aan: vallende tranen op de voeten van Jezus, aan zalfolie en aan een nederige kus.
Daar hebben daar en ook hier veel mensen hun neus voor opgehaald.
Maar de Zaligmaker ziet en weet feilloos wie Hem liefheeft.
Gelukkig maar, medezondaars, medezondaressen. De Heere kent ons hart!
Hij kent onze schuld. Hij kent onze verwondering. En dus snapt Hij(!) onze tranen.
Hij ziet ons geloof. Wat Hij Zelf geplant heeft.
Hij herkent het aan nederigheid, aan schaamte, aan berouw, aan verwondering, aan ootmoed en stille blijdschap. En aan de vijandschap de het oproept…
Maar Hij troost haar, en Hij troost ons.

Kijk maar naar vers 48: En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.
Dat was al zo. Maar het opnieuw onder ogen zien van ons zondige leven, kan ons zo aan het wankelen brengen. Maar de Heere zegt het haar nog een keer. Ze krijgt opnieuw een bevestiging van de vergeving van haar zonden

Waar ze die krijgt?
Daar waar ze liefde en lof offert als dank aan de Heere.
Daar waar ze tranen van berouw mengt met tranen van dank.
Dat is de plaats, kinderen van God (jong en oud), waar de Heere ons opnieuw wil zeggen: uw zonden zijn u vergeven!

De Heere geve dat ons, ook vanmorgen, om dat uit Zijn mond (voor het eerst of opnieuw) te mogen horen. Niet als een vanzelfsprekendheid, maar als een hernieuwd wonder.
Uw zonden zijn u vergeven, door Mij. Die u heb liefgehad, meer dan dat u Mij ooit liefgehad hebt. Zal dat ons niet dieper dan ooit laten buigen, liefhebben en danken?
Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft! (1 Joh. 4:19)

Simon…, Simons hier in kerk…, je kan mopperen met de andere gasten aan tafel.
Zoals in vers 49: En die medeaanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?
Je kan mopperen, maar je kan beter stil nadenken en luisteren. Want hierin ligt ook boodschap voor u!
Vrouw, uw zonden zijn u vergeven….

Geeft dat niet aan, sterker nog: is dat ook geen persoonlijke boodschap voor u, dat er genade beschikbaar is voor mensen die alleen maar schuld hebben? Voor tollenaars en zondaars, en… voor iedereen die zich beter voelt dan dat soort types?
Simon, kom dan. Kom ook, aan Jezus’ voeten. Nu Hij zo dichtbij u staat, voor u, en vraagt: Is hier vanmorgen geen vrome farizeeër, die ook komen wil? Net als zij?
Om schuld te belijden? De schuld van zonde, de schuld van vermeende vroomheid en eigen gerechtigheid? Die wil nazeggen, wat de Heere Zelf heeft voorgezegd: Heere, ik heb niets, niets dan schuld? Die belijden wil: Heere, ik heb alleen maar schuld, en ik heb niets om betalen?

Kom! Kom met uw verloren leven. Ogenschijnlijk voorbeeldig, maar van binnen vol van dood en ongerechtigheid.
Kom! Aan de voeten van Hem, Die beloofd heeft: Die tot Mij komt (wie ook is) zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37).
Tot slot vers 50: Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
Wat moet dat troostvol voor haar geweest zijn. Om het uit de mond van de Heere Zelf te horen: Het is goed tussen Mij en u. Het zal haar blijdschap verdubbeld hebben.
Jazeker, ik ben een zondares. Dat zal ik nooit ontkennen. En ik ga het alleen maar meer zien. Maar, nu is het goed. Gerechtvaardigd door het geloof in Hem, heb ik vrede met God. Door Hem, van Wie ik de voeten gekust heb.

De genade van haar verdriet om haar zonden, van haar schaamte over zoveel schuld, van haar liefde tot Heere, het zijn allemaal vruchten haar geloof.
Haar grootste gekregen genade is: haar geloof zelf. Dat verbindt haar aan Christus. Daarmee vereert ze Hem het meest. En dat wordt daarom door Christus Zelf hier ook meest geroemd: Uw geloof heeft u behouden!

Amen.

Slotzang Psalm 116:10, 11

Ik zal Uw naam met dankerkentenis
Verheffen, U al mijn geloften brengen;
‘k Zal liefd’ en lof voor U ten offer mengen,
In ’t heiligdom, waar ’t volk vergaderd is.

Ik zal met vreugd in ’t huis des HEEREN gaan,
Om daar met lof Uw groten naam te danken.
Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken:
Elk heff’ met mij den lof des HEEREN aan!