PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 1: De enige troost (serie 1)

Zondag 1 · 21 februari 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 1 (serie 1)

INLEIDING

Deze catechismuspreek over Zondag 1 gaat over de enige troost in leven en sterven: met lichaam en ziel niet meer van jezelf, maar het eigendom van de getrouwe Zaligmaker Jezus Christus, Die met Zijn dierbaar bloed voor alle zonden betaald heeft en verlost van de duivel. Deze troost wordt door de Heilige Geest verzekerd. Drie stukken zijn daarvoor nodig: het kennen van je zonde en ellende, van je verlossing daaruit, en van je dankbaarheid daarvoor.

THEMA

De enige troost

KERNPUNTEN

  1. Wat is die troost?
  2. Wat is er nodig voor die troost?

ZONDAG 1

Vraag 1: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan; ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest
van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

Vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zalig leven en sterven moogt?
Drie stukken.
Ten eerste: hoe groot mijn zonde en ellende zijn.
Ten andere: hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost worde.
En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 1: De enige troost (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 1

THEMA

De enige troost

Gemeente, aan de beurt om te behandelen wat betreft onze Catechismus is Zondag 1. We beginnen, jongens en meisjes, weer helemaal vooraan bij Zondag 1. Bij de zondag die gaat over de enige troost (je zou ook kunnen zeggen: de unieke, de heel speciale troost) in leven en sterven. Lees maar mee in vraag en antwoord 1 en 2 van Zondag 1.

Vraag 1: Wat is uw enige troost beide in leven en sterven? Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar – dat wil zeggen: kostbaar – bloed, voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost heeft, en alzo bewaart dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

Vraag 2: Hoeveel stukken – hoeveel hoofdstukken – zijn u nodig te weten opdat u in deze troost zalig leven en sterven moogt? Antwoord: Drie stukken, drie hoofdstukken. Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde. Ten derde: hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.

Tot zover Zondag 1. Het thema van de preek is: De enige troost

De preek heeft twee punten, en dat loopt parallel met vraag en antwoord 1 en 2. Het eerste punt is: Wat is die troost? Dat ziet u in vraag en antwoord 1. Het tweede punt is: Wat is er nodig voor die troost? Dat ziet u in vraag en antwoord 2. Dus twee aandachtspunten als het gaat om de enige troost: 1. Wat is die enige troost? 2. Wat is er nodig voor die enige troost? Als eerste dus:

1. Wat is die troost?

Immers zo begint ook vraag 1: Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?

Een kind van de Heere heeft iets wat andere mensen niet hebben: een enige, een unieke troost. Want, jongens en meisjes, dat is goed om te weten: in de Heidelbergse Catechismus is degene die antwoord geeft een kind van God. En de meester, de leraar, vraagt hier aan dat kind van God: ‘Wat is uw enige troost?’ Troost? Dat heb je nodig als je verdriet hebt. Als je snikkend en in tranen thuiskomt en naar papa of mama toeloopt, dan zoek je troost, want je hebt verdriet. Er zijn mensen die troost hebben, voor hun verdriet. Er zijn mensen die troost nodig hebben, omdat ze verdriet hebben in hun hart.

Waarom hebben ze verdriet? Je kan om heel veel dingen verdriet hebben. Je bent iets kwijt, of iets heel moois wat je had is stuk gegaan, of er is ruzie thuis, of er is iemand heel erg ziek, of er is iemand gestorven. Je bent er verdrietig om. Dat is verdriet om dingen die je kan aanwijzen. Als papa of mama dan zegt: ‘Waarom huil je?’, dan zeg je: ‘Nou, daarom!’

Het kan ook zo zijn, dat je het niet zo goed weet, waarom je verdrietig bent. Je bent ‘gewoon’ verdrietig, maar je weet eigenlijk niet zo goed waarom. Het kan ook zijn dat je het wel weet, maar dat je niet zo goed weet hoe je het moet zeggen. Misschien durf je het wel niet te zeggen.

Als het in Zondag 1 van de Catechismus gaat om troost, dan gaat het om troost voor een heel speciaal soort verdriet. Om troost voor verdriet in je hart. Ik heb verdriet in mijn hart omdat ik tegen de Heere gezondigd heb, omdat ik de Heere kwijtgeraakt ben.

Ken jij dat ook? Dat wil zeggen: Weet je ook hoe dat is? Heb je daar ook last van? Van dat verdriet, van die droefheid in je hart? Van die vraag die je met betraande ogen stelt: ‘Heere, vergeef me toch al mijn zonden? Hoe komt het toch weer goed tussen U en mijn zondige hart?’ Je kan met die moeilijke vraag alle kanten op. Je kan met de dodelijke ziekte van je zonden overal heen. Maar er is maar één Dokter, Die die kwaal, Die die ziekte kan genezen en die je tranen drogen kan: de hemelse Dokter.

Het gaat vanmiddag in de Catechismus om iemand die dat kent, om iemand die weet hoe dat is, om iemand die weet hoe het is om zulk verdriet in zijn of haar hart te hebben. En hij of zij is tegelijkertijd iemand die ook de troost voor dat verdriet gekregen heeft, en die ons vanmorgen/-middag gaat vertellen hoe gelukkig je dan bent.

Om? Om je jaloers te maken. Jaloers-zijn is meestal niet goed, het is meestal zondig, maar wat dit betreft, wat deze troost betreft en wat een nieuw hart betreft, mag je wel jaloers zijn. Je mag jaloers zijn omdat je hoort en ziet hoe gelukkig iemand is die de Heere dienen mag. Dan mag je bij jezelf en tegen de Heere zeggen: ‘Heere, dat wil ik ook zo graag!’ Hier is iemand die zegt: ‘Zeker, ik had heel veel verdriet (en dat komt later in de Catechismus ook terug), maar de Heere heeft me getroost.’ Hij of zij zegt: ‘Ik zal je

vertellen, en ik doe het graag(!), ik zal je vertellen hoe het is om een kind van de Heere te zijn. Ik zal je vertellen hoeveel troost me dat geeft.’ Wat hier staat is het antwoord van de leerling op de vraag van de meester. En die leerling is een kind van God, iemand met een nieuw hart. Maar, jongens en meisjes, je mag het ook gerust zelf aan een ander kind van God vragen.

Deze vraag: Wat is uw enige troost? De leerling zegt: Dit, dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Dat wil zeggen: ik ben helemaal, met lichaam en ziel, voor altijd, in leven en sterven, niet meer van mezelf, maar van de Heere Jezus Christus, van de Zaligmaker.

Letterlijk staat er: Hem ben ik eigen… Daar moet je eens even over nadenken. Wij zeggen ook weleens zoiets, bijvoorbeeld: ‘Ik ben met die of die, bijvoorbeeld met mijn broer of zus, heel erg eigen.’ Dat betekent, dat je heel veel tegen elkaar durft te zeggen en met elkaar durft te bespreken. Je vertrouwt elkaar, je kent elkaar. Je bent voor elkaar een open boek. Ik denk aan het hoofdstuk waaruit we gelezen hebben, aan Johannes 10. Daar voel je het ook: De schapen zijn eigen met de Herder. De schapen houden heel veel van de Herder, ze zijn verknocht aan de Herder, ze kunnen niet zonder Hem. Je zegt: ‘Zo is het bij mij ook. Ik ben helemaal verknocht aan papa en mama. Ze kennen mij, en ik vertrouw ze helemaal!’ Fijn is dat!

Zo, zegt het kind van God, dat antwoord geeft op de vraag, zo zegt dit schaap van de goede Herder ben ik eigen met mijn Zaligmaker. Ik vertrouw Hem, mijn getrouwe, mijn betrouwbare Zaligmaker, Die altijd doet wat Hij belooft. En: Hij kent mij. Ja, Hij is alles voor mij. Lijkt je dat, jongelui, niet een gelukkig leven? Lijkt je dat niet een geweldig leven? Zou je daar niet jaloers op worden? Of heb je geen tranen om je zonden? Heb je geen troost nodig voor je hart?

De leerling zegt nog meer: Hij, Die getrouwe, Die trouwe Zaligmaker heeft met Zijn dierbaar bloed (dat wil zeggen met Zijn kostbare bloed) voor al mijn zonden volkomen, helemaal betaald. Ja, want daarom(!) moest ik in mijn hart zo huilen: om mijn zonden. Ik had zoveel zonden en schuld. Alles bij elkaar opgeteld, alles bij elkaar opgestapeld, werd die stapel zo hoog als de hemel, hemelhoog. Ik had een hemelhoge schuld. En nu heeft Hij, mijn Zaligmaker, de Heere Jezus (en dat is mijn troost!) alles voor mij betaald. Voor al mijn zonden heeft Hij volkomen betaald.

Hoe? Met de prijs van Zijn kostbare bloed. Je voelt, jongens en meisjes, dit wijst naar het kruis, dit wijst naar Golgotha. De Heere Jezus Christus is gestorven aan het kruis om de zonden van Zijn kinderen. En daarom zegt deze leerling: al mijn zonden zijn betaald. Niet door mij, maar door Hem.

Lijkt je dat, jongens en meisjes, geen gelukkig leven? Lijkt je dat geen geweldig leven? Zou je daar niet jaloers op worden? Of heb je geen last van je zonden? Heb je soms geen betaling nodig voor je hemelhoge schuld? De leerling gaat verder: Hij, die trouwe Zaligmaker, heeft mij ook van alle heerschappij van de duivel verlost. Dat wil zeggen: ik was een gevangene van de duivel. Ik zat opgesloten in zijn gevangenis. Ik zat totaal in zijn macht, in zijn greep. Ik was een gijzelaar van hem, je weet wel, zo iemand die meegenomen is door terroristen. Dat was mijn eigen schuld. Dat kwam door mijn zonden. Want ik was zelf weggegaan van de Heere. Ik had zelf gekozen voor die duivel, die mij, net zoals terroristen dat ook doen, wilde vermoorden. Maar toen, toen heeft Hij, de Heere Jezus mij verlost, uit de macht, uit de heerschappij van de duivel. En nu ben ik voor altijd bevrijd, vrijgemaakt, van die nare, gemene duivel! Lijkt je dat, jongelui, geen gelukkig leven? Lijkt je dat geen geweldig leven? Zou je daar niet jaloers op worden? Of heb je nooit last van de duivel? Of heb je soms geen verlossing nodig?

De leerling gaat verder. Hij zegt: En Hij (die trouwe, die betrouwbare Zaligmaker) bewaart me ook, zodat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet! Mijn Zaligmaker bewaart mij ook. En dat is ook nodig. Want al ben je verlost uit de hand van de vijand, hij wil je weer terugpakken, hij wil je weer opnieuw gevangennemen. Maar, zo zegt de leerling: de Heere bewaart me. Er kan helemaal niets gebeuren, geen ziekte of verdriet, geen twijfel of angst in mijn hart, geen wantrouwen of ontrouw, zonder de wil van mijn hemelse Vader. Je voelt, hier zegt de leerling: door wat de Heere Jezus voor mij deed, ben ik verlost van de duivel en ben ik weer een kind geworden van de hemelse Vader. Lijkt je dat, jongens en meisjes, geen gelukkig leven? Lijkt je dat geen geweldig leven? Zou je daar niet jaloers op worden? Of ben je gelukkig zonder de goede zorg van die hemelse Vader?

Dat geloof ik niet. Want alle mensen in deze wereld zijn van zichzelf uiteindelijk diep in hun hart ongelukkig. Maar de meeste mensen voelen dat niet, ze hebben het niet in de gaten. En dus hebben ze ook geen troost nodig. Zoals mensen die denken dat ze niet ziek zijn, ook geen dokter nodig hebben. Maar, er is meer aan de hand. Het is niet alleen zo dat wij het van onszelf niet voelen, maar wij mensen willen dit van onszelf ook niet! Of wel, jongelui? Want dit: dat ik mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft, dit betekent niet alleen: ik ben eigen met Hem, omdat Hij mij kent, maar het betekent ook: ik ben Zijn eigendom, want Hij heeft mij gekocht. Ik ben Zijn eigendom. En dus ben ik niet meer van mezelf. En dus ben ik geen eigen baas meer. En dat is nu juist iets wat wij, zeker in onze tijd, van onszelf niet willen. We zijn allergisch voor dwang. We willen zelf bepalen wat we willen en doen en zeggen en denken. Ik, de autonome mens, bepaal zelf mijn eigen leven. Ik wil niet het eigendom zijn

van een ander, ik wil mezelf zijn. En dus (voel maar in je hart), is hier diep van binnen protest! Ik wil geen eigendom zijn van een ander, ik wil zelf baas zijn en blijven. En tegelijkertijd zijn we door de diepe ellende van dit leven wel voortdurend op zoek naar geborgenheid, naar houvast, naar aanvaarding en naar troost. Naar troost voor dit leven en naar troost voor bij ons sterven. Want zelf leven, dat (tenminste dat denk je), dat gaat nog wel. Maar alleen sterven? Wie durft dat aan?

En in die ellendige tweespalt, eigen baas willen zijn en toch gelukkig willen zijn en rust willen vinden, in die ellendige spagaat zoeken wij mensen onze verloren bestemming terug. De een doet het in hobby’s en recreatie, de ander in studeren, een derde in zorgen voor anderen, en weer een ander in: een ieder het zijne geven, trouw naar de kerk komen, weleens bewogen zijn onder een preek, of in een hartelijke, eigen gemaakte keus voor Jezus. Maar, lieve mensen, je vindt in al die dingen voor nu en straks geen echte vrede voor je hart, geen werkelijke rust voor je ziel.

Die vind je alleen, als je door God, door Zijn werk in je hart, het onvervreemdbare eigendom geworden bent van Jezus Christus, vrijgekocht van de satan, door de prijs van het kostbare bloed van de Heere Jezus, bevrijd uit de dodelijke wurggreep van de duivel, en voor eens en altijd veilig in de handen van de enige Zaligmaker Jezus Christus.

En als ik dat zeg, dan voelt u: dat geeft pas echte, blijvende troost. Maar u voelt ook: die troost vindt zijn oorsprong niet in iets van onszelf, maar die vindt zijn oorsprong in iets buiten ons: in God, in de Heere Jezus Christus, in het werk van de Heilige Geest.

Lijkt je dat, jongens en meisjes, geen gelukkig leven? Zou je daar niet jaloers op worden? U, gemeente? Uw schuld verzoend, bedekt voor Gods aangezicht en uitgewist met de rode wisser van het bloed van Christus? Verlost van het zware juk van de duivel en van de verslavende macht van de zonde? Geroepen uit de duisternis van de gevangenis van de satan tot het wonderlijke licht van Gods vriendelijk aangezicht? Maar ook als een kwetsbaar schaap van de kudde, altijd, ieder ogenblik bewaard door en gedragen in de armen van de hemelse Herder, genezen door de hemelse Dokter, zoals Jesaja zegt: door Zijn striemen is ons genezing geworden? En nu dient alles tot mijn nut en tot mijn zaligheid. Ook moeite en verdriet, ook moeilijke wegen en omwegen, ook lijden en vervolging, ja, letterlijk: alles!

Want? Hij is van mij? Want? Ik heb Hem gezocht, Hem liefgehad, Hem gekozen? Nee, goed lezen in de Catechismus, het staat er andersom: ik ben Zijn eigendom geworden. Want Hij zocht mij, Hij vond mij, Hij kocht mij, Hij verloste mij en Hij bracht mij terug. En nu mag ik vanwege die genade leven in die troost. Dat is het geluk van al Gods kinderen. In de ervaring van die troost is verschil, maar de kern ervan geldt hen allemaal. Lijkt u dat, gemeente, geen gelukkig leven? Zou u daar niet jaloers op worden?

Waarom jaagt u dan zo naar de dingen van deze tijd? Denk je, jongens en meisjes, dat je troost zult hebben als je ziek wordt of als je sterven moet, van je mooie speelgoed of van je gespaarde geld? Denkt u, gemeente, dat u straks op uw sterfbed troost zult hebben van uw mooie huis, van uw prachtige meubels, van uw nieuwe auto, van uw goedgevulde bankrekening?

Maar ook nu, ook nu hebt u geen troost van alles wat u bezit. Lieve mensen, dit is de enige troost in dit leven vol van moeite en verdriet, als u weten mag: ik ben verlost van de duivel en ik ben van Christus!

En dat is een zekere, een vaste, een onwankelbare troost. Welke stormen er ook over ons leven kunnen gaan. Dit richt in alle moeite en verdriet ons oog omhoog en ons hart hemelwaarts. Wie heb ik nevens U omhoog, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, op aarde nevens U toch lusten? Bezwijkt dan ooit in bittere smart of bange nood mijn vlees en hart, U bent mijn rots, U bent mijn erfdeel, U bent mijn onvervreemdbaar, eeuwig goed. Want? U! U hebt mij gekocht. En daarom ben ik van U! Laten we samen, voordat we verder gaan, dat zingen uit het 13de vers van Psalm 73.

Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bittere smart Of bange nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed. - - - - -

Je zegt: ‘Ja, dat is wel mooi, zo’n troost, maar geeft dat echt blijvend houvast?’ Jazeker, kijk maar in antwoord 1. Daar staat: waarom Hij (dat is de Heere Jezus) mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert. Dus, door het werk van de Heilige Geest krijgen Gods kinderen in dit leven ‘zekerheid van het eeuwige leven’. De een wat meer, de ander wat minder. De een wat meer in het licht, de ander wat meer gehuld in mist en wolken van duisternis. Maar hoe het ook zij, Paulus schrijft in 1 Korinthe 2:12: Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten(!) de dingen, die ons van (die ons door) God geschonken zijn. De Heilige Geest (het is Zijn werk!) maakt deze enige en unieke troost in het hart van Gods kinderen, tot een troost die als het goed is steeds vaster en zekerder wordt. Niet omdat wij steeds vaster in onze schoenen komen te staan, maar omdat God de Heilige Geest het ons steeds meer influistert en ons daar steeds beter naar leert luisteren, hoe vast het ligt in God. Hij is het, Die het Gods kinderen laat zien door het Woord, in het bijzonder door de prediking van het Woord: u bent gekocht, u bent verlost, u bent door

Mijn werk in uw hart het eigendom geworden van Christus. Zoals Paulus zegt: De Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn (Romeinen 8:16).

We mogen die zekerheid ook krijgen door te letten op de kenmerken van degenen die het eigendom geworden zijn van Christus Jezus. Onze Dordtse Leerregels noemen een paar van die kenmerken: het ware geloof in Christus, het kinderlijke vrezen van de Heere, de droefheid die naar God is over de zonde, en de honger en de dorst naar de gerechtigheid van Christus (DL I, 12). Vooral dus, want dat noemt onze belijdenis als eerste, door: het geloof in Christus, door het geloof in Zijn woorden, door het geloof in Zijn beloftewoorden, door het geloof in Hemzelf. Want het geloof leunt op Christus en op Zijn verdienste. Het geloof is werkzaam met de belofte, vindt er troost in, worstelt om de vervulling ervan, en omhelst die. En het is de Heilige Geest die Gods kinderen in die weg innerlijk ervan overtuigt: dit woord, dit beloftewoord is waarheid, niet alleen voor anderen, maar ook voor u.

En daarbij zegt de Catechismus later ook nog: dat elk bij zichzelf uit de vruchten verzekerd mag zijn (Zondag 32, antwoord 86). Met andere woorden: een voorzichtig, teer en heilig leven, in het spoor van Gods geboden en in afhankelijkheid van Gods genade, geeft Gods kinderen meer zekerheid

En het is goed, kinderen van God, om daarnaar te staan. Niet naar meer zelfverzekerdheid, maar naar het van de Heere krijgen van meer vastheid en zekerheid. Om die te krijgen uit Christus, door een leven dicht bij Hem. Door (zoals ik eerder zei): Hem eigen te zijn, door dichtbij Hem te leven, door niet zonder Hem te kunnen. Want Hij is het (zegt de Catechismus), Die mij door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert.

Die vastheid zoeken we buiten onszelf, in Christus, in het leven op Gods beloften, waar we biddend zeggen: ‘Heere, doe toch wat U gesproken hebt.’ Altijd maar weer vragend om vastheid vanuit het Woord. En die vastheid zoeken we in afhankelijkheid van Gods genade, in een heilig leven, gericht op en ten dienste van onze grote Eigenaar, want de Catechismus zegt ook, dat de Heilige Geest Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt, of anders gezegd: De Heilige Geest maakt van harte gewillig en bereid om niet meer voor onszelf, maar voor Hem te leven! Ben ik van mezelf bereid? Van harte gewillig en bereid? Nee, goed lezen: Hij maakt mijn hart gewillig en bereid. Dat doet Hij, dat is allemaal Gods eigen werk.

De enige troost, daar gaat het vanmiddag over. We hebben gezien (ons eerste aandachtspunt) wat die troost is. Dat ik het eigendom geworden ben van mijn enige Zaligmaker.

Nu onze tweede gedachte:

2. Wat is er nodig voor die troost?

Ik lees in vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat u in deze troost zalig leven en sterven moogt? Antwoord 2. Drie stukken. Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde. En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn. Die drie dingen zijn dus nodig. Je hebt deel aan die enige, unieke troost, waar het over gaat in antwoord 1, als je iets kent van deze drie dingen. Het geestelijke leven, zo kan je het ook zeggen, wordt gekenmerkt door drie stukken, door drie hoofdstukken. Dat zijn geen stations die je passeert, dat zijn geen stadia die je overgroeit, maar dat is beleving van het hart, die zich steeds, die zich meer en meer, verdiept.

Natuurlijk, daar zit orde in. Want hoe kan je spreken van vrijlating uit de gevangenis, als je nooit hebt ervaren hoe het is om gevangen te zijn? En waar zou je dan dankbaar voor zijn? Dus is dit Gods gewone orde om te werken, dat Hij ons eerst iets van onze zonden laat zien. Hij bereidt ons voor, Hij dringt ons heen naar het nodig krijgen van de Zaligmaker. Want die gezond zijn hebben de dokter, de medicijnmeester, niet nodig, maar die ziek zijn (Lukas 5:31). Het is Gods gewone orde om ons eerst iets te laten zien van onze zonden, om ons dan te wijzen op de verlossing. Op wat Paulus zegt in Handelingen 4: En de zaligheid is in geen Ander; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden (Handelingen 4:12).

En het is Gods gewone orde om ons daarvoor dankbaar te maken, voor (zoals de Catechismus zegt) zulk een verlossing! Want wat een wonder is dat! Dankbaar zijn, dat is geen blijdschap zondermeer, zo van: Ik ben zo blij, ik ben zo blij, want Jezus stierf voor mij! Nee, het is troost: troost in aanvechting, troost in blijvend zuchten onder mijn zondige ik. En het is leven in hartelijke wederliefde en kinderlijke gehoorzaamheid, in ‘eigen zijn’ aan de goede Herder. Maar, zoals ik al zei, dit zijn geen stations waar een trein voorbijrijdt, zo in de trant van: ‘dit hebben we nu gehad, dit is dus voorbij, want je moet niet altijd bezig blijven met je zonde en ellende, met het bloed van het kruis, of met de dankbaarheid.’

Misschien moeten we het wel zo zeggen, als we dan toch praten over stations, dat de trein rondrijdt. En iedere keer weer als die trein op een van die drie stations stopt, dan zie ik weer meer van…? Van ellende, van verlossing, en van dankbaarheid.

Opdat wij (zo zegt de Catechismus later in antwoord 115): ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen (ons leven lang, hoe langer hoe meer!), en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.

Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden.

Dus, het oprechte geloof kent, blijvend en steeds weer, iets van deze drie stukken, iets van deze drie aspecten. En geloof dat een of twee van deze drie delen mist, is dus niet goed. Daar is dus iets grondig mis mee. Je hoort het in wat Paulus zegt: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen lichaam doods? Hij kent iets van zijn ellende. Maar daar stopt hij niet, hij zegt ook: Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

Hij weet ook van verlossing, door Jezus Christus. Maar ook daar stopt hij niet, want hij zegt ook: Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods… Mijn nieuwe deel, mijn nieuwe mens dient van harte de wet van God. Maar: (Ik dien) met het vlees de wet der zonde (Romeinen 7:24, 26).

Mijn zondige vlees wil nog steeds de zonde dienen. En dus kom ik weer aan bij station 1: ik leer mezelf dieper kennen, verfoeien en mishagen. En dan moet ik steeds weer naar station 2: om de zaligheid buiten mezelf te zoeken. En als ik daar dan weer meer van mag zien en voor mezelf van mag geloven, dan kom ik weer bij station 3. Dan zing ik: Ik zal Uw Naam met dankerkentenis verheffen, U al mijn geloften brengen. En dat, ondanks mijn nog immer zondige hart, dat de zonde maar steeds niet loslaat.

Dit zijn, als het goed is, de drie hoofdstukken van mijn levensboek. Van een boek dat hier op aarde nooit uit raakt, waar ik altijd weer in terugblader, en waar ik me steeds weer en meer over verbaas. Over? Over hoe groot mijn zonden en ellende zijn: zonder grens. Over hoe ik daarvan verlost wordt. Over hoe God daarvoor de weg gebaand heeft: zonder prijs en zonder geld. En over hoe ik daarvoor, nu en altijd danken mag: zonder einde.

De preek is bijna klaar, jongens en meisjes. Het doel van deze zondag van de Catechismus was om je jaloers te maken op het geluk van de mensen die een nieuw hart hebben gekregen, op het geluk van Gods kinderen. Ze zijn helemaal en voor altijd het eigendom geworden van de Heere Jezus Christus. Hij betaalde met Zijn bloed voor hun zonden. Hij verloste ze van de duivel. En Hij zal ze in de toekomst altijd bewaren, wat er ook gebeurt. En daarvan geeft Hij de zekerheid in hun hart. Lijkt je dat geen gelukkig leven, jongelui? Zou je daar, jongens en meisjes, niet jaloers op worden?

Je zegt: ‘Ja, dat zou ik ook wel willen. Maar hoe kan ik ook zo gelukkig worden?’ Door, zoals je met een ziek lichaam naar een dokter gaat, door met je ongelukkige, zondige, doodzieke, ja, dode hart naar de hemelse Dokter te gaan en te zeggen: ‘Heere, genees me, red mijn leven. Geeft U me toch alstublieft een nieuw hart en een nieuw leven?’ Die hemelse Dokter zal je nooit wegsturen. Bij Hem is genezing voor je dode hart. Ga daarom met je zondige hart steeds weer biddend naar Hem toe.

Als je dat echt doet, dan zal je van de Heere een nieuw hart krijgen. De Catechismus noemt de Heere Jezus niet voor niets een getrouwe, dat wil zeggen een betrouwbare Zaligmaker. Hij heeft het Zelf gezegd: Bid en je zult ontvangen, zoek en je zult vinden, klop biddend op Mijn deur, dan zal Ik die opendoen. Zeg dan maar biddend tegen de Heere: ‘Heere, doet u dat alstublieft ook bij mij?’

Amen.

Slotzang Psalm 27:7:

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den HEER, Godvruchte schaar, houd moed: Hij is getrouw, de bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER.