Zondag 22 · 2 januari 2022
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 22 (serie 1)
INLEIDING
In deze preek over Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus staat het blijde vooruitzicht van de gelovige centraal. Direct na dit leven wordt de ziel van de gelovige opgenomen tot Christus, haar Hoofd. Bij de wederkomst wordt ook het lichaam door Zijn kracht opgewekt en gelijkvormig gemaakt aan Zijn verheerlijkt lichaam. Wie nu al het beginsel van de eeuwige vreugde in het hart kent, zal na dit leven volkomen zaligheid bezitten om God eeuwig te prijzen.
Het blijde vooruitzicht
ZONDAG 22
Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?
Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?
Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 22
THEMA
Het blijde vooruitzicht
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, soms lijkt het alsof het leven voor altijd door zal gaan. Soms lijkt het alsof we hier altijd zullen blijven. Totdat we, ook als gemeente, ineens weer opgeschrikt worden door de dood. Totdat we ineens weer indringend bepaald worden bij wat de Bijbel zegt: Het is de mensen gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Ooit zal onze levensweg, die we allemaal op dezelfde manier begonnen zijn (een mens geboren uit een mens) eindigen. We zijn allemaal op dezelfde manier geboren, maar we zullen op tweeërlei manier eindigen. Ooit allemaal gelijk begonnen. Maar aan het eind gescheiden, de schapen van de bokken, degenen die aan de rechterhand van de Heere staan, en degenen die aan Zijn linkerhand zullen staan. Sommigen van ons zullen horen: ‘Kom, gezegenden van Mijn Vader, u die de minste van Mijn broeders niet veracht hebt.’ Anderen, aan Zijn linkerhand, zullen horen: ‘Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is.’ Kijk vooruit, gemeente! Aan welke kant zult u dan staan?
Wat zal op die dag beslissend zijn? Wat bepaalt ons uiteindelijke einde? Zijn dat onze laatste woorden? Is dat het feit dat we goed en voorbeeldig geleefd hebben en daar tevreden op kunnen terugzien? Is dat het feit dat vader of moeder, opa of oma kind van God is geweest? Nee, lieve mensen, dan geldt er maar één ding. En dat bepaalt of u binnen komen mag of dat u voor eeuwig buiten zult moeten staan. Het enige wat dan geldt is: of er in uw leven, hier op aarde, een band met Christus is geweest. Het gaat alleen maar goed, als je hier op aarde kan zeggen: het leven is mij Christus. Dan is sterven winst. En anders, welke schatten je ook meent te hebben, anders wordt sterven eeuwig verlies. En dat het daarom en alleen daarom gaat, om die geloofsband met Christus, dat is ook duidelijk te zien in antwoord 57, het antwoord op de eerste vraag van Zondag 22, die wij nu eerst met elkaar zullen gaan lezen.
Vraag 57. Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus
opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Vraag 58. Wat troost schept u uit het artikel van het eeuwige leven? Antwoord: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.
Het thema voor de Catechismuspreek over Zondag 22 is: Het blijde vooruitzicht We letten samen op twee aandachtspunten: 1. De opstanding van het lichaam 2. Het eeuwige leven Als eerste dus:
Want, zo vraagt vraag 57: wat troost geeft u de opstanding des vleses, de opstanding van het lichaam? Wij mensen zoeken troost. Op de meest verdrietige momenten van het leven zoeken we troost. Als onze man of vrouw, onze vader of moeder, als je broer of zus, je opa of oma overleden is, dan zitten we bij elkaar. Onze harten huilen en onze woorden zijn eigenlijk niet goed in staat om elkaar te troosten. Deze wereld, waar wij met onze geliefden wegsterven, is een wereld vol van tranen. En, als je dan zo bij elkaar zit, dan merk je dat wij mensen niet in staat zijn om elkaar echt te troosten. Ja, papa en mama kunnen je tranen wel wegvegen, maar in je hartje blijven tranen. En iedereen kan zeggen wat hij wil, maar je man, je vrouw, je kind, je broer of zus, je opa of oma is niet meer.
U zegt: ‘Is er dan echt helemaal geen troost?’ Troost in dit leven? Ja, dat is misschien nog wel voor te stellen. Maar troost bij en in het sterven? Is er troost, als de laatste adem van onze geliefden wegsterft? Als aardse banden breken?
Kan er wel echte troost zijn? Als onze geliefden sterven? Als we zelf sterven moeten? Jazeker, dat kan! Maar daar, juist op die momenten blijkt het grote verschil. Is er, terwijl aardse banden breken, iets van de wetenschap en van de troost, dat ik in (zo begon ooit de Catechismus), in leven en sterven het eigendom van Christus ben, die mij gewassen heeft door Zijn kostbare bloed? Als je iets van die wetenschap en troost kent, dan is het goed. Dan mag je echt zeggen: het leven was mij Christus, het sterven is nu winst. Dan zeggen we tegen onze geliefden: ‘Vaarwel, we zullen je missen, maar het is goed.’ Als je zo sterft, dan is het goed. Al moet je dan misschien wel door diepe wateren, al moet je dan ook door het dal van de schaduw van de dood, maar die band die God gelegd heeft in je leven, die blijft. Die band maakt dat God je nooit zal loslaten.
Maar als je die band niet hebt, dan is alles verloren. Dan is alles kwijt. Dan is het te laat. Ik kan u geen troost bieden, als ik aan uw sterfbed sta en u weet niet wat genade is. Ik kan u geen troost bieden, als ik aan uw sterfbed sta en u zelf niet bidden wilt: ‘wees mij zondaar genadig, Heere.’ En er zal voor u nooit meer troost zijn, als u uit de mond van de Heere horen zult: ‘gaat weg van Mij!’
De liefelijkheid van het zalige hemelleven, dat is eeuwig bij God te zijn. Maar de wanhoop van de hel, dat is eeuwig verlaten te zijn door de gunst en de goedheid van God. O, word toch wakker, lieve mensen, voordat u sterven moet! U hebt een Borg, een Middelaar, een Zaligmaker nodig. En zonder dat, zonder Hem loopt het echt verkeerd met u af!
Maar, voor wie de Heere vreest, is er veel, heel veel troost. Daar gaat het over in vraag en antwoord 57. Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Een vraag die gaat over het elfde artikel van de 12 Artikelen, die we samen bezig zijn te behandelen. Wat voor troost krijgt u uit dat geloofsartikel? Twee dingen noemt de Catechismus dan. Als eerste: dat mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, en het tweede: Dat mijn vlees, dat is mijn lichaam, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weer met mijn ziel verenigd en aan het heerlijke lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
De band met Christus is beslissend. Wie in Hem is en sterft, die wordt van stonde aan, die wordt direct opgenomen, gedragen door de engelen in de schoot van Christus. Zelden gebeurt het dat die band gelegd wordt op een sterfbed. Dan ben je te zwak, te moe, te ziek. Hier, in je leven, in je gezonde dagen moet je Hem leren kennen, moet je door Gods hand aan Hem verbonden worden. In je gezonde dagen moet je in de nood van je leven tot Hem vluchten en aan Hem verbonden worden. Dan is de dag van onze dood (jazeker!) vernederend. Want de dood is er vanwege onze schuld en vanwege onze zonden. Maar dan is de dag van onze dood ook bevrijdend. Want met Christus te zijn, dat is verreweg het beste.
Van stonde aan (direct) opgenomen. Zoals de arme Lazarus, die veracht werd door heel veel mensen, maar die door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham. Geen indrukwekkende begrafenis op de aarde, maar wel een wonderlijke hemelvaart. Opgenomen tot het Hoofd, het Hoofd van de Kerk. Die daar zo naar verlangt. Die dat Zelf gezegd heeft in Johannes 17:24Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld. Christus zal ons verwelkomen. ‘Daar is’, zo zegt Samuel Rutherford, ‘het welkom thuis van Christus voor arme zondaars. Ze komen allemaal met een betraand gezicht vanwege de zonde
en de strijd van dit leven. En Christus ontmoet hen aan de deur met een zachte, witte doek in Zijn hand. Hij veegt hun gezichten schoon en zegt: ‘wees maar stil, Mijn lieve kinderen, je hoeft nooit meer te huilen’.’
De ziel direct opgenomen tot Christus. Maar het gaat niet alleen om de ziel. Zeker, die is onsterfelijk en die blijft. Maar het gaat ook om het lichaam. Hoewel het sterft en gebroken wordt. Want de mens die is gekocht door het bloed van Christus, is gekocht naar ziel en lichaam.
En daarom zegt de Catechismus ook, in de tweede plaats: mijn vlees, mijn lichaam, zal door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weer met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig worden. Dat lichaam van een kind van God, dat hier afgebroken is, vermagerd en uitgeteerd, dat uiteindelijk weergekeerd is tot stof, vernederd, geschonden in het graf (want zo was het niet bedoeld, dat komt door ons!), dat lichaam, zal op die dag, wanneer de graven opengaan, opstaan! Datzelfde lichaam zal opstaan, maar het zal toch anders zijn: ongeschonden, verheerlijkt, zonder ziekte, zonder gebrek en zonder enige zonde. Door de kracht van Christus aan Hem gelijkvormig zoals Paulus zegt in Filippenzen 3:21Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.: Hij zal ons vernederd lichaam veranderen, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam. Gelijkvormig, dat wil zeggen: van dezelfde vorm, zoals Zijn lichaam is.
Wie worden er opgewekt? Alle mensen. Voor ons mensen is dat onbegrijpelijk en onnavolgbaar. Maar God zal het doen. Alle mensen zullen opstaan: kleine kinderen die in de moederschoot gestorven zijn, alle mensen die begraven zijn, maar ook alle mensen die verdronken zijn in het water, die omgekomen zijn in oorlogen en bij rampen. Ook alle mensen die zich hebben laten cremeren, ook al is hun as misschien uitgestrooid boven de zee. Er komt een dag, zo schrijft Johannes in Openbaring 22, dan zullen de doden, klein en groot staan voor God. Allemaal opgewekt uit de dood. Twee soorten van mensen, met twee soorten van lichamen. Wie aan Christus verbonden is, die zal opstaan met een vernieuwd, verheerlijkt lichaam. Maar wie niet aan de Heere Jezus Christus verbonden is geweest, die zal opstaan (zo zegt de Bijbel) tot eeuwig afgrijzen. Niet met een verheerlijkt, maar met een weerzinwekkend lichaam.
Maar blij vooruitzicht, voor al Gods kinderen: opgenomen tot Hem. In de dag der dagen, met lichaam en ziel, gelijkvormig aan Hem. Zonder enig gebrek, zonder lijden. Hij zal alle tranen van onze ogen afwissen. Vooral die tranen, die we huilen in ons hart, omdat we altijd maar weer tegen God zondigen. We willen het niet, maar we doen het toch. Maar dan is het voorbij. ‘In deze wereld (zo vervolgt Samuel Rutherford) veegt Christus ook de tranen weg van Zijn kinderen. Maar daarna huilen ze opnieuw. Voor het uur van het sterven veegt Hij nooit alle tranen weg. Maar wanneer wij Christus ontmoeten in de hemel, dan zal Hij ons optillen en alle tranen afvegen en ons hoofd in Zijn schoot leggen.’
Mensen, dit is de enige troost in leven en in sterven. Als u het eigendom bent van Christus, zal Hij dit met u doen: u opnemen in heerlijkheid, u dragen in Zijn schoot en al de tranen van de ogen afwissen.
Maar (nee, duw de gedachte daaraan niet weg!), er is ook een ander einde. Tegen anderen zal Hij zeggen (het doet me pijn om het te zeggen, maar ik waarschuw u!): Doch deze, Mijn vijanden, die niet gewild hebben dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood (Lukas 19:27Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.). Voordat we verdergaan met onze twee gedachte, zingen wij nu eerst Psalm 68:2.
Maar 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hun wens verkrijgen; Hun blijdschap zal dan, onbepaald, Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, Ten hoogste toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft Hem eren; Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakke velden rijdt; Zijn naam is HEER’ der heren.
Ons tweede aandachtspunt:
We lezen samen nog een keer vraag en antwoord 58: Wat troost schept u uit het artikel van het eeuwige leven? Het antwoord zegt: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.
Het gaat opnieuw over troost. Wat is uw enige troost in dit leven, dat zo vol is van moeite en verdriet? En dan worden er weer twee dingen genoemd. Als je een kind van God bent, dan heb je een saai, zwaar en zwartgallig leven? Nee, er bestaat geen groter misverstand dan dat! De Catechismus zegt (en dat is het eerste): als kind van God gevoel ik nu (nu!) het beginsel (het begin) van de eeuwige vreugde in mijn hart! Een begin van de hemelse vreugde en blijdschap. Dat is het leven van een kind van God op aarde! U hebt mij, Heere, in mijn hart meer vreugde gegeven, dan anderen smaken in deze tijd.
Wat is dan die vreugde? Wie is dan onze blijdschap? Het is Christus. Denk maar aan wat de apostel Petrus schrijft in 1 Petrus 1:8-9Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde; Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.: Denwelken gij
niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. Het is een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, een vreugde en blijdschap door het geloof in Christus.
Wat geeft me dan die blijdschap? Wat houdt die blijdschap dan in? Dit: dat ik weten mag, dat ik door Zijn werk, door Zijn leven en door Zijn dood, Zijn eigendom geworden ben. En dat maakt ons, jongens en meisjes, op deze aarde al zalig. Het is niet zo, dat we op aarde onze eigen zin doen, en dat we dan aan het einde van ons leven nog net gelukkig de hemel kunnen binnengaan. Nee, we leven op aarde, als het goed is, met God. Het is waar, als ik dat zeg, dan bonkt mijn geweten en zegt: je doet nog zoveel zonden, je dwaalt nog zo vaak op eigen wegen, je zou veel meer moeten bidden en zo veel meer de eer van God op het oog moeten hebben. Het is waar. Daar is ook nog onze oude mens, die het goede niet wil doen, die nog zo overhelt naar de zonde. Maar, dat andere is er ook! Door God geplant en door de Heere gegeven: een nieuw leven, wat maar één ding wil, en wat maar één ding zegt, namelijk: het is mij goed nabij God te zijn. En: U zult mij leiden door Uw raad, op deze aarde, dwars door alle moeite en zorg heen, en straks, daarna, zult U mij in heerlijkheid opnemen. En als we daar aan denken, dan zeggen we: ‘hoe groot is het goed, Heere, dat U weggelegd hebt voor degenen die U vrezen.’
Dat leven met de Heere, dat is een leven dat ons blijdschap geeft. Vaak dwars door onze tranen heen. Want in ons hart, in ons leven is er ook een strijd. Een strijd tegen de zonde, tegen de wereld, tegen de duivel, en vooral ook tegen ons eigen zondige hart. Maar dat is maar één kant. Er is ook de andere kant: dat leven met de Heere op aarde is zo goed! Ik zou het, jongens en meisjes, voor geen goud op de aarde willen missen. Je mag me alles geven, maar ik zal het niet aanpakken. Dit is veel beter: het is ons goed om nabij God te zijn. Om te bidden, om te lezen, om met de Heere te leven. Als Hij door Zijn Geest en Woord tot ons komt, als Hij onze harten en onze ogen opent, als Hij ons de Schriften opent, als Hij ons laat zien: Mijn leven en Mijn dood, Mijn gehoorzaamheid en Mijn kruis, dat alles was voor u. Dan is er vreugde en vrede en blijdschap in ons hart!
Nee, niet als een soort van losse emotie. Niet in de zin van: o, wat ben ik toch blij, super, ik krijg er echt een kick van, het is geweldig! En dan achteraf heb je de kater: was dat nu alles? Nee, dit is een blijdschap die achteraf nooit zuur wordt. Dit is een blijdschap die blijft.
Maar, waarom ben je dan blij? Dan moet je eigenlijk, jongens en meisjes, een beetje terugdenken aan het paradijs. Aan Adam en Eva. Die verheugden zich in, die hadden blijdschap in God. Waarom? Omdat ze nooit zondigden. Er was in het paradijs een volmaakte harmonie, een heerlijke en hemelse vreugde. Maar dat ging stuk. Adam zondigde en wij met hem.
Maar nu is er een nieuwe blijdschap. Denk bijvoorbeeld maar aan de boodschap die de engelen brachten aan de herders in de velden van Efratha. Er staat in de Bijbel: ‘de engel zeide tot hen: vrees niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids.’ Dat is onze blijdschap. Dat we met ons hart en leven vol van zonde en tekort, van Hem horen. Dat we horen, dat we tot Hem mogen vluchten, dat we Hem mogen zien, dat we Hem mogen ontmoeten in de prediking van het Woord, in de bediening van de sacramenten. En als we Hem dan mogen ontmoeten, dan roepen we uit: Hij is onze liefste, Hij is blank en Hij is rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. Het leven met de Heere is, ondanks onze zonden en het verdriet daarover, een leven van vreugde en blijdschap. Om God, om Zijn goede dienst, om Zijn genade voor zulke slechte mensen.
Maar er is ook blijdschap in ons leven omdat we de Heere graag willen dienen. Onze zonden maken ons verdrietig en soms troosteloos. Maar als we door de genade van de Heere mogen gaan in het spoor van Gods geboden, dan geeft dat ons ook blijdschap.
Als je kijkt naar Psalm 119, dan kom je er ook steeds diezelfde twee dingen tegen. Aan de ene kant dit: mijn ziel kleeft aan het stof, maak mij levend, Heere. Ik heb zoveel last van mijn zonden, van mijn oude hart. Dat is de oude mens. Maar tegelijkertijd is er ook dat andere: ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen. Dat is de taal van de nieuwe mens. Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse van mijn vreemdelingschappen.
Op de plaats van mijn vreemdelingschappen. Daar proef je ook nog iets anders in. Dit: ik ben, o Heere, een vreemdeling hier beneden. En ik verlang naar… Ja, juist die gebreken, die zonden doen ons ook verlangen. Naar? Naar het tweede wat de Catechismus zegt, naar de tijd na dit leven. Naar de dag dat ik volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensenhart is opgeklommen, en dat om God daarin eeuwig te prijzen. Het leven is mij Christus. Hij is me alles geworden. Maar sterven is mij gewin, is winst. Dat is het blijde vooruitzicht dat mij streelt. Ik ben geen mens van deze wereld. Ik ben hier niet thuis. Daar, daarboven is ons thuis.
En hoe het daar is, dat is met geen woorden te beschrijven. Daar is volkomen zaligheid. We waren al zalig, maar dan is het volmaakt, dan is het volkomen. Maar verder zijn er geen woorden voor. Geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord en in geen mensenhart is het opgeklommen. Wat de inhoud is van wat de dichter zingt: ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen.
In? In de hemel. Wat doe je daar eigenlijk? Zingen? Dus als je niet kan zingen, of als je niet van zingen houdt, dan heb je een probleem?
Nee, je kan het beter anders zeggen. De Catechismus zegt het ook anders. Wat doe je in de hemel? Eeuwig God prijzen.
En dan heb je een ander probleem. Wanneer? Als je dat hier op aarde niet wilt, niet doet en daar niet naar verlangt. En als je hier op aarde alleen maar leeft voor de dingen van de aarde, voor netjes, voor degelijk, voor de buitenkant, zonder een hartelijk en intens verlangen om God en Zijn eer te bedoelen. Dan heb je straks een probleem. Als je hier op aarde de zonde gediend hebt, en niets kende van vergeving, van genade, van verzoening, van vernieuwing en van de heiligheid van een nieuw leven. Dan heb je straks een probleem. Dan pas je niet in de hemel. De hemel zou een ramp voor je zijn. Je zou het er niet uithouden.
En… je mag er ook niet binnen. Bedenk, lieve mensen, voor mensen die hier op de aarde de zonde gediend hebben, is daar, daarboven geen plaats. Voor mensen die hier op aarde tevreden waren met zichzelf, met hun bidden, met hun liefde, met een ijver, is daar, hierboven geen plaats.
Daar komen alleen die mensen, die hier gezucht hebben onder de last van hun zonden en schuld, onder hun niet overeenkomen met de heiligheid van de Heere. Mensen die hier hebben leren zoeken, hebben leren verlangen, hebben leren roepen om genade voor een goddeloos mens. Mensen die hier ook iets van de zalige blijdschap geleerd hebben van dat ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven’. Terwijl ze ondertussen bleven zuchten onder hun oude mens. En terwijl hun nieuwe mens steeds meer brak met dat oude leven. Maar dan is het voorbij! Onze blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van Gods aanzicht straalt ten hoogste toppunt stijgen. Nee, u hoeft niet te treuren, u hoeft niet te huilen aan het sterfbed van een kind van God. Ja, ik snap het jongens en meisjes, je mag huilen van verdriet als je iemand kwijtraakt van wie je heel veel houdt. Maar toch zeg ik, gemeente, om ons hoeft u niet te huilen! De dag van onze geboorte was een blijde dag. Op de dag van onze nieuwe geboorte werd er gezongen door de engelen in de hemel. En op de dag van ons huwelijk met Christus vertrekken wij uit deze wereld. Als hier onze adem stokt, begint hierboven onze stem te zingen. We zullen eeuwig met de Heere zijn. Zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.
Eeuwig zingen, eeuwig vertellen van het onbegrijpelijke van Gods goedertierenheden. We zullen eeuwig de kronen werpen aan de voeten van het Lam. En we zullen uitroepen, wat staat in Openbaring 5:12Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.: het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en de rijkdom en de wijsheid en de sterkte en de eer en de heerlijkheid en de dankzegging! Die hier met tranen zaaien, zullen dan met gejuich maaien. Want als ons leven echt Christus is, dan is ons sterven echt gewin!
Amen.
Slotzang Psalm 4:4
Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven, Dan anderen smaken in een tijd, Als zij, door aards geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd. Ik zal gerust in vrede slapen, En liggen ongestoord ter neer; Want Gij alleen, mijn schild en wapen, Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen, HEER'.
Andere preken over Zondag