PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 24: Goede werken (serie 1)

Zondag 24 · 16 januari 2022

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 24 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus staat de onmogelijkheid centraal dat onze goede werken de gerechtigheid voor God kunnen zijn. Omdat Gods gerechtigheid volkomen gehoorzaamheid aan de wet eist, worden ook de beste werken in dit leven door zonde bevlekt. Wel beloont God de goede werken van Zijn kinderen, maar dit geschiedt niet uit menselijke verdienste, doch louter uit genade. Ten slotte spoort deze genadeleer niet aan tot een goddeloos leven, want wie door het geloof in Christus ingeplant is, brengt noodzakelijk vruchten van dankbaarheid voort.

THEMA

De goede werken

KERNPUNTEN

  1. Het tekort van onze goede werken
  2. Het loon van de goede werken
  3. De bron van de goede werken

ZONDAG 24

Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?
Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

Vraag 63: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

Vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?
Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 24: Goede werken (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 24

THEMA

De goede werken

Gemeente, je zou denken, na die uitgebreide Zondag 23, die gaat over de rechtvaardiging door het geloof: het is nu wel helder. Hoe wordt een mens rechtvaardig voor God? Hoe komt het weer goed tussen God en de mens? Alleen zo: zonder verdienste van ons, uit enkel genade, alleen om de Heere Jezus wil. Maar Zondag 24 gaat nog even verder met dit onderwerp. In Zondag 23 ging het om de vraag: hoe ben ik wel rechtvaardig voor God? Hoe kan het wel? In Zondag 24 gaat het eigenlijk om het tegenovergestelde: hoe kan het niet? En die vraag heeft alles te maken met hoe wij reageren op Zondag 23. Wij zijn geneigd om te zeggen: ‘ja, maar…’, wij zijn geneigd om te zeggen: ‘hoe zo?’. Kijk maar, jongens en meisjes, de drie vragen van Zondag 24 beginnen met die tegenvraag: ‘maar…’? en ‘hoezo…’?

We lezen samen Zondag 24 over de goede werken.

Vraag 62. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Antwoord. Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn. (Je zou dit kunnen samenvatten als: het tekort van de goede werken.)

Vraag 63. Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen? Antwoord. Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade. (Dit antwoord gaat over het loon van de goede werken.)

Vraag 64. Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Antwoord. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. (Dit antwoord gaat, zo zou je kunnen zeggen, over de bron van goede werken, over: waar ze uit voortkomen.)

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: De goede werken We letten samen op drie aandachtspunten. Op: 1. Het tekort 2. Hun loon 3. Hun bron Als eerste dus:

1. Het tekort van onze goede werken.

‘Maar…’, ‘hoezo…?’ Je proeft (en je voelt dat wel mee in je eigen hart), er is iets in Zondag 23 dat irriteert. Vraag 62 is een vraag van protest, een vraag waar je verzet en irritatie in voelt. Ik doe zo mijn best, ik heb mijn leven lang al zo mijn best gedaan…, hoezo?

Je hebt 40 jaar gewerkt. Je wordt ontslagen. Je zit tegenwoordig thuis. Alsof het allemaal niets is wat je gepresteerd hebt… Je hebt je leven lang als moeder gezorgd voor je kinderen. En nu doen ze alsof je niet meer bestaat. Je voelt je weggezet, je voelt je aan de kant geschoven, uitgeschakeld. Je voelt je niet meer meetellen. En dat steekt. Dat irriteert.

Het steekt, het irriteert, als je je leven lang je best gedaan hebt om netjes te zijn, om je best te doen, om naar de kerk te gaan, om goed te luisteren en in het rechte spoor te blijven. Maar de reactie van God is: jammer, dat telt allemaal niet mee.

Ja, want zo zit ons hart in elkaar: ‘voor wat, hoort wat’. Ik doe iets, prima, maar ik zie er wel graag iets voor terug. Ik zoek een baantje. Zeker ik wil hard werken. Maar een van de eerste vragen die ik stel is wel: hoeveel schuift het? Want als ik mijn best doe, dan wil ik ook wat verdienen ook, natuurlijk!

En daar heeft Zondag 23 een streep door gehaald. Dat is uitgesloten. Door goede werken komt het nooit meer goed met God.

Maar zo gemakkelijk willen we dat niet opgeven. Dus is er nu een kritische tegenvraag. Een vraag die jullie, jongens en meisjes, misschien ook wel vaak stellen aan je vader of moeder. Niet? ‘Hoezo niet? Waarom niet?’

Waarom telt het allemaal niet mee? Vraag 62 zegt: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Antwoord: Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

a. Het eerste wat de catechismus eigenlijk doet, is ons voor een andere spiegel zetten. We kijken meestal in de spiegel naar onszelf en zijn geneigd om te denken: ik heb het aardig met mezelf getroffen. Kijk eens wat ik allemaal doe! Maar de catechismus zegt als het ware: kom, ik zet u op een andere plaats. Ik plaats u voor (zo staat het er letterlijk), voor Gods gericht. Met andere woorden: kom voor God staan.

Ja, zo kan je er in theorie over denken en over praten. Maar dat is ook wat de Heilige Geest doet, als Hij werkt in ons hart. Hij leert ons iets van God. Kom maar voor God staan. En voor Zijn heilige wet. God is heilig. Helemaal goed, zonder zonde. Hij kan en wil geen zonde zien. En dan is er ook nog Gods heilige wet. Die gehoorzaamheid vraagt aan al Gods geboden. Niet zomaar een beetje gehoorzaamheid, maar de catechismus zegt: gans volkomen, helemaal volkomen, voor 100% gehoorzaam.

Het is alleen maar goed in Gods oog als je iedere dag, jaar in jaar uit, je volmaakt, voor 100% gehouden hebt aan al Gods geboden. Als je nooit iets verkeerds gedaan, gedacht of gezegd hebt. Altijd 100% gehoorzaam. Je verdient een 10.

Je zegt: nee, ik verdien geen 10, maar ook geen 3… Je zegt: was een 7 nu maar genoeg, dan redde ik het wel. Je zegt: nee, een 7 zal ik niet redden, maar een 5 misschien wel… U zegt: nee, ik ben beter. Ik kom wel aan een 9½. Maar een 10? Nee, dat red ik toch net niet. Maar, als je echt wilt staan voor God, voor de heilige en rechtvaardige God, dan moet je voor 100% volmaakt en heilig zijn. Dan moet je een 10 hebben. Anders moet je weg. Zoals Paulus dat schrijft in Galaten 3:10: Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

Dat kan je weten in theorie, daar kan je over denken en over praten, maar de Heilige Geest leert dat vooral bevindelijk in het hart. Als Hij werkt in je hart, leert Hij je zien tegenover Wie je staat. Wie voor je staat. En wie je zelf bent, en wat je zelf verdient.

b. Want dat is het tweede wat de Heilige Geest leert. De Heilige Geest leert je ook anders naar jezelf kijken. En als je dan naar jezelf kijkt, dan trekt de catechismus alvast de conclusie voor je: onze beste werken in dit leven zijn allemaal onvolkomen en met zonden bevlekt.

Onze beste werken. Dat je zo goed je best doet op school, dat je zo goed luistert naar het Bijbelverhaal, dat je zo goed je best doet om je tekst en je psalmversje te leren… Dat je zo graag naar de kerk gaat, en dat je zo graag uit je Bijbel leest en zo veel bidt… Dat u zich zo inzet voor de kerk, voor zieken, voor mensen met zorgen en problemen…

Dat u zo netjes bent in uw levensstijl. U geeft geen aanstoot, u roddelt niet, u leeft niet in de zonde… Dat u iets hebt leren kennen van uw ellende en verlorenheid. En dat u daar zo mee rondloopt en daar zo over tobt… Dat u weleens vertroost en bemoedigd bent… Maar, Heere, schuift u dat dan allemaal aan de kant? Telt dat niet mee, of zo? Hoezo niet? De catechismus zegt: het is onvolmaakt en met zonden bevlekt.

Het lijkt voor ons oog zo wit als sneeuw. Het ziet er allemaal zo mooi uit. Maar God kijkt er anders tegenaan. Als sneeuw op de grond ligt, jongens en meisjes, dan lijkt het zo mooi, zo prachtig, zo helder wit. Maar als je goed kijkt, dan is er altijd wel iets, wat die witte deken vies maakt. En hoe wit dat mooie tafellaken thuis ook is, je hoeft het maar één dag te gebruiken en je ziet het…: er zitten vlekken op. Met zonden bevlekt… Te vies om beet te pakken…

Wat doet de catechismus hier? Ik moet het anders zeggen: Wat doet de Heilige Geest als Hij werkt in ons hart? Dit: Hij plaatst ons voor God. En dan zie ik: ik kan voor Hem, voor de heilige God niet bestaan. En (en dat is het tweede) Hij pakt al die goede werken van mij beet, legt ze op Zijn weegschaal en schrijft het resultaat op de muur van mijn hart: ‘gewogen, gewogen, maar te licht bevonden’.

Onbruikbaar! Je hebt er niets aan. U zegt: geef het dan maar snel terug. Het is niks, maar dan houd ik het toch liever zelf. Dan heb ik tenminste nog iets. Nee, zegt de Heilige Geest, Ik zal het anders zeggen: het is niet alleen onbruikbaar, het is niet alleen zo dat het niet meetelt, het is meer dan dat: alles van u is door en door doortrokken van de slechtheid van uw zonden. Het is met zoveel zonden gemengd: onvolkomen en met zonde bevlekt. Je wordt met je goede werken als betaalmiddel niet alleen teruggestuurd, maar je wordt met je valse bankbiljetten ook opgepakt!

Je denkt, dat je een streepje voor hebt. Maar God zet er een streep door en keurt het af. En zegt, door middel van Jesaja: Al uw gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (64:6). Je beste werken, waar je diep in je hart wel een beetje trots op bent, het zijn vieze en vuile vodden. In ons oog een galakostuum, maar in Gods oog waardeloos vuil.

Ja, ik begrijp dat de leer van vrije genade, zonder iets van ons, zonder onze werken, ik begrijp dat die leer heel veel verzet oplevert. En ik weet en ik zie dat ook in mijn eigen hart. Want ik wil zo graag dat God mij goed keurt. Maar ik word afgekeurd. Ik wil zo graag meedoen, ik wil zo graag meewerken, samenwerken met God. Maar ik word aan de kant gezet.

Ik wil zo graag iets bijdragen. Maar het loopt uit op mijn veroordeling.

En als ik dan zo door de Heere vernederd word, en als ik daar dan in mijn hart tranen over moet huilen, en als ik dan heel veel ga bidden en de Heere gaan zoeken, dan… Dan zeg ik misschien wel tegen de Heere: ‘Heere, maar wacht, nu heb ik iets anders! Dit is beter, dit is oprecht gemeend: mijn liefde, mijn tranen, mijn gebeden…’

Antwoord? ‘Nee!’ Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. Onverbeterlijk bent u. Afgekeurd. Dan wordt het aan je eigen kant een verloren zaak. Het is kwijt. Er is geen doen meer aan. Niets aan op te knappen, niets meer aan te vullen of te herstellen.

Hoe moet het dan verder? Als ik voor God niet kan bestaan? En als alles, alles wat ik heb echt waardeloos is? Ik heb geen 10 verdiend, geen 9½, geen 7, geen 4, maar een 0. Ik heb in alles overtreden.

Dan blijft er maar Eén over. Hij, die zijn ziel Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders(!) is geteld geweest, en veler zonden gedragen heeft en voor de overtreders(!) gebeden heeft (Jesaja 53:12). Nooit heeft de Middelaar, nooit heeft de Heere Jezus meer geschitterd, dan in de ogen van zulke zondaars. Nooit heeft de koperen slang meer geschitterd, dan in de ogen van dodelijk gebeten zondaars. Die zichzelf gingen zien in Gods oog, en die alles van zichzelf kwijtraakten.

Dan krijgt de Heere Jezus zoveel waarde voor je ziel. Een Borg, Iemand Die wil staan, nee, niet in de plaats van iemand die goed zijn best gedaan heeft en die misschien wat hulp nodig heeft. Maar een Borg, Die wil staan in de plaats van een arm en verloren mens, die alles verzondigd heeft.

O, zie toch op Hem, verloren mensen, met je verzondigde leven en je goddeloze hart. Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Om goddelozen te rechtvaardigen. Om vijanden met God te verzoenen. Hij is de Man, die met een zuiver hart en met reine handen de berg des Heeren opgeklommen is. Hij is Degene, Die voor God verschenen is, voor en in de plaats van mensen die daar door eigen schuld nooit meer toe in staat waren. Laten we daar samen eerst van zingen uit Psalm 24:2. Wie klimt den berg des HEEREN op? Wie zal die Godgewijde top, Voor 't oog van Sions God, betreden? De man, die, rein van hart en hand, Zich niet aan ijdelheid verpandt, En geen bedrog pleegt in zijn eden.

Zondag 24 gaat over de goede werken. We hebben gezien het tekort van onze goede werken. Nu in de tweede plaats:

2. Het loon van de goede werken

Weer zo’n maar-vraag, weer zo’n hoezo-vraag Vraag 63 vraagt: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen? Antwoord: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

Dit antwoord gaat over het loon van de goede werken. Met andere woorden: u zegt wel dat die goede werken voor ons niets opleveren, maar God zegt toch in de Bijbel, dat Hij ze beloont? Zie je nu wel, je hebt er best wel wat aan! Lees maar in Genesis 15: 1: Vrees niet, Abram! Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. Kijk maar in Psalm 19:11: In het houden van die (van Uw geboden) is grote loon. Denk ook maar aan Markus 10:29-30: En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil, of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Moet je kijken, dat is nog eens loon: het eeuwige leven! Dus blijkbaar dragen die werken toch wel een steentje bij.

Maar de catechismus kent die Bijbelteksten wel, maar leest ze anders. De catechismus zegt: die beloning gebeurt niet uit verdienste, maar uit genade. Je moet hierbij, jongens en meisjes, een beetje denken aan de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard, die de Heere Jezus vertelt in Mattheüs 20. De eerste werkers in de wijngaard gaan ‘s ochtends vroeg aan de slag. Ze krijgen voor een dag werken een penning. Laten we zeggen: 20 euro. Dat is het afgesproken loon voor een dag werken. Later komt de baas terug naar de markt en vraagt hij nog meer mensen om te werken. Dat doet hij om twaalf uur, om drie uur, om zes uur, en zelfs nog een keer om acht uur ‘s avonds. Je zegt: die laatste, die heeft maar piep eventjes gewerkt. Eén uurtje. Dus, eerlijk is eerlijk, die krijgt 20 gedeeld door 10, dat is 2 euro.

Maar tot zijn verbazing krijgt die man, net als de mannen die de hele dag gewerkt hebben, ook 20 euro. Heeft hij dat verdiend? Nee, maar hij krijgt het wel. En dat komt alleen maar door de vriendelijkheid van die baas. Dat was geen verdiend loon. Maar dat was, zo zou je dat kunnen zeggen: genade-loon.

Maar, hoe zit dat nu met Gods kinderen? Doen ze dan toch goede werken, die iets verdienen? Misschien dan toch een klein beetje?

Ja, ze doen goede werken. Maar, jongens en meisjes, je moet even goed met me meedenken. Wie doet die werken eigenlijk? Want we hebben eerder gezien dat wij, en dat geldt ook voor Gods kinderen, niet in staat zijn om iets goeds te doen. We zijn geneigd tot alle kwaad. Wat zij doen, wat zij doen aan goede werken, dat krijgen ze en dat hebben ze gekregen van iemand Anders. Van de Heere Jezus Christus. Dat zegt Paulus ook letterlijk in Filippenzen 2: 13: Het is God, die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.

Dus: Wie werkt? Wie doet goede werken? God, de Heilige Geest. De Geest van de Heere Jezus Christus. Dat Gods kinderen goede werken doen, dat komt door Hem. Dat is Zijn werk in hen. Hij doet het. En Hij is de enige die kan zeggen: Ik verdien loon. Ik verdien loon om wat Ik doe in hen. En wat is nu de genade? Hij verdient dat loon, en Hij geeft het aan Zijn kinderen.

Denk nog even aan een andere tekst in Openbaring 14: 13. Daar staat: En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. Hun werken volgen met hen. Dat betekent hun werken wordt beloond. Krijgen de gestorven kinderen van God dan loon voor hun werken? Ja, dat staat hier wel. De Heere Jezus wijst eerlijk naar het tekort van hun werken als Hij zegt: als je alles gedaan hebt wat je moest doen (en dat heb je niet), dan nog, ben je een onnutte dienstknecht. Maar toch krijgen ze loon. Omdat de Heere Zelf dat loon verdient. Hij verdient voor die werken, die Hij in Zijn kinderen gewerkt heeft, en Hij geeft dat loon aan hen: genadeloon.

Nu is er nog één derde ‘maar’. Dat zien we bij het derde punt van de preek

3. De bron van de goede werken

De catechismus vraagt in vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Het antwoord is: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Dit antwoord gaat over de bron van goede werken, de bron waar ze uit voortkomen.

Stel je nu voor dat het echt zo is…! Dan maakt het misschien helemaal niet meer uit, wat je doet…! Je kan gewoon lekker doen waar je zin in hebt. Gewoon je eigen leventje leven. Je kan jezelf toch niet verbeteren, en het is toch allemaal slecht, en het telt toch allemaal niet mee. Nou, dan kun je gewoon zondag naar de kerk komen, ernstig en serieus doen daar,

en doordeweeks gewoon je eigen dingen doen. Leven zonder God, en doen wat je wilt. Want het maakt toch allemaal niet uit! Leven als een zorgeloos en een goddeloos mens. Of, en dat is een andere variant, als ik dan toch van genade leven mag, dan kan dat ook wel zonder de wet. Die heeft dan geen enkele waarde meer. Dan mag ik ook lekker doen waar ik zelf zin in heb.

Zorgeloos. En, de catechismus ziet het goed, ook: goddeloos. Want dat kan niet. Dat is uitgesloten. De Heere Jezus zegt immers: iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend; je plukt geen vijgen van een doornstruik, en je snijdt geen druiven van een bramenstruiken. Die goede vruchten groeien niet aan prikkende doornstruiken of bramenbossen. Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.

Aan een druif kunnen alleen maar druiventrossen groeien. Aan een appelboom alleen maar appels. Als de wortel van de boom of struik goed is, dan komen er vanzelf ook de goede en de juiste vruchten aan. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. En ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen (Mattheus 7:18-20)

Op een goede wortel, aan een goede stam, komt vanzelf goede vrucht. De wortel, de stam, dat is de Heere Jezus Christus en Zijn werk. Dat hebben we gezien en zondag 23. Gods kinderen zijn ingeplant, ingeënt in die stam, in die boom. En dus dragen ze vrucht. Vrucht die zijn bron vindt in die goede stam, in die goede wortel. Daar komt het allemaal vandaan.

Als je geen vruchten ziet aan een boom, dan is het foute boel. ‘Zo zult u dan dezelve aan hun vruchten kennen’. Van alle kenmerken van het genadeleven met God, is dit het meest heldere kenmerk. Mooie woorden kan je nog napraten, een indrukwekkend bekeringsverhaal kan iedereen vertellen, emoties kunnen bedrog zijn. Maar de vruchten van een nieuw leven dat is een onbedrieglijk kenmerk van genade.

Als je leven zonder vruchten is, dan is je geloof dood. Als je leven verkeerde vruchten draagt, is de wortel verkeerd. Toon mij uw geloof (laat die aan mij zien!) uit uw werken, zegt Jakobus (2: 18). Als je de Heere God dient, dan is dat echt te merken, te horen en te ruiken.

Denk maar aan wat er gebeurt op de pinksterdag. Daar zijn twee soorten mensen.

Daar zijn mensen die de grote werken van God verkondigen. Zij dragen goede vruchten. Anderen lasteren en roddelen. Zij dragen kwade, verkeerde vruchten. Als zij zeggen: die mensen zijn dronken, die zijn vol van zoete wijn.

Het is onmogelijk, zegt de catechismus, dat als je ingeplant bent in de nieuwe stam, in de nieuwe wijnstok Heere Jezus Christus, dat je dan geen vruchten draagt van dankbaarheid. Dat is eigenlijk een soort van heilige vanzelfsprekendheid. Als je de Christus hoort, dan zijn er vruchten van dankbaarheid, dor de verbondenheid met Hem. Zegt de Heere Jezus dat niet zelf in Johannes 15? Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn (Joh. 15:4-8).

Dan is er iets van liefde tot God, liefde tot Zijn dienst en tot Zijn Woord, liefde tot Zijn dag en tot Zijn kinderen. Liefde tot de naaste. Dan is er iets van deze vruchten, zoals Paulus ze noemt in Galaten 5:22: blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

We kijken nog één keer terug naar de laatste twee zondagen. Zondag 23 heeft ons gezegd dat we door onze eigen werken nooit zalig kunnen worden. Het gaat om vrije en onverdiende genade. Met andere woorden: wees niet wettisch. Denk niet dat je het eeuwige leven kan verdienen. Zondag 24 vertelt ons dat je geen kind van God kan zijn zonder te leven in dankbaarheid. Met andere woorden: wees niet anti wettisch. Denk niet dat je God kan liefhebben en tegelijkertijd je eigen leven kan leiden!

Wat als je God liefhebt, dan is dit echt de dubbele belijdenis van je hart: Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen. Het is alleen maar om Uw vrije gunst en genade. Dat was zondag 23. En dan zegt je hart tegelijkertijd (en dat is zondag 24): Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan. Uw wet is al mijn vermaking. Ik zal u hartelijk liefhebben Heere, mijn Sterkte.

Amen.