PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 33: Oude mens en nieuwe mens (serie 1)

Zondag 33 · 4 september 2022

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 33 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus handelt over de waarachtige bekering. Bekering is de meest ingrijpende verandering die denkbaar is in het leven van een mens — Gods werk van binnenuit, in het hart. Die bekering heeft altijd twee onlosmakelijke zijden: het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Verdriet over de zonde en blijdschap in God door Christus zijn twee kanten van dezelfde munt. De preek nodigt uit tot eerlijk zelfonderzoek.

THEMA

De twee zijden van de echte bekering

KERNPUNTEN

  1. De afsterving van de oude mens
  2. De opstanding van de nieuwe mens

ZONDAG 33

Vraag 88: In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen?
In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstanding des nieuwen mensen.

Vraag 89: Wat is de afsterving des ouden mensen?
Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

Vraag 90: Wat is de opstanding des nieuwen mensen?
Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar den wil Gods in alle goede werken te leven.

Vraag 91: Maar wat zijn goede werken?
Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter ere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 33: Oude mens en nieuwe mens (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 33

THEMA

De twee zijden van de echte bekering

Gemeente, je kan op verschillende manieren luisteren naar de catechismuszondag over bekering. Ik wil u vanmiddag graag een soort luisteradvies geven. a. Luister in de eerste plaats voor uzelf. Vraag uzelf al luisterend steeds af (als het gaat om bekering): hoe is dat bij mij? Is het wat het lijkt? Of is het zo mooi als kunstbloemen kunnen zijn, maar eigenlijk toch niet echt? Paulus zegt in 2 Korinthe 13:5 onderzoek uzelf, of u in het geloof bent, beproef uzelf. b. En vermijd als tweede het denken van het woordje ‘maar’. Als u al luisterend moet zeggen: ‘dit ken ik niet, bekering, het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens, zeg dan niet: ‘daar ken ik niets van, maar… Ik ben geen geestelijk mens, ik ben niet wederom geboren, maar, ik ben wel goed, en ik ben in ieder geval beter dan die of die.’ Dat is een valkuil, dat is een dodelijke valkuil. Want je vergist jezelf, als je denkt dat er drie soorten mensen zijn: bekeerden, goddelozen, én goede of betere mensen. Want er zijn er maar twee; en die laatste soort bestaat echt niet.

Probeer vanmiddag met die twee adviezen in uw achterhoofd te luisteren en in de spiegel te kijken van Zondag 33. We gaan die Zondag, met de vragen 88 tot en met 91, eerst samen lezen:

Vraag 88. In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering van de mens? Antwoord. In twee stukken: in de afsterving van de oude, en in de opstanding van de nieuwe mens.

Vraag 89. Wat is die afsterving van de oude mens? Antwoord. Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

Vraag 90. Wat is die opstanding van de nieuwe mens? Antwoord. Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.

Vraag 91. Maar wat zijn goede werken? Antwoord. Alleen die uit een waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eer geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn.

Zondag 33 gaat over de waarachtige, over de echte bekering van de mens. Die bekering heeft twee zijden. Dat is ook het thema van de preek:

De twee zijden van de echte bekering

En die twee zijden, dat zijn ook de twee aandachtspunten voor de preek: 1. De afsterving van de oude mens (en dan gaat het vooral om antwoord 89). 2. De opstanding van de nieuwe mens (en dan gaat het vooral om antwoord 90). Het gaat in de eerste plaats dus over:

1. De afsterving van de oude mens

De preek van vanmiddag gaat over bekering. Wat is dat eigenlijk, bekering? Bekering, dat is de grootst mogelijke en de meest ingrijpende verandering die denkbaar is in het leven van een mens. De Dordtse Leerregels beschrijven eerst hoe het vóór de bekering is: voor de bekering zijn we in blindheid, in duisternis, ons verstand is verduisterd, ons hart en onze wil zijn hard en opstandig en onze verlangens zijn onzuiver (DL, III/IV, art. 1; Efeze 4:18). Totdat God ingrijpt. Want bekering is Gods werk. Totdat God met Zijn Heilige Geest binnendringt tot in het diepst van ons hart en dat wederbaart (dat wil zeggen: opnieuw geboren laten worden), totdat de Heilige Geest ons van dood levend maakt, en van dwars en ongehoorzaam gehoorzaam. Bekering, dat is: een nieuwe geboorte, wedergeboorte. We noemen het: een nieuw hart krijgen.

Dat is het begin. Maar, daarna gaat bekering verder. Daarna is er (als het goed is) de bekering van iedere dag, de dagelijkse bekering. Daarover gaat het in artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar schrijft Guido de Bres: God wederbaart de mens (wij denken: ‘wat is dat dan precies?’), en maakt die mens tot een nieuwe mens, en doet hem leven in een nieuw leven, en maakt hem vrij van de slavernij van de zonde. Want het geloof (dat God de Heilige Geest in het hart geplant heeft) werkt, zegt Paulus, door de liefde (Galaten 5:6).

Bekering is het ondeelbare moment, waarop de ziel van de mens van dood levend gemaakt wordt. Maar bekering is ook de doorgaande weg van de vernieuwing van het leven daarna.

En de grote vraag vanmiddag is: ken ik die grote, die grootst mogelijke omkering in mijn leven? Waardoor ik zeggen kan: eerst leefde ik in de zonde, in tevredenheid en gerustheid, vertrouwend op mijn eigen gerechtigheid, maar toen (en daar moet u naar kijken, dat moet u weten!), toen kwam God in mijn leven.

Toen kwam er een breuk. En daarna ging door Gods genade mijn oude mens sterven en mijn nieuwe mens opstaan uit de dood.

Laten we vanmiddag allemaal persoonlijk voor de spiegel gaan staan, als we ons in de eerste plaats met vraag 89 afvragen: Wat is de afsterving van de oude mens? Het antwoord luidt: Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

Het eerste wat opvalt is, dat het gaat over het afsterven (het langzaam sterven) van: de mens. Van de mens: helemaal, niet van een deel, maar van ons helemaal! Van binnen en van buiten. Maar het begint: vanbinnen, in ons hart. Het werk van Gods de Heilige Geest begint in het hart. Want, uiterlijke verandering betekent nog geen bekering. Netheid van manieren, van kleding en gedrag, het is allemaal waardevol, maar het maakt je niet tot een kind van God. Ook niet een heel ingrijpende verandering van uiterlijk. Zoals bij Saul. Die man ging profeteren (1 Samuel 10:9, 10). Zijn gedrag was anders, maar zijn hart was hetzelfde gebleven. Simon de tovenaar werd een ander mens: hij geloofde Filippus en liet zich dopen. Maar zijn hart was niet recht voor God. Het was nog steeds een samenknoping, een kluwen van ongerechtigheid (Handelingen 8:13, 21, 22). Je kan uiterlijk netjes zijn of worden, terwijl je hart nog steeds een moordkuil is. Denk maar aan de Farizeeën, tegen wie de Heere Jezus zei: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeeën, u geveinsden, want u bent de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon (mooi) schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Alzo ook schijnt u wel den mensen (voor het oog van de mensen) van buiten rechtvaardig, maar van binnen bent u vol geveinsdheid en ongerechtigheid (Mattheus 23:27-28).

Zeker, bekering kan zichtbaar worden in een grote en zichtbare ommekeer in het leven, zoals bij Saulus van Tarsen. Maar zichtbare verandering is niet per se en altijd een oprechte bekering. De echte, oprechte bekering begint hier: vanbinnen, in het hart. Want daar zit het echte probleem. En dus moet daar echt iets veranderen. Als, jongens en meisjes, je horloge stuk is, kan je wel aan de wijzers gaan draaien en zeggen ‘hij loopt weer!’, maar dat lost het eigenlijke probleem niet op. Want als jij je vingers weghaalt, staan de wijzers weer stil. Want het klokje van binnen is dood. In het binnenste van het klokje, daar zit het probleem. Daar moet iets aan gebeuren, dat moet hersteld worden. Als dat gedaan is, dan gaan de wijzers weer draaien. Dat laatste is natuurlijk ook belangrijk, maar de kern van het probleem en van de oplossing zit vanbinnen, hier, in mijn hart!

Dat zie je ook in de Catechismus, in antwoord 89: Wat is dat, de afsterving van de oude mens?

a. Het is een hartelijk leedwezen (het zit vanbinnen, in het hart!), een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten (dat zit ook vanbinnen, in het hart!) en vlieden (dat wil zeggen: daarvan wegvluchten). Dus: het begint in het hart. Een hartelijk leedwezen, hartelijk verdriet over de zonden en een hartelijke haat tegen de zonde. Let u ondertussen op uw eigen hart?

Hartelijk verdriet over de zonden. Dat is wat God de Heilige Geest werkt in het hart van Gods kinderen: hartelijk verdriet over de zonden. Want, verdriet over de zonde ziet niet altijd in het hart. Koning Saul had ook verdriet. Hij huilde en zei tegen David: ik heb gezondigd (1 Samuël 24:16-18; 26:21). En Ezau heeft heel veel verdriet gehad over het verkopen van zijn eerstgeboorterecht. Maar dat was vooral verdriet vanwege de gevolgen van wat hij had gedaan (Hebr. 12:17). Je kan verdriet hebben om je zonden. Je kan tranen huilen om alles wat je zonden in je leven veroorzaakt en stukgemaakt hebben. Je kan spijt hebben van je zonden als haren op je hoofd. Terwijl het toch allemaal geen droefheid is in het hart, en ook geen droefheid naar God (2 Korinthe 7:10). Het is wel verdriet, maar het is niet op God gericht. Luistert u nog steeds op de goede manier? Kijkt u nog steeds naar uw eigen hart?

De Catechismus zegt: de bekering is een hartelijk leedwezen dat ik God door mijn zonden vertoornd heb. Mijn zonden zijn zo slecht, en het verdriet erover zo bitter, omdat ik het deed tegen God. Denk maar aan thuis, jongens en meisjes: je hebt iets heel ergs gedaan tegen papa of mama, je hebt expres iets heel moois stuk gemaakt. Wat doet je het meeste verdriet, wat doet je de meeste pijn? Dit: als je papa of mama in de ogen kijkt, en hij of zij zegt: ‘jij hebt het gedaan’. En jij zegt: ‘ja, ik heb het gedaan, tegen u!’ En papa of mama zegt: ‘kom maar!’

Hartelijk verdriet over de zonde, dat betekent: ik sta voor God. En ik zie wat ik gedaan heb. En ik zeg: ik heb gedaan dat kwaad is in Uw ogen (Psalm 51:6). En mijn hart breekt van verdriet, ik schaam me, ik buig me, ik word zo klein. Want, ik heb de eer van God ermee aangetast, ik heb God ermee vertoornd, ik heb de geboden van God veracht en ik heb Christus ermee op het hart getrapt.

Het is een hartelijke droefheid. In mijn hart. Met heel mijn hart. Zeker, er kunnen tranen zijn in mijn ogen, maar het kan ook een stil zuchten zijn in mijn hart. Het is een hartelijke droefheid, en het is tegelijkertijd een merkwaardige droefheid, een merkwaardig verdriet. Want je zou denken: wie zich zo schaamt, die verstopt zich of die rent weg. Maar, zo is het niet. Wie zulk verdriet heeft, die wordt juist door de Heere naar Hem toe getrokken. ‘Bedroefde van hart, verslagen en gebroken zondaar, u bent die man, u bent die vrouw, u hebt het gedaan! Kom tot Mij!’

b. Wie zo voor God staat, die gaat de zonde ook (dat is het tweede wat de Catechismus zegt) hoe langer hoe meer haten. Nee, niet de zonde van anderen (luistert u nog op de goede manier?), maar mijn zonden. En, niet als eerste laten, maar als eerste haten. Want het komt opnieuw uit de bron van het hart.

Want je kan de zonde laten (ik doe de zonde niet meer) uit goed fatsoen, of omdat je zelf ondertussen ouder, beschaafder en rustiger geworden bent. Maar dat is wat anders! En misschien was je altijd al door Gods algemene en terughoudende genade bewaard voor veel uitbrekende zonden. Maar dat is nog geen bekering. Echte bekering geeft verandering van leven door een hartelijke haat tegen de zonde: ik kan, ik wil het niet meer, ik vind het onverdraaglijk, ik walg ervan, ik zucht eronder. Onder dat ik het goede wil doen, maar toch doe ik het’ (Romeinen 7:19). Ik walg ervan en ik zucht eronder, want het krenkt God, het beledigt Zijn Majesteit en het veracht de liefde van Christus. En dat wil ik niet. Maar, het kleeft aan me vast. Ik haat het. Maar het zit in me, in mijn hart.

c. Dus, het afsterven van de oude mens bestaat in een hartelijke droefheid over de zonde, een droefheid naar God, een hartelijke haat tegen de zonde en (dat is het derde): een hartelijk vlieden van, een hartelijke wegvluchten van de zonde. Ik wil weg van de zonde. Want ik weet hoe gevaarlijk die is. Ik wil ermee breken, ik wil die radicaal de rug toekeren. En ik wil ook niet spelen met vuur. Ik wil wegvluchten van de zonde, en ik wil terug vluchten naar God.

Met heel mijn hart wegvluchten van de zonde. Want dat kan ook zonder je hart. Veel kerkmensen vluchten weg van de zonde, maar zonder dat hun hart daarin meekomt. O, gerusten in Sion, zie toch het gevaar van uw leven. U bent als iemand die slaapt in het opperste van een mast. Want u weet het toch: dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar (alleen) door het geloof van Jezus Christus (Galaten 2:16)? Sommigen verlaten deze of gene zonde, maar houden andere zonden aan de hand en vluchten daar niet van weg. Sommigen breken uiterlijk met al hun zonden, worden voorbeeldiger dan wie dan ook, maar de wortel van de zonde zit nog steeds in hun hart: hun onzichtbare liefde tot de zonde. Het leven van sommigen is als een wild dier, dat sinds kort aan de ketting is gelegd. Maar het hart van het beestje is gelijk gebleven.

Het gaat om het wegvluchten van de zonde vanwege verdriet om de zonde, vanwege haat tegen de zonde, omdat die tegen God ingaat! Omdat die God beledigt en de Heere verdriet aandoet.

Dat is wat God de Heilige Geest werkt in het hart van al Gods kinderen: Verdriet over de zonde, zondedroefheid. Haat tegen de zonde, zondehaat.

Wegvluchten van de zonde, zondevlucht. Is dat iets wat je één keer doet, en dan is het klaar?

Nee, de Catechismus zegt: het is een proces van hoe langer hoe meer sterven. De oude mens in me, mijn zondige ik, moet een langzame dood sterven. En dat doet pijn. Sommige mensen weten hoe dat voelt, het afsterven van een klein deel van je lichaam, bijvoorbeeld van een teen of van een vinger. Dat doet verschrikkelijk veel pijn! Het afsterven van mijn zondige hart en leven doet heel veel pijn: pijn en verdriet tegenover de Heere, dat ik het tegen Hem doe en tegen Hem gedaan heb, en: dat ik maar niet ophoud met zondigen!

Dat is één kant van de bekering: het afsterven van de oude mens. Kent u dat verdriet over de zonde, voor God? Die hartelijke haat tegen de zonde? Dat wegvluchten van de zonde? U luistert toch nog wel steeds voor uzelf?

Voordat we verder gaan met onze tweede gedachte gaan we eerst zingen uit Psalm 126, het derde vers: Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait; Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, ter goeder uur Zijn schoven dragen in de schuur.

Onze tweede gedachte:

2. De opstanding van de nieuwe mens

Vraag 90 zegt: Wat is dat, die opstanding van de nieuwe mens? Het antwoord is: Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.

Ja, want er is nóg een kant aan het leven met de Heere, aan het dienen van de Heere. Er is veel pijn en verdriet om onze blijvende zonden, maar Paulus zegt in 2 Korinthe 6: Wij zijn droevig, maar ook altijd blij (2 Korinthe 6:10).

Gods werk in het hart van een zondaar heeft altijd twee kanten. Bekering bestaat altijd in twee delen. Het bestaat niet uit twee delen, die je van elkaar kunnen scheiden, die je zou kunnen splitsen (zo van: ‘het ene ken ik wel, maar het andere ken ik niet’), maar het zijn twee kanten van dezelfde munt. Aan de ene kant is er berouw, ootmoed en vernedering, schaamte en verdriet.

Maar aan de andere kant is er ook blijdschap en vreugde. De dichter van Psalm 2 zegt: we verheugen ons met beving (Psalm 2:11).

Daar is aan de ene kant: de oude mens. Dat deel in ons (in heel ons hart en leven) dat van Adam is. En daar is tegelijkertijd aan de andere kant: de nieuwe mens. Dat deel in ons wat van Christus is. Waar Paulus aan denkt als hij schrijft: Christus leeft in mij (Galaten 2:20).

Dat oude is niet ineens weg. Dat sterft een langzame dood. En dat nieuwe is er niet ineens. Maar het is als het uitbotten van nieuw leven bij het aanbreken van het voorjaar. Het groeit langzaam. De ranken lopen uit, door de verbinding met de levende Wijnstok. En uiteindelijk wordt het zichtbaar. Maar het is opnieuw: vooral een zaak van het hart.

Want er is ook blijdschap op het gezicht en op de lippen, die niet voortkomt uit het hart. Je kan jezelf oppeppen tot een blij christen. Tot iemand die altijd gelooft, gelukkig en blij is: ‘zo blij, zo blij, want Jezus houdt van mij’. Maar ondertussen zonder (wat de Catechismus noemt) een hartelijke vreugde in God door Christus.

Die vreugde ontspruit uit een gebroken hart. Immers: God is in mijn leven gekomen. Hij heeft mijn hoogmoed gebroken. En ik zie mijn schuld, mijn hemelhoge schuld. Hij heeft mijn hart losgescheurd van de wereld. En ik heb de zonde vaarwelgezegd. En dan, o, wat geeft ons dat vreugde en blijdschap! Nu laat God weten, dat Hij in gunst aan me denkt. Nu laat God weten, dat Hij met mij van doen wil hebben. Dat Hij in gunst en niet in wraak Zijn lust heeft, omdat de hitte van Zijn gramschap geblust is, op Zijn Eniggeliefde Zoon, toen Hij stierf aan het kruis (Psalm 85:1, ber.).

Wat een vreugde en blijdschap geeft het dan, als ik iets mag zien, van de weg die de Heere Zelf gebaand heeft voor zulke slechte mensen. Als ik iets, als ik meer mag zien en kennen van de weg ter ontkoming, van de Heere Jezus Christus, die nu juist voor zulke overtreders geleden en gebeden heeft. Als ik door Hem weer iets mag ervaren van de nabijheid van de Heere, van het vriendelijke aangezicht van God in Christus Jezus. Van Zijn liefdevolle stem, van Zijn gedaante, van Zijn milde handen en vriendelijke ogen. Als ik daar iets van zien mag, als ik iets mag zien (voor mijn eigen hart en leven) van Christus, Zaligmaker van verloren zondaars, dan roep ik met blijdschap uit: Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk! (Hooglied 5:16) Zeker, het is alles naar de mate van het geloof en het inzicht dat de Heilige Geest ons geven wil. Maar als we daar iets van mogen zien voor onszelf, dan zijn we toch de koning te rijk? Hij voor mij, in mijn plaats. Nu heeft God, om Hem, zover het west verwijderd is van het oosten, van mij de schuld en zonden weggedaan (Psalm 103:12).

Dan schrijft Lukas over Zachéüs: hij ontving Jezus met blijdschap! Hij heeft verdriet over en schaamt zich voor zijn zonden, maar toch is er ook blijdschap (Lukas 19:6-8). En de kamerling reist zijn weg met blijdschap (Handelingen 8:39).

En de stokbewaarder verheugt zich, dat hij met heel zijn huis aan God gelovig geworden is (Handelingen 16:34). Wat geeft het Evangelie (die blijde boodschap van vrede) blijdschap en vreugde in het hart van verloren zondaars, die voor God hebben leren buigen en naar God bedroefd zijn geworden vanwege hun zonden.

Dat is een heel andere blijdschap, dan de blijdschap van de wereld. De blijdschap van de wereld, die duurt altijd maar even, die is kort, en dan is het voorbij. En die gaat altijd gepaard met iets dat wringt: met onvrede, met ongelukkigheid. Waardoor je altijd weer honger houdt naar iets nieuws, naar iets moois. En uiteindelijk is die blijdschap desastreus: het verziekt je geweten, het kan je lichaam verwoesten en het sleept je uiteindelijk mee naar de ondergang.

Neem dan de dienst van de Heere! Zeker, er blijft zolang we op de aarde zijn altijd een ondertoon van droefheid om onze zonden. En we zien met een zucht uit naar de tijd dat die onvolmaaktheid voorbij zal zijn, naar de tijd dat onze oude mens gestorven zal zijn en we in volmaaktheid de Heere mogen dienen.

Maar, dit is er ook! De andere kant van het leven met de Heere. Het begint klein, het groeit langzaam, tot op de dag, waarop het tot volle bloei zou komen (Psalm 68:2, ber.): blijdschap in God, door Christus. Dat God Zijn Zoon, Zijn Christus voor mij wilde geven. En dat God uit enkel genade mijn God wil zijn. Als de dichter van Psalm 89 daaraan denkt, dan zingt hij: Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE, zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen. Zij zullen zich de ganse dag verheugen(!) in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden (89:16, 17). Nu de Heere mij uit zo grote nood en dood verlost heeft, nu reis ik getroost mijn weg, nu verblijd ik mij in de Heere (Filippenzen 4:4). Want de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap en vrede (Galaten 5:22). Want het Koninkrijk Gods is rechtvaardigheid en vrede en blijdschap, door de Heilige Geest (Romeinen 14:17). Het is een blijdschap in God, die hier begint, en straks tot de volmaaktheid komt (Lukas 15:24).

De opstanding van de nieuwe mens is een hartelijke vreugde in God door Christus en (dat is het volgende wat de Catechismus zegt): een ernstige lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven. Dus: het verlangen om goede te werken te doen, dat God de Heilige Geest werkt in het hart van al Gods kinderen, dat is een ernstige lust en liefde. Met andere woorden: dat komt ook uit het hart. Ik doe het niet ‘omdat het allemaal zo hoort’, maar omdat ik de geboden van de Heere echt liefheb, zoals de dichter van Psalm 119: Hoe lief heb ik Uw wet (Psalm 119:97), ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief! (Psalm 119:113). Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan (Psalm 119:83, ber.).

Als het zo ligt in uw hart (u luistert hopelijk nog steeds voor uzelf): hartelijk verdriet (naar God, op God gericht) om uw zonden en een hartelijke liefde tot God, dan kan het niet anders: dan gaat u goede werken doen. Vanuit (en dat moet de bron zijn!), vanuit een vernieuwd hart.

En als je dat niet hebt, dat nieuwe hart? Dan is alles wat je doet (hoe mooi het ook lijkt) als kunstbloemen: namaak, onecht, nep, dood! Want het gaat om een oprecht hart. Dat oprechte hart, dat gaat goede werken doen. Daarover gaan vraag en antwoord 91. Goede werken, dat zijn werken die je doet uit een waar geloof, naar Gods wet, en alleen tot eer van Hem, en ze zijn niet op ons goeddunken of op inzettingen van mensen gegrond.

Doe je die zelf, die goede werken, als een soort van eigen prestatie? Nee, zegt Paulus, want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:13). Het is ten diepste allemaal: Gods werk, het vernieuwende werk van de Heilige Geest! Door God gewerkt, Die (en dat is de andere kant) het geloof in het hart van Zijn kinderen wel werkzaam maakt en brengt tot goede werken, want het geloof is door de liefde werkend (Galaten 5:6).

a. Goede werken komen voort (zegt de Catechismus) uit een waar geloof. Dat is de bron. Paulus zegt: alles wat niet uit het geloof is, dat is zonde (Romeinen 14:23). Al het goede, wat je denkt dat je doet, alles zonder geloof… U zegt: ‘dat is van geen waarde.’ Nee, de Catechismus zegt: ‘dat is niet niks, dat is zonde!’

b. Goede werken komen voort uit een waar geloof, en ze worden (dat is het tweede) gedaan volgens de wet van God. Ik wil van harte leven naar al Gods geboden, niet één uitgezonderd. Zoals de dichter zingt van Psalm 119: dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al(!) Uw geboden (Psalm 119:6).

c. En (dat is het derde) goede werken worden gedaan tot Gods eer. Want, zo zegt Paulus: Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods (1 Korinthe 10:31).

d. En die goede werken die zijn (dat is het vierde) niet op ons goeddunken of op inzettingen van mensen gegrond. De Farizeeën maakten er vroeger zelf allerlei geboden bij, waardoor ze nog beter leken in de ogen van mensen. Maar een kind van God heeft maar één vraag: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal (Mattheus 23:23; Handelingen 9:6)?’

Uiterlijk kunnen de levens van een onbekeerd mens en een kind van God veel op elkaar lijken. Het leven van een onbekeerde kan er zelfs netter, mooier of voorbeeldiger uitzien. Voor het oog.

Soms lijken kunstbloemen mooier, volmaakter, echter, dan de tulpen en de narcissen die in de tuin staan. Die zijn soms gebutst, gekneusd, geknakt. Daar zitten plekjes op. Daar zitten beestjes op. Soms hangen de bloemen, soms zijn ze verdord. Maar ze leven wel. Maar die kunstbloemen in de vensterbank (iedereen mag ze zien, daar hoef je je niet voor te schamen), maar: die zijn dood.

Voel eens aan de bloemen van uw leven. Voelt het als kunst? Of is het echt? Het echte zit hier, van binnen!

Kent u die ingrijpende, die diepingrijpende verandering in uw eigen leven? Is er in uw leven een eertijds van liefde tot de zonde, een tijd dat u God niet kende, een tijd dat u niet bedroefd was naar God, een tijd dat u Christus niet zocht? En is er een maar nu: nu een hartelijke droefheid naar God, omdat u tegen Hem gezondigd hebt? Nu is Christus u kostbaar geworden? Nu haat u de zonde van uw hart en verlangt u (met blijdschap) om naar al Gods geboden te leven?

Of… zit het alleen maar aan de buitenkant, op uw gezicht, op uw lippen, zonder uw hart? Onderzoek uzelf, of u in het geloof bent, beproef uzelf.

Amen.

Slotzang Psalm 89:7

Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort! Zij wandelen, HEERE, in 't licht van 't Goddelijk aanschijn voort; Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden; Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in 't lijden; Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen, Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.