Zondag 35 · 9 oktober 2022
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 35 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus behandelt het tweede gebod: geen beelden maken of dienen. God is een Geest — te groot, te heilig om af te beelden. Wie Hem toch op eigen wijze wil dienen, begaat een misdaad. Maar God wil wel gekend worden: niet door beelden te zien, maar door Zijn Woord te horen. De levende verkondiging van dat Woord is het enige middel waardoor God Zichzelf aan zondaren openbaart en door hen gekend wil worden.
Voor beeldendienst zult u u wachten
ZONDAG 35
Vraag 96: Wat eist God in het tweede gebod?
Dat wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen andere wijze vereren, dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.
Vraag 97: Mag men dan ganselijk geen beelden maken?
God kan noch mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God, hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen.
Vraag 98: Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?
Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, dewelke zijn Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging zijns Woords wil onderwezen hebben.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 35
THEMA
Voor beeldendienst zult u u wachten
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, aan de beurt voor behandeling in deze leerdienst is Zondag 35 van onze catechismus. Laten we die zondag samen eerst met elkaar lezen. Het zijn drie vragen en drie antwoorden.
Vraag 96. Wat eist God in het tweede gebod? Antwoord. Dat wij God in generlei wijze afbeelden, en op geen andere wijze vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.
Vraag 97. Mag men dan ganselijk geen beelden maken? Antwoord. God kan en mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen. (De kern van de antwoorden 96 en 97 is eigenlijk: je mag God niet afbeelden.)
Vraag 98. Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden? Antwoord. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben. (De kern van antwoord 98 is eigenlijk: je moet naar God wel luisteren. Dus: niet afbeelden, maar wel luisteren.)
Het thema voor de preek van vanmiddag is (en dat is een citaat uit de berijmde Tien Geboden, waar we uit gezongen hebben): Voor beeldendienst zult u u wachten. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Niet afbeelden (dat ziet u in vraag en antwoord 96 en 97) 2. Wel luisteren (dat staat in vraag en antwoord 98)
Maar, voordat we gaan kijken naar de catechismus, eerst even de letter van het gebod, want die wordt door de catechismus niet helemaal behandeld. Zó staat het in Exodus 20: U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder
de aarde is. U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen, want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden (Exodus 20:4-6)
Is het tweede gebod een belangrijk gebod? Even los van wat God hierin van ons vraagt? Is dit een belangrijk gebod? Ja zeker, dit is een heel belangrijk gebod. Weet je hoe ik dat weet? Weet je waar je dat aan kan zien? Nou, hier aan: Als je je niet houdt aan dit gebod, als je dit gebod overtreedt, dan noemt Heere dat een ‘misdaad’. Wie zich niet aan dit gebod houdt, die is een misdadiger. Kijk maar, dat staat er: U mag geen beelden dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid van degenen die Mij haten. Dat wil dus zeggen: God op je eigen manier dienen en niet zoals God dat van je vraagt, dat is een misdaad!
En daarbij, het is een misdaad waarin je als ouders ook je kinderen kan meesleuren. Je kinderen zien hoe je God dient, maar half… En ze denken: O, als pa en ma met de helft genoegen kunnen nemen, dan kunnen wij wel volstaan met een kwart, en daarna hebben de kleinkinderen genoeg aan een achtste… En zo kan een verkeerd leven, een op je eigen manier God dienen ervoor zorgen, dat binnen drie of vier generaties de dienst van de Heere volledig verdwenen is.
‘Ik (zegt God) bezoek de misdaad der vaderen aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten.’ Betekent dat, dat als je ouders zondigen, dat jij daar dan voor wordt gestraft? Eigenlijk moet ik zeggen: Ja en nee. Ja. Ja, als je met hen meegaat. Zo zijn er bij de ondergang van de eerste wereld, bij de zondvloed, en later bij de verwoesting van Sodom en Gomorra ongetwijfeld ook heel veel kinderen omgekomen. Ja, als je met je ouders meegaat op het pad van de zonde. Maar nee, als je niet meegaat in hun spoor. Vandaar deze indringende waarschuwing. Dus, jongens en meisjes, als pappa vloekt, moet je het niet nadoen. Als mama wil thuisblijven van de kerk, zeg dan maar: maar ik ga wel! En als opa en oma niet meer in de Bijbel lezen, zeg dan maar: maar ik doe het wel, want ik wil niet horen bij de mensen, bij de misdadigers ‘die God haten’. Als je als kinderen meegaat in het verkeerde spoor van je vader of moeder, als zij de Heere niet meer willen dienen, en jij gaat God ook haten, dan loopt het verkeerd met je af.
Maar onze God (die als gaat om straffen tot drie of vier telt), Hij doet barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden. Je krijgt jongens en meisjes, jongelui de zegen Heere, als je Hem liefhebt en als je gaat in het spoor van Zijn geboden! Ook al gaan je ouders een andere, een verkeerde weg.
Dat zie je bijvoorbeeld bij de kinderen van Korach. Ze doen niet mee aan de opstand van hun vader. En ze ontvangen duizendvoud barmhartigheid en zegen van God (Numeri 26:11Maar de kinderen van Korach stierven niet., zie ook Ezechiël 18:20De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.).
Eigenlijk is dit, wat hier staat, een stukje Evangelie in de wet. Ik, God, straf de zonde. En dan tel ik tot drie of vier. Maar, mensen, luister nu(!), Ik ben zo barmhartig! Als het gaat om Mijn barmhartigheid, dan tel Ik tot duizenden. Jakobus schrijft: de barmhartigheid roemt tegen het oordeel (Jakobus 2:14Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?).
We gaan naar ons eerste punt:
We lezen nog een keer vraag en antwoord 96: Wat eist God in het tweede gebod? Dat wij God op geen enkele manier afbeelden, en op geen andere manier vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.
Je mag geen beeld van God maken. Niet als iets van wat boven in de hemel is. Je mag God niet afbeelden als de zon of de maan, of als een ster, of als een vogel. Ook niet als iets van wat onder op de aarde is. Je mag God ook niet afbeelden als een mens, als een dier, of als een boom of een bloem. En ook niet als iets van wat in de wateren onder de aarde is. Dus ook niet met het beeld van een vis.
Waarom mag het eigenlijk niet? Dat is toch handig? Dan zie je tenminste wat! Dan heb je tenminste wat! Ja, eigenlijk is dat ook de reden dat wij mensen geneigd zijn om beelden te maken. Waarom kom je in de wereld heel veel mensen tegen die beelden hebben en die beelden ook echt aanbidden? Waarom hebben ze beelden? Nou, anders zijn hun goden zo onzichtbaar, zo ongrijpbaar, zo onbeheersbaar... Daar zou je bang van worden. Als je geen beelden hebt, dan zou je gaan denken: ‘Waar zijn ze toch, onze goden? Hebben ze ons misschien in de steek gelaten?’ Maar als je een beeld hebt, dan kan je denken: ‘Oh, gelukkig, onze god is dichtbij, kijk maar, daar staat ie! Je kan hem zien, je kan hem aanraken. Je zegt: ‘Kijk, hij kijkt nog even vriendelijk als gisteren. Hij zal ook wel nog steeds tevreden met ons zijn, tenminste, zo lijkt het, want hij staat nog even doodstil in de hoek of in de vensterbank te glimlachen als voorheen…’
Dat gevoel speelde ook in de woestijn bij het volk van Israël. Mozes was al een tijdlang op de berg Sinaï: hun grote leider Mozes. Maar waar blijft die man nu toch? Zou hij nog wel terugkomen? Straks blijft hij weg! Straks moeten we alleen verder in deze woestijn! ‘Sta op, (Aaron,) maak ons goden’ (Exodus 32:1Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.). En Aaron doet het. En dan zie je, tot je schrik, wat er van terecht komt als wij mensen God gaan afbeelden.
Want Aaron maakt… een hoofd, ogen, oren, neus, mond, schouders, handen…? Nee! Aaron maakt een… kalf! Hij maakt een dier! Een stierkalf, zoals de mensen die ook in Egypte hadden en aanbaden! En als dat beest klaar is, dan zegt hij: ‘Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben. En morgen is er voor de HEERE een feest! En dan mag je God dienen, gewoon op je eigen manier…, rond je nieuwe kalf…! (Exodus 32:4-5)
Kon Aaron geen beter beeld maken van God? Hij wist toch wel meer van de Heere God? Hij kon toch wel anders aan Gods denken? Hoe dan? Wat weten wij van de Heere? Dit: Hij is God. En God is een Geest (Johannes 4:24God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Dat wil zeggen: je kan God niet pakken, niet aanraken, en dus ook niet uitbeelden. Je kan helemaal geen tekening van God maken, ook geen beeld of schilderij. Het kan niet en het mag ook niet. Want je weet niet hoe Hij is! Want de Heere zegt: Bij wie dan zult u Mij vergelijken, die Ik gelijk ben?, zegt de Heilige (Jesaja 40:25Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.). Ik ben de Heilige, de Allerhoogste, vol van majesteit en heerlijkheid. Ik ben almachtig, Ik ben overal tegenwoordig. Met andere woorden: je kan je niet voorstellen, je weet niet hoe Ik ben. Je weet niet hoe groot Ik ben. Dus, iedere keer als je iets maakt, dan is dat veel te klein. Want de hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten (Jesaja 66:1Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?). En Ik (zegt God) vervul de hemel en de aarde (Jeremia 23:24Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.). Als Ik dan zo groot ben, dan kan je Mij toch niet namaken? En dan mag je zeker niet doen alsof Ik lijk op iets kleins, dat jij met je eigen handen heb gemaakt! Dat is een diepe belediging, dat is een diepe verachting van wie Ik werkelijk ben.
En vergeet daarbij niet: Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God. Dat wil zeggen: Ik kan het niet verdragen, Ik kan het niet aanvaarden, Ik kan het niet tolereren, dat u Mijn eer kwetst en krenkt. Door Mij af te beelden als iets pietepeuterig kleins, als iets wat Ik zelf ooit met Mijn eigen handen heb gemaakt.
Mag dat dan helemaal niet? Vraag 97 zegt: Mag men dan ganselijk geen beelden maken? Het antwoord zegt: God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen. Dus: Mag het helemaal niet? Nee, op geen enkele manier! We kunnen en mogen God niet afbeelden of beelden van Hem aanbidden. Dat is een diepe belediging van de heilige God.
Je zegt: ‘nou, ’t is maar gelukkig, want wij hebben geen beelden in huis! We hebben gelukkig nergens stiekem een gouden kalf staan, waar we voor bidden…’ Gelukkig. Maar, het tweede gebod gaat natuurlijk over meer. De geboden van de Heere wijzen steeds de erge vormen van zonde aan, maar de betekenis is breder. En dat voel je ook, als je kijkt naar wat er staat in antwoord 97: het mag op geen enkele manier.
Want je kan het doen op verschillende manieren. Je kan een beeld maken van hout of steen, maar het kan ook anders. Ik kan ook een beeld maken zonder materiaal, zonder spullen die je gebruikt. Bijvoorbeeld een beeld in je hoofd, in je gedachten. We noemen dat letterlijk ook ‘een godsbeeld’. Een beeld van God in je gedachten. Je zegt of je denkt bij jezelf: ‘zo is God’. Maar, net als bij een gewoon beeld, het is veel te klein of veel te eenzijdig.
Je zegt: God is liefde, dat staat toch in de Bijbel? Maar dat andere wat er staat, ‘Zijn haat tegen de zonde’? Nee, daar houd ik niet zo van. Of je denkt: God is een harde meester, die alleen maar straft. Maar dan vergeet je dat Hij Zijn barmhartigheid bewijst aan duizenden van degenen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden. Of je denkt dat God blind is, en niet ziet wat je doet. Nou dan heb je een heel verkeerd beeld van God gemaakt, want God ziet alles. Of je denkt dat God doof is, en niet hoort dat je zegt, en niet hoort dat je bidt. Of je denkt, midden in de moeilijkheden waarin je zit, dat God geen armen heeft om te helpen. Sterker nog, je denkt dat God slaapt, terwijl Hij nooit slaapt of sluimert. Of je denkt, dat is ook al zo’n verkeerd beeld van God dat je zelf gemaakt hebt, je denkt dat we een God hebben die genoegen neemt met degelijke praat, terwijl je Hem niet eens kent in je hart. Of je denkt dat we een God hebben die genoegen neemt met het feit dat je hier op zondag braaf in de kerk zit, terwijl je doordeweeks gewoon je eigen leven leidt en helemaal niet luistert naar Gods geboden.
Of misschien, als je aan God denkt, denk je aan een God die met harde hand het liefste van je afgenomen heeft…
Wat zijn we toch geneigd om verkeerd te denken over onze God. Om verkeerde beelden te maken van God. En wat is dat beledigend!
Hoe moeten we dán over Gods denken? Hoe moeten we Hem dán dienen? Antwoord 98 zegt: zoals God ons in Zijn woord bevolen heeft.
Wat zie je dan, als je luistert naar het Woord van God? Hoor je trouwens dat ik het over twee verschillende dingen heb? Als ik zeg: Wat zie je dan (met je ogen?), als je luistert naar het Woord van God? Luisteren doe je met je oren… Wat zie je, als je luistert naar het Woord van God?
Dat zie je bijvoorbeeld bij Mozes. Je kan het lezen in Exodus 33 en 34. Mozes wil ook graag iets zien van God. Met zijn ogen. Blijkbaar is dat toch iets wat in ons zit: we willen het zien! En dan zegt de Heere God: ‘Goed, Ik zal aan je voorbijgaan. Maar terwijl Ik dat doe, zal Ik je gezicht, zal ik je ogen met Mijn hand overdekken.’ Handen voor je ogen…, en dus ziet Mozes niets…
Met andere woorden (en dat bedoelt de Heere ook), de boodschap is: ‘Mozes, Ik ben te groot voor je. Je kan Mij niet zien!’
En wat gebeurt er dan? Ik zal het voorlezen uit Exodus 34: 5-7: De HEERE nu kwam nederwaarts in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem, en Hij riep uit de Naam des HEEREN. Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging (‘Opletten Mozes, wat zie je?’ ‘Niets want de Heere houdt Zijn handen voor mijn ogen…!) Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging zo riep Hij (‘Mozes - ja precies, dat moet je vragen! - , wat hoor je? wat zegt de Heere tegen je…?) Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft, Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.
Je zegt: ‘Mozes, heb je de Heere God gezien? Liet Hij Zijn aangezicht, Zijn gezicht aan je zien? En, wat zag je toen? Kan je het voor ons uitbeelden? Wil je het voor ons uittekenen?’ Nee, als je goed leest, is dat een verkeerde vraag! De Heere wil dat je vraagt: ‘Mozes, wat hoorde je toen?’
Want de Heere laat zich niet zien, maar horen. Hij is te groot voor Mozes, Hij is te groot voor ons. We kunnen Hem niet zien. Dat zei de Heere ook letterlijk tegen Mozes: U zal Mijn aangezicht niet kunnen zien, want Mij zal geen mens zien, en leven (Exodus 33:20). Maar, Ik zal Mijn Naam uitroepen. En u zult Mij horen, met een heldere stem, en met heldere woorden. U zult Mijn Naam horen. En Mijn Naam weerspiegelt iets, laat iets zien van Wie ik werkelijk ben, laat iets zien van Mijn onzienlijke heerlijkheid, van Mijn oneindige majesteit en glorie.
Dus: hoe leer je God kennen? Niet door een beeld, een tekening of een schilderij te maken, en daarnaar te kijken met je ogen. Maar door met je oren te luisteren naar Zijn Woord. En zo komen we bij ons tweede aandachtspunt. Het eerste was: niet afbeelden, het tweede is: wel luisteren. Maar, daar gaan we (voordat we verdergaan) eerst van zingen, uit Psalm 49:1: Gij, volken, hoort(!), waar g' in de wereld woont, 't zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond; 't zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord. Mijn mond brengt niets dan loutere wijsheid voort, bij mij in 't hart opmerkzaam overdacht. Ik neig het oor, daar 'k op Gods inspraak wacht, naar 's HEEREN spreuk, en zal u, op de snaren der blijde harp, geheimen openbaren.
Ons tweede aandachtspunt:
Jongens en meisjes, hoe leer je God kennen? Door te luisteren naar Zijn woorden. ‘Dit ben ik, Mozes, je kan er geen beeld, je kan er geen tekening of schilderij van maken. En dat mag ook niet.’ ‘Dit ben Ik: HEERE HEERE’. De ‘IK BEN’, de ‘IK BEN DIE IK BEN’. Dat is de God, gemeente, met Wie wij in de rekening staan. Dat is de God voor Wie wij staan: HEERE HEERE. De driemaal heilige God. Oneindig hoog verheven, eindeloos hoog in majesteit en heerlijkheid. Trouw aan Zijn verbond. Zijn woorden zijn waarachtig en getrouw. God, vol van majesteit, eer, wijsheid en kracht. Barmhartig en genadig, lankmoedig (geduldig) en groot van weldadigheid en waarheid. En daarin, Mozes, tel Ik tot duizenden. En, Ik vergeef de ongerechtigheid, de misdaad, de overtreding en zonde. Maar, Ik ben ook rechtvaardig. Ik straf de schuldigen en de kinderen die zich mede schuldig maken tot in de derde en vierde generatie toe.
Gemeente, voor die God staan wij. Hij heeft ons gemaakt. En wij hebben met Hem gebroken. Als de dichter van Psalm 130 daaraan denkt, dan zegt hij: ‘HEERE, als U (zo hoog en heilig) de ongerechtigheden, de misdaden gadeslaat, wie zou voor U kunnen bestaan?’ Daar moet u eens voor uzelf rustig over nadenken: ‘HEERE HEERE, wie kan voor U bestaan?’
God zegt ons in Zijn Woord, Wie Hij is. En Hij wil dat we daarnaar luisteren en dat we ons voor Hem buigen.
Niemand heeft ook ooit God gezien, zo schrijft de evangelist Johannes (Johannes 1:18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.). Maar Wie God is, dat horen we in, dat weten we uit Zijn Woord, uit de Bijbel. Daarin heeft God Zich aan ons geopenbaard, daarin laat Hij Zich aan ons zien. En, daarbij, de Eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, het vleesgeworden (mens geworden) Woord, Hij heeft God ook aan ons geopenbaard.
Het Woord van God laat het ons zien, en ook de Heere Jezus heeft het aan ons laten zien: Wie God is! In Zijn komst in deze wereld, zien we Gods eeuwige wijsheid, Zijn onbegrijpelijke, verkiezende liefde en trouw. In Zijn sterven aan het kruis, zien we Gods heiligheid en recht. Eer Hij de zonden ongestraft liet blijven, trof het zwaard van Zijn wraak Zijn liefste Kind. In Zijn sterven aan het kruis zien we Gods heiligheid en recht, maar daar zien we tegelijkertijd ook Zijn onbegrijpelijke liefde en genade voor Zijn verloren, maar verkoren Kerk.
In Christus zien we Wie God is. En in het Woord wordt Hij, die Christus, voor onze ogen geschilderd (Galaten 3:24Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.).
In Christus zien we Wie God is. Dat zei de Heere Jezus ook tegen Filippus: Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien (Johannes 14:9Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?). Want Hij, Christus, is het afschijnsel van Gods heerlijkheid (moeilijke zin, jongens en meisjes, let goed op…), de Heere Jezus is het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. Dat wil eigenlijk zeggen: in Hem, in de Heere Jezus, zien we Wie God is! (Hebreeën 1:3Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen;)
Dus: hoe leer je nu Wie God is, en Wie de Heere Jezus is? Hoe kan je God, hoe kan je de Heere Jezus Christus leren kennen? Niet door te kijken naar een beeld, maar door te luisteren naar het Woord. Zoals de dichter dat zingt in Psalm 49, zoals wij het net ook zongen: Kom, luister naar dit woord. Die centrale plek van het Woord zien we in antwoord 96, maar vooral ook in antwoord 98. Leest u nog maar even mee, vraag en antwoord 98: Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken (als uitleg voor gewone mensen) niet mogen dulden (niet mogen toestaan)? Het antwoord zegt: Nee! Want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die Zijn christenen niet door stomme beelden (door beelden die niet kunnen praten), maar door de levende verkondiging Zijn Woord wil onderwezen hebben.
Als de geestelijke mensen nu eens in de Bijbel lezen, dan kan de rest, dan kunnen de gewone mensen, de leken plaatjes kijken in een prentenboek, of naar beelden kijken in de kerk. Want die mensen snappen het toch allemaal niet... Ja, dat dachten ze vroeger. Maar datzelfde gevaar bestaat nog steeds. Het gevaar dat je denkt: Bijbellezen? Dat is moeilijk… Het is veel fijner om een inspirerend boekje te lezen, voor jezelf, of om daar samen met anderen over te praten. Die teksten zijn mooi, aansprekend, en zo troostvol geformuleerd, zo gemakkelijk geschreven, maar de Bijbel…? Dat is zo moeilijk boek… Of, dat kan ook, dat je denkt: ‘ik kan beter een preek of een meditatie lezen, dat snap ik tenminste…’ Ja, maar dan niet als ‘vervanging van’! Dan wel in de eerste plaats als uitleg van het Woord. Want dat is het middel bij uitstek(!) om God te leren kennen en om God te dienen.
Dus, jongelui: in je Bijbel lezen! Neem geen genoegen met discussiegroepjes, met bijbelstudiegroepen, met samen praten over ervaringen, zonder te luisteren naar het Woord. En dus: zonder te luisteren naar God! Laat alsjeblieft God aan het Woord.
Als je het niet goed snapt? Prima, zoek dan uitleg. Maar pas op dat je niet allerlei dingen gaat lezen als vervanging van dit boek, van deze Bijbel. Lees dan de kanttekeningen als uitleg, vraag om een Bijbel met uitleg, of koop een Studiebijbel, maar… lees de Heilige Schrift! Dit Boek!
God zegt: ‘wil je Mij leren kennen? Wil je weten Wie Ik ben, wil je weten hoe Ik ben? Hier, lees dit boek! Hierin staat alles wat je weten moet!’ Zoveel als je nodig hebt voor je zaligheid.
God dienen, zoals Hij ons bevolen, zoals Hij ons opgedragen heeft. Door Hem te aanbidden op Zijn manier, in geest en waarheid, met heel ons hart. En niet op onze manier met beelden, zichtbaar of in onze gedachten. En door (zo zegt antwoord 98) ons te laten onderwijzen door het gepredikte Woord, door de ‘levende verkondiging’ daarvan.
Met andere woorden: wees trouw in je kerkgang! Blijft niet onnodig thuis. Slaap ’s morgens niet uit en ga ‘s middags niet iets anders doen. Wees niet wijzer dan God! Hij wil door de dwaasheid van de prediking zalig maken (1 Korinthe 1:21Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven;). Dus, wil je zalig worden? Kom dan zitten onder de dwaasheid van de prediking!
Zoek het niet buiten het Woord. En zoek het niet buiten de prediking, buiten de ‘levende verkondiging’ van Gods Woord. Opvallend, dat de catechismus dat zo formuleert. Verder zijn er ook geen vereisten. Er staat niet de ‘levendige’ verkondiging, maar de ‘levende’. Met andere woorden: al vind je de preek saai, als staan de manieren van de dominee of van de man die de leesdienst verzorgt je niet aan, het is allemaal geen reden om niet te luisteren of om weg te blijven. Paulus, de grote apostel Paulus, was waarschijnlijk ook niet zo’n vlotte spreker. En Mozes en Jeremia zeiden ook: ik kan het niet. Dus de toon, het accent, de tongval, de manieren of wat dan ook van de mens die spreekt of leest, het doet er allemaal niet toe. Jazeker, ik kan me voorstellen: naar de een luister je makkelijker dan naar de ander. Maar toch, laten we niet menselijk denken over de dienst van Gods Woord.
De vraag is: wat maakt de verkondiging levend? Nee, dat is niet dat er een dominee is, in plaats van een leesdienst. Dat wordt ook helemaal niet bedoeld met ‘de levende verkondiging van het Woord’. Dat kan ook een leesdienst zijn! Wat maakt dat je tien jaar later nog steeds zegt: ‘die dienst, die vergeet ik nooit’? Niet de mens die sprak of las. Maar dat God sprak! Het is de Heilige Geest die de verkondiging van het Woord levend maakt. Of er nu een predikant preekt of een ouderling een leesdienst verzorgt, dat maakt wat dat betreft helemaal niets uit.
Dus roep ik u ook op, gemeente, om onder de leesdiensten trouw te zijn in uw kerkgang. Ook als je van tevoren stiekem in je gedachten uitgevogeld hebt, dat de man die waarschijnlijk gaat lezen, niet je favoriete voorlezende ouderling is, om vervolgens thuis te blijven. Daar rust geen zegen op.
De Geest maakte verkondiging levend. Dus daar moet je stilletjes voor jezelf en thuis met elkaar om bidden. ‘Heere wilt U het zo maken dat Uw Woord als een levend Woord zal binnenkomen in mijn hart? Want dan, als mijn dode hart Uw levende woorden hoort, dan zal ik leven en U ook leren kennen?’
En, kunnen beelden of plaatjes de gewone mensen of de kinderen daarbij misschien nog een handje helpen? Om God te leren kennen? Als ‘boeken der leken’, als hulp voor gewone mensen, die het anders allemaal een beetje te moeilijk vinden? De catechismus is terecht stellig: Nee! Het Woord alleen! Het levende Woord, de levende verkondiging van Gods Woord kan en wil ons de weg der zaligheid leren.
U zult geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken… van Mij! a. Een gebod dat ons (in de eerste plaats, zoals het staat in Zondag 2) wil ontdekken. Een gebod dat ons onze zonden wil aanwijzen. Opdat we onze ellende, onze zonden zouden zien, zouden erkennen, zouden toegeven en zouden belijden! Nee, het zijn niet zomaar vergissinkjes. De Heere noemt het de misdaden van de vaderen, die over kunnen gaan op de kinderen. Het zijn misdaden: God dienen op je eigen manier en niet luisteren naar Zijn Woord. Het zijn misdaden tegen God. Moeten wij dan ook niet zeggen: ‘Zo, U, HEERE, de ongerechtigheden, zo U de misdaden gadeslaat, wie zal voor U bestaan?
b. Een gebod (in de tweede plaats) om ons ook te laten zien… Ja, je kan het wel proberen anders te maken bij jezelf, je kan wel proberen te breken met je beelden en met dat niet luisteren naar de Heere, maar het lukt je niet in eigen kracht… Dat wil de wet ons ook laten zien: je kan het niet zelf. Het is wat betreft jezelf hopeloos. Het ligt buiten jezelf. Het kan alleen maar om het werk van Christus en door het werk van de Heilige Geest. Zo wil de wet, en ook dit gebod, tuchtmeester, pedagoog zijn, die verloren zondaars als misdadigers bij Christus brengt. Bij Hem, Die juist gekomen is voor zulke misdadigers. En Die nu juist die misdadigers, door het levende verkondiging van Zijn Woord wil laten zien: wie zij zijn, en Wie God is, en wie Hij is en wil zijn voor zulke slechte mensen.
c. Voor wie (in de derde plaats) zo God heeft leren kennen, als Degene die om Christus’ wil verlost van zonden en misdaden, van schuld en straf, voor diegenen wijst dit gebod om ‘te wandelen met God’. Dit is de weg, dit is het goede pad: luister niet meer naar je eigen wil. Leef niet meer volgens je eigen principes en eigen patronen. Maar luister en blijf luisteren naar het Woord en de levende verkondiging daarvan! En dien de Heere. Want het gaat erom dat we God dienen en zo doende met heel ons leven Zijn beeld (en nu gebruik ik dat woord even in andere zin), Zijn beeld gaan vertonen.
Dat beeld dat we verloren hebben, door eigen schuld in het paradijs. Maar dat de Heilige Geest om Christus’ wil weer in ons leven gaat herstellen. Door ons hart en leven nieuw te maken. En als dat zo is, als we door Gods genade naar het beeld van Christus vernieuwd worden, en dat beeld weer gaan vertonen, dan zien de mensen (wonderlijk genoeg) ook aan ons iets van ‘wie God is’, en van ‘Wie Hij om Christus’ wil zijn voor zulke slechte mensen’.
Dus, jongens en meisjes, dit is het laatste, de preek is bijna klaar. Je kan God, je kan de Heere Jezus dus leren kennen door (vooral en in de eerste plaats leren kennen door): te lezen in de Bijbel, door te luisteren naar het voorlezen uit de Bijbel en naar de Bijbelvertelling door de meester of de juf en vooral door… hier, in de kerk goed te luisteren naar het Woord van God en de preek die daarover gaat!
Maar, er is nog iets, jongens en meisjes: kijk ook naar Gods kinderen. Luister naar Gods Woord (dat is het allerbelangrijkste), en kijk goed naar Gods kinderen, naar de mensen die van de Heere een nieuw hart gekregen hebben.
Wat je dan ziet? Wat zie je aan ze? Dan zie je, hoe goed de Heere is voor slechte mensen. En (als het goed is, en als je goed kijkt), dan zie je ook iets van het beeld van God, van het beeld van de Heere Jezus Christus in hen. En als je daar goed naar kijkt, dan kan je daar jaloers op worden. En dat is goed. Dat mag ook. Want als je zo naar Gods kinderen kijkt, en jaloers wordt op wat zij gekregen hebben, dan ga je ook zelf zeggen en bidden (zeg dat maar, bid dat maar): Heere, zegen Uw Woord toch ook voor mij!
Amen.
Slotzang Psalm 130:2
Zo Gij in 't recht wilt treden, O HEERE, en gadeslaan Onze' ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, HEERE, met beving, Recht kinderlijk gevreesd.
Andere preken over Zondag