Zondag 36 · 13 november 2022
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 36 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 36-37 van de Heidelbergse Catechismus verbindt twee onderwerpen. Eerst wordt de vraag behandeld die velen innerlijk bezighoudt: wat is de lastering van de Heilige Geest, de onvergeeflijke zonde? Langs vijf Schriftplaatsen wordt getoond wat het niet is — en wat het wel is. Daarna volgt Zondag 37 over de godzalige eed: wat het is God publiek tot Getuige te roepen, en wanneer dat geoorloofd en zelfs geboden is.
Zonde tegen de Heilige Geest | Zweer nooit een valse eed
ZONDAG 36
Vraag 101: Maar mag men ook Godzaliglijk bij den naam Gods een eedzweren?
Ja, als het de Overheid van haar onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eeren des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.
Vraag 102: Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen, een eed zweren?
Neen; want een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik valselijk zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 36
THEMA
Zonde tegen de Heilige Geest | Zweer nooit een valse eed
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, vorige week ging het in Zondag 36 over het lasteren, over het uitdrukkelijk kwetsen en vernederen van de Naam van de HEERE. We lazen in Leviticus 24:11Toen lasterde de zoon der Israëlietische vrouw uitdrukkelijk den NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu zijner moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan. van een ruzie tussen twee mannen, waarbij één van de twee nadrukkelijk de NAAM lasterde, hij doorstak die Naam en vloekte. Later was er de vloekende Goliath (1 Samuel 17:43), de vloekende Simeï (2 Samuël 16:5Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.), en voor de poorten van Jeruzalem stond de vloekende Rabsaké (2 Koningen 18:19En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?). Allemaal mensen uit het Oude Testament die de Naam van de Heere gevloekt, gelasterd hebben. En in het Nieuwe Testament is er Paulus die zegt, als hij terugkijkt naar zijn leven: (Ik) die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het (en nu zegt Paulus iets opvallends: dewijl ik het) onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid (1 Timotheüs 1:13Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.).
Voordat we vanmiddag verder gaan met Zondag 37 wil ik daar graag nog wat dieper op ingaan. Er is kennelijk verschil: Paulus lasterde in onwetendheid. Onwetend, dat is geen excuus, maar dat wil zeggen: niet willens en wetens, niet tegen licht en genade in. Maar in ongeloof. Omdat hij nog leefde in duisternis, zonder geestelijk verstand. Dat raakt aan een punt waar sommigen van ons veel zorg en strijd over kennen. Als zij innerlijk geplaagd worden door vloekgedachten of door godslasterlijke inwerpingen, die te erg zijn om uit te spreken. Als zij gehinderd worden door voorstellingen in hun gedachten die godslasterlijk, godonterend, vunzig en vuil zijn. Of als zij innerlijk benauwd worden door angst: straks komt het er ineens uit, die harde vloek. Juist op de heiligste momenten, onder het gebed, bij het Bijbellezen of aan het Heilig Avondmaal. En de vraag die dan bij hen naar boven komt is: Is dit, wat ik doe, wat ik denk, niet juist ‘willens en wetens’ zondigen? Is dit niet wat in de Bijbel heet ‘zondigen met opgeheven hand’ (Numeri 15:30Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den HEERE; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk;)? Ben ik niet bezig met ‘de onvergeeflijke zonde’, is dit niet (wat heet) de ‘lastering tegen de Heilige Geest’? Waarvan de Hebreeënbrief zegt: Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken (6:4-6).
Er is een zonde, die we de zonde tegen de Heilige Geest noemen, de lastering van de Heilige Geest, één zonde die onvergeeflijk is. Als je die gedaan hebt, is het onmogelijk om alsnog bekeerd worden. Maar de vraag is: welke zonde is dat? Voordat we verder gaan met Zondag 37, blijf ik met die vraag nog even hangen bij Zondag 36, die gaat over de lastering van de Naam van God. Dit is de vraag: wat is die lastering tegen de Heilige Geest? Wat is die onvergeeflijke zonde tegen de Heilige Geest?
Misschien is het wel gemakkelijker om te zeggen wat het niet is, dan om te zeggen wat het wel is. a. Het is in de eerste plaats niet hetzelfde als het weerstaan van de Heilige Geest, als het zich verzetten tegen, als het vechten tegen zware overtuiging. Kijk maar naar Saulus van Tarsen. Hij vecht tegen het werk van de Heilige Geest in zijn hart. Hij slaat als een ploegende os tegen de prikkels (Handelingen 9:5En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.). Hij ziet en weet het: de mensen die hij vervolgt, die leven met God, die sterven met God. Maar toch gaat hij door. Totdat hij niet verder kan en de Geest hem overwint. Eerst heeft hij de Heilige Geest weerstaan, maar toen is hij door de Geest overwonnen. Want hoe hard je je ook verzet tegen de Geest en tegen het Woord van het Evangelie, als God werkt, wie zal het dan keren, wie kan het dan tegenhouden? (Jesaja 43:13Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?)
b. De zonde tegen de Heilige Geest is in de tweede plaats niet hetzelfde als zonde doen, terwijl je weet dat het zonde is. David wist dat hij geen overspel mocht plegen, hij wist dat hij Uria niet mocht vermoorden. Gods kinderen zondigen in die zin niet onwetend. Ze hebben (nee, dat is geen excuus!), maar Gods kinderen hebben wel een strijd te voeren tegen hun zondige ik, tegen hun zondige oude mens.
c. De lastering van de Heilige Geest is in de derde plaats niet hetzelfde als een koud hart, als grove onverschilligheid, als ultiem ongeloof tot op het sterfbed toe. Bidt Stefanus niet stervend voor zijn moordenaars: Heere, reken hun deze zonde niet toe? Ze weten wel wat ze doen, maar rekent U hen dit alstublieft niet toe (Handelingen 7:60En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.). En wat denkt u van de moordenaar aan het kruis? De weg naar de hemel bleef tot het laatst toe voor hem open.
d. De zonde tegen de Heilige Geest is in de vierde plaats niet hetzelfde als het bewuste, jarenlange verzet tegen het Evangelie, als de bewuste weigering om genade aan te nemen. Want hoeveel vijanden van Christus, die Hem zelfs gekruisigd hebben, gaan na de Pinksterdag alsnog voor Hem buigen? Hoe groot uw zonden ook zijn: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol Als u uw zonden van voor de ogen van de Heere wegdoet en Hem om genade bidt (Jesaja 1:18b, 16).
Wat is die ene onvergeeflijke zonde dan wel? Wat is de lastering tegen de Heilige Geest dan wel? Ik wil u in deze leerdienst graag meenemen langs een aantal Schriftplaatsen, langs een aantal Bijbelverzen. En dat is zeker niet bedoeld als een academische verhandeling, maar vooral tot troost van hen die hiermee worstelen. Ik zal u meenemen langs een vijftal Bijbelteksten.
1. De eerste Bijbeltekst staat in Mattheüs 12:31Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden., waar de Heere Jezus zegt: Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. Alle zonden kunnen vergeven worden, slechts één niet. Dus als we hierover nadenken, dan komen we straks niet de conclusie dat het vijf verschillende zonden zijn. Er is er maar één. Hier genoemd de lastering tegen de Heilige Geest. Zonde dus tegen het derde gebod. Dus: hoe zwaar onze zonden ook zijn tegen het zesde, zevende, achtste gebod en alle andere geboden, al zijn ze scharlakenrood, de Heere is bereid om ze wit te wassen door het bloed van Zijn Zoon.
Wat is er precies aan de hand in Mattheüs 12? De Heere Jezus werpt door de Heilige Geest de duivelen uit (vers 28). Er ligt beslag: dit is de hand van Gods majesteit, dit zijn Gods grote daden. Maar dan ineens doorbreken de farizeeën die heilige huiver en zeggen in het publiek en openbaar: ‘hier gooit de ene duivel de andere eruit!’ Met andere woorden: ‘dit is duivelswerk!’ En dan noemt de Heere Jezus, in een indringende waarschuwing, het eerste aspect van deze onvergeeflijke zonde: het is publiek, lasterend zeggen van het bijzondere werk van de Heilige Geest: dit is duivelswerk. Het is dus niet het heimelijk, het in je hart verdenken van Gods werk, het is niet het heimelijk in je hart denken ‘hij of zij is geen kind van God’, maar het is het publieke lasteren van het bijzondere werk van de Heilige Geest om andere mensen daarmee te misleiden.
b. De tweede Bijbeltekst staat in Lukas 12:8-10En Ik zeg u: Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods. Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods. En een iegelijk, die enig woord spreken zal tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden., waar de Heere Jezus zegt: En Ik zeg u: Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods. Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods. En een iegelijk, die enig woord spreken zal tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden, maar wie tegen de Heiligen Geest gelasterd zal hebben, die zal het niet vergeven worden. Hier gaat het om een andere situatie. Je zou kunnen zeggen: er zijn tijden van onwetendheid, zoals hier en zoals later bij Paulus. Mensen stoten zich in blindheid aan het woord van de Zaligmaker en spreken het tegen. Maar als straks de Heilige Geest gekomen is, als het heel dichtbij gekomen is, je weet het, je hebt het geproefd…, als je dan afvalt van de belijdenis en publiek, in het openbaar het geloof verloochent, dat is onvergeeflijk. Dus, goed vasthouden, dit is een tweede aspect. Het eerste aspect is: het is publiek het werk van de Heilige Geest lasteren. En het tweede aspect wat we nu gezien hebben is: het is afvallen van het geloof.
c. De derde Bijbeltekst waar ik u op wil wijzen staat in 1 Johannes 5:16b, waar Johannes schrijft: Er is een zonde tot de dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden. Waarom is er geen vergeving voor die zonde? Niet omdat het offer van Christus te klein is, maar omdat die vergeving niet meer gezocht wordt. Wie willens en wetens Christus en de invloedssfeer van de Geest achter zich laat en openlijk de zijde van de satan kiest, die vraag niet meer om vergeving.
d. De vierde Bijbeltekst is ons eerder voorgelezen uit Hebreeën 6:4-6Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.: Want het is onmogelijk, degene die eens verlicht geweest zijn… Dat wil zeggen: het licht van het Evangelie heeft nadrukkelijk op hen geschenen. En de hemelse gave gesmaakt hebben... Zo dichtbij is het geweest. Ze hebben het in hun mond geproefd. Ze hebben niet gegeten, ze zijn er niet één mee geworden, maar het was heel dichtbij. En des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn… Opvallend dat hier niet het intieme woord voor gemeenschap gebruikt wordt, het intieme woord voor één zijn, maar een meer afstandelijk woord voor ‘metgezel zijn’, voor ‘partner in het werk’ zijn. Misschien hebben deze mensen wel tekenen en wonderen gedaan in Zijn Naam. En gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw… Die hebben ze geproefd en gesmaakt. Ze waren diep onder de indruk van de heerlijkheid van de hemel en van de verschrikkingen van de hel. Ze waren in beslag genomen door het Woord, maar het woonde niet in hun hart. En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Na alles wat er was, zijn ze openlijk van het geloof afgevallen.
Want, zo staat er verder in Hebreeën 6: Want de aarde, die de regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God. Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding (6:7-8). Het heeft vaak geregend. De aarde dronk die regen in, maar er kwamen distels uit de grond. Met andere woorden: hun leven droeg geen vrucht, dan de stekende vrucht van doorns en distels.
e. En, om niet meer te noemen, tot slot nog een vijfde Bijbeltekst: Hebreeën 10:26Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;. Wanneer is er geen vergeving? Zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden. Als wij willens zondigen: expres, kwaadaardig, gemeen, doortrapt publiek de Heilige Geest lasteren, dan is er geen vergeving.
Dit, zo zegt een zeker godgeleerde, is niet de zonde van een verbroken hart, maar een zonde die doorkankert in afvallige, trotse en hoogmoedige geesten. Dus deze onvergeeflijke lastering, is de zonde van iemand die (als we het allemaal samenvatten), van iemand die heel dichtbij geweest is (hij of zij heeft genade geproefd en gesmaakt), maar het geloof verloochend heeft, met alles gebroken heeft en afgevallen is van het christelijke geloof.
Maar, wanhoop niet, ouders van dwalende kinderen, want het gaat nog veel verder! Daarna is zo iemand overgegeven aan blindheid, aan ongevoeligheid, om de Naam van de Heere en het bijzondere werk van de Heilige Geest openlijk, publiek, in het openbaar, met woord en daad te lasteren.
De zonde tegen de Heilige Geest (er is er maar één!) is die van openlijke, kwaadaardige afval van het geloof, gevolgd door het willens en wetens publiek lasteren van de Naam van de Heere en van de Heilige Geest. Degene die het gedaan heeft, die heeft zichzelf willens en wetens buitengesloten.
Die zonde… hebt u allemaal niet gedaan. Het staat wel in de Bijbel tot onze waarschuwing. Blijf ver weg van dit kwaad! En zie ondertussen uw angstige gedachten ervoor maar als (zo zei ooit een zeker godgeleerde in de middeleeuwen het), zie uw angstige gedachten ervoor maar als vliegen die om u heen zwermen, als muggen die om u heen dansen. Met andere woorden: laat ze maar gaan. Hoe meer je om je heen gaat slaan, hoe meer last je ervan krijgt. Laat ze maar gaan. Want het heeft geen betekenis voor u. Die zonde hebt u niet gedaan.
Het is ondertussen de hoogste tijd om door te gaan met Zondag 37. Maar laten we samen eerst zingen uit Psalm 14, daarvan het 6e vers. Gij spot vergeefs, beschimpende den raad Van 't arme volk, dat, midden in d' ellenden, Naar 's hemels troon gewoon is 't oog te wenden, En zich, in zijn bedrukten jammerstaat, Op God verlaat.
We gaan verder met Zondag 37.
Vraag 101: Maar mag men ook godzaliglijk (op een godzalige manier) bij de Naam van God een eed zweren? Antwoord: Ja, als het de overheid van haar onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eed zweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.
Vraag 102: Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen een eed zweren? Antwoord: Nee; want een rechte eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als Die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik valselijk (onoprecht) zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort.
Ik keer de volgorde van de vragen bij de behandeling van deze zondag voor één keer om. Het gaat vanmiddag over, en dat is het thema voor het vervolg van deze preek: Zweer nooit een valse eed
We letten op twee aandachtspunten, het zijn twee vragen: 1. Wat is dat, een eed zweren? (vraag en antwoord 102) 2. Wanneer mag het, een eed zweren? (vraag en antwoord 101) Als eerste dus:
1. Wat is dat: een eed zweren? De catechismus zegt: Het is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het hart kent, aan de waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen, indien ik valselijk zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort. God aanroepen. Dat kan in stilte, in het verborgen thuis, dat kan hier, in de kerk. Dat noemen we bidden. Maar Gods Naam aanroepen, dat kan ook in het publiek, in het openbaar, buiten de kerk: ‘Heere, U Die alles weet en ziet, als ik niet de waarheid spreek, dan mag U mij straffen. Want ik roep U tot Getuige: wat ik zeg is de waarheid!’
Een eed zweren, dat is God tot de meest onafhankelijke Getuige oproepen in het maatschappelijke leven, in het publieke domein. Niet in de kerk, daar staan we altijd voor Gods aangezicht. Maar bijvoorbeeld voor de rechtbank of voor een andere overheidsinstantie. En omdat God de Waarheid is, zal Hij (dat vraag je dan eigenlijk) het oordeel vellen over wat we op dat moment zeggen.
Dus zweren doe je als christen bij de Naam van God. En daarmee is een eerlijke, oprechte eed voor de overheid ook tot eer van God. Je erkent daarmee immers voor iedereen, dat God niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten (in de rechtbank, in de politiek, in het maatschappelijke leven) boven alles en iedereen staat.
Hoe doen we dat, jongens en meisjes, een eed zweren? Door twee vingers, wijsvinger en middelvinger, van de rechterhand op te steken, en te zeggen (maar dat moet je dus niet zomaar zeggen, dat zullen we zo meteen zien): Zo waarlijk helpe mij God Almachtig.
Wanneer mag je, wanneer moet je dat nu doen, een eed zweren? Dat is ons tweede aandachtspunt:
2. Wanneer mag het, een eed zweren? Antwoord 101 zegt er een paar dingen over: a. Het mag in de eerste plaats als de overheid dat van haar onderdanen vraagt, of als de nood het vordert. Bij dat laatste moet je denken aan tijden van oorlog en vervolging, dus dat is nu niet aan de orde. Dus: als de overheid het vraagt en dan alleen. Verder niet zweren dus! Alleen als de overheid het vraagt, bijvoorbeeld in een rechtszaak. Je moet iets verklaren als verdachte, als getuige of als getuige-deskundige. En de rechter zegt: wilt u een eed afleggen, als bewijs dat u de waarheid spreekt?
Als je als christen dan zou weigeren, zou dat een belediging zijn van de Naam van de Heere God. Want wij erkennen, en op dat moment dus ook publiek, dat boven ons en boven de rechtbank de alwetende God staat. Dat noemt de catechismus een eed om de waarheid te bevestigen.
b. Het mag in de tweede plaats ook als de overheid ons vraagt om trouw te beloven. Bijvoorbeeld als burgemeester, als politicus, militair, politiefunctionaris, arts of notaris. Zo’n ambtseed is eigenlijk een hoger beroep op God. Je zegt daarmee eigenlijk: God is mijn Getuige, Hij mag mij straffen als ik niet trouw ben in mijn toezegging.
De catechismus zegt er wel bij: het moet wel zijn tot eer van God en tot heil van de naaste. Dus je moet niet zomaar lichtvaardig een eed afleggen. De vraag is: kan je wel overzien wat je belooft? Jeftha zweert zonder dat hij er goed bij nadenkt. En dat doet Herodes later ook, als hij zijn dansende puberdochter van alles belooft, maar het loopt in beide gevallen niet goed af. Het was niet tot Gods eer en tot heil van de medemens.
Want, zo zegt de catechismus: zulk eed zweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook door de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht (op de goede manier) gebruikt geweest. Denk maar aan de eden die Abraham, Jozua en David in het Oude Testament gezworen hebben, en hetzelfde geldt later van Paulus in het Nieuwe Testament.
Misschien denk je bij jezelf: Ja, maar zei de Heere Jezus niet ooit: ‘Je mag helemaal niet zweren?’ Je denkt aan de tekst uit Mattheüs 5, waar de Heere Jezus zegt: Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods, noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten, noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings, noch bij uw hoofd zult u zweren, omdat u niet een haar kunt wit of zwart maken… (Je denkt terecht: waar zweerden die mensen allemaal bij? Bij de hemel, bij de aarde, bij Jeruzalem, zelfs bij hun eigen hoofd?) Maar laat zijn uw woord ja, ja; nee, nee; wat boven deze is, dat is (letterlijk) uit de boze (Mattheüs 5:34-37). Als je goed luistert naar die tekst, dan hoor je al, dat dit niet ging om een eed afleggen voor de overheid. Deze mensen zweren voortdurend, de hele dag door, bij van alles en nog wat. In dagelijkse gesprekken, dat wil de Heere Jezus zeggen, moet je niet zomaar zweren en overal God tot Getuige bij roepen. Niet steeds zeggen: ‘het is echt waar, hor, ik zweer het je!’ Je ja moet gewoon ja zijn, je nee moet gewoon nee zijn. Met andere woorden: Je moet gewoon altijd de waarheid spreken.
Ook in de kerk. Hoewel we daar eigenlijk niet zoiets kennen als: officieel een eed afleggen. Maar er zijn wel momenten dat we in het openbaar ‘ja’ moeten zeggen, momenten dat we ‘ja’ zeggen voor God, voor Gods alwetend oor en oog. Dus de waarde van zo’n ‘ja’ in de kerk, is wel net zo zwaar als een eed buiten de kerk.
God is Getuige bij het ‘ja’ van je huwelijk. Ik zal hem of haar trouw zijn, ik zal nooit de oorzaak worden dat mijn huwelijk breekt, ik zal de ander echt nooit verlaten. God is Getuige bij het ‘ja’ van de aanvaarding van je ambt als dienaar van het Woord, ouderling of diaken. Ik zal trouw, naar mijn vermogen, in mijn ambt dienen en mijn leven versieren met godzaligheid. God is Getuige bij het ‘ja’ van je openbare belijdenis. Ik zal bij deze zaligmakende leer blijven, altijd mijn leven godvruchtig, eerbaar en onberispelijk inrichten en mijn belijdenis met goede werken versieren, terwijl ik me onderwerp aan de vermaning van de ouderlingen. God is Getuige bij het ‘ja’ van de doop van onze kinderen. Ik zal, wij zullen ons kindje in de voorzeide leer naar mijn, naar ons vermogen onderwijzen.
Zijn we altijd trouw geweest in al die eden? Wie van ons is niet schuldig aan meineed?
Wat een troost is het, dat er Eén is die altijd de waarheid spreekt. Die Zelf de Waarheid is. Eén die vanwege onze zwakheid Zijn Woord met een eed bevestigt. Ik denk aan dit woord: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE (het is een eed!), zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ezechiël 33:11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?)
Wat moet je je als ouder voor God beschuldigen van ontrouw, als het gaat om de belofte bij de doop van je kinderen. Maar wat is het een troost als je iets mag zien, van de eed die de Heere Zelf gezworen heeft: Ik zal (desondanks) Mijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Mijn verbond gedenken (Psalm 105:5Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds., ber.)
Wat moet je je als kind van God beschuldigen van ontrouw, als het gaat om de belofte bij je belijdenis, of bij de aanvaarding van je ambt. Maar wat is het een troost als je iets mag zien, van de eden die de Heere Zelf gezworen heeft, zoals deze, door de mond van Jesaja de profeet: Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal (54:9).
Hoe vaak heb ik niet, net als Petrus, met woord en daad gezegd: Ik ken de Mens niet… Ontrouw! Maar daartegenover staat de trouw van God voor al de Zijnen: Ik zal niet feilen in Mijn trouw (Psalm 89:14Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog., ber.)
God liegt nooit, jongens en meisjes. Wat Hij belooft, gemeente, dat doet Hij. En God zegt met een eed twee dingen: Ik heb (dat is Zijn eerste eed) geen lust in de dood van de goddelozen, maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve…
Maar als jij, als u dat niet doet, voor wie zich niet bekeert geldt deze tweede eed: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: u zult in Mijn rust niet ingaan (naar Hebreeën 4:3Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.).
Gemeente, vergeet het nooit: God houdt getrouw Zijn woord!
Amen.
Slotzang Psalm 89:13,14:
Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat. Maar zo zijn kinderen ooit Mijn zuivere wet verlaten, Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter regeling niet kan baten, Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven, Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven.
Dan zal Ik hen, die dwaas en wrevelig overtreên, Bezoeken met de roe en bittere tegenheên; Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden. Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden; 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.
Andere preken over Zondag