Zondag 45 · 2 april 2023
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 45 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 45 van de Heidelbergse Catechismus opent de bespreking van het gebed. Gebed en gebod horen onlosmakelijk bij elkaar: bidden is niet alleen een behoefte maar een bevel. Het is het voornaamste stuk van de dankbaarheid, en God wil Zijn genade en Heilige Geest alleen geven aan hen die Hem met hartelijk zuchten bidden. De preek laat zien waarom bidden nodig is, wat het inhoudt, en waarvoor het mag.
Het gebed
ZONDAG 45
Vraag 116: Waarom is het gebed den Christenen van node?
Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert, en dat God zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.
Vraag 117: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?
Eerstelijk, dat wij alleen den enigen waren God, die zich in zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.
Vraag 118: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?
Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.
Vraag 119: Hoe luidt dat gebed?
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 45
THEMA
Het gebed
De overgang is wel erg abrupt. De catechismus valt in Zondag 45 na de bespreking van de Tien Geboden zomaar met de deur in huis met vraag 116: Waarom is het gebed den christenen van node? Dat gaat wel heel snel, dat is wel heel abrupt. Ja, dat lijkt wel zo, maar zo is het niet helemaal. Want die twee zijn wel heel erg nauw aan elkaar verbonden. Gebed en gebod horen echt bij elkaar.
De bespreking van de Tien Geboden eindigde er trouwens ook mee, in zondag 44. Daar werd gezegd: voor de gehoorzaamheid aan de geboden is het nodig dat wij zonder ophouden ons beijveren en God bidden(!) om Zijn Heilige Geest. Dat gebod en gebed bij elkaar horen, is ook echt een Bijbels gegeven. Denkt u maar aan Psalm 119 vers 4 en 5: HEERE! U hebt geboden (dat is het gebod!), dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. Och, dat mijn wegen gericht werden (dat is het gebed), om Uw inzettingen te bewaren. Over het gebed, over bidden, daarover gaan de laatste zondagen van de Heidelbergse Catechismus. We lezen samen zondag 45, de vragen en antwoorden 116, 117, 118 en 119.
Vraag 116. Waarom is het gebed den Christenen van node? Antwoord. Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. (Dit gaat eigenlijk over de vraag: bidden, waarom is dat nodig?)
Vraag 117. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en door Hem verhoord wordt? Antwoord. Eerstelijk dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde dat wij deze vaste grond hebben dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus' wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft. (Dit gaat eigenlijk over de vraag: bidden, wat houdt dat in?)
Vraag 118. Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden? Antwoord. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.
Vraag 119. Hoe luidt dat gebed? Antwoord. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen. (Deze laatste twee vragen en antwoorden gaan eigenlijk over de vraag: bidden, waarvoor mag je dat doen?)
Gemeente, het thema van de catechismuspreek van vanmiddag is: Het gebed We letten op drie aandachtspunten. Het zijn de drie genoemde vragen: 1. Waarom is het nodig? 2. Wat houdt het in? 3. Waarvoor mag het? Als eerste dus:
Immers vraag 116 zegt: Waarom is het gebed de christenen van node? Waarom is dat voor de christenen nodig? Waarom moet dat, bidden? Waarom is er zelfs een gebod om te bidden? Want zo scherp ziet de catechismus het wel! In antwoord 116 staat: God vordert het, dat wil zeggen: God eist het. In antwoord 117 staat: we moeten God bidden om alles wat Hij ons geboden heeft. Het is een gebod. En in vraag 118 staat: wat heeft God ons bevolen te bidden? Bidden is dus bevel. Het moet. Het is Gods gebod.
Nee, het is niet de bedoeling dat ons gebed daarmee dode vormendienst wordt ‘omdat het nu eenmaal moet.’ Maar het is ook niet zo, dat wij alleen maar bidden moeten als we daar behoefte aan hebben, dat wij alleen maar bidden moeten als we daar zin in hebben. Bidden is als het goed is een zaak van het hart, een zaak van liefde, een zaak van gewilligheid, een zaak van mogen en een zaak van behoefte. Maar bidden moet tegelijkertijd ook een zaak van gehoorzaamheid zijn, een doen wat de Heere van ons vraagt.
Het is net als in een goed huwelijk. De Bijbel geeft de opdracht, het bevel: gij mannen hebt uw eigen vrouwen lief! Maar tegelijkertijd is die geboden liefde natuurlijk ook een hartelijke liefde. Als het goed is, is die liefde een vanzelfsprekendheid.
Bidden moet, het is een gebod, het is een bevel. En het is ook nodig. Voor wie? De catechismus zegt: voor de ware christen. Immers vraag 116 zegt: waarom is het gebed de christenen van node? We hebben eerder gezien in zondag 12 (antwoord 32) dat ‘christen zijn’ niet zomaar een aanduiding is, maar dat een christen iemand is die door het geloof een lidmaat, een ledemaat van Christus is. Een christen, dat is een kind van God. Dat is iemand die door de genade van de Heilige Geest opnieuw geboren is, die wederom geboren is tot een levende hoop, door opwekking uit de geestelijke dood. Allerlei dingen vragen in de richting van de hemel, dat kan iedereen. Maar echt bidden, vraagt om meer. Dat vraagt om een nieuw hart, dat vraagt om het werk van de Heilige Geest in het hart.
Maar, is bidden dan nog wel nodig, als je toch kind van God bent, als je toch al een nieuw hart gekregen hebt, als je toch al wederom geboren bent? En trouwens, God weet toch alles al? Je hoeft Hem toch niets meer te vertellen? Dat is waar. Maar toch zegt de Heere in de Bijbel: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht (dat wil zeggen: gebeden) worden, dat Ik het hun doe (Ezechiël 36:37Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen.). Hoewel de Heere alle dingen weet, toch wil Hij dat wij Hem biddend vragen.
Maar, zeg je, God is toch onveranderlijk? Dus wat je ook bidt, bij God zal er niets veranderen… Dat is waar. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid af bekend (Handelingen 15:18Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.). Maar in die plannen, in die onveranderlijke plannen van God, heeft de Heere het gebed ook een plaats gegeven. In dat plan is juist vastgelegd: de Heere wil erom gevraagd worden. En Hij wil Zich laten verbidden.
Vraag 116 vraagt: Waarom is het gebed den christenen van node? Het antwoord geeft twee redenen. a. Als eerste: daarom dat het het voornaamste stuk van de dankbaarheid is, dat God van ons vordert, dat God van ons eist. Dankbaarheid is dus geen losse emotie, is niet zoiets als een enthousiast sentiment, maar dankbaarheid is synoniem aan gehoorzaam zijn. Dankbaarheid betekent: in de kracht van Christus wandelen in gehoorzaamheid aan de geboden, die we in de afgelopen weken overdacht hebben. Maar, zo zegt de catechismus: dit is nog belangrijker, dit is het allereerste stuk, het eerste element van de dankbaarheid: bidden!
Er wordt in onze tijd veel gesproken over heiligmaking. Soms zeggen mensen: ‘Dominee, geef ons toch wat meer praktische handvaten voor hoe we heilig leven moeten.’
Wel, die hebt u in de afgelopen tien zondagen overvloedig meegekregen vanuit de geboden van de Heere, die heel praktisch aangeven hoe de Heere wil dat we leven zullen. Zo moeten we leven. Door Gods genade, door de kracht van Christus en in afhankelijkheid van Hem. Maar (en dat had eerder gezegd kunnen worden, maar nu is het ook goed), dit is het eerste, het belangrijkste element van de dankbaarheid is: bidden.
De beste graadmeter voor een heilig leven is het gebed. Niet in de eerste plaats het hoorbare en zichtbare gebed, maar het persoonlijke, verborgen gebed voor God. U zegt: ‘Ja, dat wist ik al, maar wat moeten we nog meer doen?’ Dit: bidden,… bidden…, bidden… Daar wordt ons leven pas echt anders van! Want dat, dat veranderen van ons leven, dat doen we niet zelf, maar dat doet God. Dat is Gods werk. Wilt u weten hoe het staat met uw heiligmaking? Dan moet u kijken naar hoe vaak en hoe u in het verborgen bidt.
b. Want, zo zegt de catechismus, de tweede reden waarom het gebed nodig is, is: God wil Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. Misschien zit hier wel de moeilijkheid. Dat we zo graag dingen doen, andere dingen, meer dingen, terwijl dit blijft liggen: hartelijk zuchten in ons bidden en danken.
Wat is dat moeilijk voor een mens die nog iets van zichzelf verwacht, van zijn eigen doen en laten. Die mens zegt: ‘Heere, zeg me toch wat ik nog meer moet doen.’ Maar wat is het een zegen dat dit hier zo staat. Wat is dit een troost en bemoediging voor de ware bidders. Dat zijn mensen die in het verborgen zuchten. Ze hebben geen woorden. Het komt vaak niet veel verder dan een zucht, dan een eenvoudig: ‘Heere, help me toch. Leer me toch wat ik bidden moet. En leer met toch hoe ik wandelen moet.’ Want wij weten niet wat wij bidden zullen. Maar gelukkig, zo zegt Paulus: de Geest komt onze zwakheden mede te hulp en bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (Romeinen 8:26En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.).
Dat zien we hier ook terug in de catechismus: God wil Zijn genade en Zijn Heilige Geest geven aan zuchters. God wil Zijn genade geven… Dat is trouwens niet altijd hetzelfde als de precieze verhoring van ons gebed. Als de Heere ons gebed afwijst, als Hij niet precies doet wat wij vragen, wil dat niet per se zeggen dat Hij ons niet verhoort. Zijn afwijzen kan ook vol van genade zijn. Als Hij ons bijvoorbeeld (juist door Zijn afwijzen) kleiner maakt en dichterbij Hem brengt. De Heere verlost ons als antwoord op ons gebed niet altijd van onze zorg, of van ons kruis of verdriet. Maar Hij geeft Zijn kinderen wel (en dat zegt de catechismus) genade, ook genade om het te dragen.
God wil Zijn genade geven, en Zijn Heilige Geest… En die beiden geeft hij aan zuchters. Juist ook de Heilige Geest hebben Gods kinderen zo nodig. Want je moet niet denken, als de Heere in je leven gekomen is, dat je er dan bent… Je hebt meer nodig! Meer ontdekking, meer toepassing van het bloed van de Heere Jezus Christus, meer vernieuwing, onderwijs, troost en bemoediging. Altijd, steeds weer, iedere dag hebben we de Heere, Zijn Geest en genade nodig. En de Heere werkt Zijn genade in de harten van Zijn kinderen, Hij oefent het geloof in het leven van Zijn kinderen juist in de weg van het gebed. Is het donker in uw leven? Bid dan en zoek de Heere. Is het zo doods geworden in uw leven, zo anders dan vroeger? Bid dan en zoek de Heere. Is er twijfel en aanvechting? Bid dan en zoek de Heere. Zijn er vragen over de weg die u in uw leven moet gaan? Bid dan en zoek de Heere.
Geldt dat alleen Gods kinderen, of geldt dat iedereen: als u bidt, dan zult u ontvangen, als u zoekt dan zult u vinden? Er zijn mensen die zeggen: ‘Een mens kan niet bidden. En als je vindt van wel, dan ontken je daarmee de doodstaat van de mens. Want de mens kan helemaal niets. En dus kan een mens ook niet bidden.’ Dat is waar. Zondermeer. En ik moet er nog wat aan toevoegen: als we al proberen te bidden, verdienen we zeker ook niet dat de Heere ons verhoren zal. Maar toch zegt de Bijbel er nog iets bij. En wie daar niet naar luistert, loopt het risico dat hij God tot een leugenaar maakt in plaats van zichzelf te beschuldigen van onwil en onmacht om te bidden. De Heere zegt in Jesaja 45: Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: zoekt mij te vergeefs (Jesaja 45:19). De Heere wijst ons mensen wel de weg, de weg van de middelen, ook de weg van het gebed. De weg van het zoeken van God, van het vragen naar Hem. En Hij verbindt de belofte van Zijn zegen aan dat middel(!) aan het gebed. En zegt: Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden (Lukas 11:10Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.).
En als u dan gevonden zult hebben, dan zult u beamen, dat het zo is, wat Jesaja schrijft: Ik (God) ben gevonden door degenen die Mij niet gezocht hebben (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). Want het was ten diepste Gods Eigen werk, het was Zijn werk alleen. Het was God Zelf, Die een mens die van zichzelf niet zocht, zoekende gemaakt heeft.
God wil Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden… Bidden zonder ophouden, zuchten zonder ophouden… Wij moeten altijd bidden en niet vertragen, zo gebood de Heere Jezus (Lukas 18:1En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;). Niet denken: ‘het helpt toch niet, de Heere wil toch niet naar me luisteren.’ Nee, want Hij hoort zelfs het geroep van de jonge raven (Psalm 147:9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.).
Met hartelijk zuchten zonder ophouden bidden om genade en om de Heilige Geest en (zo staat er) daarvoor danken.
Het is heel terecht dat de catechismus dit zo zegt. Er zijn mensen die altijd danken, en die nooit of bijna nooit zuchten. Dat heeft alles te maken met wat staat in antwoord 117, met het feit dat ze hun nood en ellendigheid niet echt kennen. Maar er zijn ook mensen die altijd zuchten, maar nooit of bijna nooit danken. En dat is ook niet goed. Pas op, dat is niet tot eer van de Heere. Onze gebeden zijn niet alleen om schuld belijden en om genade te vragen, maar ook om de Heere te erkennen voor Zijn genade, om de Heere eer toe te zeggen en te danken. Immers zelfs in de grootste duisternis, midden in het donker van de nacht, is er altijd nog wel reden om de Heere te danken. Daarom zegt de dichter van Psalm 103: vergeet nooit één van Zijn weldadigheden. Laten we, voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt, dat nu eerst samen met elkaar gaan zingen uit Psalm 103:1: Loof, loof de HEER', mijn ziel, met alle krachten; Verhef Zijn naam, zo groot, zo heilig t' achten; Och of nu al, wat in mij is, Hem prees! Loof, loof, mijn ziel, de Hoorder der gebeden; Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden; Vergeet ze niet; 't is God, die ze u bewees.
Gemeente, het gaat in de catechismuspreek van vanmiddag over het gebed. We stelden drie vragen, de drie aandachtspunten van de preek. De eerste vraag was: Waarom is bidden eigenlijk nodig? Nu de tweede vraag, het tweede punt van de preek:
Vraag 117 zegt: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem (dat wil zeggen: door Hem) verhoord wordt? De catechismus noemt als antwoord daarop drie dingen.
a. Als eerste zegt de catechismus: Dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Dus: bidden is bidden tot de enige, ware God. Je zegt: ‘Vanzelf, we bidden niet tot andere goden.’ Maar, als we eerlijk zijn, zijn er heel veel gebeden die gericht worden op…? Ja, hebben ze eigenlijk wel een richting? Of zijn ze in het luchtledige uitgesproken? En als ze al richting hebben, zijn ze dan niet gericht op Hem, die in onze ogen een grillige, onbetrouwbare en onbereikbare God is, die toch niet naar ons luisteren wil? Dan bidden we niet tot God. Dat is geen bidden! Want onze God is anders. Hij heeft immers gezegd: En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren (Psalm 50:15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.)
De enige ware God, dat is ook de heilige God. God is de heilige God. Hij is niet zomaar iemand met wie je een praatje maakt. Bidden is niet gewoon maar ‘praten met God’, alsof Hij je vriend of buurman is.
Bidden is naderen voor Gods aangezicht, bidden is voor God verschijnen. Voor de heilige God, die voor ons, zondige mensen, buiten de Heere Jezus Christus een verterend vuur en eeuwige gloed is, bij wie niemand wonen kan (Jesaja 33:14De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?, Hebreeën 12:29Want onze God is een verterend vuur.). Dus, wie bidden wil, moet heel diep buigen, moet een diep besef hebben, enerzijds van Gods hoogheid, en anderzijds van eigen kleinheid, nietigheid en zondigheid. Hij of zij moet ten diepste iets kennen en van God, en van zichzelf.
Alleen zo iemand kan (zo zegt de catechismus) God van harte aanroepen. Niet alleen maar uit sleur, niet alleen met woorden op de lippen, zonder hart, maar met een hart dat roept vanwege…? Vanwege mijn nood. Want het tweede wat de catechismus noemt is:
b. Dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. Natuurlijk, iedereen heeft nood. Waarom zou je anders bidden? Maar het gaat erom, dat wij die nood van ons echt, grondig kennen. Grondig, dat wil zeggen: tot op de bodem. En op de bodem van onze nood ligt…? Onze zondeschuld, onze ellende. En die ellende is dat we in Adam diep gevallen zijn, dat we met God gebroken hebben en sindsdien God kwijt geraakt zijn. Die nood en ellendigheid, die moeten we (en daarvoor is het werk van de Heilige Geest onmisbaar) recht en grondig kennen.
Die nood en ellendigheid moeten we persoonlijk, bevindelijk kennen. Als je iets ziet van je nood, als je iets kent van je ellendigheid, dan ga je voor de Heere, heel diep buigen, dan ga je je voor de heilige God verootmoedigen (dat wil zeggen: heel klein maken). Dan ga je bidden: ‘Heere, vergeef mij al mijn zonden, die Uw hoogheid schonden. Ik ben het niet waard dat U mijn gebed horen zou, maar wees mij toch genadig? O, Heere, hoor me toch, hoewel… ik het zo onwaardig ben.’ Dat zien we ook in het derde wat de catechismus noemt. Bij een waar gebed hoort:
c. Ten derde dat wij deze vaste grond hebben dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn (hoort u?), om des Heeren Christus' wil zeker wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft. Het gaat hier over de vraag: waar zoeken we, terwijl we bidden, onze grond? Waarom zou de Heere ons willen of moeten horen? Niet om iets van ons. Niet vanwege onze liefde, onze ijver of onze tranen… Denk maar aan het gebed van Daniël. Als hij bidt, dan zegt hij: Wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn (Daniël 9:18Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.). De ware, de oprechte bidder houdt uiteindelijk maar één ding over, één grond, niet in zichzelf, maar buiten zichzelf: Gods barmhartigheid. ‘Ik heb alles verzondigd, Heere, maar bij Uw grondeloze barmhartigheid, wees mij toch genadig?’
Want mijn gebed kan maar om één reden verhoord worden. De catechismus zegt: om des Heeren wil. Om de voorbede van de Heere Jezus Christus, aan de rechterhand van Zijn Vader. En Hij heeft beloofd: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven (Johannes 16:23En in dien dag zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.). En wat vader onder u, die de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven? Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? Indien dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden? (Lukas 11:11-13)
En daarin, en daarin alleen vindt een schuldverslagen zondaar (die iets heeft leren kennen van zijn zonden en ellende), staande voor de heilige God, toch vrijmoedigheid, om vrijmoedig toe te gaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd (Hebreeën 4:16Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.). Pleitend op? Op Gods barmhartigheid en belofte! Zoals David pleitte op Gods belofte, toen hij bad: En doe, gelijk als U gesproken hebt (2 Samuël 7:25Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.). Om Uws Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid want die is groot (Psalm 25:11Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.).
Tot slot nog ons derde aandachtspunt:
Want Vraag 118 zegt: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden? Het antwoord zegt: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft. Kortom: alles. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken (Spreuken 3:6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.). De volgorde is trouwens wel helder: eerst vragen om de geestelijke nooddruft, en dan om alle andere nooddruft. Wat die geestelijke nooddruft is? Dit: Mijn ziel, hoe zult u rechtvaardig voor God verschijnen? En, het gaat om wat je echt nodig hebt: om nooddruft. Daarvoor geldt: al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij het smeekt, mild en overvloedig (Psalm 81:12Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Mijner niet gewild., ber.).
En dat alles naar het volmaakte voorbeeld dat volgt, dat we regel voor regel in de komende zondagen met elkaar zullen overdenken: het Onze Vader. Daar zien we hoe we bidden moeten, daar zien we hoe we bidden mogen. Niet met een overvloed van woorden. Niet met eindeloze gebeden. Immers, zo zei de Heere Jezus: En als u bidt, zo gebruik geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden (Mattheüs 6:7En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.). Want het zit niet in veel woorden, of in mooie woorden.
Het Onze Vader is eigenlijk maar een heel kort gebed. Het is ook een heel sober gebed. Er staat letterlijk niet één woord teveel in.
En, het is gericht op God! Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede. En dan bid ik verder voor mezelf…? Nee, ook dat niet. Er staat in het Onze Vader niet één keer het woordje ‘ik’.
Gemeente, we gaan eindigen. Ik wil u en jullie, jongelui, graag nog een keer wijzen op de dringende noodzaak van het persoonlijke gebed: alleen, in het verborgen, voor God. Zoek, jongelui, in huis (als je het nog niet hebt) een plek waar je ongestoord, in stilte kan bidden. In de drukte, bij allerlei geluiden kan je jezelf niet concentreren. Daar ben je heel snel afgeleid. Doe even alles wat afleidt weg en uit, en zoek de stilte… Buig daar je knieën. Dat is een teken van grote eerbied, van klein zijn voor God. Vrouw daar je handen. Dat is een teken van hulpeloosheid: mijn handen kunnen helemaal niets. En laat daar je woorden zijn als het roepen van Bartimeüs: Zone Davids, ontferm u mijner! (Lukas 18:33)
Als je zo bidt, dan zal de Heere je horen. Nooit om verdienste. Nooit omdat jij zo goed gebeden hebt. Maar omdat de Heere Zelf gezegd heeft, dat Hij het gebed hoort. Het staat in Psalm 65: Hij hoort het gebed (65:3). Het staat in Psalm 147: Hij hoort zelfs het geroep van de jonge raven (147:9). Hij hoorde de stem van de stervende Ismaël in de hitte van de woestijn (Genesis 21:17En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.). En dus zal Hij ook jou horen, als je in stilte, eerbiedig tot Hem bidt. Als je Hem bidt om brood, zal Hij je geen steen geven (Lukas 11:11,13). Open dan je mond. Eis is van Hem vrijmoedig, Op Zijn trouw verbond. Alles wat je ontbreekt, Schenkt de Heere je, als je het smeekt, mild en overvloedig.
Amen.
Slotzang Psalm 81:4,7,12:
Want dit is 't bevel Van den HEER der heren Aan Zijn Israël; Dit is 't hoog gebod, 't Recht van Jacobs God, Dat wij billijk eren.
Op uw noodgeschrei Deed Ik grote wonderen; Onder Mijn gelei Vond gij hulp; Mijn woord Werd van u gehoord Uit de plaats der donderen.
Opent uwen mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.
Andere preken over Zondag