PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 10: Gods Voorzienigheid (serie 1)

Zondag 10 · 9 mei 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 10 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus behandelt ds. J. IJsselstein de leer van de voorzienigheid van God. De preek stelt dat God niet alleen de Schepper is, maar als de hemelse Architect en Aannemer Zijn schepping dagelijks onderhoudt en bestuurt. Waar alle schepselen algemene zorg ontvangen, ervaren Gods kinderen een bijzondere zorg uit Zijn liefdevolle Vaderlijke hand. Dwars door tegenspoed, moeite en onbegrijpelijke wegen voltrekt God Zijn raad, waarbij Hij alle dingen ten goede leidt.

THEMA

De voorzienigheid van God

KERNPUNTEN

  1. Wat weten we van Gods voorzienigheid?
  2. Wat is het doel van het weten van Gods voorzienigheid?

ZONDAG 10

Vraag 27: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28: Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?
Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 10: Gods Voorzienigheid (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 10

THEMA

De voorzienigheid van God

Gemeente, we gaan vanmiddag verder met de behandeling van onze Heidelbergse Catechismus. Aan de beurt is Zondag 10, de vragen en antwoorden 27 en 28. Laten we deze Zondag uit onze Catechismus nu eerst met elkaar gaan lezen.

Vraag 27: Wat verstaat u door de voorzienigheid Gods? Antwoord: De almachtige en alomtegenwoordige kracht van God, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en zo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij geval, maar vanuit Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28: Waartoe dient ons dat, dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Antwoord: Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Het thema voor deze Catechismuspreek is: De voorzienigheid van God

We letten in de preek van vanmiddag op twee aandachtspunten, en die lopen parallel met de twee vragen en antwoorden. We stellen als eerste de vraag: 1. Wat weten we van Gods voorzienigheid? Dat ziet u in vraag en antwoord 27.

2. Wat is het doel van het weten van Gods voorzienigheid?

Immers antwoord 28 zegt: waar dient ons dat voor, dat wij dat weten? Wat is het doel van het weten van Gods voorzienigheid?

Het gaat dus vanmiddag over Gods voorzienigheid. We stellen twee vragen.

Als eerste: Wat weten we van Gods voorzienigheid? En als tweede: Wat is het doel van het weten van Gods voorzienigheid? Als eerste dus:

1. Wat weten we van Gods voorzienigheid?

Het is een beetje een moeilijk woord, jongens en meisjes: de voorzienigheid van de Heere God, of zoals hier staat: Gods voorzienigheid. Het gaat bij dit moeilijke woord eigenlijk om het volgende: Wie zorgt er eigenlijk voor alles? Wie zorgt er voor de boterham die je ‘s ochtends eet? Wie zorgt er voor de kleren die je ‘s ochtends aantrekt? ‘Ja’, zeg je, ‘die heeft mama gekocht in de winkel.’ Waarmee? ‘Met geld.’ Hoe komt ze aan dat geld? ‘Dat heeft papa, of mama, of dat hebben zij allebei verdiend.’ Maar hoe dan? Je zegt: ‘Papa en mama zijn gezond, en slim, en sterk, dus verdienen ze geld.’ Ja, maar, Wie zorgt er dan voor, dat ze gezond, en slim, en sterk zijn? ‘Ja’, zeg je, ‘uiteindelijk is het de Heere God, Die voor alle dingen zorgt. Ook daarvoor.’ Voor alles. Echt voor alles! Voor alle dingen!

In Zondag 9 hebben we gezien dat de Heere God alles geschapen, alles gemaakt heeft. En daarna? Is de Heere toen weggegaan van Zijn schepping? Is Hij toen weggegaan van de mensen, van de dieren, van de planten en van de bomen? Nee, daarna zijn wij bij God weggegaan. Dat hebben wij gedaan. Daarom is er zoveel narigheid, zoveel ziekte, ellende en verdriet in deze wereld. Door ons! Wij zijn bij God weggegaan en daarom is de zonde in de wereld gekomen. Maar toch, ondanks dat wij dat gedaan hebben, is God doorgegaan met Zijn goede zorg.

Als een aannemer (je weet wel, dat is iemand die een huis bouwt), een huis bouwt en het is helemaal klaar, dan zegt hij: ‘Alsjeblieft, meneer of mevrouw! Ik heb het gebouwd, maar vanaf nu mag u er verder zelf voor zorgen. Dag hoor!’ Maar de Heere God is anders. Hij heeft als de grote Architect, als de hemelse Aannemer, de aarde gemaakt. En vanaf de eerste dag tot nu toe zorgt Hij voor alle dingen. Voor, zo zegt de Catechismus, de hemel, dat wil zeggen voor de zon, de maan, de sterren, de wolken in de lucht, en voor de aarde en voor alles wat op de aarde is: de bomen, de planten, de mensen en de dieren. Dus echt: voor alles!

Alle schepselen onderhoudt Hij, staat er, als met Zijn eigen handen. Onderhouden is: zorgen voor. Denk maar aan een dier, dat je thuis hebt en waar je heel veel van houdt: een vis, een konijn, een cavia, kippen, vogels. Je zegt: ‘Ik houd heel erg veel van mijn dier. Ik geef het iedere dag heel goed eten. En ik

neem mijn konijn of cavia ook wel eens op schoot. Het is echt mijn lievelingsdier. Ik zorg er heel goed voor.’ Je doet dat, dat zorgen voor (en dat bedoelt de Catechismus) met je eigen hand. Je geeft je lieve dier zelf te eten, je aait het, want je houdt van hem of haar. En je merkt aan je konijn of cavia ook, dat hij of zij van jou houdt. Dat zeg je ook: ‘Hij houdt van mij en ik houd van hem of haar.’

Zo goed, ja, nog veel beter zorgt God voor Zijn schepping. Want eerlijk gezegd, jij vergeet je konijn of cavia wel eens, of vaker. God zorgt als met Zijn Eigen handen voor iedereen op heel de aarde. Ook voor de mensen die Hem niet kennen en dienen. Dat staat in Mattheüs 5: God doet Zijn Zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mattheüs 5:45b). En daarom zegt de Catechismus dat God alle schepselen als met Zijn hand onderhoudt. God zorgt voor alle schepselen, tot op de dag van vandaag toe.

Maar de meest bijzondere zorg van de Heere is er voor Zijn kinderen. Zoals jouw vader je geeft wat je nodig hebt, zo en nog veel meer geldt het van de Heere in de hemel, dat Hij Zijn kinderen geeft wat ze nodig hebben. De Catechismus zegt dat alle mensen, alle schepselen goede zorg uit Gods hand krijgen, maar zij (die door genade Gods kinderen mogen zijn) geeft God alles uit een heel bijzondere hand, namelijk: uit Zijn Vaderlijke hand.

Je zegt: ‘Wat betekent dat, dat God een Vaderlijke hand heeft voor Zijn kinderen?’ Dat betekent dat als je een nieuw hart hebt, als jij kind van God bent, dat je dan ten opzichte van de Heere heel klein bent, net als een kind. Het betekent dat je als een klein kind afhankelijk bent van je hemelse Vader, Die voor alle dingen zorgt. Zelf ben je klein. Vader is groot. Voor Hem heb je eerbied, tegen Hem kijk je op, voor Hem heb je diep respect. Zoals een heel klein kindje eet en drinkt (letterlijk) uit de hand van papa, zoals een klein kindje loopt aan de hand van vader, zo zijn Gods kinderen heel klein en heel afhankelijk van hun grote, hemelse Vader.

Als de Catechismus het heeft over die Vaderlijke hand van God, dan proef je in die uitdrukking van de Catechismus ook liefde. Als je aan de hand van papa in de grote stad loopt (hand goed vast, jouw kleine hand in papa’s grote hand), dan zie je niet alleen dat papa van je houdt, maar je voelt het ook: de warme hand van papa. Je weet het, je vertrouwt erop: papa zal je nooit loslaten, hij zal je nooit in de steek laten.

En terwijl ik dit zeg, voel je het, jongens en meisjes, en voelt u het, gemeente, hoe belangrijk en hoe nodig het is om die bijzondere, Vaderlijke hand van God echt

persoonlijk te kennen. Om de Heere God echt te kennen, zodat het niet alleen maar gaat om de dingen die je krijgt uit Gods hand, maar zodat het vooral gaat om die hand van de Vader Zelf. Het gaat om de Heere Zelf, dat je Hem kent. Dat je persoonlijk weten mag: ik ben een kind van God.

Daarom hebben we zojuist uit de Bijbel gelezen: wees nou niet zo druk met de dingen van de tijd, maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid. En dan krijg je al die andere dingen uit Zijn Vaderlijke hand. Maar dat eerste is het allerbelangrijkste: Zoek de HEERE terwijl Hij te vinden is (Jesaja 55:6).

En als je dan kind van God bent, wat krijg je dan uit die Vaderlijke hand van God? De Catechismus zegt het, en ik lees het nog een keer voor: loof (het groen van de bomen, groente en fruit) en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen. Eigenlijk te veel om allemaal op te noemen. We krijgen die dingen, zegt de Catechismus, niet bij geval (niet toevallig), maar uit Gods Vaderlijke hand. ‘Maar’, zeg je, ‘het zijn eigenlijk allemaal van die gewone dingen: eten en drinken, gezondheid en ziekte, geld en of geen geld.’ Ja. En dat komt omdat wij heel snel vergeten, dat ook daarin en vooral daarin Gods hand en besturing te zien en te voelen is. We denken heel snel: ‘O, die dingen, die gaan allemaal vanzelf.’ Maar als er iets bijzonders gebeurt, als er bijvoorbeeld een vliegtuig neerstort (hoe erg dat ook is), als er een aardbeving is, als er onverwachts een heel erg ongeluk gebeurt, als er ineens iemand heel erg ziek wordt of plotseling sterft dan zeggen we: ‘Dit is echt Gods hand.’ Maar de Catechismus zegt: ‘Ja, dat is wel waar, maar je moet in alle dingen Gods hand zien!’ Je zegt: ‘Maar soms lijkt het zo extra bijzonder. Het volk Israël bijvoorbeeld, veertig jaar zijn ze op reis in de woestijn en God bewaart ze. Er is een wolkkolom tegen de zon en een vuurkolom die als het ware als een lamp schijnt in de nacht. En er is eten: het regent manna uit de hemel, en er zijn heel veel kwartels (patrijzen), er is een overvloed aan vlees!’ Je zegt: ‘Dat is nog eens bijzonder!’ Maar de Catechismus zegt (en ik zeg het op mijn manier na): ‘Kijk eens, die boterham die ’s morgens op je bord ligt: dat is nog eens bijzonder! En die aardappel die vanavond op je bord ligt: dat is nog eens bijzonder! En de kleren die mama voor je gekocht heeft: dat is nog eens bijzonder! En dat je fietsend uit school weer veilig en zonder ongeluk thuiskomt, dat is nog eens bijzonder! Dat is allemaal de goede zorg van de Heere God.

In al die dingen, die wij ‘gewoon’ noemen, zie je, als je tenminste goed kijkt, Gods bijzondere zorg, Zijn goede hand.

En als je van de Heere een nieuw hart hebt gekregen, als je werkelijk een kind van God bent, dan zie je in al die dingen, als je tenminste goed kijkt, Gods liefdevolle Vaderlijke hand.

Je zegt: ‘Wat krijg je dan, als je kind van God bent, uit die liefdevolle Vaderlijke hand van God?’ Ik lees het nog een keer: loof en gras (en nu goed opletten!), regen, maar ook droogte, vruchtbare, maar ook onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid, maar ook ziekte, rijkdom (genoeg geld, veel spullen), maar ook armoede. Mooie dingen dus, maar ook narigheid.

Je zegt: ‘Komt dat dan ook van de Heere? Hoe zit het eigenlijk met die nare dingen die in de wereld gebeuren? Met aanslagen, met zoveel grote mensen en kleine kinderen die sterven in oorlogen, in vervolging? Hoe zit het eigenlijk met die nare dingen die in gezinnen gebeuren, die in de kerk gebeuren? Doet de Heere God dan al die kwade dingen?’ Nee. Die doet God niet. De kwade dingen komen echt van ons, mensen. En wij, mensen, zijn allemaal zelf verantwoordelijk voor de slechte dingen die wij doen. God wil de zonde niet en Hij doet de zonde ook niet. Maar God laat de zonde wel toe. God laat het soms wel toe, dat mensen in de zonde leven en elkaar ellende en narigheid aandoen. En dwars daar doorheen voltrekt God Zijn eigen plannen. Dwars daardoorheen gaat de Heere God door met Zijn werk en met de uitvoering van Zijn raad. Soms zien wij dat als mensen (vaak niet op het moment zelf, maar later of heel veel later), soms ook niet. Wij mensen weten vaak niet waarom de Heere het kwade, het slechte van zondige mensen toelaat.

Hier geldt (hoewel hij het in een ander verband opmerkt) wat de profeet Jesaja zegt: Gods wegen zijn hoger dan onze wegen. Met andere woorden: we begrijpen Gods weg en werk niet. En Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Soms heel veel later, als je terugkijkt, laat de Heere zien dat Hij dwars door alles heen, doorgegaan is met Zijn plannen (Jesaja 55:8,9).

Denk maar aan Jozef. Je weet het wel: hij komt in de put omdat zijn broers zo gemeen tegen hem doen. Ze verkopen hem als slaaf naar Egypte. Wat zij, die broers, doen is zondig. Dat is hun zonde! Dat is kwaad tegen Jozef, dat is zonde tegen God. Maar wonderlijk genoeg (en dat weten we, omdat het in de Bijbel staat), wonderlijk genoeg gaat de Heere dat gebruiken in Zijn plan om Jozef onderkoning te maken in Egypte en zo heel zijn familie te redden van de honger. Als we kijken naar die wonderlijke, onbegrijpelijke hand van God, dan zeggen Gods kinderen vaak in stilte: ‘Heere, heel veel dingen begrijp ik niet van U. Maar toch geloof ik, hoewel ik het niet zie, dat Uw Vaderlijke hand ook in deze moeilijke dingen is. Leert u me daarom zeggen: ‘Lieve Heere, wat U doet, is goed?’

Toch is dat, ook voor Gods kinderen, niet altijd gemakkelijk. Droogte: schade in je bedrijf, onvruchtbaarheid, heel dichtbij: kinderloosheid, ziekte, armoede, komt dat in mijn leven nu echt uit Gods Vaderlijke hand? Sommige ongelovige mensen zeggen: ‘Zie je nu wel, die God van jullie, tot Wie jullie altijd bidden, in Wie jullie geloven, Die bestaat helemaal niet! Anders zou Hij wel voor je zorgen. Anders zou Hij wel zorgen, dat je niet ziek zou worden. Anders zou Hij je wel kinderen geven. Anders zou Hij je wel werk en voorspoed geven.’ Ook Gods kinderen, laten we eerlijk blijven, kunnen het daar moeilijk mee hebben. Als de duivel ons influistert: ‘Zie je nou wel, die God die je dient, die bestaat helemaal niet.’ Als de duivel ons influistert: ‘Zie je nou wel, God is boos op je. Hij wil je niet meer. Hij straft je. Hij luistert heus niet naar je gebeden.’

Wat we dan doen, jongens en meisjes, als de duivel het ons moeilijk maakt door zulke dingen te zeggen, is met deze vragen (waar wij ook geen antwoord op weten) naar de Heere toegaan. Niet boos (‘Heere, waarom doet u dit nu?!’), maar als een klein kind: ‘Heere, ik weet het niet, ik begrijp niet waarom U het doet.’ En dan? Dan leggen we ons verdriet bij de Heere neer. We klagen onze nood bij de Heere. Dat komt niet van onszelf. Want van onszelf zijn we ook mensen, die snel boos worden op de Heere en geneigd zijn om te zeggen: ‘Heere, waarom doet U dat nu? Waarom doet U zoveel nare dingen in mijn leven?’ Maar door Gods genade gaan we als een kind naar de Heere toe. Dat doen we alleen als we genade kennen. Vroeger zeiden ze ‘een kruimel genade’. Je weet wel: een kruimel valt van je boterham. Een kruimeltje, een heel klein beetje genade.

Maar hoe gelukkig ben je, jongelui, met zo’n kruimel genade. Wat is dat een gelukkig leven! Want heel veel mensen in de wereld kunnen met hun verdriet en ellende nergens naar toe. Maar wij kunnen altijd, dag en nacht, naar de Heere toe. En we leggen ons verdriet en onze vragen (waar we ook geen antwoord op weten) bij Hem neer.

Je ziet dat trouwens, als je de Bijbel leest, overal. Ook(!) dat bange gevoel in het hart in moeilijke omstandigheden: Zou de Heere me wel horen? Zou de Heere wel van me afweten? Is het leven misschien zo moeilijk, omdat de Heere me vergeten is? Is God boos op me? Straft God me, om wat ik vroeger gedaan heb? Dan zegt Israël met woorden uit Jesaja: Mijn weg (met al mijn moeilijkheden) is voor de HEERE verborgen (met andere woorden: Hij weet er niet van!), en mijn recht gaat van mijn God voorbij (Jesaja 40:27). En dan zegt de dichter van Psalm 77: Zou de Heere me niet meer willen hebben? Heeft God (die God, die ik zo hartelijk liefheb), heeft Hij vergeten om mij genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? (Psalm 77:10).

Dan zegt Gods kind Habakuk in het eerste hoofdstuk van zijn profetie: ‘U hoort me toch nog wel, Heere?’ HEERE, hoe lang schreeuw ik en U hoort niet? Hoe lang roep ik geweld tot U, maar U verlost me niet? (Habakuk1:2).

Laten we samen één van die psalmen zingen en die vragen zo ook biddend aan de Heere voorleggen, als we zingen uit Psalm 77 vers 6. Zou God Zijn genade vergeten? Nooit meer van ontferming weten? Heeft Hij Zijn barmhartigheden Door Zijn gramschap afgesneden? 'k Zei daarna; Dit krenkt mij 't leven; Maar God zal verandering geven; De Allerhoogste maakt het goed; Na het zure geeft Hij 't zoet.

Voor Gods kinderen komt tegenspoed en zorg, nood en verdriet heel in het bijzonder uit Gods Vaderlijke hand. Maar we zien het vaak zo slecht. Als het ons overkomt, denken we zo vaak dat de Heere boos is, dat Hij ons straft, dat Hij ons vergeet. Toch zegt de Catechismus dat het ons allemaal toekomt uit Gods Vaderlijke hand. Wat je van papa krijgt, dat weet je, jongens en meisjes. Wat je van papa krijgt is goed, daar hoef je niet aan te twijfelen. Dat heeft de Heere Jezus ook gezegd: als een kind vraagt om brood, dan geeft een vader nooit een harde steen, en als een kind vraagt om vis om op te eten, krijgt hij geen slang die bijt. Zo en nog veel beter zorgt de Vader Die in de hemelen is voor Zijn kinderen. Want, zo zegt de Heere Jezus: Indien dan u, die boos (die zondig) bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven dengenen, die Hem bidden? (Lukas 11:11-13)

‘Maar’, zegt u, ‘waarom is tegenspoed, zorg, verdriet en nood nu goed voor ons?’ Waarom zegt de dichter van Psalm 119: het is goed voor mij om verdrukt te zijn geweest? Hij heeft zelf het antwoord: opdat ik dus (in die weg, op die manier) Uw Goddelijk recht zou leren (Ps. 119:36 ber.). Terwijl ik mijn nood en mijn verdriet voor de Heere neerleg, laat de Heere me zien wie ik eigenlijk voor Hem ben: klein en nietig, maar vooral ook zondig. Dan zeg ik in stilte op mijn knieën: ‘Heere, het doet zo’n pijn en wat er gebeurt in mijn leven geeft zoveel verdriet, maar het is een wonder dat U me niet veel harder slaat, het is een wonder dat U me niet weg doet, maar dat U mij naar U toe trekt.’ Dan zeg ik met Jeremia in al zijn narigheid en ellende: Het is Uw goedertierenheid (Uw liefdevolle trouw, Uw Vaderlijke zorg), HEERE, dat ik niet vernield ben. Het is Uw goedertierenheid, dat Uw barmhartigheden geen einde hebben genomen (Klaagl. 3:22). Als de Heere het me door Zijn genade laat zien, dan zie ik niet alleen mijn narigheid, maar ook de keerzijde van alle verdriet: het brengt me dichter bij de Heere. En als de Heere mijn oog daarop richt, dan zeg ik in stilte tegen de Heere: ‘Heere, hoewel ik het moeilijk vind: het is goed wat U doet.’

Zoals Job zei: De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd! (Job 1:21).

Waarom is tegenspoed goed? In de eerste plaats, zoals ik zei, laat de Heere in die weg zien wie ik ben.

Waarom is tegenspoed goed? In de tweede plaats leer ik zo, in die weg, iets zien van de grootheid van de Heere, van Zijn plannen, van Zijn wegen die ik niet begrijp, die zoveel hoger zijn dan mijn wegen. En zo leer ik steeds meer buigen voor Zijn wijsheid en bedoelingen, die ik niet kan doorgronden. En als de Heere me daar oog voor geeft, dan zeg ik in stilte op mijn knieën: ‘Heere, het is goed als U tegen me zegt: wat Ik doe weet u nu niet (u begrijpt het niet), na dezen zult u het verstaan.’ (Johannes 13:7)

Waarom is tegenspoed goed? In de derde plaats om mijn verkeerde denken over de Heere God te corrigeren. Want als ziekte, ellende en narigheid mijn leven treffen, dan ben ik zo geneigd om te denken: ‘Zie je nu wel, de Heere is boos op me. Hij straft me.’ We zien, kinderen van God, vaak niet dat het liefde en zorg is. Zoals de schrijver van de Hebreeënbrief in het twaalfde hoofdstuk zegt: want die de Heere liefheeft(!), kastijdt Hij en Hij geselt een iegelijk zoon die Hij aanneemt, als kind (Hebreeën 12:6). Hij kastijdt. Dat wil zeggen: Hij corrigeert, Hij leert, Hij instrueert, net zoals een meester op school. Hij traint ons tot ons nut, tot ons voordeel. En dat is liefde. Dat is liefde en trouw. Dat is ten diepste genade. Genade die me klein maakt voor God, die me als een kind steeds dieper laat buigen voor Hem. En dus wordt Hij groter.

Waarom is tegenspoed goed? In de vierde plaats omdat in die weg mijn leven, hart en oog door de Heere steeds meer gericht worden op het kruis! Op het kruis van Hem, de Heere Jezus Christus, de grote Kruisdrager, Die om de vreugde Hem voorgesteld (namelijk: dat wij, weggelopen kinderen, tot Zijn kinderen zouden worden aangenomen) het kruis (dat zware, loodzware kruis van de toorn van God tegen de zonde) heeft verdragen en de schande veracht (Hebreeën 12:2).

Waarom is tegenspoed goed? In de vijfde plaats: het is tot nut omdat de Heere daarmee ons hart en leven verandert. Zoals een tuinman een druivenplant snoeit. Je weet wel, jongens en meisjes, met zo’n knipschaar. Heel precies doet hij dat. Hij snoeit zoveel takken dat je denkt: er blijft niks meer van over. Maar hij doet dat, zodat hij volgende jaar meer vruchten zal dragen. Hij knipt en hij knipt. Als die druivenplant kon praten, zou hij zeggen: ‘Au! Au! Nee, niet nog een keer, niet nog meer!’

Maar het is goed! Want volgend jaar zijn er meer druiven, en volgend jaar is er meer eer voor de tuinman. Daarom staat er in de Hebreeënbrief: Onze vaders hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze (God) kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid deelachtig zouden worden (Hebr. 12:10). We zijn ondertussen al een beetje bezig met het nut, met het doel, dus we gaan snel naar punt 2 van de preek:

2. Wat is het doel van het weten van Gods voorzienigheid?

Nog even terug naar de tekst van vraag en antwoord 28: Waartoe dient ons dat (dus: wat is het doel van), dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? Met andere woorden: wat hebben we daar nu aan? Dit: dat wij in alle tegenspoed geduldig zijn (dat is het eerste), in alle voorspoed dankbaar zijn mogen (dat is het tweede) en in alles, wat ons nog toekomen kan (in de toekomst), een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader (dat is het derde), dat ons geen schepsel (niemand) van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen zo in Zijn hand zijn, dat ze zich tegen Zijn wil noch roeren, noch bewegen kunnen.

Dat wij, die de Heere mogen dienen en vrezen, dat weten, dat God ons aan Zijn hand meeneemt door dit leven, heeft een doel. De Catechismus noemt drie doelen, een drieërlei nut.

Het eerste doel: dat we in tegenspoed geduldig zijn. Heeft de Heere Zijn kinderen weinig tegenspoed en veel voorspoed beloofd in deze wereld? Nee, het is andersom. En toch ben je daarmee veel gelukkiger, dan wanneer je heel veel voorspoed zou hebben. De Heere heeft Zijn kinderen tegenspoed beloofd! En tegelijk (en dat hoort erbij!) een Vaderlijke hand. Zoals staat in Psalm 34: Vele (heel veel) zijn de tegenspoeden van de rechtvaardige, maar (en dan zie je de Vaderhand van de Heere) maar uit die alle redt hem de HEERE (Ps. 34:20). En Paulus zegt heel eerlijk tegen de discipelen in Galatië, dat ze door veel verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk der hemelen (Handelingen 14:22).

Zijn we van onszelf van die geduldige mensen? Nee, helemaal niet. Van onszelf zijn we helemaal geen geduldige mensen. Integendeel. We zijn in tegenspoed geneigd boos, ongeduldig en ontevreden te worden. Een kruis krijgen uit Gods Vaderhand (en ik zeg het met schroom, omdat ik weet hoeveel er onder verborgen kruisen geleden wordt, maar het is toch waar en het komt uit de Schrift), een kruis krijgen uit Gods Vaderhand is genade. En geduld onder dat kruis is een dubbele genade. Het is dubbele genade als ik door de Heere geduldig gemaakt wordt. Hoe?

Ik word geduldig, als ik zie hoe geduldig de Heere met mij is, en altijd met mij geweest is. Ik word geduldig, als ik Hem in het oog krijg, Die het kruis heeft gedragen in mijn plaats, een kruis dat vele malen, ja oneindig veel zwaarder was, dan enig kruis dat ik ooit heb moeten dragen. Ik word geduldig, als ik soms even vooruit mag kijken naar de toekomst en de apostel mag nazeggen, dat de lichte verdrukking hier op de aarde heel snel voorbijgaat en dat we door die verdrukkingen heen, door die weg heen, straks in mogen gaan in het Koninkrijk van God (2 Korinthe 4:17).

Het eerste doel van Gods voorzienigheid is dat ik in tegenspoed geduldig leer zijn. Maar ook, als tweede: in voorspoed dankbaar. Dat is ook iets, wat we niet van onszelf hebben. Dat is ook genade. Want in voorspoed dankbaar zijn, is ook iets wat niet bij ons past. Voorspoed leidt meestal tot vergeten. Als alles ons voor de wind gaat, denken we meestal: ‘Het gaat toch vanzelf allemaal goed?’ Maar de Heere leert Zijn kinderen danken in tijden van voorspoed. Wanneer ga ik de Heere danken? Als Hij me laat zien, wie ik ben voor Hem. Dan buig ik mijn knieën en zeg ik: ‘Heere, dat U zoveel aan mij geeft! Dat heb ik echt niet verdiend.’

Trouwens, dankbaar zijn, dat is niet hetzelfde als blij en gelukkig zijn. Je weet nog wel, jongens en meisjes, dat er drie boeken zijn in de Catechismus: ellende, verlossing… en hoe heet hoofdstuk 3? Dankbaarheid.

Waar gaat hoofdstuk 3 straks over? Over bekering, over het leven naar Gods geboden en over het gebed. Juist in tijden van voorspoed, van dankbaar-zijn, moet het in mijn leven gaan over: bekering, over het afsterven van de oude mens, over het opstaan van de nieuwe mens, over leven naar Gods geboden, en over biddend en afhankelijk leven aan Gods genadetroon. Als ik kleiner word, dan leer ik dankbaar te zijn.

In tegenspoed geduldig. In voorspoed dankbaar. Maar ook: voor de toekomst een goed toevoorzicht hebben, vertrouwend en verwachtend dat onze getrouwe God en Vader, niemand zal toelaten ons van Zijn liefde te scheiden, want alle schepselen zijn zo in Zijn hand, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, nog bewegen kunnen.

Dat vertrouwen, die verwachting, dat is ook genade. Het is de genade van een hartelijke en innerlijke rust. Ik leef, wij leven, kinderen van God, onder Vaderlijk toezicht. En hoe het dan ook moog’ tegenlopen, dan toch maar: gestadig (steeds maar weer) hopen op Zijn goedheid en Zijn Vaderlijke zorg.

Het is de genade dat je niet meer zo schrikt van alle dingen die gebeuren, omdat je weet: er gebeurt niets bij geval, er is niets toevallig. Alles wat ik krijg (ziekte, gezondheid, tegenspoed, voorspoed): het komt allemaal uit Gods goede Vaderhand. En niemand kan iets doen tegen Zijn wil, zich zelfs niet roeren of bewegen. En dus ben ik voor nu en voor altijd veilig.

Dat is het geluk van een kind van God! Die mag zeggen met de dichter van Psalm 23: Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij, Uw stok en Uw staf die vertroosten mij. Want U, HEERE, bent mijn Herder, want mij zal niets (werkelijk niets) ontbreken (Psalm 23: 4, 1) Als je de Heere dient en vreest, als je een kind van God bent, is Hij er altijd met Zijn stok en staf, waarmee Hij leidt, stuurt, bestuurt, zorgt en troost.

Weet je, jongens en meisjes, wat ons het meest troost? Waar we nu het meest gelukkig van worden, als er tegenspoed, narigheid, ellende is, maar ook als er voorspoed en blijdschap is? Kijk maar in je Bijbel, naar dat kleine zinnetje wat er staat in antwoord 28, wat Paulus zegt in Romeinen 8: geen schepsel (niets en niemand in deze wereld) zal ons kunnen scheiden (kunnen losmaken, kunnen losscheuren) van de liefde van de Heere Jezus Christus (Romeinen 8:39). Wij zijn (en daar bedoel ik al Gods kinderen mee), wij zijn de gelukkigste mensen van de hele wereld. Hoewel sommigen van Gods kinderen, tenminste zo lijkt het wel, meer narigheid overkomt dan andere mensen, toch zijn we echt de gelukkigste mensen op heel de aarde. Want we hebben iets gekregen van de Heere, een schat, die we nooit meer kwijt zullen raken, namelijk: de liefde van God, de liefde van de Heere Jezus Christus. En wat er ook gebeurt, al vallen we in zonde, al lopen we van de Heere weg, al vergeten we Hem, al brandt ons huis af, al hebben we geen eten meer, al worden we uitgelachen, al gaat onze goede naam eraan, al raken we het allerliefste kwijt wat we hebben… We kunnen heel veel, we kunnen bijna alles kwijtraken, maar één ding verliezen we nooit, echt helemaal nooit. Dat raken we nooit meer kwijt. Die schat: De liefde van God en van de Heere Jezus Christus. We hebben een band die nooit breekt, een liefdeband die God Zelf heeft vastgeknoopt in ons zondige hart. En niets en niemand in deze wereld zal ons ooit kunnen scheiden van de liefde van Christus.

Daarom, omdat het leven met de Heere zo’n gelukkig leven is, daarom zei ik aan het begin van de dienst, en daarom zegt de Heere het nu nog een keer: Echt, dit is het allerbelangrijkste! Zoek toch eerst het Koninkrijk van God! Al die andere dingen van de wereld zullen je toegeworpen worden (Mattheüs 6:33). Amen.

Slotzang Psalm 23:1,2,3

De God des heils wil mij ten Herder wezen; 'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vrezen. Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden, Aan d' oevers van zeer stille wateren leiden. Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn naam, mijn treden In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.

Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistere dalen; In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen, Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden; Uw stok en staf zal mij altoos behoeden. Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen, De tafel aan, voor mijner hateren ogen.

Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien, En van Uw heil mijn beker overvloeien. Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven, Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven; Zodat ik in het heilig huis des HEEREN, Een lange reeks van dagen, blijf verkeren.