Zondag 34 · 2 oktober 2022
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 34 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus opent de behandeling van de Tien Geboden. God sprak al deze woorden — niet als een beperking, maar als een liefdevolle bescherming en een heilige regel voor het leven van Gods kinderen uit dankbaarheid. Het eerste gebod vraagt om volkomen liefde en vertrouwen: de enige ware God kennen, Hem alleen vertrouwen, van Hem alleen alles verwachten. Wie zo niet leeft, dient de afgoden — en die fabriek vol afgoden zit in ieder menselijk hart.
God sprak al deze woorden
ZONDAG 34
Vraag 92: Hoe luidt de wet des Heeren?
God sprak al deze woorden, Exod. 20:1-17, Deut. 5:6-21: Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat bovenin den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik, de Heere, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
Gij zult den naam des Heeren, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die zijn naam ijdellijk gebruikt.
Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren, uws Gods. Dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage. Daarom zegende de Heere den Sabbatdag, en heiligde denzelven.
Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere, uw God, geeft.
Gij zult niet doodslaan.
Gij zult niet echtbreken.
Gij zult niet stelen.
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
Vraag 93: Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
In twee tafelen; waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere wat wij onzen naaste schuldig zijn.
Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en den enigen waren God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen zijn wil doe.
Vraag 95: Wat is afgoderij?
Afgoderij is, in de plaats des enigen waren Gods, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 34
THEMA
God sprak al deze woorden
LITURGIE
Lezen Mattheüs 22:34-40
Tien Geboden: 1
Tien Geboden: 2,9
Gemeente, bij de behandeling van de catechismus zijn we aangekomen bij Zondag 34. Laten we die zondag eerst samen met elkaar gaan lezen.
Vraag 92. Hoe luidt de wet des Heeren? Antwoord. God sprak al deze woorden zeggende: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb, enz.
Vraag 93. Hoe worden deze Tien Geboden gedeeld? Antwoord. In twee tafelen; waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn.
Vraag 94. Wat gebiedt God in het eerste gebod? Antwoord. Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en den enigen waren God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.
Vraag 95. Wat is afgoderij? Antwoord. Afgoderij is in de plaats des enigen waren Gods, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.
Tot zover Zondag 34. Gemeente, deze zondag maakt een begin met de behandeling van de Tien Geboden, met de behandeling van de Wet van God.
Het thema voor de preek van vanmiddag is (en zo klinkt ook de aanhef van de wet): God sprak al deze woorden En we letten samen op twee aandachtspunten.
In de eerste plaats letten we op: de wet des Heeren en de indeling ervan, en in de tweede plaats letten we op: het eerste gebod en de betekenis ervan. Dus: 1. De wet des Heeren en de indeling ervan (vraag en antwoord 92 en 93) 2. Het eerste gebod en de betekenis ervan (vraag en antwoord 94 en 95) Als eerste dus:
God sprak al deze woorden. Zo begint de Wet des Heeren. En het is goed om daar niet overheen te lezen. Dit zijn de Tien Woorden van God. Wat je er ook mee doet, je kan het over je heen laten komen, je kunt er het jouwe van denken, je kan zeggen ‘het zijn allemaal bekende klanken’, maar wat je er ook mee doet of van denkt: het zijn Gods Eigen woorden.
Die ons ‘de wet voorschrijven’. Ja, ik weet het, dat voelt niet fijn voor ons. In deze tijd, waarin het motto eigenlijk is ‘ik wil zelf beslissen wat ik wil: ik wil dit…, ik wil dat…’ Maar God stelt daar lijnrecht tegenover (en dat is de echo van de Tien Geboden): ‘U zult…, en u zult niet…!’
Dat klinkt scherp, dat klinkt hard. Alsof het ons wil belemmeren en inperken. En dat wil het ons ook. De wet wil ons inperken in het gaan op verkeerde wegen, die van God afgaan, steeds verder bij Hem vandaan. De wet wil sturen op ons levenspad en ons leiden op het pad van Gods geboden. De wet wil ons aansporen tot bekering, om het verkeerde pad te verlaten en terug te keren naar God. De wet wil ons beschermen. Zoals de dijken het land beschermen voor water, zo wil de wet ons beschermen voor de zonden. Uit liefde, uit zorg. Want de Heere weet: als u uw eigen wil volgt, dan gaat het verkeerd. Dan loopt het persoonlijk verkeerd met u af. En niet alleen met uzelf, maar ook met huwelijk, gezin, kerk en samenleving. Breek de treinrails op, die de trein in het spoor houdt, en hij zal zonder twijfel ontsporen.
God heeft Zijn wetten gegeven, uit liefde, tot bescherming van ons en tot eer van Hem. En Hij heeft die wetten gegeven om…? Om die te gehoorzamen, om die te doen.
Dat laatste voelt toch een beetje raar, na alles wat gezegd is in de vorige zondagen. Want verlossing is er toch alleen maar door het geloof in de Heere Jezus Christus (Zondag 23, antwoord 60)? En zegt Zondag 24 niet: waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn? Daarom, omdat de gerechtigheid die voor Gods aangezicht bestaan kan, volkomen en aan de wet van God in alle stukken gelijkvormig moet zijn, en
ook zijn onze beste werken in dit leven allemaal onvolkomen en met zonden bevlekt (vraag en antwoord 62). Kortom, toen is gezegd: door het doen van de geboden kan je de zaligheid echt niet verdienen! Dat is niet de weg tot de verlossing. Je kan niet door goed te doen en kwaad te laten de hemel verdienen (Romeinen 3:20Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.).
Maar, wat wil de wet dan? Wat is dan het doel, wat is dan het nut van de wet? Die leert ons (als eerste) de grootheid van ons kwaad, van onze zonden te zien (Zondag 2, antwoord 3). Waardoor we de verlossing, de vergeving en de zaligheid (dat is het tweede) buiten onszelf in de Heere Jezus Christus gaan zoeken. De wet wil ons als een pedagoog, als een tuchtmeester bij Hem, bij Christus brengen (Galaten 3:24Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.).
En dan? Dan heeft de wet geen functie meer? Heeft de wet voor een kind van God afgedaan? Als je zonden vergeven zijn, mag je dan gewoon alles doen wat je leuk en aardig vindt? Nee, als dat zo is, als je van de Heere een nieuw hart gekregen hebt, dan zeg je met Paulus: Heere, wat wilt U dat ik doen zal (Handelingen 9:6En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.)? De wet leert (en dat is het derde, en daar gaat het nu over in de catechismus), de wet leert aan Gods kinderen hoe ze de Heere moeten en mogen dienen. De wet is (en in dat verband staat de wet hier in de catechismus), de wet is de heilige regel voor het leven van Gods kinderen.
Daarom staat er ook boven: Ik ben de HEERE, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb (Exodus 20:1Toen sprak God al deze woorden, zeggende:). Het volk Israël is eerst verlost uit Egypte, en daarna (na die verlossing uit Egypte) gaf God in de woestijn bij de Sinaï Zijn wetten (Exodus 10:26En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet een klauw achterblijven; want van hetzelve zullen wij nemen, om den HEERE, onzen God, te dienen; want wij weten niet, waarmede wij den HEERE, onzen God, dienen zullen, totdat wij daar komen.). Gods kinderen zijn verlost uit de slavendienst van de zonde en van de onderdrukking door de satan. Ze zijn vrij! Vrijgemaakt van de vloek van de wet en de veroordeling door de wet (Galaten 3:13). Maar, ze zijn niet vrij van de wet zelf! Nu ze vrijgemaakt zijn, nu mogen ze de Heere dienen. Volgens Zijn wetten. En als het goed is, dan ben je daar blij mee. Als je weten mag: ik ben van de zonde vrijgemaakt en Gode dienstbaar gemaakt (Romeinen 6:22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.), dan zeg je ook met de dichter van Psalm 119: Hoe lief heb ik Uw wet (119:97).
Ik ben de HEERE, uw God. HEERE, geschreven met vijf hoofdletters. Dat wil zeggen: Ik ben de God, de trouwe God van het genadeverbond. Israël, u hebt wel heel vaak en heel veel gezondigd, en heel vaak tegen Mij gemurmureerd, gemopperd in de woestijn, u hebt Mij voortdurend verlaten, maar Ik ben de Getrouwe: Ik laat nooit varen de werken van Mijn handen (Psalm 138:8De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.). Ik zal u vasthouden. Maar Ik verwacht wel iets van u: ‘Hier! Hier zijn Mijn geboden: Doe die uit dankbaarheid’.
Dat is het tweede deel van het verbond. Denk maar aan het doopformulier, dat zegt dat ‘in alle verbonden twee delen begrepen zijn’. Ik heb u, zegt God (en dat is het eerste deel), uit enkel genade gevonden in uw ellende, Ik heb u opgeraapt uit nood en dood, Ik heb u uit genade met Mij verzoend en u een nieuw hart gegeven. En nu (en dat is het tweede deel), wandel nu in een nieuwe gehoorzaamheid voor Mijn aangezicht. Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht (Genesis 17:1Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!).’
En, als u dat niet doet? Dreig Ik (God) u dan met dood en verderf? Nee. Dat was de dreiging van het eerste verbond, dat was de bedreiging van het werkverbond. Zo was het in het paradijs: Doe dat, dan zult u leven. Doet u dat niet? Dan zult u sterven (Genesis 2: 17, Leviticus 18:5Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!). Maar in het nieuwe verbond, in het genadeverbond houdt de Heere Zijn kinderen voor hoe Hij Zelf (Christus) geweest is: Ik zocht nooit Mijn Eigen eer, maar altijd de eer van Mijn Vader (Johannes 5:30Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.). Volg Mij dan, druk dan Mijn voetstappen. Ik heb altijd de sabbat geheiligd, Ik was Mijn ouders gehoorzaam, Ik was rein, vrij van haat, Mijn getuigenis was altijd oprecht. Volg Mij dan, druk dan Mijn voetstappen. Ik heb u vrijgekocht met de prijs van Mijn kostbare bloed, Ik heb alle gehoorzaamheid voor u volbracht. Maar nu moet u niet weer terugkeren tot de dwaasheid van de zonde (Psalm 85). Nu moet u Mijn stem horen en Mij volgen.
Is dat iets wat je zelf kan doen, is dat iets van eigen prestatie? Is dat iets van: als je heel goed je best doet om jezelf heilig en nog heiliger te maken, dan word je vanzelf beter? Het is goed om in dit verband denken aan wat er staat Jeremia 31:33Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.. Daar staat dit: Maar dit is het verbond (daar gaat het hier eigenlijk ook steeds over: HEERE is de verbondsnaam van God, en de Tien Geboden worden genoemd de woorden van het verbond, en de twee tafels liggen opgesloten in de ark des verbonds). Dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Waardoor gaat Israël met God wandelen? Waardoor gaat Israël heilig voor de Heere leven? Omdat ik zelf steeds beter presteer? Nee! Trouwens, dat de wet afgedaan zou hebben en dat ik daarom zou mogen doen en laten wat ik zelf wil, dat is al helemaal ondenkbaar, als je dit leest: dat de Heere Zelf Zijn wet in het binnenste zal geven en in het hart zal schrijven!
Waardoor gaat Israël met God wandelen? Waardoor gaat Israël heilig voor de Heere leven? Doordat de Heilige Geest het hart nieuw maakt en de wet gaat schrijven aan de binnenkant van het hart. Dat wil zeggen: wie dicht bij God leeft, wie groot denkt van zijn eigen schuld en onvermogen, en wie ondertussen alles van de Heere verwacht, die wordt nieuw gemaakt. En die zal, door die genade, Gods geboden niet vergeten (Psalm 78:7En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;, 119:176).
En als een kind van God die wet dan niet doet, als een kind van God toch weer afdwaalt van het pad van Gods geboden? Daar zegt Psalm 89 iets over. Dit: Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen en in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen (89:31-34). De trouw van de Heere blijft. Maar het kan wel donker en duister worden in het leven van Gods kinderen, er kan tegenspoed en zorg komen, als zij afdwalen van het spoor van Gods geboden. Maar dat alles doet de Heere met een liefdevol doel. Hij doet het, opdat Zijn kinderen door die moeilijke en donkere wegen juist weer terug zouden keren tot de Heere. Zoals Hosea schrijft: Daarna (na die tijd van moeite en zorg) zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken de HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot de HEERE en tot Zijn goedheid (3:5a).
Dus, het doel van Gods wetten en geboden (en in dat verband staat de bespreking van de Tien Geboden in de catechismus) is: om die te doen uit dankbaarheid. Daarom staan de Tien Geboden, jongens en meisjes, ook in hoofdstuk III van de catechismus, in het hoofdstuk van de dankbaarheid.
En die Tien Geboden heeft de Heere destijds geschreven op twee stenen tafels, op twee grote, platte stenen. Want vraag 93 zegt: Hoe worden deze Tien Geboden gedeeld? Ingedeeld, onderverdeeld? Het antwoord zegt: In twee tafels, waarvan de eerste leert hoe wij ons tegenover God zullen houden, de andere leert ons wat wij onze naaste schuldig zijn.
De eerste tafel van de wet geeft aan hoe we moeten staan tegenover de Heere. Tegenover Zijn Persoon (het 1e gebod), tegenover Zijn dienst (het 2e gebod), tegenover Zijn Naam (het 3e gebod) en tegenover Zijn dag (het 4e gebod). De tweede tafel geeft aan hoe wij moeten staan tegenover onze naaste. Tegenover over ouders (het 5e gebod), tegenover het leven van onze naaste (het 6e gebod), tegenover het huwelijk van onszelf en onze naaste (het 7e gebod), tegenover het bezit van onze naaste (het 8e gebod) en tegenover de naam van onze naaste (het 9e gebod). En het 10e gebod is een soort van overkoepelende samenvatting, die zegt: het gaat niet alleen om wat je doet en zegt, maar het gaat ook om de lust en de begeerte van je hart. Om wat je diep in je hart graag zou willen doen.
De les is helder: de eerste tafel is de eerste. Dat wil zeggen: die gaat voorop. Het gaat als eerste om het oprecht, met heel je hart dienen en vrezen van de Heere. Dat is het eerste en het grote gebod (Mattheüs 22:38Dit is het eerste en het grote gebod.). En dan, daarna komt het tweede, daaraan gelijk: hoe je moet omgaan met je naaste, hoe je je naaste moet liefhebben. Zonden tegen de tweede tafel van de wet zijn in onze ogen vaak het ergste, maar dat is dus niet zo!
Voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt, gaan we nu samen eerst zingen, als inleiding op de verdere bespreking van het eerste gebod, uit de berijmde Tien Geboden het eerste vers. Mijn ziel, herdenk met heilig beven, Hoe God, met majesteit bekleed, Zijn wet op Horeb heeft gegeven, Waar Hij deez' woorden horen deed:
Ons tweede aandachtspunt:
We lezen samen nog een keer vraag en antwoord 94 en 95. Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod? Het antwoord zegt: Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en den enigen waren God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.
Vraag 95: Wat is afgoderij? Het antwoord zegt: Afgoderij is in de plaats des enigen waren Gods, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.
Eerst even de letter van het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben (Exodus 20:3). Geen ‘andere goden’. Bestaan er dan echt ook andere goden? Nee, er is maar één God. Mozes zegt in Deuteronomium 6:4Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!: Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE! En later zegt Hizkia: het zijn geen goden (die afgoden), maar werk van mensenhanden, hout en steen (2 Koningen 19:18En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.). En Paulus zegt in het Nieuwe Testament: wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan Eén (1 Korinthe 8:4Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een.).
Eigenlijk moet je zeggen: afgoden bestaan niet, maar afgoden zitten in ons hart. Het probleem zit bij ons. Het probleem zit in ons hart. En de Heere ziet dat, de Heere weet dat. Want Hij zegt: u hebt die afgoden voor Mijn aangezicht. Dat wil zeggen: Ik zie ze allemaal, Ik zie alles. Het is bijna, het is helemaal synoniem: in uw hart, en: voor Mijn aangezicht. Want Ik zie alles. Voor Mij kunt u niets bedekken.
De dichter van Psalm 139 zegt: Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken (in het donker ben ik misschien wel onzichtbaar), dan is de nacht een licht om mij (U ziet alles) (Psalm 139:11). En de schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben (4:13).
God ziet ons hart. En dat hart is, zo zegt Calvijn: een fabriek vol afgoden. En, zo zegt antwoord 94: daar moet je mee breken! Als je zaligheid je lief is, stop dan(!) met alle afgoderij, toverij, waarzeggerij, superstitie of bijgeloof, en met aanroeping van heiligen of van andere schepselen. Stop ermee, breek ermee, vlucht ervan weg!
Van afgoderij. Van het dienen van afgoden. Wat is dat eigenlijk: een afgod? Als je verder leest in het antwoord, kan je het zelf bedenken. Het is iets wat je kent, wat je vertrouwt, waar je je aan onderwerpt (dat wil zeggen waar je je voor buigt) en waar je goeds van verwacht. En dat in de plaats van God. Dat is een afgod.
Wat dat dan is? Dat kan heel veel zijn. En je moet het vooral zoeken in je hart. In de liefde voor, in het vertrouwen van je hart op… Op wat je hier op aarde bezit: je geld, je huis, je bezittingen, je vrouw, je man, je kinderen… Je zegt: ‘het is mijn één en al! Ik ben er helemaal bezeten van…’ Dan is het je afgod. De afgod van de materie.
Het kan ook plezier of genot zijn: alcohol, drugs, vrije seks, sport, muziek… Je zegt: ‘het is mijn één en al! Ik ben er helemaal bezeten van…’ Dan is het je afgod. De afgod van plezier en genot. Het lijkt wel een beetje op het vroegere afgodenpaar: Baäl en Astarte.
Je kan het ook meer zoeken in de onzichtbare wereld van het spirituele, van het occulte, in de wereld van de horoscoop, van magnetiseurs, iriscopisten en andere genezers die contact hebben met duistere machten. Stop ermee. Vlucht ervan weg!
Je mag zeker ook denken aan allerlei dingen die je zoveel zekerheid lijken te geven, en waar je in je hart zo op vertrouwt: je banksaldo, je verzekeringspolissen, die slimme zelftesten voor je gezondheid. Allemaal zogenaamde garanties in een onrustige en onveilige wereld, die je een beetje een gevoel geven van veiligheid. Omdat je erop vertrouwt…
Het kan zoveel zijn… Je hobby, je breiwerk, je televisie, je naaiwerk, je mobieltje, je vrienden en vriendinnen. Het kan zelfs je favoriete oudvader zijn of een nog in leven zijnde dominee. En uiteindelijk ben je het vooral… zelf. Ik ben mijn eigen afgod: ik
vertrouw op mezelf, ik houd van mezelf, ik aanbid mezelf, en ik verwacht het goede van mezelf…
Allemaal mensen, dingen (wie of wat het ook is, laten we in ons hart heel goed in de spiegel kijken), allemaal mensen, allemaal dingen die je kent, waar je op vertrouwt, waar je van houdt, en die je diep in je hart aanbidt. Waar je goeds van verwacht. Je verwacht het van een af-god, maar niet van God. Want het zou moeten zijn, zoals verderop staat in antwoord 94. Zo zou mijn leven moeten zijn: dat ik de enige ware God recht leer kennen, Hem alleen vertrouw, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerp, van Hem alleen alles goeds verwacht, Hem van ganser harte liefheb, vrees en eer, zo, dat ik eerder van alle schepselen afga en die laat varen, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.
Je hoort als je goed luistert, hoe dit antwoord als het ware zoemt van het overtreffende, van het exclusieve, met die twee steeds maar terugkomende woordjes: alleen en alles. Want liefde vraagt in de eerste plaats volkomenheid: alles, alleen, 100%! Kijk maar: Hem alleen vertrouwen, mij Hem alleen onderwerpen, van Hem alleen alles goeds verwachten, en met heel mijn hart Hem liefhebben en vrezen en eren en niet het allerminste tegen Zijn wil willen doen.
Als je dat zo leest, dan voel je hoe ver je daar met een onbekeerd hart vandaan bent. Alleen de Heere vertrouwen, omdat je Hem hebt leren kennen... Je in alle dingen aan Hem onderwerpen en alles van Hem verwachten... Hem liefhebben, eer geven, vrezen en niets tegen Zijn wil willen doen...
Als je dat zo leest, dan voel je ook hoe je als kind van God hier van jezelf niet kunt komen en niet kunt blijven. Alleen de Heere vertrouwen, omdat je Hem hebt mogen leren kennen… Omdat Hij je verlost heeft uit de slavernij van de zonde en gebracht heeft op de weg naar Kanaän… Maar juist als dat zo is, dan ken je ook iets van je dwaalzieke en mopperende en altijd maar weer ongehoorzame hart. En dan weet je, dat je iedere dag de genade van de Heere en de werking van de Heilige Geest nodig hebt, om dit zo op de wand van je hart te schrijven. En dan wordt het ook je gebed: ‘Heere, wilt U het mij leren: U te kennen, U lief te hebben, U te vertrouwen, U te aanbidden, ja, alles van U te verwachten?’ Maar, en dat is de andere kant, dit is wel wat de Heere van ons vraagt, dit is wel opdracht: Als u Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden (Johannes 14:15Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.).
Liefde vraagt, zo zagen we als eerste, volkomenheid: alles, alleen, 100%. En je ziet, als je goed kijkt, dat liefde in de tweede plaats vraagt om: ons hart. Dit, wat staat in antwoord 94, gaat eigenlijk vooral om dingen die wij mensen misschien niet eens kunnen zien. Alleen de Heere, voor Wiens aangezicht we staan, Hij ziet of het allemaal zo leeft in ons hart. Die zeven dingen die genoemd worden. Laten we eerlijk kijken naar ons hart…
a. De Heere echt kennen. dat is het eerste. Hem bevindelijk, door ervaring, door ontmoeting echt kennen, vanwege Zijn opzoekende liefde, waarmee Hij mij, ellendig mens, heeft opgezocht. Ik zocht Hem niet. Hij zocht mij. Ik kon niet voor Hem bestaan. Maar Hij heeft me uit enkel genade opgetrokken uit de diepte van mijn ellende. De Heere echt kennen… Is dat zo in ons hart?
b. En Hem alleen vertrouwen, dat is het tweede. Zoals de dichter zingt van Psalm 115: Gijlieden, die de HEERE vreest! vertrouwt op de HEERE, Hij is hun Hulp en hun Schild (115:11).
c. En ons in alle ootmoed en met alle geduld aan Hem onderwerpen, dat is het derde. Dat wil zeggen: buigen voor Hem en voor Zijn Goddelijke wil. Zoals Paulus schrijft aan de gemeente van Filippi: Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken (2:14).
d. En van Hem alleen alle goeds verwachten, dat is het vierde. Niets van onszelf, maar alles van Hem verwachten. Zoals de dichter zingt in Psalm 130: Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord (130:5).
e. Hem boven alles liefhebben, dat is het vijfde. Zingt u het ook wel eens echt, heel echt, met uw hele hart: Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen (Psalm 116:1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;)? Hem boven alles liefhebben... Is dat zo in ons hart?
f. Hem kinderlijk en eenvoudig vrezen, dat is het zesde. En, zo zegt de dichter van Psalm 34: Die Hem vrezen hebben geen gebrek (34:9). Hem kinderlijk en eenvoudig vrezen... Is dat zo in ons hart?
g. En Hem alleen (dat is het zevende) eren, als ik naar het voorbeeld van de Heere Jezus zeg: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult U aanbidden, en Hem alleen dienen (Mattheus 4:10). Is dat zo in ons hart? Zeven dingen, om in alle eerlijkheid je hart naast te leggen…
Als je zo de Heere niet dient, dan dien je de afgoden. Want afgoderij is (zo zegt antwoord 95): Dat je in plaats van de enige ware God, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem, iets anders verzint of hebt, waarop je je vertrouwen zet. Eén is onze liefste. Eén staat er op de eerste, op de hoogste plaats…
En de wet wil daaraan (in de eerste plaats) ontdekken. De Heere kijkt vanmiddag in ons hart: ‘Hebt u andere goden voor Mijn aangezicht? Kijk…, daar…, in uw binnenste? Kent u Mij? Wie hebt u lief, wie vertrouwt u, voor wie buigt u? Van wie verwacht u alles? Wie eert u? Ben Ik het, God alleen? Of is er iets buiten, is er iets naast Mij?’
Als u nooit het kwaad van de afgoderij in uw eigen hart hebt gezien, dan wil de wet u daaraan ontdekken. De wet wil het aanwijzen in uw hart, opdat u uw ellende zou zien! (zondag 2)
De wet wil ons ook laten zien (in de 2e plaats), dat…, ja, je kan proberen om het zelf anders te maken, je kan in eigen kracht proberen om te breken met de afgoden en de Heere te gaan dienen, maar het lukt je niet…; de wet wil ons ook laten zien: je kan het niet van jezelf! Het is met jezelf wat dat betreft hopeloos. De verlossing, de zaligheid ligt buiten jezelf. Het kan alleen om het werk van Christus en door het werk van Zijn Heilige Geest. Zo wil de wet tuchtmeester, pedagoog zijn, die bij Christus brengt (Galaten 3:24).
En voor degenen (in de derde plaats) die de Heere zo hebben leren kennen, als Degene Die verlost van zonden en schuld, als Degene Die verlost van de vloek van de wet, voor diegenen (voor Gods kinderen) wijst dit gebod de weg, het pad om te lopen, om in een nieuwe gehoorzaamheid te wandelen met God. Het is de dure plicht, voor een liefhebbende ‘vrijwilliger’, die door genade niet anders meer wil dan de Heere alleen dienen, liefhebben, vertrouwen en in alles de eer geven. Want, zo heeft de Heere Jezus gezegd: Die Mij liefheeft, die bewaart Mijn geboden (Johannes 14:21).
Ja, zegt mijn hart: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte! (Psalm 18:1Voor den opperzangmeester, een psalm van David, den knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.)
Amen.
Slotzang Tien Geboden: 2, 9:
Ik ben de HEERE, uw God en Koning, Die van Egypte u bevrijdt, U leidend' uit uw slaafse woning, Dient dan geen goden nevens Mij.
Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, Om die te doen uit dankbaarheid.
Andere preken over Zondag