PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 49: Uw wil geschiede (serie 1)

Zondag 49 · 18 juni 2023

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 49 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus behandelt de derde bede: Uw wil geschiede. Van nature doen alle mensen hun eigen wil en niet die van God — dat begon in het paradijs en loopt sindsdien als een brede stroom door de Bijbel. Maar door het werk van de Heilige Geest wordt die eigen wil gebroken en groeit er een nieuw verlangen: zo gewillig en getrouw de Heere te dienen als de engelen in de hemel doen.

THEMA

Uw wil worde gedaan

KERNPUNTEN

  1. Onze eigen wil verzaken
  2. Gods wil zonder tegenspreken gehoorzaam zijn

ZONDAG 49

Vraag 124: Welke is de derde bede?
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Datis: Geef, dat wij en alle mensen onzen eigen wil verzaken, en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 49: Uw wil geschiede (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 49

THEMA

Uw wil worde gedaan

LITURGIE

Psalm 103:10,11

Psalm 86:6

Lezen Romeinen 5

Psalm 131:1,2,3,4 Gebed des Heeren: 4

Morgenzang 3,4,5

Gemeente, jongens en meisjes, bij de bespreking van de catechismus zijn we bezig met de behandeling van het allervolmaaktste gebed, het Onze Vader. Eerst was er de aanhef, het begin: Onze Vader, die in de hemelen zijt. Toen was er de eerste vraag, de eerste bede: Uw Naam (dat staat bovenaan het verlanglijstje, dat is het allerbelangrijkste), Uw Naam worde geheiligd. Toen was er de tweede vraag, de tweede bede: Uw koninkrijk kome. Mag Uw Koninkrijk, het Rijk van Uw genade komen? En nu is er de derde vraag, de derde bede, die begint met ‘Uw’: Uw wil geschiede, gelijk als in de hemel, alzo ook op de aarde.

Het zijn heel bekende woorden, maar vind je het toch ook niet, als je goed nadenkt, jongens en meisjes, een beetje een bijzondere vraag? Want, wat de Heere wil, zal toch altijd gebeuren? Psalm 33 zegt toch: Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er (33:9)! Wat papa en mama willen, dat gebeurt toch ook altijd? Wat de meester of juf van je vraagt, dat doe je toch ook altijd? Eh, nee… Wat zij willen, dat is wel duidelijk, maar ik doe dat niet altijd. Ik doe hun wil niet altijd, ik doe vaak mijn eigen wil. En dus betekent ‘Uw wil geschiede’: mag ik echt gehoorzaam worden en zijn aan Uw Goddelijke wil, o Heere? Kijk maar naar zondag 49, de catechismuszondag die we nu eerst samen met elkaar gaan lezen vraag en antwoord 124:

Vraag 124: Welke is de derde bede? Antwoord: Uw wil geschiede gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Dat is: Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, zoals de engelen in de hemel doen.

Het gaat in Zondag 49 om de wil: om onze wil, om Gods wil, en om gewillig zijn, om gewillig gehoorzaam zijn, zoals de engelen in de hemel dat zijn. Het thema van de preek is: Uw wil worde gedaan

We letten op twee aandachtspunten: 1. Onze eigen wil verzaken 2. Gods wil zonder tegenspreken gehoorzaam zijn

Uw wil worde gedaan. Dat is eigenlijk de betekenis van deze bede: mag Uw wil door ons gehoorzaam gedaan worden?

Kennen jullie, jongens en meisjes, voorbeelden uit de Bijbel van (laten we daar maar mee beginnen), voorbeelden van ongehoorzame mensen? Je zegt: dan moet ik eens even goed mijn Bijbeltje doorbladeren, dan moet ik even goed zoeken! Was dat maar zo… Je hoeft eigenlijk helemaal niet te zoeken. De Bijbel begint ermee en de Bijbel is er vol van: van onze ongehoorzaamheid! ‘Adam, je mag eten van alle bomen van de hof van het paradijs. Maar je mag niet eten van de boom die in het midden van de hof is. Als je daarvan eet, ten dagen als u daarvan eet, zult u de dood sterven (Genesis 3:5). En toen? Zei hij toen wat de catechismus zegt: ‘ik zal mijn eigen wil verzaken, ik zal mijn eigen wil niet doen, en Uw wil die alleen goed is zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn?’ Dat kon, dat had Adam kunnen zeggen. Maar hij deed het niet. Hij was ongehoorzaam. En sindsdien denken en zeggen alle mensen: ‘Uw wil? Nee, Heere, ik doe wat ik zelf wil!’ Alle mensen zijn ongehoorzaam geworden door de ongehoorzaamheid van één mens. Paulus zegt in Romeinen 5:19: Door de ongehoorzaamheid van die ene mens (zijn) velen tot zondaars gesteld geworden.

Geldt dat trouwens alleen de onbekeerde mensen? Zijn alleen de onbekeerde mensen ongehoorzaam? Je zegt: ‘Gods kinderen, mensen met een nieuw hart, die zijn vast heel erg gehoorzaam!’ Wat denk je van Mozes? De Heere zegt tegen hem: ‘Spreek tot de steenrots, en dan zal Ik water geven.’ ‘Nee’, zei Mozes. ‘ik doe het op mijn eigen manier. Ik sla met mijn staf op de rots (Numeri 20: 8,11). Wat denk je van Simson? De Heere zegt: ‘Simson, leef heilig, afgezonderd als een nazireeër voor Mij’. ‘Nee’, zegt Simson. ‘ik volg het spoor van de begeerte van mijn eigen ogen en van de zonden van mijn hart.’ En wat denk je van David, van Salomo, van Hizkia…? Wat denkt u van Jona, kind van God, profeet, ambtsdrager? ‘Jona, ga naar Ninevé!’ ‘Nee, Heere, ik ga niet!’ (Jona 1:3) In het kielzog van Adam loopt een brede stroom van mensen die allemaal ongehoorzaam zijn.

Zijn er dan in de Bijbel geen gehoorzame mensen te vinden? Jazeker, denk maar aan Abraham. Als God tegen hem zegt, dat hij naar de berg Moria moet om zijn zoon Izak te offeren, dan gaat hij. Hij is gehoorzaam. En Izak ook. Izak zelf laat zich vastbinden op het altaar. Totdat God ingrijpt en Zelf een ram tot een offer geeft.

En wat blijkt? De Heere wil die gehoorzaamheid, die nieuwe gehoorzaamheid van Abraham zegenen! De Heere zegt in Genesis 22: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan de oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten (Genesis 22:17). Denk ook maar aan Jozef. Hij weigert de zonde met de vrouw van Potifar en blijft gehoorzaam aan de Heere. En wat blijkt? De Heere wil de gehoorzaamheid van Jozef zegenen. Uiteindelijk wordt hij onderkoning van Egypte (Genesis 41:41). En wat denk je van Daniël? Ondanks het gebod van de koning blijft hij gehoorzaam aan de Heere. Hij knielt driemaal daags voor zijn open venster. En wat blijkt? De Heere wil die gehoorzaamheid van Daniël zegenen. Uiteindelijk staat er: Daniël nu had voorspoed (Daniël 6:28). Denk ook maar aan het Nieuwe Testament. De discipelen krijgen de opdracht om heen te gaan en het Evangelie te prediken in de hele wereld. En wat blijkt? De Heere wil die gehoorzaamheid zegenen. Het gaat voorspoedig, zoals beloofd is, en de Heere is met hen.

Hadden al deze mensen die gehoorzaamheid, die nieuwe gehoorzaamheid (want vroeger waren zij ook ongehoorzaam), hadden ze die nieuwe gehoorzaamheid van zichzelf? Nee, ik zei het al, van zichzelf waren ze even ongehoorzaam als alle andere mensen. Maar de Heere Zelf had in hun harten (dat was Gods werk!) die ongehoorzaamheid gebroken en hen het begin gegeven van een nieuwe gehoorzaamheid.

En dat kwam allemaal uit…? Dat kwam allemaal van Wie…, jongens en meisjes? Dat kwam allemaal door de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus, die in Zijn leven op aarde altijd gehoorzaam geweest is. Hij is echt helemaal nooit ongehoorzaam geweest. Hij zei letterlijk: Uw wet, Heere, is in Mijn binnenste (Psalm 40:8). Dat wil zeggen: Uw wet is in Mijn hart. Zijn hele leven was een leven van gehoorzaamheid aan Gods wil en wet. Hij was gehoorzaam in alle dingen. Hij was volmaakt gehoorzaam. Hij heeft al Gods geboden gehouden, Hij heeft er nooit een overtreden. Altijd deed Hij de wil van Zijn hemelse Vader. Zelfs in Zijn diepste lijden in Gethsémané zei Hij: Vader, Uw wil geschiede (Mattheüs 26:42), dat wil dus zeggen: Ik zal U gehoorzamen in deze weg, Ik zal doen wat U van Mij vraagt. In de nacht van zijn diepste zielestrijd bad Hij: niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede. Hij gaf Zich volkomen over aan Gods welbehagen, aan Gods Vaderlijke wil. Hij is, zo zegt Paulus later: gehoorzaam geworden tot de dood, ja, uiteindelijk zelfs tot de dood van het kruis (Filippenzen 2:8).

En weet je wat nu het wonder is, jongens en meisjes? Ik noemde je net een hele rij van ongehoorzame kinderen van God. En nu zegt Paulus in de tekst die ik eerder aanhaalde uit Romeinen 5: Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens (Adam) velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen (namelijk van de Heere Jezus) velen tot rechtvaardigen gesteld worden (Romeinen 5:19).

Dat wil zeggen: door de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus zullen Gods kinderen ook meer en meer gehoorzaam gemaakt worden, totdat we uiteindelijk zo gehoorzaam geworden zijn als de engelen in de hemel.

Dus, jongens en meisjes, als je zo je Bijbeltje doorbladert, op zoek naar gehoorzame mensen, dan begrijp je dat de catechismus als eerste zegt: Wij moeten onze eigen wil verzaken. Dat is het eerste punt van de preek:

1. Onze eigen wil verzaken

Wij moeten onze eigen wil verzaken. Dat wil zeggen: wij moeten onze eigen wil niet doen, daar moeten we ons van afkeren. Uw wil geschiede gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde, dat wil zeggen: geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken.

Onze eigen wil… Jij jouw wil, ik mijn wil… Wat is dat eigenlijk, je wil? Dat wil zeggen, dat je kan kiezen. Je zegt: ‘Ik wil dit’, of: ‘Ik wil dat.’ Wij zijn geen computers, wij zijn geen robots. We denken, we willen en we kiezen. Dat blijkt ook, bijvoorbeeld als je zegt: ‘Pappa of mama zegt, dat ik dit moet doen, maar ik doe lekker dat. Ik doe lekker wat ik zelf wil. Ik mag toch zelf kiezen? Ik ben vrij, ik doe wat ik zelf wil.’

Ja, dat laatste, dat denken we vaak, maar is dat eigenlijk wel zo? Zijn we echt vrij om te doen wat we zelf willen? Ooit was dat wel zo in het paradijs. Toen waren we echt vrij. Toen deden we wat God wilde en dat wilden we zelf ook: Gods wil was onze wil. Totdat we voor de eerste keer ongehoorzaam werden. We luisterden niet naar de wil van God, maar naar de wil van Gods grote tegenstander: de satan, de duivel.

En sindsdien doen we helemaal niet meer wat wij willen, we willen en doen wat de duivel wil en doet. We zijn met andere woorden onze vrijheid kwijtgeraakt. Onze wil is verdorven, door en door slecht, goddeloos en zondig. Onze wil staat lijnrecht tegenover de wil van God. We worden geregeerd door de zonde en de duivel. Dat zei ik toch ook bij de behandeling van zondag 48, vorige week: van nature is de duivel koning in ons hart. En dus doen we wat onze koning, wat hij wil! Denk maar aan de scherpe woorden van de Heere Jezus, die zei: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen (u doet zijn wil!); die was een mensenmoorder van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem (Johannes 8:44). Denk maar aan wat Paulus zegt in Efeze 2. We doen, zegt hij, de wil des vleses en der gedachten en wij zijn van nature kinderen toorns (Efeze 2:3). En in Romeinen 8 zegt hij: het bedenken des vleses is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet (Romeinen 8:7). Met andere woorden: het vlees, dat wil zeggen de zondige mens, doet zijn eigen wil en niet Gods wil.

Onze wil is slaaf van de zonde, en wij zijn verslaafd aan de zonde. En het is net als bij een echte verslaafde aan alcohol of drugs: we kunnen en willen er niet van af. Zo zegt onze belijdenis dat ook in de Dordtse Leerregels: Alle mensen worden in zonde ontvangen en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde. En willen en kunnen tot God niet terugkeren, noch hun verdorven natuur verbeteren, noch zichzelf tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade van de wederbarende Heilige Geest (DL III/IV, 3). We hebben een nieuwe geboorte, we hebben wedergeboorte nodig. We hebben een nieuw hart en een nieuwe wil nodig, anders gaan we door op ons eigen gekozen pad van de zonde tegen God.

Maar, je kan het toch gewoon proberen om een keer een goede keus te maken? Je kan toch kiezen voor Jezus? Nee, we willen en kunnen het niet. Het idee dat dat zou kunnen, heeft alles te maken met wat vroeger gebeurd is. De catechismus zegt in Zondag 3 dat in het paradijs onze natuur zo verdorven is, dat wij in zonden ontvangen en geboren worden. Ons Doopformulier zegt: we zijn van nature kinderen des toorns en kunnen in het Rijk van God niet komen, tenzij we opnieuw geboren worden. De catechismus zegt in zondag 4: de mens heeft zich door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven (zelf) beroofd. We zijn door eigen schuld de gave van de goede wil kwijt. En dus: kiezen kan je niet, kiezen wil je niet! Je zegt misschien wel: ‘Ik kies voor Jezus’, maar Jezus zegt wat anders: U wilt tot Mij niet komen! (Johannes 5:40)

Wat we nodig hebben is een ander hart en een andere wil. Onze eigen wil (dat eigen willetje van mij en jou), onze eigen wil die altijd anders wil dan God wil, die moeten we leren verzaken: die moeten we afvallen, daar moeten we niet meer naar willen luisteren, die moeten we laten vallen, die moeten we afzweren. Die wil moet gebroken worden. Zo: krak!

Weet je wat er dan gebeurt? Hoe zou dat thuis gaan? Steeds zeg je: ‘Papa, mama, ik wil dit doen, ik wil dat doen. Ik wil m’n eigen zin doen’ En nu? Ik zeg: je wil is gebroken, krak… Wat nu? Nu ga je zeggen: ‘Papa, mama, ik weet het niet meer. Wat wilt u, dat ik doen zal? Wat is uw wil?’ Hoor je wat er gebeurt? Willen wordt vragen… Net als bij Saulus van Tarsen. Eerst wist hij het allemaal zo goed. Hij wist precies wat hij doen moest voor God. Dat dacht hij tenminste. Maar de Heere brengt hem, op weg is naar Damascus, op zijn knieën. Hij valt op de grond. En zijn eigen wil valt ook op de grond. En breekt. En dus vraagt hij: Heere wat wilt U, dat ik doen zal? (Handelingen 9:6)

Worden we dan uiteindelijk mensen zonder wil? Worden we dan willoze mensen? Nee, maar we gaan vragen naar de wil van de Heere. We worden als slaven losgemaakt van

onze eigen wil en van de wil van de duivel. En we krijgen door wedergeboorte een nieuwe wil, die van harte en vrijwillig wil doen wat God wil. En dus zeggen we tegen de Heere: ‘Ik wil zo heel graag doen wat U wilt! Wat wilt U dat ik doen zal?’ Met andere woorden: ons verzet tegen de wil van God wordt gebroken. En wij willen van nu af aan zonder tegenspreken, zonder protest doen wat God wil.

Ja, en toch ook nee… Niet helemaal… Ik bedoel: zo gemakkelijk als ik het zeg, gaat het niet. Denk maar aan wat Paulus zegt: Het goede dat ik wil, doe ik (toch) niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Romeinen 7:19). Ik heb wel een nieuw hart en een nieuwe wil gekregen, maar ik voel dat het van binnen botst. Er zit in mijn hart ook nog iets van die oude wil, iets van die oude mens. Er is nog iets over van mijn eigen ik, van mijn eigen wil. En je voelt, als je goed luistert naar Paulus, de pijn en het verdriet, waarmee hij het zegt. Je voelt de innerlijke strijd in het hart van dat kind van God: ik wil de Heere zo graag dienen, ik wil Zijn wil zo graag volgen, maar ‘nee’, zegt mijn oude ik, mijn oude hart, mijn oude wil, ‘ik wil het zelf weten’. Mijn eigen wil verzaken? Het lukt niet, ik merk steeds weer dat ik struikel.

Echt willen wat God wil, dat kan alleen maar in de kracht van de Heere Jezus Christus, de gekruisigde en opgestane Zaligmaker. Want hoe wordt de oude wil in het leven van Gods kinderen gebroken? a. In de eerste plaats in de kracht van Christus. De oude wil in het leven van Gods kinderen wordt gekruisigd en sterft uiteindelijk weg. Dat is geen prestatie van onszelf, dat is geen keuze van ons, maar dat is Gods werk. Dat is het werk van de Heilige Geest, Die steeds inniger, steeds nauwer verbindt aan de gekruisigde en opgestane Christus. b. In de tweede plaats doet de Heere het vaak door moeilijke wegen. Zo hard is onze wil, dat er vaak moeilijke wegen van verdriet en tegenspoed voor nodig zijn om die wil van ons te breken. c. En in de derde plaats sterft onze oude wil weg in een leven van verborgen gebed, waar we bidden: ‘Heere, Uw wil geschiede’. Dat wil zeggen: ‘Breek mijn eigen wil toch af, want die gaat altijd in tegen Uw wil. Roei die verkeerde wil van mij maar met wortel en tak uit, want die is echt verkeerd. Uw wil alleen is wijs en goed. U, Uw wil moet wassen (die moet groter en sterker worden), ik, mijn wil moet kleiner worden. Want als dat zo is, dan zal ik Uw bevelen doen met lust.’ Voordat we verder gaan met ons tweede punt, gaan we dat zingen met de woorden van het Gebed des Heeren, het vierde vers. Uw wil geschied', Uw wil alleen, Als in de hemel, hier beneên; Uw wil is altoos wijs en goed; 't Is majesteit, al wat Gij doet; Dat ieder stil daarin berust', En Uw bevelen doe met lust.

Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Gods wil zonder tegenspreken gehoorzaam zijn.

Maar, jongens en meisjes, hoe weet je nu wat Gods wil is? Die heeft God ons laten weten in Zijn Woord, in de Bijbel, en in Zijn wet, in de Tien Geboden. Daarnaar moeten we eerst horen, luisteren, en daarna moeten we die ge-hoor-zaam zijn. In dat woordje ge-hoor-zaam hoor je, dat het begint met horen, met luisteren naar. En daarna komt: doen, doen wat je ge-hoor-d hebt.

Weten wij mensen alles van de wil van de Heere? Nee, niet alles. Wij weten bijvoorbeeld niet van de wil van Zijn besluit, van de wil van Zijn plan. We zouden dat vaak wel graag willen weten. Wat is Gods wil met mij in de toekomst? Wat voor werk zal ik in de toekomst doen? Hoe zal het verder gaan met mijn ziekte? En ook als het gaat om ons hart, zouden wij vaak graag de wil van God willen weten: Krijg ik ooit in uw hart? Ben ik wel uitverkoren?

Maar dat is, zegt de Heere, Mijn verborgen wil. Mozes zegt: De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen (Deuteronomium 29:29). Je voelt, dat de Heere als het ware zegt: de wil van Mijn raad, de wil van Mijn plan, die is letterlijk alleen van Mij. Daar moet u, mensen, met uw vingers afblijven. Wees niet zo hoogmoedig, wees niet zo opstandig, dat u wilt doordringen in Mijn raad en in Mijn wil. Dat is hoogmoedig. Dan doet u net als Adam. Die wilde ook als God zijn. Die wilde ook alles weten wat God weet.

Dus de wil van Gods raad, de wil van Gods plan, die weten we niet. Die hoeven we ook niet te weten en daar hoeven we ons verder ook niet mee bezig te houden. Wat we wel weten, is de wil van Gods bevel. We weten wat Hij ons opgedragen heeft. We weten wat Hij gezegd heeft, dat wij moeten doen. En, zo zegt de catechismus: die goede wil van God moeten we zonder tegenspreken gehoorzaam zijn. Zonder tegenspreken, dat wil zeggen: zonder uitvluchten en zonder die te mengen met onze wil.

‘Maar’, zeg je, ‘wat is die goede wil van God?’ Dat is de wil van God zoals die staat in de Tien Geboden. Het is Gods wil, dat we die geboden niet alleen horen, maar ook doen. Denk maar aan wat de Heere Jezus zegt in Johannes 13: Indien u deze dingen weet, zalig bent u, zo u dezelve doet (Johannes 13:17). We moeten die geboden doen, niet om er de zaligheid mee te verdienen, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heere Jezus Christus, biddend: Gun door het geloof in Hem, krachten om die te doen uit dankbaarheid We moeten de wil van God doen, zoals die in de Tien Geboden, en zoals die op allerlei andere plaatsen in de Bijbel verwoord staat. Daar moeten we onvoorwaardelijk voor buigen. We moeten ophouden met denken of zeggen: ‘Ja, maar ik denk…’, of: ‘Ja, maar ik wil…’ Nee, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn. Als gemeentelid, als ambtsdrager, wie we ook zijn: wij en alle mensen.

Wij en alle mensen moeten de wil van God doen in ons ambt en beroep. In ons dagelijkse werk, in onze dagelijkse verantwoordelijkheden, maar zeker ook als de Heere ons een bijzondere taak gegeven heeft. Zoals de Heere in de tijd van het Oude Testament de opdracht gaf aan Mozes en aan de profeten: ‘Ga!’ En ze gingen (hoewel niet altijd zonder tegenspraak, maar toch uiteindelijk wel gewillig gemaakt). Zoals de Heere in de tijd van het Nieuwe Testament de opdracht gaf aan Zijn discipelen: ‘Ga heen!’ En ze zijn gegaan.

Als de Heere roept (ook bij de verkiezing van ambtsdragers), wees dan gehoorzaam. En eenmaal geroepen wees trouw, zo trouw als de engelen in de hemel. Zeg dan: ‘Ja, Heere!’ Want als ik bid ‘Heere wat wilt U, dat ik doen zal?’, dan is er maar één antwoord mogelijk. Als U zegt: ‘Ik wil dat je gaat’, dan zal ik gaan. Als U zegt: ‘Ik wil dat je doet’, dan zal ik doen. En, als de Heere u ooit riep tot Zijn dienst, en u zei ‘ik zal gaan, Heere’, en er gebeurde daarna niets meer (de deur, de weg bleef gesloten), zeg dan stil verwachtend in uw hart: ‘Heere, als U wilt dat ik wacht, dan zal ik wachten’. Maar wees bereid om ogenblikkelijk te gaan op het moment dat de Heere u niet alleen de weg wijst, maar die ook voor u opent.

De catechismus zegt: Opdat alzo iegelijk zijn ambt en beroep zo gewillig en trouw zou bedienen en uitvoeren als engelen in hemel doen. Zo gewillig en getrouw als de engelen. Met andere woorden: laat ons leven een afdruk, een kopie worden van het hemelleven! Laat onze gehoorzaamheid een afdruk, een kopie worden van de gehoorzaamheid van de engelen. Dat wij ons ambt (waarvoor we gekozen zijn) en ons beroep (dat we zelf gekozen hebben) zo trouw uitoefenen als de engelen in de hemel. Ons ambt en beroep. Dus het gaat hier om trouw en gehoorzaamheid in het leven van alledag, zondags en doordeweeks. De praktijk van het christelijke leven laat zich zien in trouw doen wat God van ons vraagt. Als je als kinderen de Heere dient: op school en in de klas. Als je als jongelui God dient: onderweg (op de fiets of in het openbaar vervoer), op je opleiding, in de klas. Als je als vader en moeder thuis God dient: in het voorleven van je kinderen en in het ijverig zijn in je werk, gericht op God, op de dienst van de Heere, in alle liefde, overgave en toewijding. Net zoals? Net zoals de engelen in de hemel. Ze zijn altijd ijverig, gewillig en trouw. Ze dienen de Heere met een blij hart, met verloochening van zichzelf, en zijn altijd gericht op de eer van God (Hebreeën 1:14).

Maar, hoe moet dat? Hoe kan je de Heere zo dienen? Welke levenshouding vraagt dat van ons? Dat vraagt, zo zegt ons doopformulier, een beginsel van een nieuwe gehoorzaamheid. Dat vraagt om een beginsel van genade in ons hart.

Dat vraagt erom dat je verlost bent van de verslavende macht van de zonde, waardoor gehoorzamen niet zuur en zwaar is, maar een liefdedienst. Waardoor je zegt: ‘Hoe lief heb ik Uw wet, Uw Woord, Uw geboden. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan.’

Een beginsel, zo zei ik, want onze eigen wil is wel gebroken, maar niet verdwenen. En dus treurt ons hart van verdriet over onze oude wil. En dus bidden we: ‘Heere, geeft U toch dat mijn wil meer en meer gebroken wordt. Maar het is mijn oprechte begeerte om Uw wil te doen, Uw hele wil. Ook al lukt dat niet... En het is mijn oprechte verlangen om in hartelijke gehoorzaamheid U echt te bedoelen. Ook al lukt dat niet...’

Een nieuwe gehoorzaamheid dus, daar gaat het om. Om een nieuwe gehoorzaamheid om de Heere te dienen zo trouw en gewillig als de engelen in de hemel dat doen. En dat doen we gewillig, zonder te klagen of te mopperen dat het allemaal veel te zwaar en te moeilijk is. Daaraan ken je de oprechtheid van je hart. Huichelaars doen Gods geboden met tegenzin. Ze klagen misschien niet, maar vinden het diep in hun hart wel een last. Ze hebben er ook geen genoegen en plezier in. Ze zijn diep in hun hart ook bang om straf te krijgen als ze het niet zouden doen. Maar Gods kinderen doen Gods wil met vreugde. Al zien ze bij zichzelf overal tekort, ze doen het toch met lust. Jeremia zegt: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen! (15:16) Hoe lief heb ik Uw wet!

De Heere dienen, dat doen we gewillig. En dat doen we met ernst, met volle inzet, vaardig en vlijtig als de engelen. En dat blijven we doen. We gaan ermee door. We worden er niet moe van. Want ik heb er geen last van, het is mijn lust en mijn leven. En dat doen we met heel ons hart. Niet zoals koning Amazia, van wie in de Bijbel staat: En hij deed recht was ogen HEEREN, doch niet met een volkomen hart (2 Kron. 25:2). Nee, het beginsel van die nieuwe gehoorzaamheid, door de Heere Zelf gekegd in het hart van Zijn kinderen is oprecht, met een volkomen hart. Maar ondertussen blijft wel gelden wat de Heere tegen Paulus zei: Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12:9).

Een nieuwe gehoorzaamheid in het leven van iedere dag, doordeweeks en op zondag, Zoals het doopformulier zegt: de wereld verzaken, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen. Zoals de engelen in de hemel!

Als we zo naar ons leven kijken, kinderen van God, dan zien we bij onszelf zoveel onmacht, zoveel onwil, zoveel onvermogen. Het leven van die nieuwe gehoorzaamheid is een leven van zuchten om onszelf.

En het is tegelijkertijd een leven van verlangen om verlost te worden van dit lichaam der zonde. Want het goede dat ik wil, dat doe ik niet. Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Wat ben ik toch een ellendig mens!

Als we zo naar ons leven kijken, dan zien we dat we dagelijks Christus nodig hebben: Zijn verzoenende genade, maar ook Zijn vernieuwende kracht. Dat we niet alleen met Hem gekruisigd moeten worden, maar ook met Hem en door Zijn genade moeten opstaan tot een nieuw leven.

Als we zo naar ons leven kijken, dan begrijpen we dat we verlangen mogen naar het einde, naar de voltooiing. Naar het moment waarop, zo zegt ons doopformulier, wij eindelijk (eindelijk is het zover!) onder de gemeente der uitverkorenen onbevlekt (volmaakt) zullen gesteld worden.

Want hier is alles maar ten dele. Maar daar is alles volmaakt. Daar, in de hemel, zullen we volmaakt de wil van God doen. We zullen volmaakt de Heere dienen, dag en nacht in Zijn tempel. Zo volmaakt als de engelen... Want zij die voor de troon zijn, zo schrijft Johannes in Openbaring 7, zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel. Altijd, volmaakt en zonder ophouden (7:15).

Tot die tijd is het blijvende gebed nodig: Uw wil geschiede, zoals in de hemel (waar de engelen altijd Uw wil doen), zo ook op de aarde.

Amen.

Slotzang Morgenzang 3,4,5:

Dat wij ons ambt en plicht, o HEER, Getrouw verrichten tot Uw eer; Dat Uwe gunst ons werk bekroon', Uw Geest ons leid' en in ons woon'.

Zie op ons neder in genâ, Opdat ons werk voorspoedig ga; En scheld ons alle misdaân kwijt, O HEER, die vol ontferming zijt.

Verlicht ons hart, dat duister is, Wil ons, naar Uw getuigenis, Doen vlieden alle kwade paân, En ijverig in Uw wegen gaan.