PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 29: Tekenen van brood en wijn (serie 1)

Zondag 29 · 15 mei 2022

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 29 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 29 van de Heidelbergse Catechismus worden de tekenen van brood en wijn behandeld. Het brood en de wijn veranderen niet wezenlijk in het lichaam en bloed van Christus, zoals ook het doopwater niet in bloed verandert. Wel noemt Christus het brood Zijn lichaam en de beker Zijn bloed om te leren dat Zijn gekruisigde lichaam en vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn voor het eeuwige leven. Bovendien verzekeren deze zichtbare tekenen gelovigen door de werking van de Heilige Geest dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid hun zo zeker eigen zijn als hadden zij zelf voor hun zonden genoeg gedaan.

THEMA

De tekenen van brood en wijn

KERNPUNTEN

  1. Wat de tekenen niet zijn (vraag en antwoord 78)
  2. Wat de tekenen wel betekenen (vraag en antwoord 79)

ZONDAG 29

Vraag 78: Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus?
Neen; maar gelijk het water in den Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassing der zonden zelf is (waarvan het alleen een Goddelijk waarteken en verzekering is), alzo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelf, hoewel het naar den aard en de eigenschap der Sacramenten het lichaam van Christus Jezus genaamd wordt.

Vraag 79: Waarom noemt dan Christus het brood zijn lichaam en den drinkbeker zijn bloed, of het nieuwe Testament in zijn bloed, en Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?
Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzo ook zijn gekruisigd lichaam en zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden te verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk zijns waren lichaams en bloeds door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen met den lichamelijken mond tot zijn gedachtenis ontvangen, en dat al zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wijzelf in onze eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 29: Tekenen van brood en wijn (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 29

THEMA

De tekenen van brood en wijn

Gemeente, wij overdenken met elkaar vanmiddag Zondag 29 van onze Heidelbergse Catechismus. Twee vragen en twee antwoorden die opnieuw gaan over de betekenis van het sacrament van het Heilig Avondmaal. Laten we die vragen en antwoorden eerst samen gaan lezen.

Vraag 78. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus? Antwoord. Neen; maar gelijk het water in de Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassing van de zonden zelf is (waarvan het alleen een Goddelijk waarteken en verzekering is), alzo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelf, hoewel het naar de aard en eigenschap van de Sacramenten het lichaam van Christus Jezus genaamd wordt. (Dit antwoord zegt ons eigenlijk: wat het brood en de wijn niet zijn.)

Vraag 79. Waarom noemt dan Christus het brood ‘Zijn lichaam’ en de drinkbeker ‘Zijn bloed’, of ‘het Nieuwe Testament in Zijn bloed’, en Paulus ‘de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus’? Antwoord. Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden te verzekeren dat wij zo waarachtig Zijns waren lichaams en bloeds door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen met de lichamelijke mond tot Zijn gedachtenis ontvangen; en dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wij zelf in onze eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg gedaan. (Dit antwoord zegt ons wat de tekenen van brood en wijn wel betekenen.)

Het thema voor de preek is: De tekenen van brood en wijn

En de twee punten van de preek zijn: 1. Wat ze niet zijn (vraag en antwoord 78) 2. Wat ze wel betekenen (vraag en antwoord 79)

Eerst even iets anders, jongens en meisjes. Wat gebeurt er eigenlijk aan het Heilig Avondmaal? Je snapt, het is niet gewoon een plek om te eten en te drinken. Daarom zegt Paulus ook: dat doe je thuis maar (1 Korinthe 11: 22). Je moet het maar eens vragen aan een kind van de Heere. Aan pappa of mamma, aan opa of oma, of aan een oudere broer of zus van je. Ik denk dat ze zullen zeggen: ‘Het brood en de wijn, dat proeft als gewoon brood en als gewone wijn. En dat is het ook. Maar aan het Heilig Avondmaal doet de Heere, doet de Heilige Geest iets in ons hart. Hij geeft ons hart (dat zoveel last van de zonde heeft, waardoor ik het vaak niet snap en niet weet: Heere, is Uw genade, is Uw werk wel voor mij? Dat zou zo groot zijn! Maar zonder Uw genade kan ik ook niet leven, mijn hart hongert en dorst naar U!), de Heere geeft ons hart daar, door de tekenen van brood en wijn: geloof, nieuwe kracht, troost en moed, en ook meer zekerheid. Dan mogen we het weer echt geloven: het is ook voor mij. Ik heb het gehoord, gezien, geproefd. De Heere Jezus is ook voor mijn zonden gestorven aan het kruis.’

En dat is iets wat gebeurt in ons hart. Ons hart heeft honger en dorst naar de Heere Jezus Christus. En Hij komt geestelijk tot ons, en geeft ons te eten en te drinken. Je weet wel, net als bij Elia de profeet, die zo moedeloos onder de jeneverboom in de woestijn zat. Toen de Heere hem aantikte en zei: ‘Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel (te zwaar) zijn’ (zie 1 Koningen 19: 7). De Heere komt geestelijk naar ons toe, Hij komt tot ons hart, en geeft ons geestelijk te eten en te drinken. Daar gaat het eigenlijk over in Zondag 29. Over wat dat betekent: geestelijk eten en drinken. Niet vergeten om er thuis nog eens naar te vragen... Eerst ons eerste aandachtspunt, over

1. Wat de tekenen niet zijn (vraag en antwoord 78)

Over wat de tekenen niet zijn, over wat er niet gebeurt aan het Heilig Avondmaal. Want vraag 78 zegt: worden dan brood en wijn echt het lichaam en bloed van de Heere Jezus Christus? Is dat soms wat er gebeurd? Veranderen dat stukje brood en die wijn in de beker? Wordt dat echt vlees en bloed? Net als bij de Heilige Doop: verandert het water van de Heilige Doop in het bloed van de Heere Jezus Christus? Je zegt: ‘nee, ik kijk altijd goed, maar dat heb ik nog nooit gezien.’ Dat klopt ook. Brood en wijn worden niet het vlees en bloed van de Heere Jezus Christus. Maar zo noemen we het wel. Dat zegt ook het antwoord van de Catechismus, antwoord 78: het brood in het avondmaal (wordt) niet het lichaam van Christus Zelf, hoewel het naar de aard en de eigenschappen van de sacramenten (wel) het lichaam van Christus wordt genoemd.

Denk maar even aan thuis. Je hebt thuis een foto van opa. Je zegt: ‘dat is opa. Maar hij is het niet echt.’

‘Nee,’ zeg je, ‘maar dat zeggen we altijd van een foto.’ Brood en wijn worden geen vlees en bloed, ze zijn niet echt vlees en bloed. Maar zo zeggen we dat bij de sacramenten, zo noemen we dat. Want zo zei de Heere Jezus het Zelf ook (het is ons zojuist aan ons voorgelezen) in Johannes 6:55: Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.

Je zegt: ‘eigenlijk hebben we het daar de vorige keer ook al over gehad. Dit lijkt een beetje hetzelfde: nee, het is niet echt vlees en bloed, maar het is een teken en zegel van.’ Waarom geeft de Catechismus hier zoveel aandacht aan?

Dat komt omdat er vroeger, in de tijd van de Reformatie, heel veel gepraat werd over dit onderwerp. Want iedereen dacht er niet hetzelfde over. Er waren de rooms-katholieke mensen, die zeiden: ‘brood en wijn worden echt anders. Dat wordt echt vlees en bloed, hoewel je dat met je ogen niet kunt zien.’ Toen kwam de Reformatie. Maar de mensen van de Reformatie waren het niet helemaal met elkaar eens. Luther (je kent die naam wel) zei: ‘brood en wijn worden geen vlees en bloed. Er verandert helemaal niets aan. Maar het gaat er in het Avondmaal om, dat de Heere Jezus Christus er is, dat Hij aanwezig is. En, Hij is ook met Zijn lichaam aanwezig, hoewel we Hem niet zien.’ Zwingli, een andere dominee van de Reformatie, zei: ‘nee, dat kan niet. De Heere Jezus is hier niet meer op de aarde. Maar juist omdat Hij er niet meer is, juist omdat Hij afwezig is (niet aan-wezig, maar af-wezig), daarom denken we in het Avondmaal aan Hem. Het is een maaltijd van denken aan, van herinnering, van gedachtenis.’

Calvijn zei het anders, en zo zegt de Catechismus, en zo zeggen wij het ook: Lichamelijk, met Zijn lichaam, is de Heere Jezus niet meer op de aarde. Maar bij het Heilig Avondmaal is Hij wel aanwezig. Maar dan niet met Zijn lichaam, maar geestelijk, als God, met Zijn Godheid. In geestelijke zin is Hij het Hoofd, de Gastheer van de tafel. Dus is het meer dan ‘denken aan’, dus is het meer dan alleen maar ‘herinneren’. Er gebeurt echt meer bij het Avondmaal: Hij, de Gastheer van de tafel, de Heere Jezus Christus geeft ons, Zijn kinderen, daar geestelijk te eten en te drinken.

Waarom vertel ik dit nu allemaal? Het is ook nog niet zo gemakkelijk ook, wat ik vertel. Nou, omdat ook in onze tijd er verschillende, en ook verkeerde ideeën zijn over het Heilig Avondmaal. Er zijn mensen die zeggen: het is gewoon een gezamenlijke maaltijd. We vieren herinnering aan Jezus, we denken aan Hem, maar Hijzelf is er niet meer. Anderen zeggen: je doet het gewoon, je hebt belijdenis gedaan, nou, dan ga je gewoon aan het Heilig Avondmaal. Ik eet gewoon, ik drink gewoon, en verder helemaal niets bijzonders. Maar dat is eigenlijk even erg mis als de roomse mis, die in de volgende Zondag een vervloekte afgoderij wordt genoemd.

Want, tekenen veranderen niet in vlees en bloed, maar de Heere Jezus Christus is er wel! Hij is geestelijk aanwezig! En waar het om gaat in het Heilig Avondmaal is, dat wij Hem zien. Met een oog van geloof, in ons hart: Jezus Christus, de Gekruisigde. Want Hij is de Gastheer van de tafel. Hij richt de tafel toe (zoals staat in Psalm 23). En Hij buigt Zich naar een hongerig en dorstig hart. Hij heft ons hoofd omhoog, en doet ons Zijn gunst aanschouwen. Want Hij geeft ons geestelijk te eten en te drinken.

Genoeg over wat de tekenen niet zijn. Dat was onze eerste gedachte. We gaan snel door naar het tweede punt:

2. Wat de tekenen wel betekenen (vraag en antwoord 79)

Want vraag 79 zegt: Waarom noemt dan Christus het brood ‘Zijn lichaam’ en de drinkbeker ‘Zijn bloed’, of ‘het Nieuwe Testament in Zijn bloed’, en Paulus ‘de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus’? Met andere woorden: Het wordt toch wel zo genoemd? Door de Heere Jezus Zelf en ook door de apostel Paulus? En dan volgt er een heel lang antwoord. Een antwoord wat je eigenlijk in twee stukken moet knippen. En dat gaan we ook doen. Het begint met: de Heere Jezus heeft dat Zelf, heel bewust gezegd. Niet zonder grote oorzaak, dat betekent: Hij had er alle reden toe. Namelijk, en dan volgt het eerste gedeelte van een hele lange zin: niet alleen om… En een eindje verder begint het tweede gedeelte van die lange zin: maar veel meer om… Er zijn dus twee redenen om het wel zo te noemen: Het brood Zijn vlees, de wijn Zijn bloed.

Eerst de eerste: namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden.

Ons leven heeft onderhoud nodig: voeding, eten en drinken. Dat geldt ons tijdelijke leven, ons lichaam, maar dat geldt ook een levend hart, een levende ziel. Als je levende lichaam niet eet en drinkt, dan wordt het langzaam zwak, later ziek, en uiteindelijk sterft het. Als het hart, als de ziel van een geestelijk levend mens (dat is een kind van God, iemand die een nieuw hart gekregen heeft) niet geestelijk eet en drinkt, wat gebeurt er dan? Dan gaat het ook niet goed. Dan zou dat nieuwe leven uiteindelijk ook ziek worden en sterven.

Trouwens, als jij een dag niet eet, dan zeg je al snel: ik krijg honger, ik heb dorst. Je ziet aan plaatjes van vluchtelingen in deze tijd, wat echt honger en dorst hebben betekent. Bij leven hoort, als je niet direct eet en drinkt, honger en dorst.

En dat is ook zo bij geestelijk leven, als de Heere je een nieuw hart geeft. Als de Heere je ogen opent, en je je zonden laat zien. Als Hij je overtuigt van je zonden,

en Hij je laat zien dat je de Heere hebt verlaten, dat je met Hem gebroken hebt en al Zijn geboden hebt overtreden. En Hij je laat zien dat je daardoor zoveel schuld hebt voor God, en dat je die zelf niet kan betalen. Dan krijg je honger en dorst. Naar? Naar vergeving. Het is hetzelfde als wanneer papa of mama heel erg boos op je is. Dat maakt je heel erg verdrietig. Je zegt: ‘ik hoop zo erg, dat het weer snel goed komt, maar hoe moet het eigenlijk, ik weet niet hoe het moet.’ Je zou kunnen zeggen: dan heb je ook honger, naar… dat het weer goed komt, honger naar ver-zoen-ing (je kent dat woord nog wel), naar een zoen van papa of mama. Als een teken dat het weer goed is.

Zo is het ook als de Heere werkt in je hart. Je zegt: ‘het moet weer goed komen met de Heere, maar hoe? Ik heb zoveel kwaad gedaan. Het zou niet raar zijn als de Heere nooit meer naar me zou luisteren. Maar toch: ik kan, ik wil niet zonder de Heere verder leven.’ Je gaat zoeken. Je gaat vragen naar vergeving, naar verzoening. Je krijgt echt honger en dorst naar vergeving, je krijgt honger en dorst naar God Zelf. Net als de dichter van Psalm 63, van wie we samen gezongen hebben. Net als de dichter van Psalm 42, van wie we nu eerst samen gaan zingen. Uit Psalm 42, vers 1 en 7.

't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’; God des levens, ach, wanneer Zal ik naad'ren voor Uw ogen, In Uw huis Uw naam verhogen?

O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Menigwerf heeft Hij uw druk Doen verand'ren in geluk; Hoop op Hem, sla 't oog naar boven; Ik zal God, mijn God, nog loven.

Gemeente, als de Heere ons ontdekt aan onze zonden, als Hij ons die laat zien en wij die gaan kennen, dan komt er (zo zei ik) honger, dorst in ons hart naar God. Honger en dorst naar vergeving, naar verzoening. Zelf kan ik het nooit meer goedmaken. Ja, ik probeer het wel, maar het lukt niet. En de Heere laat me zien: Het gaat ook echt nooit lukken. Ik kan het niet zelf! Dan komt er (dat doet de Heere) honger naar vergeving van buiten ons, door Iemand anders. Aan die honger en die dorst moet je denken als de Heere Jezus zegt: ‘Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid’, naar Mijn gerechtigheid. Naar Mijn vergeving, naar Mijn verzoening.

Er komt honger in het hart, in een berouwvol hart naar God en naar de Heere Jezus Christus.

Voor zulk soort van mensen, daar is het Heilig Avondmaal voor. Niet voor mensen die zeggen: ‘ik deed belijdenis, ik geloof, dus ik ga.’ Niet voor mensen die zeggen: ‘ik heb voor Jezus gekozen, dus ga ik.’ Niet voor mensen die zeggen: ‘het is gewoon brood en het is gewoon wijn, dus waarom niet?’ Nee, er gebeurt bij het Heilig Avondmaal iets heel bijzonders. Daar komt de Heere Jezus Christus persoonlijk, geestelijk tot ons, om de harten van Zijn hongerige en dorstige kinderen te eten en te drinken te geven. Denk maar aan Psalm 132: 10: Ik zal (zegt God) Sions, Ik zal der armen spijs, hier zegenen op de ruimste wijs. Denk maar aan wat de jonge Maria zong: ‘Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.’ (Lukas 1: 53). Het Heilig Avondmaal is voor geestelijk armen. Geestelijk rijken, mensen die hun buik vol hebben (met hun eigen werken, hun eigen liefde, hun eigen geloof, trouw en belijdenis) die hebben helemaal geen trek, die hebben helemaal geen honger. Waarom zou je dan naar een maaltijd komen?

Gemeente, als u geen honger, als geen dorst kent. Als uw hart nooit overtuigd is van uw verlorenheid, zonde, schuld, vijandschap en goddeloosheid (ja, u weet het wel met uw verstand, maar als u dat bevindelijk nooit hebt leren kennen). Als het nooit nood geworden is in uw leven, omdat u het zag en geloofde: ik sta schuldig voor God, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Gaat u dan alstublieft niet aan het Heilig Avondmaal.

Je komt niet aan het Heilig Avondmaal om je eigen keus, liefde, trouw en geloof te belijden. Het formulier van het Heilig Avondmaal zegt: wij belijden, jazeker, wij belijden! Dit! Dat wij midden in de dood liggen en daarom het leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken. Dat wij eeuwig onder de toorn van God hadden moeten verzinken. Dat wij alle gerechtigheid en gehoorzaamheid aan de wet van God niet hebben volbracht. Dat wij gebonden waren en eeuwig te schande hadden moeten worden. Dat wij de dood schuldig waren en voor het gericht van God hadden moeten omkomen. Dat wij voor eeuwig verlaten hadden moeten worden. Dat is onze belijdenis! En als uw hart daar niet hartgrondig ‘Amen’ op zegt (‘ja, Heere, dat ben ik!’), dan hebt u geen honger en geen dorst, en dan is die maaltijd, dan is dat eten en drinken ook niet voor u bestemd.

Aan die maaltijd, zo zegt de Catechismus, wil de Heere Jezus met Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed onze zielen tot eeuwig leven voeden. Onze zielen worden gevoed tot leven. Het sacrament van het Heilig Avondmaal is het sacrament van de voeding.

Van de voeding van levende kinderen van God. Die zelf leven, geestelijk leven van God gekregen hebben. Wat betekent dat eigenlijk? Je kan denken, jongens en meisjes, aan een klein plantje. Aan het kleine, levende plantje van het geloof, dat de Heere heeft geplant in de harten van Zijn kinderen op het moment van hun nieuwe geboorte, op het moment van de wedergeboorte. Dat plantje leeft, maar het is nog zo klein, zo zwak, zo kwetsbaar. Het hart van een kind van God kan nog zo vol zijn van twijfel, vrees en ongeloof. Wij zeggen: ‘zo’n klein plantje heeft water nodig, voeding, plantenvoeding. Daar wordt het sterker van, daar gaat het van groeien.’ Van zichzelf is dat plantje niet sterk genoeg om in leven te blijven.

Je kan (als we het hebben over voeding) ook denken aan een klein kindje. Je kleine broertje of zusje, als je die hebt. Zo’n klein kindje moet goed eten. Die krijgt ook eten van papa en mama. Die wordt gevoed. Je zegt: ‘dat is nodig, want daar wordt mijn broertje of zusje sterk van.’ Zo zijn brood en wijn bij het sacrament van het Heilig Avondmaal door de Heere ook bedoeld en gegeven als: voedingsmiddel. Om het zwakke geloof van Zijn kinderen te voeden, eten en drinken te geven, tot meer geloof, meer kracht, meer sterkte en meer groei. Want van zichzelf zijn Gods kinderen niet sterk genoeg om in leven te blijven.

Je kan ook denken (als het gaat over voeding) aan wat we vorige week (bij antwoord 76) hebben overdacht. Daar stond: we (dat zijn Gods kinderen) worden hoe langer hoe meer met Hem (met Christus) verenigd. Verenigd en gevoed. Gevoed door één te worden. Denk maar aan een heel klein, ongeboren kindje. Het leeft, maar het kan van zichzelf niet blijven leven. Door de navelstreng gaat steeds het leven van de moeder over in het leven van het kindje. Het krijgt leven en voeding van moeder. Doordat moeder en kind één zijn, krijgt het kindje voeding en leven van moeder. Van zichzelf is zo’n kindje niet in staat en niet sterk genoeg om in leven te blijven.

Gods kinderen krijgen bij het Avondmaal voeding tot leven van de Heere Jezus. Want, aan het Heilig Avondmaal komt de Heere Jezus Zelf tot Zijn kinderen, tot die arme, hongerige en dorstige kinderen. Hij geeft ze Zelf te eten en te drinken. Van brood en wijn. Maar dat zijn tekenen. Tekenen die ergens naar wijzen. De tekenen van brood en wijn wijzen (zegt de Catechismus) naar ‘Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed’. Dus: Naar Zijn werk, naar Zijn dood aan het kruis.

Dus wat gebeurt er aan het Heilig Avondmaal in de harten van Gods kinderen? We krijgen van de Heere voeding, leven, en geloof, troost, kracht, hoop en nieuwe moed. Omdat de tekenen van brood en wijn onze ogen door het geloof richten op: Hemzelf! Op Zijn kruisdood! Op de Gekruisigde Zelf. En op Zijn opstanding, op Zijn leven! Brood en wijn zijn een zichtbare en tastbare preek van Jezus Christus, de Gekruisigde. Brood en wijn zijn tekenen. Maar nog meer, nog veel meer, zegt de Catechismus: zegel en garantie.

De Catechismus zegt (en dat is het tweede deel van dat lange antwoord 79): Maar veelmeer worden we door zichtbare tekenen en panden (dat zijn garantiebewijzen) verzekerd dat we echt Zijn lichaam en bloed door de werking van de Heilige Geest deelachtig worden. Dus, als we brood eten en wijn drinken, wat gebeurt er dan? Dan, zo zegt de Catechismus, ‘worden we deelachtig’, dan ‘krijgen we deel aan’. We kauwen het brood, we proeven de wijn, we slikken het door, ons lichaam neemt het op… En, zeg je: ‘dan is het weg!’ Nee, dan wordt het één met ons lichaam. De voedingskracht ervan komt in ons lichaam, en dat geeft ons levend gemaakte hart weer nieuw leven, nieuwe kracht. Niet alleen op dat moment zelf (zeker, Zondag 28 zegt: daar genieten we van), maar het is ook en vooral bedoeld voor de tijd erna. We worden deelachtig, we krijgen er deel aan, aan Zijn lichaam en bloed. En het is een zegel en garantie van Zijn dood voor ons. In onze plaats.

Het is bedoeld om ons meer te leren, om ons meer kennis, meer bevindelijke kennis bij te brengen. En(!) om ons meer zekerheid te geven. Meer verzekering. De Heere zegt: ‘Kijk toch, Mijn kind. Ik zeg het altijd tegen je, door Mijn Woord. Maar zie het nu ook in de tekenen. In de tekenen van brood en wijn zie je… jezelf. Ken jezelf toch! De grootheid van je kwaad. Laat dat toch meer en meer tot je doordringen. Dat het loon op je zonde de dood is. Maar zie tegelijkertijd toch ook meer en meer op Mijn Christus. Stop toch met de gedachte dat je zelf nog iets kan doen. De volkomen betaling van de straf, de volkomen vernieuwing van je leven is van Hem. Wees daar toch van doordrongen. Wees daarvan toch verzekerd! Je ligt van jezelf midden in de dood. Van jezelf kan je niet leven. Je hebt van jezelf geen kracht, geen leven. Maar het leven, de zaligheid ligt in Christus. Volkomen, helemaal. Hij in uw plaats. Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Wees daar toch van verzekerd!’ ‘Kijk! Kijk met uw ogen, tast met uw handen en proef met uw mond. Het is zo zeker, als dat Ik het u laat zien, proeven, eten en drinken. Ik verzeker u, Mijn arme, hongerige en dorstige kind: u hebt deel aan Hem, aan Christus. Aan Zijn lichaam, aan Zijn bloed.’ ‘U hebt’, zegt Christus als de Gastheer van de tafel, ‘deel aan Mij, aan Mijn dood. Aan Mijn dood voor u. Hier is het zegel, hier is het garantiebewijs: Ik voor u’.

Het is zeker. Het is echt waar. Zo zeker als u deze heilige waartekenen (tekenen dat het echt waar is) met uw lichamelijke mond tot Mijn gedachtenis ontvangt. Een verzekering. Zo zeker als u het ziet, zo zeker als u het ontvangt uit de hand van de Gastheer, Christus Jezus. Zo zeker ben Ik in uw plaats gaan staan. U hebt de dood verdiend, maar Ik liet Mijn lichaam breken en vergoot Mijn bloed voor u. Een verzekering, niet alleen voor dat moment. Het is voor Gods levende kinderen voeding, het is een meedelen van nieuwe levenskracht en geloof, bedoeld ook en vooral voor de komende tijd erna.

Opdat we (zo zegt het avondmaalsformulier) vastelijk geloven zouden dat wij tot Gods genadeverbond behoren. En dat (zo zegt de Catechismus) worden we deelachtig, dat wil zeggen ‘dat krijgen we’, door de werking van de Heilige Geest. Dus, niet vergeten: het is niet iets automatisch: ik ga automatisch naar het Heilig Avondmaal, en ik krijg automatisch iets. Eigenlijk is dat een heel roomse gedachte. Alsof de tekenen van brood en wijn van zichzelf kracht en leven in zich zouden hebben.

Nee, het is de verborgen werking van de Heilige Geest waardoor we dat alles krijgen. Zeker, je moet kijken. Je moet kijken naar het genademiddel. Maar Hij is het Die ons ogen geeft om te zien. Zeker, het is voor ieder kind van God een bevel, zoals we zagen bij de vorige Zondag, een liefdebevel. Maar Hij is het Die ons harten geeft om te geloven. En Die zo in die weg, de verzekering werkt in ons hart. Want je kan dat garantiebewijs met een verstandelijk oog bekijken, en zeggen: ‘mooi, natuurlijk, dat geloof ik.’ Maar het is de Heilige Geest die het Gods kinderen echt onder ogen brengt, Die licht geeft in hun ogen en in hun harten. Hij is het, Die ons harten geeft om te geloven, en dan, als de Geest van de Heere er zo in mee komt, dan vieren we echt Avondmaal: in verwondering.

Als ik door de tekenen van brood en wijn mag zien op Jezus. Op de Gekruisigde. Voor mij, die de dood heeft verdiend. Als ik moet zeggen: ‘Ik ben zwart’. En Hij antwoordt mij: ‘Doch liefelijk’ (Hooglied 1:5). Als ik door het werk van de Heilige Geest mag zien en geloven dat Hij tot mij komt, met een teken en bewijs: ‘Het is volbracht. Ik heb alles volbracht in uw plaats. U bent vlees van Mijn vlees en been van Mijn been. Toen Ik stierf, toen Ik gebroken werd, toen Mijn bloed vergoten werd, toen bent u met Mij gestorven. Toen ben Ik voor u gestorven. Toen heb Ik u meegenomen in Mijn dood en in Mijn graf. Toen ben Ik voor u en met u daar ingegaan. En u bent ook met Mij opgestaan tot een nieuw leven (Kolossenzen 2:12). Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19).

Mijn lijden en gehoorzaamheid (ook die gehoorzaamheid!) zijn zo zeker de uwe, als had u zelf, in eigen persoon alles geleden en betaald, als had uzelf Gode voor uw zonden genoeg gedaan. Zo troost de Heere ons, zo geeft Hij ons voeding, nieuwe levenskracht en levensmoed, en ook meer zekerheid van geloof. Door ons hart en oog door dit genademiddel, door dit sacrament te richten op Jezus Christus, de Gekruisigde. Dat is ‘het goed, dat de Heere heeft weggelegd voor degenen die Hem vrezen’.

Maar als je daar nu vreemd van bent, als je dit nu niet kent, wat dan? Dan moet je niet naar het Heilig Avondmaal komen. Anders eet en drink je jezelf een oordeel (1 Korinthe 11:29). Maar dan moet je op zondag wel in de kerk zijn. Dan moet je juist op die zondag van het Heilig Avondmaal: kijken. Kijken vanuit je bank, en zien wat er gebeurt.

Wat je dan ziet? Dan zie je daar, voor in de kerk, de ontmoeting tussen Christus en de slechtsten, het uitschot van de gemeente. Dan zie je daar wat staat in Lukas 15:2: Hij ontvangt zondaars en eet met hen. Dan zie je daar iets van de grootte van Zijn liefde, van de liefde van Hem die ooit zei: ‘Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten (Lukas 22:15).’

En dat mag u aansporen, om ook de Heere te zoeken met alle kracht en ernst die in u is. Trek geen verkeerde conclusies, als je kijkt naar mensen. Zeg niet: hij hoort er niet, en zij ook niet, en die ook niet. Maar zeg eerlijk: ‘Heere, ik hoor daar niet, en daarom zit ik hier nog steeds in mijn bank.’ Word niet boos. Word niet geïrriteerd. Maar denk dit ervan: als deze slechte mensen, deze doodschuldige mensen die nu naar de tafel komen, zalig konden worden, dan kan het ook voor mij.

En zo is het ook! Het kan ook voor u. Want onze Heere ontvangt zondaars en eet met hen.

Amen.

Slotzang Psalm 22: 13

Ik loof eerlang U in een grote schaar, En, wat ik U beloofd' In 't heetst gevaar, Betaal ik, op het heilig dankaltaar, Bij die U vrezen, 't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen, Ten dis geleid. Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid!