PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 9: God de Vader (serie 1)

Zondag 9 · 2 mei 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 9 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus staat het geloof in God de Vader en de schepping centraal. De preek benadrukt het kinderlijke vertrouwen in de grootheid, almacht en Vaderlijke liefde van God, Die Zijn Eigen Zoon niet gespaard heeft. Als Schepper en Onderhouder regeert Hij alle dingen door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid. Om Christus’ wil is deze almachtige God een getrouw Vader voor Zijn kinderen, Die hen verzorgt met alle nood van lichaam en ziel en al het kwaad in dit jammerdal ten beste keert.

THEMA

Het geloof in God de Vader

KERNPUNTEN

  1. Het werk van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde
  2. De genade van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde
  3. De zorg van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde

ZONDAG 9

Vraag 26: Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook door zijn eeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is; op welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 9: God de Vader (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 9

THEMA

Het geloof in God de Vader

Gemeente, in Zondag 8, waarin het vorige week ging over de drie-eenheid van God, werd gezegd: de Twaalf Artikelen zijn in drie delen te verdelen. Deel 1 gaat over God de Vader en onze schepping. Deel 2 gaat over God de Zoon en onze verlossing. En deel 3 gaat over God de Heilige Geest en onze heiligmaking. Vanmiddag beginnen we met dat eerste deel van de Twaalf Artikelen: over God de Vader en onze schepping.

Onze geloofsbelijdenis begint met de hartelijke en innemende woorden: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Woorden die kinderlijk vertrouwen in grootheid en almacht uitstralen. Zoals we ook lazen in Romeinen 8. Zoek dat hoofdstuk in uw Bijbel nog even op.

Dat kinderlijke vertrouwen in Gods grootheid en almacht proef je in wat Paulus zegt in Romeinen 8:31: Zo God, als die God, voor ons is (onze Vader, Die alle macht heeft), wie zal dan tegen ons zijn? Wat hebben we dan te vrezen?

Immers Zijn Vaderlijke liefde is zo groot, dat Hij zelfs (vers 32): Zijn Eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hij heeft Hem voor ons allen overgegeven. Nou als dat zo is, als Hij het Liefste wat Hij had, voor ons overgaf tot in de dood, om voor onze zonden te betalen, dan zal Hij ongetwijfeld ook al het andere wat goed voor ons is, aan ons willen geven. Kijk maar in vers 32b: Hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken!

Vaderlijke liefde, vaderlijke zorg, die vast is. Die nooit veranderen zal, wat er ook gebeurt. En dus zegt Paulus uiteindelijk vers 38 en 39: Want ik ben verzekerd (wat een rust geeft dat in ons leven) dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods (van de liefde van die almachtige Vader), welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

We gaan vanmiddag samen kijken naar Zondag 9, naar vraag en antwoord 26. Laten we die samen met elkaar gaan lezen.

Vraag 26. Wat gelooft u met deze woorden: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde? Antwoord. Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus (Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, Die ook door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert) om Zijns Zoons Christus wil mijn God en mijn Vader is, op Wie ik (al)zó vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl (omdat) Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: Het geloof in God de Vader

We letten samen op drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op Zijn werk. Hij heeft hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen. En Hij onderhoudt en regeert die ook door Zijn eeuwigen raad en voorzienigheid. We letten in de tweede plaats op Zijn genade. Want Gods kinderen mogen geloven (staat er), dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus om Zijns Zoons Christus wil ook hun God en hun Vader is. En we letten in de derde plaats op Zijn zorg, op de zorg van God de Vader. Op Wie ik (zegt de catechismus) alzó vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl (omdat) Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

Dus: het geloof in God de Vader. In: 1. Zijn werk 2. Zijn genade 3. Zijn zorg

1. Het werk van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde

Hij is (dat staat er in het antwoord als eerste, nog vóór dat het gaat over Zijn werk), Hij is de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus. God is Vader. Dat hoort bij het Wezen van God. Dat hoort bij Wie God is. God is eeuwige Vader. Hij is altijd Vader geweest. Er was nooit een tijd dat hij geen Vader was. Hij is eeuwige Vader. Dat is nooit begonnen en dat zal nooit ophouden.

Hij is de eeuwige Vader van Zijn Zoon. Zonder begin deelt God de Vader Zijn Goddelijke wezen mee aan de Zoon (Joh. 5:26). Die woorden Vader en Zoon, drukken een innige relatie uit, vol van liefde. Zoals Johannes de Doper zei: De Vader heeft de Zoon lief.

In de liefde van de Zoon tot de Vader is tastbaar in de innige aanspraak in het gebed van de Heere Jezus Christus, zo vaak: Mijn Vader!

Als we daaraan denken, dan schittert straks temeer de liefde van de Vader tot Zijn kinderen. Als Johannes schrijft: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. Als Paulus schrijft: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Zijn eigen Zoon, Zijn allerliefste Zoon, in de plaats van vijanden…

Twee dingen zegt de catechismus er nog bij, van deze eeuwige Vader. Hij is de Almachtige, Die (dat is het eerste) hemel en aarde met al wat er in is, uit niet geschapen heeft. En Die (dat is het tweede) die hemel en aarde ook door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid nog onderhoudt en regeert.

Dus als het gaat om God de Vader, dan was z’n werk: de schepping van de hemel en van de aarde. De schepping van alles. En dat was 6000 jaar geleden. Wij geloven dat het waar is, wat God ons vertelt in de Bijbel. Hij heeft in zes dagen alles gemaakt uit niets. Hij zei: Daar zij licht. En toen was er licht. Hij schiep de zon, de maan en de sterren. De hoge bergen en de diepe zeeën. De planten, de dieren en de bomen. En uiteindelijk als mooiste: de mens. Als een tempel om in te wonen.

Wij mensen zijn niet het product van miljoenen jaren van evolutie. Adam was, zo schrijft Lukas in Lukas 3, geen apenkind, maar hij was de zoon van God. Door God gemaakt, als het mooiste van Zijn schepping. Het werk van God de Vader toen was de schepping.

En Zijn werk nu is om heel die schepping, omdat alles nog steeds te onderhouden en te regeren. Met andere woorden, God heeft Zijn schepping, de wereld en de mensen, nadat Hij ze gemaakt had, niet aan zichzelf overgelaten. Maar Hij is alles blijven regeren en besturen. Tot in de kleinste details. De Heere Jezus zegt het in Mattheüs 10: Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. Niets in deze onrustige wereld gebeurt zonder God de Vader. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; u gaat vele musjes te boven. Dat wil zeggen: u bent veel belangrijker dan mussen.

God regeert alle dingen door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid. Dus, jongelui, de Heere heeft een plan, een onveranderlijk eeuwig plan, met de wereld, met de kerk, en ook met jou. Als wij plannen maken, dan moeten we ze soms weer een beetje bijstellen. Want, zeggen we, het is allemaal een beetje anders gelopen dan eerst gedacht. Maar het plan van de Heere hoeft niet, hoeft nooit veranderd t worden.

Want Hij weet alle dingen. En Hij bestuurt en regeert alle dingen. Voor Hem is er niets, wat toevallig of per ongeluk gebeurt. Zelfs niet als er een haar van je hoofd valt. Want de Heere weet precies hoeveel of hoe weinig je er hebt.

Ook in deze onrustige wereld, gaat alles volgens Gods plan. Dat wil niet zeggen, dat de Heere verantwoordelijk is voor de zonden die mensen doen. Maar alles is wel in Zijn handen. Niets glipt Hem door de vingers. Want: De Heere regeert.

Dus mogen we ons wel wat minder bezorgd maken over alle dingen die gebeuren in deze tijd. We moeten niet onverschillig worden, zeker niet bij het zien en horen van alle leed en ellende in deze wereld. Maar er is, wat er ook gebeurt, geen reden tot paniek. Want God de Vader, de eeuwige Schepper en Onderhouder van deze wereld, regeert.

Wat een grote en machtige God hebben we toch. Maar de vraag is wel: Wie is Hij eigenlijk voor jou persoonlijk? Is Hij in je gedachten een grote, machtige God, Die echt bestaat…? Dat weet je gewoon, dat lees je gewoon in je Bijbel…, en dat geloof je gewoon…? Of heb je met die grote en machtige God ook een heel bijzondere persoonlijke band? Laat ik het anders vragen. Houd de Heere van jou? En heb jij Hem lief met heel je hart en met alles wat in je is?

Ken je iets van het geluk, van de blijdschap en van de verwondering die afstraalt van dit kind van God in de catechismus, dat zegt: Die eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus (Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, en Die dat alles door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid nog steeds onderhoudt en regeert), Hij is om Zijns Zoons Christus wil ook mijn God en mijn Vader?

Daar ga ik zo meteen na het zingen meer over zeggen, maar eerst even dit. Want de meesten van jullie, jongelui, voelen zich blij en gelukkig met: je eigen vader. Maar er zijn ook jongeren (of volwassenen die terugdenken aan vroeger), die bij dat woord ‘vader’ aan iets anders denken. Aan klappen, aan lelijke woorden, aan genegeerd worden, aan misbruik en aan heel veel ellende meer. Waardoor er hier van binnen iets stuk gegaan is. Iets wat je wel bij een goede vader hebt. Die durf je te vertrouwen. Daar durf je van te houden.

Die vaders, wat de reden ook geweest is, hebben niet gedaan wat de Heere aan hen vroeg. En ze hebben veel, heel veel stuk gemaakt. Als dat zo bij je is, of bij u, probeer dan te bedenken: God noemt Zich niet Vader, omdat Hij op ons als vaders lijkt. Het is andersom. Wij vaders moeten een heel klein beetje op Hem lijken. Op Hem, Die oneindig veel beter is dan alle goede vaders bij elkaar. Want geen vader, geen enkele, zelfs de allerbeste niet, geen vader slaat met groter mededogen, met meer tere liefde, op Zijn kwetsbare kinderen ooit zijn ontfermende ogen, dan Israëls Heere. God, de enige, echte Vader.

Van Hem gaan we samen zingen, uit Psalm 103:7 Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest; Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten, En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

Gemeente, Gods kinderen mogen geloven: Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus om Zijns Zoons Christus wil ook hun God en hun Vader (geworden) is. Ons tweede aandachtspunt:

2. De genade van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde

Wat is dat eigenlijk: genade? Dat is iets wat je krijgt, wat je niet verdiend hebt. Immers van iedereen geldt, ook van ons, kinderen van God: wij hebben onze Schepper, wij hebben onze oorspronkelijke Vader verlaten. We wilden in Adam God als Vader niet meer hebben en kozen zelf voor de duivel, als onze nieuwe vader. En dus had niemand van ons ooit nog het recht, om weer echt kind van God de Vader te mogen worden, om de Heere weer Vader te mogen gaan noemen.

Maar, kinderen van God, geliefde medechristenen, God heeft ons uit genade, niet verdiend dus, om Zijns Zoons Christus wil weer aangenomen tot Zijn kinderen. Zoals we dat later in Zondag 13 van de catechismus uitgebreider zullen zien. Hij spaarde Hem niet, zegt Paulus, maar gaf Hem voor ons over tot de dood van het kruis. Om ons als Zijn verkoren zoons en dochters weer terug te brengen tot de Vader.

Is dat het waar je, jongelui, ook naar verlangt? Dit is echt beter, dit is echt veel meer waard dan alles van deze wereld. Thuis mogen komen bij God, als een verloren zoon, als een verloren dochter. Als iemand die het niet verdiend heeft om gedrukt te worden aan het Vaderhart van God. Om dan ook echt de werkelijkheid te mogen ervaren van: Die Heere, Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar ook voor mij overgegeven heeft, Hij zal mij ook met Hem alle dingen schenken!

Dat brengt me bij het derde aandachtspunt:

3. De zorg van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde

Op Wie (zegt de catechismus) ik (al)zó vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl (omdat) Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

Dus, de almachtige Vader zorgt voor al Zijn kinderen. a. Voor alle nooddruft van ons lichaam. Dat we zeggen voor alle dingen van dit leven. We noemen het vaak het tijdelijke leven. Want het zal niet altijd blijven.

De Heere zorgt altijd voor ons. De Heere geeft ons altijd, alles wat we nodig hebben.

Ons leven is niet altijd per se heel gemakkelijk. De Bijbel vergelijkt ons leven met de reis van het volk Israël door de woestijn, op weg naar het land Kanaän. Geen gemakkelijke reis. Maar iedere dag zorgt de Heere voor ons. Met manna, hemels brood. En met water uit de steenrots.

Soms weten we niet hoe het verder moet. Net als bij het volk Israël, toen het stond voor de Rode Zee. We zien geen weg om verder te gaan. Maar de Heere neemt ons aan Zijn hand en maakt een weg, net als destijds, dwars door de Schelfzee.

Soms kan het in ons leven stormen. We komen veel teleurstellingen tegen, veel moeite, verdriet en tegenspoed. Soms treft ons het felste verdriet. Soms gaan al Gods golven over ons heen. En fluisteren onze vijanden ons in: Zeg, waar is nu je God?

Maar, en daarom zijn de midden in al die moeilijke dingen toch zo gelukkig: we hebben een hemelse Vader Die zorgt. Die alles weet en ziet. Die alles kan. Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. En Die ons nooit zal loslaten.

En, zegt de catechismus, op Hem vertrouwen we. We twijfelen niet aan de goede zorg van de Heere. Mensen kunnen ons voor gek verklaren. Mensen kunnen ons raar vinden. Maar hoe het ook gaat in ons leven, wij hopen op God. We vluchten biddend tot Hem. Die voor ons een Hoog Vertrek is in tijden van benauwdheid. Hij is onze Hulp, Hij is ons Schild. Bij Hem zijn we veilig.

We kunnen op de Heere vertrouwen, meer dan op de beste vader van deze wereld. Je zegt, en dat zei ik vroeger ook: Als mijn vader iets zegt, dan zal hij dat zeker doen! Maar dat geldt nog meer van onze hemelse Vader. Wat Hij beloofd heeft, dat zal Hij doen. Al wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? En Hij kan ook alles. Want Hij heeft (veel anders dan onze vaders) alle macht in de hemel en op de aarde!

Jongelui, zou je deze hemelse Vader ook niet als je Vader willen kennen? Zoek Hem dan toch. Je leven zo veel gelukkiger als je met de Heere leven mag. Als je bij Hem schuilen mag. Als Hij om Christus’ wil, ook jouw God en jouw Vader is.

Twijfelen we nooit, aan de goedheid van de Heere voor ons? Ja, soms wel. En soms ook vaker. Dan mopperen we, net als het volk Israël in de woestijn. Dan zijn we ontevreden.

Omdat we, net als het volk Israël destijds, de Heere uit het oog verloren hebben. En denken dat we de dingen zelf moeten oplossen.

Totdat de Heere ons weer liefdevol aan ons hart trekt. En zegt: Kom nu toch tot Mij, u die vermoeid en belast bent. Je kunt het niet zelf, je hoeft het ook niet zelf te doen. Kom tot Mij, Ik zal je rust geven! Mopper niet, zoals Asaf, die ook dacht: Zou God wel alles weten uit mijn moeilijke leven? Totdat de Heere het hem weer liet zien: U zult mij leiden door Uw raad. Door Uw eeuwige en goede plan met mij. En toen kon en mocht hij weer vertrouwen, dat de Heere voor hem zou zorgen. Voor alle nooddruft van zijn lichaam, voor dit tijdelijke leven.

b. En ook voor de nooddruft van zijn ziel. En dat is bijzonder. Want dat geloven, dat vertrouwen op de Heere, waar zit dat? Dat zit juist in je hart. Dat zit juist in je ziel. Maar we zijn, ook na gekregen genade, daarin vaak zo zwak. Maar gelukkig wil de Heere ook daarin voor ons zorgen. Door ons vertrouwen in onze ziel te geven, hoop op Zijn onfeilbare Woord.

En dan verandert onze bezorgde vraag, ‘zou de Heere me vergeten hebben?’, weer in geloof en vertrouwen: O, Heere, U hebt mij in Uw beide handen gegraveerd. U zult me nooit begeven en verlaten. Want U hebt het Zelf gezegd: U zult nooit herroepen wat U eenmaal heb gesproken. Hetgeen uit Uw lippen ging blijft vast en onverbroken. Wat U zegt, dat zult U doen.

En dus bidden we vaak met David: Heere, alstublieft, doe wat U gesproken, doe wat U gezegd hebt in Uw Woord. Wat U beloofd hebt, toen U zei: Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Kijk naar de vogels, zij zaaien niet, zij maaien niet, verzamelen niet in schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve. Gaat u dezelve niet zeer veel te boven? (Mat, 6:25-26). Want zou U, Die zelfs Uw eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons overgegeven hebt, zou U ons ook met Hem niet alle (andere) dingen schenken?

Maar er is meer, jongelui, in ons gelukkige leven met de Heere, met deze hemelse Vader. De catechismus zegt: En ook al het kwaad dat Hij(!) mij in dit jammerdal toeschikt, dat zal Hij mij ten beste keren. Alle moeilijke dingen, alle verdriet, alle tranen die ons in dit leven overkomen, komen dus uit de handen van onze hemelse Vader. Met andere woorden: de duivel kan ons geen kwaad doen, zonder toestemming van de Heere. Niets en niemand kan ons kwaad doen, als de Heere het niet wil. En dus zijn we altijd veilig!

Zoals we zongen uit Psalm 46: De Heere, de God der legerscharen is met ons. De Heere, de God van Jakobs zaad is ons een Brucht, een Toeverlaat! En dus zingt Psalm 33: In de grootste smarten, blijven onze harten, in de Heere gerust!

Al het kwaad, dat de Heere mij in dit jammerdal, in deze verdrietige wereld toeschikt, zal Hij, als mijn hemelse Vader, voor mij ten beste keren. Want, zo schrijft Paulus in Romeinen 8:28: Wij weten dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede(!), namelijk dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

Of het nu ziekte is, of verdriet, of gemis, rouw of tranen, werkeloosheid of arbeidsongeschiktheid, zorgen om man of vrouw, kinderen of kleinkinderen… Alles, in dit tranendal, in dit jammerdal… Mijn lieve Heere gebruikt het allemaal voor mijn bestwil!

Wanneer zie je dat? Als de Heere het je midden in zorg en verdriet laat zien. En je geloof geeft, zodat je mag zingen met de dichter van Psalm 40: Ik ben wel ellendig, maar de Heere denkt aan mij. Wat ben je dan gelukkig, jongelui. Als je verdriet hebt, maar je weet: de Heere denkt aan me. Hij vergeet mij niet. Hij zal voor me zorgen. Dan worden onze tranen gemengd. Dan zijn er tranen van verdriet, maar ook tranen van verwondering.

Vooral als we zien, dat de Heere al die moeilijke dingen, wil gebruiken om ons te leren om dichter bij Hem te leven. Om afhankelijker van Hem te worden. Om verder weg te blijven van de zonde. En om meer geduld te leren. Denkend aan wat Paulus zegt: Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop, en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heiligen Geest, Die ons is gegeven.

De Heere wil ons door lijden geduldig maken. Hij wil ons door lijden leren dat Zijn weg volmaakt is. De Heere wil ons door die moeilijke wegen hoop geven op Hem. En Hij wil midden in dat lijden door Zijn liefde ons hart naar boven trekken, met verlangen naar de hemel, naar de hemelse heerlijkheid.

Want daar wordt onze verwondering straks het allergrootst! Straks, als we na ons sterven, voor altijd met de Heere mogen zijn. En duidelijker dan ooit zullen zien: al die moeilijke wegen, daar had de Heere zulke goede bedoelingen mee! Hij wilde ons dicht bij Hem houden. Zoals een echte vader zijn kinderen graag dichtbij zich wil houden om voor ze te zorgen, om ze te troosten.

Hij wilde zo graag de zonde uit ons leven weg hebben. Daarom louterde Hij het goud, het zilver van ons geloof, zoals Petrus dat schrijft in zijn brief. Dat goud, dat zilver, dat geloof wilde de Heere steeds zuiverder maken. Het vuil moest eruit. En wat doet een goudsmid of een zilversmid dan? Dan maakt hij dat goud, dat zilver zo heet, dat het smelt, en dat het vuil boven komt drijven en verbrandt.

Die moeilijke dingen, die doet de Heere om ons hart, om ons geloof zuiverder te maken. En dus zeggen we met Psalm 119: Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest. En dus zeggen we met Psalm 66: U hebt ons gelouterd door het lijden, gelijk het zilver wordt beproefd. Om ons aan het beeld van Uw Zoon gelijk te maken.

Soms zien we dat hier. Maar we zien het vooral straks, na ons sterven. Als alle puzzelstukjes in elkaar zullen vallen. En we echt uit de grond van ons hart zullen zeggen: Heere, U was zo goed! Alles wat U deed, was goed. Nu zien we het echt. Nu zien we het helemaal. Heilig zijn, o God, Uw wegen.

De Heere doet alles om ons bestwil. De catechismus zegt: Dewijl (omdat) Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader. Wat een gelukkig leven is dit, jongelui, als kind van deze Vader. Alsjeblieft, gaan de Heere zoeken. Dit is het beste leven wat er is. Leven van de liefde en de zorg van deze hemelse Vader. Zoek Hem, dan zal Hem vinden!

Tot slot, kinderen van God (jongeren, volwassenen en ouderen), alles wat er in ons oog uitziet als de krommingen in ons levenslot, zijn ten diepste: Gods rechte wegen. Heilig, volmaakt en goed. Zoals de dichter van Psalm 18 zegt: Gods weg is volmaakt.

Zouden wij dan in de bitterheid van ons leven klagen en zeggen: Waarom doet U dit? Nee, wij zeggen (als de Heere ons de genade geeft van geduld en onderwerping): Heilig zijn, o God, Uw wegen. Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen. Dank U, o Vader, wat U doet is goed. Want wij weten: dit alles komt uit Uw hand, uit Uw liefdehand. Dit alles komt uit Uw hart, uit Uw Vaderhart.

En U zult het voor ons ten beste keren. Wij kunnen het niet overzien. Wij kennen de toekomst niet. Maar we weten dat er iets goeds uit voortkomen zal. Voor U, voor Uw eer, en ook voor ons. Nee, het staat er eigenlijk veel sterker: ten beste. Beter is er niet. Beter is er niet, als dat wat we uit de hand van onze Vader krijgen. Het zij bitter, het zij zoet.

En daarom, Al zucht u vandaag met Jakob: Al deze dingen zijn tegen mij… Al zegt u met David: Ik zal een dezer dagen in de handen van koning Saul omkomen…

Als zit u met Job op de puinhopen van uw leven… Al voelt u met Paulus een doorn in uw vlees… Voed het oud vertrouwen weder, zoek in ’s Hoogsten lof uw lust. Want Gods goedheid zal uw druk eens verwisselen in geluk. Hoop op God!

Al gaan al Zijn golven over u heen. Zing dan toch maar Zijn lof, al is het midden in de nacht. Want: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

Want het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.

Want (zegt Paulus), ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God (de Vader), welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

En dus, vind troost en moed en zekerheid, kinderen van God (ouderen en jongeren) in de onveranderlijke liefde en trouw van God, onze Vader.

Amen.