PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 23: Rechtvaardig door het geloof (serie 1)

Zondag 23 · 9 januari 2022

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 23 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus staat de rechtvaardiging door het geloof centraal. Hoewel het geweten de mens aanklaagt dat hij tegen al Gods geboden zwaar heeft gezondigd en tot alle boosheid geneigd blijft, rekent God hem uit louter genade de volkomen genoegdoening en heiligheid van Christus toe. Dit gebeurt zonder enige eigen verdienste, alsof de gelovige zelf nooit zonde heeft gehad of gedaan. Het geloof geldt hierbij als de lege hand waarmee de gerechtigheid van Christus wordt aangenomen om rechtvaardig voor God te staan.

THEMA

Rechtvaardiging door het geloof

KERNPUNTEN

  1. Wat heb je eraan?
  2. Hoe kan het?
  3. Waarom alleen zo?

ZONDAG 23

Vraag 59: Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.

Vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Godszwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Vraag 61: Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?
Niet, dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet ander dan alleen door het geloof aannemen en mij toeeigene kan.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 23: Rechtvaardig door het geloof (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 23

THEMA

Rechtvaardiging door het geloof

Gemeente, de Zondagen over de 12 Artikelen zijn afgerond. Die hebben we allemaal gehad. En nu, jongens en meisjes, komt er in Zondag 23 eigenlijk een hele logische vraag: wat heb je er eigenlijk aan, dat je dat allemaal gelooft?

Misschien hebt u zich, misschien heb jij je dat ook wel eens afgevraagd. Ik kom iedere zondag naar de kerk. U zegt: ‘ik zit hier al jaren, maar: wat heb ik er eigenlijk aan?’ Pijnlijk antwoord, als je moet zeggen: tot nu toe heb ik er eigenlijk helemaal niets aan gehad. De vraag ligt dan wel voor de hand: zit je hier dan wel op de goede manier? Ben je dan wel bezig met de goede vragen?

Het kan namelijk zijn dat je, zittend hier in de kerk, bij jezelf denkt: ik hoop, dat ik in de preek zal horen, hoe ik een beter mens kan worden. Of: ik hoop dat ik in de preek zal horen, hoe ik beter voor God kan gaan leven. Of: ik hoop dat ik wat tips en tricks meekrijg, waar ik de komende week mee vooruit kan, waar ik iets aan heb. Of: ik hoop dat ik door de preek leer om meer godsdienstig leven, waardoor ik uiteindelijk hopelijk een plus heb vergeleken met andere mensen. Een plus voor nu, en een plus voor later, zodat het uiteindelijk misschien voor mij nog een beetje mee zal vallen.

Maar dan zit u toch op een verkeerd spoor. De vorige keer hebben we gezien dat dit leven (en ook het zitten hier in de kerk) voorbereiding is voor wat komen gaat. Voorbereiding voor de dag, dat ik voor God moet verschijnen. Voorbereiding voor de dag, dat ik zal opgeroepen worden door de hoogste Rechter om verantwoording af te leggen van mijn leven. En de enige vraag die er dan toe doet, en waar het hier in de kerk ten diepste om gaat is: hoe zal ik dan rechtvaardig verschijnen voor God? Als je die vraag vergeet, schrijf hem dan thuis maar met dikke viltstift met grote letters op de muur van je kamer. Want die vraag mag je nooit vergeten: hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? Dat is de kernvraag van ons leven.

En dat zien we ook in Zondag 23, de Catechismuszondag die gaat over de rechtvaardiging door het geloof. Laten we die Zondag eerst met elkaar gaan lezen.

Vraag 59: Maar wat baat het u nu dat u dit alles gelooft? Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens. (Eigenlijk gaan vraag en antwoord 59 over de vraag: wat heb je eraan? Wat baat het je?)

Vraag 60: Hoe bent u rechtvaardig voor God? Antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mijn consciëntie (mijn geweten) mij aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter (uit enkel) genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, als had ik (zelf) nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik (zelf) al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem. (Vraag en antwoord 60 gaan over een andere vraag, namelijk deze: hoe kan dat eigenlijk, rechtvaardig zijn voor God?)

Vraag 61: Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent? Antwoord: Niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan. (Vraag en antwoord 61 zou je kunnen samenvatten met een derde vraag: waarom alleen zo? Waarom zeggen we: alleen door het geloof?)

Het gaat, gemeente, in Zondag 23 over de Rechtvaardiging door het geloof. Na alles wat gezegd is in de 12 artikelen (over het geloof in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, over het geloof in de kerk, over de vergeving der zonden) zijn er nu nog drie vragen. Over dat geloof. En dat zijn ook de drie punten van de preek: 1. Wat heb je eraan (aan het geloof)? 2. Hoe kan het (rechtvaardig zijn voor God)? 3. Waarom alleen zo (waarom alleen door het geloof)? Als eerste dus de vraag:

1. Wat heb je eraan?

Wat baat het u, dat u dat allemaal gelooft? Je zou het ook omgekeerd kunnen vragen: wat heb je er niet aan? Dat is duidelijk. Het is geen garantie voor succes, voor een goede carrière, voor voordeel voor de tijd van nu. Het is geen garantie voor gezondheid of voor een leven zonder zorg. Maar het geeft wel een andere garantie. Als ik dat oprechte, dat echte, zaligmakende geloof kennen mag, dan (zo zegt de Catechismus): ben ik in Christus voor God rechtvaardig, en (daardoor ook een kind van God en dus) een erfgenaam van het eeuwige leven.

Hoe dat precies gaat, daar gaat het nu nog even niet over. Dat komt in vraag en antwoord 60. Laten we voor nu maar even kijken de woorden van antwoord 59.

Ik ben, zegt een kind van God. Niet: ik word, maar: ik ben. Dan moet je in gedachten, jongens en meisjes, even terugdenken aan de preek van vorige week. De zaligheid, begint die in de hemel of…? Nee, de zaligheid begint hier op de aarde. Ik ben. Nu, in deze tijd.

Ik ben. Hoe ben ik voor God? En dan goed kijken en goed lezen. Want dit is wonderlijk, wat hier staat. Je vraagt je af: hoe is dit mogelijk? Ik heb gezondigd tegen God. Ik heb de straf van de Heere verdiend. En ik kan voor God niet bestaan. Ik moet zeggen van mezelf: ik ben verdoemelijk, ik ben Uw gramschap, Uw toorn, Uw oordeel ben ik dubbel waard. Ik ben verdoemelijk voor U. Maar, hier staat wat anders. Dit is wonderlijk! Hoe kan dit? Dit kan niet! Ja, dit kan toch. Want er staat:

Ik ben in Christus. Door de band met Hem, door de verbinding met Hem, door het geloof in Hem. Omdat God in mijn leven kwam en mij aan Hem verbond, mij aan Hem vastbond. Omdat God in mijn leven kwam en mij als een klein takje inentte, inplantte in de wijnstok. Daardoor ben ik niet meer verdoemelijk. Daardoor ben ik rechtvaardig voor God geworden. Rechtvaardig, dat wil zeggen het is weer goed, het is weer zoals het was, het is weer recht. Dat wil zeggen: er zit helemaal niets meer tussen. Meer nog, het wil zeggen: ik ben aangenomen tot een kind van God. En daardoor ben ik ook een erfgenaam van het eeuwige leven.

Maar je zegt: hoe kan dat eigenlijk? Dat zegt ook vraag 60: hoe kan dat? Rechtvaardig zijn voor God? Dat is het tweede punt van de preek:

2. Hoe kan het?

Dat rechtvaardig zijn voor God, hoe is dat mogelijk? Om ons dat uit te leggen, laat de Catechismus ons in antwoord 60 iets zien. Eigenlijk laat de Catechismus ons twee dingen zien: wie de mens is, wie ik ben, en Wie God is. En die twee staan lijnrecht tegenover elkaar, die twee staan mijlenver uit elkaar.

De mens, een kind van God. Jazeker, een erfgenaam van het eeuwige leven. En wat zegt die mens? Kijkt U eens, Heere, hoe goed ik ben? Kijkt U eens naar mijn goede dingen, naar mijn goede werken? Ik ga zo graag naar de kerk, ik bid zo graag en ik bid zoveel, ik doe zo ernstig, ik ben zo goed, ik geloof ook zo goed, en ik ben ook zo vrijmoedig, ik vertel zo graag over U? Nee, die mens, dat kind van God, zegt wat anders. En dat, beste vrienden, geeft aan dat er een weg geopend is voor slechte mensen, voor goddelozen, voor vijanden, voor mensen die alles verzondigd hebben!

Als Gods kinderen van zichzelf goede mensen waren, dan was het voor ons allemaal een verloren zaak. Maar wij zijn slecht! En daarom is er ook voor u, hoe oud, hoe ziek, hoe slecht u ook bent, een weg. Een weg van genade voor de grootste van de zondaars.

Want dat kind van God zegt: mijn geweten klaagt me aan. Je geweten, jongens en meisjes, dat is dat stemmetje in je hoofd, dat als je iets gedaan hebt en de meester zegt: ‘wie heeft het gedaan?’, dat stemmetje in je hoofd, dat dan zegt: ‘zeg maar eerlijk, dat jij het gedaan hebt.’ Je geweten, dat is iets dat eigenlijk met je mee kijkt, met alles wat je doet. Je geweten weet alles. Je geweten is dat in je hoofd, wat ‘s avonds als je in bed ligt tegen je zegt: ‘dat, wat je vandaag deed, dat was verkeerd, dat was zonde tegen God.’ Je geweten dat is dat, wat (als je verder terugkijkt, ouderen) tegen je zegt: ‘je hebt je hele leven verzondigd.’

Wij mensen hebben het niet zo op die stem van ons geweten. Je geweten, dat is lastig, dat is vervelend, dat is hinderlijk. En vaak proberen we ook niet te luisteren naar de stem van ons geweten. We duwen het weg en proberen ons geweten het zwijgen op te leggen. De Bijbel zegt zelfs dat er mensen zijn die hun geweten letterlijk dichtschroeien, om daar nooit meer naar te luisteren. Wij luisteren niet graag naar de stem van ons geweten, tenzij…, totdat… God de Heilige Geest juist ook dat geweten in ons aanraakt en wakker schudt. En ons laat zien wat we gedaan hebben! En dan zeggen we met David: mijn zonden zie ik mij steeds voor ogen zweven.

En dat is wat je hier ziet. Hier is een kind van God aan het woord, die zegt: mijn geweten klaagt me aan! Mijn geweten haalt me, (net zoals papa of mama, of de meester of de juf dat doet), mijn geweten haalt me naar voren, en zegt…

Wat zegt dat geweten? Dat ik tegen al de geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb. Je moet het eigenlijk letter voor letter lezen. Ik heb het gedaan. Met andere woorden: niet wijzen naar iemand anders. Ik heb gezondigd. Tegen één? Nee, tegen al Gods geboden. Gewoon gezondigd? Nee, zwaar gezondigd. En het is nog erger: ik ben nog steeds tot alle boosheid (tot alle zonden) geneigd. Dat wil zeggen: de wortel, het begin van alle zonden zit in mijn hart. Dat ik ze allemaal niet doe, dat is Gods beschermende genade. Maar ik ben er wel toe in staat. Kortom: ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, en ik ben Uw gramschap dubbel waardig. En: ik schaar me als kind van God nog steeds en steeds meer bij de grootste van de zondaars.

Dat is taal van een kind van God! Ik ben een zondaar, ik ben zonde. Dat is een andere taal dan de taal van de rijke jongeling. Die zei: ‘ik heb al de geboden precies gedaan, ik heb ze allemaal heel goed onderhouden.’ Maar een kind van God klopt zichzelf niet op de borst. Die zegt niet: ‘kijk eens, hoe goed ik ben.’ Maar een kind van God buigt en zegt en blijft zeggen: ‘Heere, wees mij zondaar genadig.’

Mijn geweten klaagt me aan en zegt me wie ik ben. Ik ben zo slecht en zo zondig. En tegenover mij staat God. En God haat de zonde. Hij kan en wil de zonde niet zien. Want God is heilig. En God vraagt gehoorzaamheid. En als ik ongehoorzaam ben (want Hij is een eerlijke en rechtvaardige Rechter), dan moet Hij mij straffen.

Ik staat tegenover God. En daartussen is een enorme afstand. Daartussen is, zo zeggen we, een diepe kloof, een heel diep ravijn. Het is alsof je aan de kant staat van een brede rivier. Het water staat hoog, de stroom is krachtig en snel. Je kijkt en je zegt: ik kom nooit aan de overkant. Dat kan echt niet. Behalve als er een brug zou zijn. En die is er!

Hoe kom ik aan de overkant? Hoe komt het goed tussen mij, zondaar, en de heilige God in de hemel? De Catechismus zegt in antwoord 60: nochtans God! Dat kan niet! Maar het kan toch. Er is een brug! Hij schenkt mij, Hij rekent mij toe. Het is Zijn werk. Hij doet het! Hij rekent mij toe (antwoord 60): zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter (uit enkel) genade, de volkomen genoegdoening (betaling), gerechtigheid en heiligheid van Christus, als had ik nooit zonde gehad of gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft. Hoe kan het? Hoe kom ik aan de overkant van die onneembare rivier? Dat kan alleen door God. Dat doet God.

Voordat we verder gaan, gaan we samen eerst zingen uit Psalm 32:3 'k Bekend', o HEERE, aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed na ernstig overleg, Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg. Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen; Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

Hoe kan het weer goed komen? Hoe kom ik aan de overkant van die brede en snelstromende rivier? Dat kan alleen door God. Dat doet God. Daar doe ik helemaal niets aan, dan alleen maar mijn lege hand ophouden, om iets van Hem te krijgen. Precies zoals je een cadeau krijgt. Iemand geeft het aan je. Je steekt je hand uit en zegt: dank u wel. Wat doe je dan precies? Je zegt: helemaal niets. Ik krijg iets, ik hoef er niets voor te doen. Ik steek alleen mijn hand uit.

Daar moet je hier aan denken. God geeft Zijn kind… O, wat is dat toch een wonder! ‘Hier, alstublieft: genade, vergeving, vrijspraak. U bent vrij. U hebt de dood verdiend, maar Ik spreek u vrij.’ En dat is genade! Het kan niet, het kan nooit meer goed komen door iets wat ik doe. Dus zegt de Catechismus ook: zonder enige verdienste van mijn kant. Maar God zegt: Ik doe het. Ik geef uit enkel genade. U had de dood verdiend. Maar, en ja, jongens en meisjes, dan gebeurt er iets heel bijzonders.

Het is alsof je voor een rechtbank staat. Hier, op mijn plek, staat de misdadiger. Dat ben ik. Letterlijk ook. En daar, rechts van mij staat een man die ‘geweten’ heet. En die man heeft het boek van de wet in zijn hand. En die wijst naar mij en zegt: ‘Rechter, die misdadiger daar, die heeft al Uw wetten overtreden, die man moet zondermeer de doodstraf hebben.’ En daar, boven mij, staat de hoogste Rechter: God. En wat zegt God? Zegt Hij: ‘voor deze keer zal Ik het door de vingers zien?’

Nee, Hij zegt: ‘Ik geef u, uit enkel genade… Ik laat u ruilen…, eerlijk en rechtvaardig ruilen.’

Daar, links van mij, staat de Borg, de Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. En de Rechter zegt: ‘U hebt al Mijn geboden overtreden. U hebt straf, U hebt de doodstraf verdiend. Maar die straf geef Ik aan Hem, aan Mijn Zoon. En wat Hij deed, Zijn betaling aan het kruis, die krijgt u. U bent altijd ongehoorzaam geweest. Maar Ik zal ruilen. U krijgt Zijn gehoorzaamheid, en al uw overtredingen en ongehoorzaamheid leg Ik op Hem, op Zijn schouders. U bent en u blijft tot alle zonde geneigd. Maar u krijgt van Mij de heiligheid van de Heere Jezus Christus. En zo, Mijn kind, zo maak Ik het goed. Zo doe Ik, wat u nooit meer kon doen. Ik maak het goed. Zo goed, alsof u nooit zonde hebt gehad of gedaan. Ja, als was uzelf in alles gehoorzaam geweest, zoals de Heere Jezus voor u gehoorzaam is geweest.’

Deze Rechter ruilt. Hij straft een Ander, Hij straft de Heere Jezus Christus. In de plaats van Zijn volk. En Hij geeft ze genade, terwijl zij de dood verdiend hebben. En Hij spreekt ze vrij. Luther noemde dat vroeger: de zalige ruil. Ruilen, waar je op aarde al zalig van wordt. Een andere keer hebben we dat genoemd: plaatsbekleding of plaatsvervanging. De Heere Jezus is gaan staan in de plaats van Zijn kinderen.

En dat, jongens en meisjes, is rechtvaardiging of rechtvaardigmaking. Dat wil zeggen, God moest ons wel veroordelen tot de dood. Maar Hij spreekt ons vrij. Hij legt de vloek en het oordeel van ons op de Heere Jezus Christus. En Hij geeft ons genade. En maakt ons zo, op die manier, weer rechtvaardig voor God. Dat wil zeggen: op die manier komt het weer goed tussen de Heere en ons, het wordt weer recht, zodat er niets mee tussen zit.

Hoe dat kan? Omdat het werk van de Heere Jezus Christus voor Zijn volk, voor Zijn kinderen volkomen, volmaakt is geweest. Altijd deed Hij de wil van Zijn Vader, altijd was Hij gehoorzaam. En ook omdat Hij de straf volkomen, dat wil zeggen helemaal gedragen heeft. En dat alles was goed, dat alles was volmaakt in de ogen van Zijn Vader. Paulus schrijft daarover in Romeinen 4:25: Hij, de Heere Jezus Christus, is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

En nu geeft de Heere dat alles aan Zijn kinderen. De Catechismus zegt: God schenkt (dat wil zeggen: geeft) en rekent het hen toe. Bij dat laatste moet je even goed nadenken. Het wil zeggen als de Heere God naar Zijn kinderen kijkt, dan kijkt Hij als het ware eerst naar de Heere Jezus. Dan ziet Hij wat de Heere Jezus heeft gedaan. God ziet Zijn kinderen aan in de Heere Jezus. En Hij kijkt naar het werk van de Heere Jezus, alsof zij dat gedaan hebben. Alsof zij altijd gehoorzaam geweest zijn, alsof zij nooit zonde gedaan hebben en geen straf verdiend hebben. En dan rekent God, dat wat de Heere Jezus gedaan heeft, aan hen toe. Hij schrijft het als het ware op hun rekening. Het was allemaal van Hem, Hij deed het, Hij verdiende het, maar Hij deed het voor Zijn kinderen, en nu krijgen ze het ook van Hem. Het wordt op hun rekening geschreven. Het wordt hun toegerekend.

In zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem, voegt de Catechismus eraan toe. Dat wil zeggen: ik ben alleen zo gelukkig, als ik dat zelf persoonlijk, met een gelovig hart aanneem.

Zo is het, voor ieder kind van God. Als de Heere gaat werken in je hart, als je een nieuw hart krijgt, dan krijg je dit van de Heere: dat God je zonden ruilt voor het werk van de Heere Jezus. Kan je dat dan direct ook allemaal geloven? Nee, meestal niet. Ik zei het net al: je geweten spreekt. Je geweten zegt je, dat je gezondigd hebt tegen God. Je ziet jezelf als zondaar voor de Heere. Je ziet jezelf staan aan de kant van die brede, snelstromende rivier, en je vraagt je af: hoe kom ik ooit aan de overkant? Hoe komt het ooit weer goed tussen God en mijn hart? Totdat de Heere Zelf de Schriften opent, gaat spreken uit de Bijbel. Totdat de Heere Zelf je hart opent en je geloof geeft om te zien. Dat is iets wat God de Heilige Geest doet. En dat is ook een werk van de Heilige Geest dat steeds meer verdiept. In de Bijbel is, als het gaat om de rechtvaardigmaking, geen grond te vinden voor allerlei bijzondere ervaringen. De Heere Jezus Christus, de Christus van de Schriften, openbaart Zich bevindelijk door en vanuit het Woord van de Heere. Hij slaat Zelf een brug voor ons oog, over die onneembare rivier, een brug om terug te keren naar God toe.

Dat is een werk van God in het hart. Een werk dat stapsgewijs doorgaat. De kennis van onszelf verdiept. Ik raak meer en meer alles van mezelf kwijt. En ik word meer en meer geworpen op de genade en barmhartigheid van God. En zo leer ik van de Heere om meer en meer te leven door het geloof in de Heere Jezus Christus, zonder iets van mijzelf.

Zeker, er is verschil in de vastheid, in de zekerheid waarmee kinderen van God dit alles durven geloven. Abraham, zo staat in Genesis 15:6, geloofde God en de HEERE rekende het hem tot gerechtigheid. De vader van de maanzieke jongen riep: ‘ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp.’ En de Kananese vrouw riep uit: ‘Heere, help mij.’ Er is verschil in vastheid, in zekerheid, maar waar het vooral om gaat is deze vraag: of we persoonlijk iets kennen van dat ware geloof! Van dat ware geloof, dat niets leert schrijven op eigen werken, op eigen prestaties, gevoelens en ervaringen. Van dat ware geloof dat naar de Heere Jezus gaat verlangen, in de nood van het leven tot Hem leert vluchten, en dat Hem steeds meer nodig gaat krijgen.

Als je daar aan denkt, mag je ook nog wel even denken aan dat voorbeeld van die brug over een rivier. Je ziet wel eens, als een brug opengaat, dat de brug omhoog gaat, maar aan de andere kant gaan grote en zware gewichten naar beneden. De ene kant gaat omhoog, de andere kant gaat naar beneden. Datzelfde zie je ook bij het werk van de Heere in het hart van Gods kinderen. Hoe meer ik van de Heere Jezus zie, hoe hoger Hij wordt. En tegelijkertijd: hoe dieper ik buig. In mijn hart is er een hartelijk leedwezen dat ik God door mijn zonden vertoornd heb. Ik zeg met Mefiboseth: ‘wat is Uw knecht, dat U omgezien hebt naar een dode hond, zoals ik ben?’ Zalige blijdschap, en tegelijkertijd blijvende tranen. Denk maar aan wat de apostel Johannes zegt tegen de gemeente van Smyrna: Ik weet uw armoede, maar u bent toch rijk.

Wie groter wordt in zichzelf, wie steeds meer bezit, en wie trots en hoogmoedig is, die leeft niet uit het geloof. Wie leeft uit dat oprechte geloof, die wordt minder, kleiner en armer. En zo wordt Christus groter, steeds groter in mijn leven. Van mezelf heb ik niets, maar ik mag alles van Hem, ja ik mag Hem Zelf aannemen met een gelovig hart, met een lege hand.

Dat zien we tot slot nog kort in vraag en antwoord 61. Daar wordt gevraagd: Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent? Antwoord: Niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof voor God aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

Ons derde punt, de derde vraag:

3. Waarom alleen zo?

Waarom alleen door het geloof? Waarom komt het, waarom is het tussen Gods kinderen en de Heere alleen maar goed door het geloof? De Catechismus zegt: niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof aangenaam ben voor God. Niet omdat de Heere zegt: zo, jij kan goed geloven! Jij bent goed bezig! Nee, we blijven mensen (zoals staat in antwoord 60) die tegen al de geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden hebben, en nog steeds tot alle boosheid geneigd zijn.

We blijven zondaar. Zondaar, en toch heeft de Heere het goed gemaakt. Zondaar en toch gerechtvaardigd.

Niet door mijn prestaties, maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan. Mijn gerechtigheid voor God, waardoor het weer goed gekomen is, waardoor ik voor God kan staan. Is dat iets wat ik doe? Ik geloof, ik werk, ik bid, ik getuig, ik voel, ik ervaar? Nee, het is en blijft Christus alleen. En niets en niemand anders daarbij. Combineren, mengen, samen doen, het is allemaal onmogelijk! Dan is het geloof geen geloof meer.

Zelfs mijn geloven, dat ik dat doe, dat is mijn redding niet. Het geloof is eigenlijk alleen maar als de lege hand van een bedelaar. Wat doet die hand? Die doet helemaal niets. Die zegt eigenlijk alleen, zonder woorden: ik heb niets. Ik ben verloren. Ik heb gezondigd. Ik ben het niet waard. Maar, diezelfde hand neemt aan wat van Christus is. Dus heb ik geen eigen gerechtigheid, maar die van Hem. Dus heb ik geen eigen goedheid en gehoorzaamheid, maar ik krijg die van Hem.

Gemeente, een andere weg is er niet. Het is Jezus (Hij wordt alles en ik niets), het is Jezus of je hebt helemaal niets.

Hoe sterk ik dat als kind van God durf te geloven, daarin is verschil. Wanneer heb je een groot geloof? Als je met de Kananese vrouw uitroept: ‘Heere, help me.’ En als je tegelijkertijd heel diep buigt en zegt: ‘ik ben het niet waard.’ U hebt gelijk: ik hoor er niet bij, ik heb geen recht, ik ben een onreine hond. Maar ik klem mij vast (met een lege hand van geloof) aan U, aan Uw Woord. ‘Want de honden eten toch ook van de brokjes, die er vallen van de tafel van hun heren?’ De Heere geve ons, meer en meer alles van onszelf te verliezen, diep, dieper, ja, op het diepst te buigen en als zondaar te leven van de genade en rechtvaardigheid die in Christus Jezus is.

Amen. Slotzang Psalm 130:4

Hoopt op de HEERE, gij vromen; Is Israël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun gebeden, Gans Israël eens vrij Van ongerechtigheden; Zo doe Hij ook aan mij.