Zondag 36 · 30 oktober 2022
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 36 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 36 van de Catechismus gaat over het misbruik van Gods Naam. Over de inhoud en de waarschuwing van het derde gebod.
ZONDAG 36
Vraag 99: Wat wil het derde gebod?
Dat wij niet alleen met vloeken of met valsen eed, maar ook met onnodig zweren, den naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke verschrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij den heiligen naam Gods anders niet dan met vrees en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.
Vraag 100: Is het dan zo grote zonde, Gods naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?
Ja gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering zijn naams; waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 36
LITURGIE
Tien Geboden:1,4
Lofzang Maria:3
Lezen Leviticus 24:10-23
Gemeente, we zijn bij de behandeling van de catechismus toegekomen aan Zondag 36. Laten we die zondag, de twee vragen en antwoorden 99 en 100, nu eerst samen met elkaar gaan lezen.
Vraag 99: Wat wil het derde gebod? Antwoord: Dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren, de Naam van God niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij de heilige Naam van God anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.
Vraag 100: Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden? Antwoord: Ja gewis (zeker); want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering van Zijn Naam; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.
Het thema voor de preek (en u hoort dat het een citaat is uit de berijmde Tien Geboden), het thema voor de preek is: Misbruikt geenszins de naam des HEEREN
Er zijn twee aandachtspunten. We letten als eerste op de inhoud van het derde gebod (dat vindt u in vraag en antwoord 99), en we letten in de tweede plaats op de waarschuwing van het derde gebod (dat vindt u in vraag en antwoord 100). Twee aandachtspunten dus: 1. De inhoud van de derde gebod 2. De waarschuwing van het derde gebod
Maar, voordat we verder gaan met die twee aandachtspunten, eerst even de letter van het gebod, zoals het staat in Exodus 20:7Gij zult den naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.: Gij zult de Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Het gaat in dit gebod om de Naam van de Heere. Nee, dat is niet zomaar een toevallige aanduiding, want in de Bijbel (en dat geldt zeker en vooral de Heere God) hebben namen een betekenis. Dat was vroeger ook zo met de mensen. Samuël betekent: van de Heere gebeden. Juda betekent: Godlover. Micha betekent: wie is als God?
Ieder mens (dat was vroeger zo, dat is nu zo) heeft een naam. Als je de naam van je broertje roept, weet je dat hij kijken zal en niemand anders. Want je roept zijn naam. Maar nu gaat het om de Naam van de Heere. Je broertje kan je zien. De Heere kan je niet zien. Maar Hij is er wel. Hij is God en niemand meer (Jesaja 45:5Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.). Je kan de Heere niet zien, maar de Heere heeft ons wel Zijn Naam verteld. Waarom eigenlijk? Niet om verschil te maken tussen Hem en andere goden, want er is maar één Heere, er is maar één God. Maar, door de Naam van de Heere kunnen en mogen we Hem leren kennen, kunnen en mogen wij ook tot Hem roepen.
En Zijn Naam, de Naam van de Heere, zegt Wie Hij is. We zeggen: Zijn Naam, dat is Zijn Wezen. Dat betekent: zo is God. Maar dat betekent ook: als je Zijn Naam beledigt, dan beledig je dus de Heere Zelf.
HEERE, geschreven met vijf hoofdletters, dat is de allergrootste Naam van de Heere. Die Naam heeft de Heere voor het eerst aan Mozes uitgelegd. Die Naam betekent: IK BEN DIE IK BEN. Je hoort dat ook altijd aan het begin van de kerkdienst, als de dominee bidt: ‘Die is, en Die was, en Die komen zal’. Dat wil zeggen: Ik ben altijd geweest, Ik ben er nu, en Ik blijf ook altijd, trouw denkend aan Mijn verbond. De grootste Naam, jongens en meisjes, de verbondsnaam van de Heere, staat met de waterdruppels van de doop op je voorhoofd geschreven: De naam des HEEREN. Je bent naar Zijn Naam genoemd.
Die Naam, zo zegt de Heere in Exodus 20, die Naam van de HEERE, uw God, mag u niet ijdel gebruiken. Letterlijk staat er zoiets als: die mag u niet tot ijdelheid opheffen. Dat wil zeggen: die mag je niet zomaar, die mag je niet zinloos op je lippen nemen. Die mag je niet doelloos gebruiken, maar alleen tot het doel waarvoor de Heere Zijn Naam bekend gemaakt heeft.
Want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdel gebruikt. Eigenlijk is dat een verkleinende uitdrukking, die de zaak des te meer benadrukt. Je kunt het vergelijken met wat wij weleens zeggen: ‘Jongetje, als je dat zegt, dan ben je nog niet jarig!’ Dat betekent zoveel als: ‘Dan je staat je echt iets te wachten, dan heb je echt een probleem!’ Wat dan? Welk probleem dan? Dat staat in Leviticus 24: Wie de Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zeker gedood worden (24:16a). Het geeft iets aan van de zwaarte, van de ernst van het derde gebod.
We gaan samen kijken naar vraag en antwoord 99. Onze eerste gedachte:
1. De inhoud van het derde gebod Als je goed leest, jongens en meisjes, dan kom je in antwoord 99 een paar kernwoorden tegen. Laten we die kernwoorden één voor één met elkaar gaan bekijken.
Het eerste kernwoord is: vloeken. Je kan ook zeggen, dat is: het misbruiken, het verkeerd gebruiken van de Naam van de Heere. Je zegt: ‘Zo zijn wij niet, wij vloeken niet. Thuis niet, op school niet, nergens!’ Nee, gelukkig meestal niet met grote vloeken, maar het kan ook anders…
Laat ik een paar voorbeelden noemen. Je kan (dat is ook vloeken) de Naam van de Heere ook afkorten. Je zegt het niet helemaal als een vloek, maar half… Je…zus, maar dat laatste stukje laat je weg. En je zegt er ‘tje’ achteraan, dan klinkt het wat leuker, wat grappiger... Go…d, maar die laatste letter laat je weg. Moet je echt de Naam van de Heere God of de Naam van de Heere Jezus gebruiken om je verbazing, je schrik, je onvrede te uiten? Meng je de naam van je vader en moeder ook zo door je verhalen? Nee, zeg je, dat zou niet aardig zijn, dat is een belediging. Nou dan!
Vloeken dat kan bijvoorbeeld ook door woorden van de Heere als grappig aan te halen. Door Bijbelteksten te gebruiken, niet waarvoor ze bedoeld zijn, maar om mensen aan het lachen te krijgen, of om zelf leuk te zijn. Het eerste kernwoord is vloeken.
Het tweede kernwoord is: lasteren. Dat wil zeggen: iemands goede naam expres proberen naar beneden te halen. Dat gebeurde ooit in Israël, toen het volk op weg was door de woestijn naar Kanaän. Het gebeurde midden in een ruzie tussen twee mannen. Van één van die mannen staat in Leviticus 24: Toen lasterde de zoon van de Israëlitische vrouw (één van die mannen dus) uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte (Leviticus 24:11). Letterlijk staat er: hij doorpriemde de Naam, hij stak in de Naam! Er ging een golf van schrik en ontzetting door het leger! Dit was nog nooit gebeurd! Je voelt, hoe wij gewend geraakt zijn aan het misbruik van de Naam van de Heere. Hier in het leger van Israël ligt nog het beslag van de heiligheid van de Naam van de Heere.
Dat gebeurde toen Israël op reis was naar Kanaän. Later was het de reus Goliath, die veertig dagen lang, twee keer op een dag, de Naam van de Heere lasterde en vloekte. Nog later was er Rabsaké, de Assyriër, die de Naam van de Heere lasterde, toen hij zei
tegen het volk van Israël: ‘Jullie God is heus niet machtig genoeg om jullie te redden uit de hand van mijn koning’. Lasteren is openlijk beledigen. En de straf daarop was en is zwaar. De ruzie maken de man in de woestijn werd gestenigd, en in het leger van de Assyriërs doodde de Heere 185.000 mannen.
Nog veel later was er een man, die terugkijkend op zijn leven, zei: ‘vroeger was ik ook een godslasteraar, een vloeker (1 Timotheüs 1:13Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.). Ik heb het over de apostel Paulus. Die schrijft twintig jaar na zijn bekering aan Timotheüs: Ik was vroeger een godslasteraar… Ooit had ik een tong van de Heere gekregen, om Zijn Naam groot te maken, maar door mijn eigen schuld was ik die tong kwijtgeraakt. Ik was door eigen schuld een godslasteraar geworden.
Dat is bijzonder. Want Paulus, dat weet je, was vroeger een hele nette man. Hij heeft vast nooit gevloekt… Maar toch…, blijkbaar toch wel… Blijkbaar kan dat: dat je in de kerk zit, dat je meeleeft en meedoet, maar toch…, maar toch de Naam van de Heere niet gebruikt zoals door de Heere bedoeld, toch de Naam van de Heere lastert… Dus blijven luisteren! Dit gaat echt niet alleen over mensen buiten de kerk, dit gaat over ons!
Vloeken en de Naam van de Heere misbruiken, dat kan je grof doen. Maar het kan ook minder opvallend. Zodat de mensen er niet zo van schrikken, zoals destijds in Israël. De dominee preekt, hij spreekt de woorden van de Heere, maar je luistert niet… Dat is geen belediging van de dominee, dat is pure belediging van de Heere, van de Naam van de Heere! De gemeente zingt, maar je houdt je kaken stijf op elkaar. Geen interesse… Dat is een belediging van de Heere! Dat is een belediging van Zijn Naam! Als je weigert om Zijn lof te zingen. Er wordt thuis aan tafel of op de catechisatie uit de Bijbel gelezen, of gebeden, maar je doet niet mee… Dat is een belediging van de Heere, van Zijn Naam, van de Naam van de heilige God! Vloeken, dat was het eerste kernwoord. Lasteren was het tweede kernwoord.
Maar er is nog iets. Het derde wat de catechismus noemt is: stilzwijgen en toekijken. Je kan en mag denken aan iemand die vloekt, die de Naam van de Heere beledigt. Als je de Heere liefhebt, doet dat pijn vanbinnen. Je denkt: ‘dit is niet goed, dit mag niet, dit beledigt God’. Probeer er iets van te zeggen. Bid op de hulp van de Heere, dat Hij je de woorden geeft om er iets van te zeggen, zodat het zal stoppen. Wel voorzichtig, zodat de Heere niet nog meer beledigd wordt.
En tegelijkertijd proberen dat niet het enige te laten zijn. De positieve kant is: spreek goed van de Heere.
Vroeger, in de tijd dat de catechismus geschreven is, wist iedereen wat vloeken was. Nu weten veel mensen eigenlijk helemaal niet meer Wie God is en wat vloeken is. Dus als je in je studie of op je werk alleen maar reageert op vloeken (dat moet je doen, maar als je dat alleen maar doet), dan mis je (om zo te zeggen) veel kansen en gelegenheden. Vertel op gunstige momenten (want de Bijbel zegt in Prediker 8:5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.: het hart van de wijze kent tijd en wijze, het hart van wie verstandig is, weet de goede manier en het juiste moment), zeg op gunstige momenten Wie God is, en wat God en Zijn dienst voor je betekenen. Dat is de Naam van de Heere op de goede manier op je lippen nemen!
Niet stilzwijgen als de Naam van de Heere gelasterd wordt, als de Naam van de Heere naar beneden gehaald wordt. Er zijn heel veel momenten dat we zeker zullen inspringen. Als op straat iemand in elkaar geslagen wordt, dan doe je wat. Als ik zie dat mijn fiets gestolen wordt, ga ik er achteraan. Als we horen dat de Naam van de Heere gelasterd wordt…, dan mogen we niet zwijgen. Niet stilzwijgen als er gevloekt wordt, daar gaat het over.
Maar je kan ook letterlijk, ook helemaal zwijgen over de Naam van de Heere. Thuis, op school, op je werk… Is dat geen diepe belediging van de Naam van de Heere? Als je wel christen heet, maar doet alsof God gewoon niet bestaat…, thuis, op je werk, op school…?
Wil je als christen in deze wereld leven, begin dan hier mee, jongelui. Met deze twee dingen. Laat ik proberen wat richting aan te geven. In de eerste plaats: laat merken dat God werkelijkheid is in je leven. Want voor veel mensen bestaat God gewoon niet. Ze weten helemaal niet of niet meer over Wie het gaat. Daarom, presenteer je christelijke geloof niet altijd en alleen in het negatieve, met te zeggen: ‘dit mag ik niet, en dat mag ik ook niet…’ Ik zeg niet dat je dat niet moet zeggen, maar laat dat niet het enige zijn. Laat ook en vooral zien wat het christelijke geloof inhoudt, dat het christelijke geloof heel veel waarde voor je heeft, en dat de Heere God de liefde van je hart heeft. Dat je bijvoorbeeld God dankbaar bent voor wat je krijgt, voor dat je je tentamen hebt gehaald, voor dat je van ziek beter geworden bent, voor dat je naar de kerk mag. Vertel dat de Bijbel je schat is. Zeg dat je wel verdriet heb om je gestorven oma, maar dat ze wel in de hemel is, en dat dat je troost is.
En in de tweede plaats: laat aan je leven zien Wie God voor je is. Noem Zijn Naam met je leven: vriendelijk, hartelijk, eerlijk, ootmoedig, liefhebbend, behulpzaam, matig, gunnend. Zoals een christen moet zijn. Met andere woorden: zwijg niet stil… in woorden en in leven…
Laten we, voordat we verder gaan met het tweede deel van antwoord 99, eerst samen met elkaar zingen uit Psalm 141:3:
Zet, HEERE, een wacht voor mijne lippen; Behoed de deuren van mijn mond, Opdat ik mij, tot genen stond, Iets onbedachtzaams laat' ontglippen.
Niet vloeken, niet lasteren, niet zwijgen, maar…, wat dan wel? Dat staat verderop in antwoord 99. Kijk maar: Dat wij de heilige Naam van God anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat Hij door ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen wordt. Laten we samen even verder kijken naar de volgende, meer positieve kernbegrippen, die in deze zin staan.
De eerste is: dat wij de Naam van God met vrees en eerbied gebruiken. Niet mis-bruiken, maar wel ge-bruiken dus. Niet ‘helemaal niet gebruiken’. Niet God verzwijgen. Dat was wat ik zojuist ook bedoelde. Het is een minstens zo grote lastering van de Naam van de Heere, als je over Hem zwijgt. Als je eigen naam doodgezwegen wordt, in je familie of gezin, dan weet je hoe vernederend dat is. Alsof je er niet bent, alsof je niet bestaat!
Wel gebruiken. Maar eerbiedig gebruiken: met vrees en eerbied. Want we weten: wij zijn zondaars en God is heilig. En we moeten zeggen met de dichter van Psalm 130: Als U de ongerechtigheden gadeslaat, dan kunnen wij voor U niet bestaan (130:3).
Dus, jongens en meisjes, als we gaan bidden (nu nog niet, maar straks, maar ook altijd en overal): eerbiedig bidden. Met je ogen dicht. Niet stiekem andere dingen doen. Netjes zitten, proberen mee te denken, proberen mee te bidden, mee te vragen om meer eer voor de Heere, om de heerlijkheid van Zijn Naam, om een nieuw hart voor jezelf en andere mensen. Eerbiedig bidden. En eerbiedig zijn onder het lezen uit de Bijbel, uit het Woord van de Heere. En die woorden van de Heere ook met eerbied gebruiken. De Bijbel is geen handboek voor het maken van grappen of leuke woordspelingen. Dit zijn Gods Eigen woorden!
En dus die woorden ook eerbiedigen als zijnde Gods Eigen woorden. Niet denken, niet zeggen: God zegt dit wel zo, maar ja, ik denk er gewoon anders over. De Bijbel spreekt over de schepping uit niets in zes dagen, maar ja, wij weten ondertussen meer… De Bijbel erkent maar één samenlevingsvorm, het huwelijk tussen één man en één vrouw, een verbond voor het leven, maar ja, wij denken daar toch wat genuanceerder over… De Bijbel verbiedt een homoseksuele verbintenis, maar ja, dat is oud, dat zijn vergane ideeën. Wij weten het wel beter… Dat is Zijn Woord niet eerbiedigen, dat is dus Zijn Naam en Wezen niet vrezen.
De Naam van God met vrees en eerbied gebruiken. Dat is het eerste. En het tweede wat staat in de tweede helft van antwoord 99 is: die Naam recht belijden, op de goede manier belijden.
Zijn naam noemen, belijden en eren. Thuis, op het werk, op school, kortom overal in deze wereld. Immers Heere heeft gezegd: Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is (Mattheüs 10:32-33Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.) Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen. (Markus 8:38Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen., Romeinen 10:9Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.). Je niet schamen voor de Naam van de Heere, maar die belijden.
En denk daar jongelui eenvoudig over. Denk dan niet in de eerste plaats aan die geforceerde en uiterst gespannen gelegenheden, waarvoor je de hele week al zit te zenuwen. Maar vraag en bid om spontane momenten om iets goeds te mogen zeggen over God en Zijn dienst. Zoals het dienstmeisje (in de tijd van Elisa) dat deed bij de vrouw van Naäman, de Syriër. Daar hadden ze er ook geen idee van, Wie de God van Israël was. Ze zei het gewoon, met liefde, bewogenheid en hartelijkheid: ‘Mevrouw, er is een God in Israël, die meneer Naäman kan helpen!’
De Naam van de Heere eerbiedig gebruiken (dat was het eerste), recht belijden (dat was het tweede), en als derde: aanroepen. Petrus loopt op de golven. Maar als hij naar het water kijkt, dan wordt hij bang en zinkt hij weg. Maar hij roept! Hij roept de Heere aan: Heere, help mij! Maar ziende de sterke wind (zo schrijft Mattheüs), werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! (14:30)
Jongens en meisjes, je kan niet meer eer geven aan de Naam van de Heere, dan door Hem aan te roepen. Hoe? Zo: Heere, help! Behoud mij! Zoals David deed een Psalm 25, wijzend naar de Naam van de Heere: Heere, ik verdien het niet, maar… om Uws Naams wil, HEERE, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot (25:11). Als je zo de Naam van de Heere aanroept, dan zal je zalig worden!
Opdat (dat is het vierde wat de catechismus noemt, dat is het doel van alles) God in al onze woorden en werken geprezen wordt. Wat legt dat een grote verantwoordelijkheid op ons. In het bijzonder op al Gods kinderen: door wat je doet en zegt, door woord en leven er zorg voor dragen dat de Vader in de hemel geen slechte Naam krijgt,
Naar het voorbeeld van Zijn Eigen Kind, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere. Want, zo leven kan alleen door te leven uit Hem, uit Christus. Door alles van Hem te verwachten. Zo leven kan alleen door te leven uit Zijn verdienste. Zwaar was de aanklacht tegen Hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt (Johannes 19:7De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.).
Hij is een godslasteraar! Daar is Hij van beschuldigd. U hebt de godslastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem (die nooit één zonde gekend of gedaan had), des doods schuldig te zijn (Markus 14:64Gij hebt de godslastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.). Maar Hij zweeg stil (Markus 14:61). Hij zweeg als Hij zwijgen moest. Hij sprak ook altijd als Hij spreken moest. Denk maar aan wat Johannes schrijft over wat de Heere Jezus zei: Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt (17:6). Maar hier, nu voor de rechtbank, hier zwijgt Hij. Hij zwijgt… om godslasteraars zalig te maken. Hij zwijgt voor en in de plaats van mensen die vloeken, die Zijn Naam misbruiken, of die stilzwijgen als dat gebeurt.
Als we door genade iets kennen mogen van dat maar Hij is om onze overtredingen (om onze godslastering) verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jesaja 53:5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.), dan wordt het zonder twijfel ons hoogste verlangen, onze innigste begeerte (niets doe je dan liever dan dat) om die ene Naam lief te hebben, te eren, hoog te houden en te verheffen. Die Naam, zo heilig, groot en goed.
Zondag 36 eindigt met een dreiging, aan het adres van godslasteraars. Dat brengt ons nog kort bij ons tweede aandachtspunt:
2. De waarschuwing van het derde gebod. Je hebt ondertussen gemerkt, jongens en meisjes, vloekers, godslasteraars, dat zijn niet alleen mensen van buiten de kerk, mensen die in de wereld leven, maar godslasteraars zitten vooral ook in de kerk. Want lasteren is iets wat je doet, als je de Naam kent. Je kunt zelfs dienen in het koninkrijk van God, terwijl je een godslasteraar bent. Paulus zegt dat toch, later in zijn leven, als hij daaraan ontdekt is? Denk ook maar aan dat andere voorbeeld in de Bijbel: Twee zoons van Aäron dienen voor het oog de Heere, als priesters bij de tabernakel maar met hun leven, met hun doen en laten lasteren ze de Naam van de Heere. En: ze moeten het met de dood bekopen.
Werken in de dienst van de Heere, dienen als ambtsdragers, staan op de preekstoel is niet ongevaarlijk. Dat kan je dood worden. Voor mensen hoef je niet bang te zijn. Maar je kan wel vrezen voor jezelf, voor je eigen hart, wetend dat je staat voor de heilige God. En in de bank, en op de preekstoel, dreigt gevaar. Want (zo zegt de catechismus) er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering van Zijn Naam, waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft. Op het lasteren van de Naam van de Heere, daarop staat de doodstraf.
Wie van ons heeft nooit de Naam van de Heere gelasterd? Steek je vinger eens op… Misschien wil je bijna je vinger opsteken, denkend aan die andere vraag: wie heeft er nooit hard gevloekt? Maar, je weet ondertussen: het zit dieper… Wie van ons heeft nooit de Naam van de Heere gelasterd? Steek je vinger eens op…?
Niemand? Dan hebben we allemaal doodstraf verdiend...
Moeten ook Gods kinderen zichzelf niet aanklagen? Zeker, ik zeg wel met Maria: hoe heilig is Uw Naam… Maar heb ik echt, in alles, in alles wat ik zeg, in alles wat ik doe, de eer van de Heere op het oog en altijd op het oog gehad? Neem ik altijd en overal de Naam van de Heere op mijn lippen, zoals het zou moeten: tot lof en eer van Hem?
Wat er overblijft, kinderen van God, aan het eind van zondag 36? Zien op het kruis. Daar hangt de zondeloze Christus, om mij, veroordeeld als een godslasteraar… Wat er overblijft, kinderen van God? Wat Petrus zegt: Want hiertoe bent u geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen (1 Petrus 2:21Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;). Zijn voetstappen navolgen. Deze voetstappen: Vader, Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen (Johannes 17:6Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.). Wat er overblijft? Deze bede: Leert U mij, om naar Uw wil te handelen, dan zal ik in Uw waarheid wandelen. Neig mijn hart, en voeg het saâm tot de vrees van Uwe Naam.
Amen.
Slotzang Psalm 86:6:
Leer mij naar Uw wil te handelen, 'k Zal dan in Uw waarheid wandelen; Neig mijn hart, en voeg het saâm Tot de vrees van Uwen naam. HEERE, mijn God, ik zal U loven, Heffen 't ganse hart naar boven; 'k Zal Uw naam en majesteit Eren tot in eeuwigheid.
Andere preken over Zondag