PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 21: Christelijke Kerk, gemeenschap heiligen (serie 2)

Zondag 21 · 27 april 2025

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 21 (serie 2)

INLEIDING

Vanuit Psalm 72:5 klinkt de belofte dat de Heere Zijn kerk van generatie op generatie in stand houdt. Aan de hand van Zondag 21 wordt zichtbaar wat de ware Kerk is: door Christus vergaderd, beschermd en onderhouden, en verbonden in het ware geloof. Haar leden hebben gemeenschap met Christus en dienen elkaar met hun gaven. Haar schat is de vergeving der zonden, om het genoeg doen van Christus.
Zo klinkt de vraag: is men een levend lidmaat, in Christus geborgen?

THEMA

De Kerk, het lichaam van Christus

KERNPUNTEN

  1. De Kerk, wat is dat?
  2. De Kerk, waaruit bestaat die?
  3. De Kerk, wat is haar schat?

ZONDAG 21

Vraag 54: Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?
Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.

Vraag 55: Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?
Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

Vraag 56: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?
Dat God, om des genoegdoens van Christus' wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 21: Christelijke Kerk, gemeenschap heiligen (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 21

THEMA

De Kerk, het lichaam van Christus

Geliefde gemeente, wat zijn de woorden die we zojuist gelezen hebben uit Psalm 72 vol troost, als het gaat over de kerk en over de toekomst van de kerk. Voordat we samen gaan kijken naar Zondag 21, wil ik u en jullie graag nog even wijzen op wat staat in Psalm 72:5: Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. Van generatie op generatie.

Je kan in pessimisme denken dat de kerk gaat verdwijnen, maar dat moet je maar niet doen. Want de Heere gaat door met Zijn werk, ook hier in de gemeente van [plaatsnaam]. Er is in deze tijd waarin de kerk het steeds moeilijker begint te krijgen, geen reden tot pessimisme. Maar er is reden op God te hopen.

Zij zullen U vrezen, van generatie op generatie. Ja, en let goed op wat er staat. Er staat niet: ze zullen netjes naar de kerk blijven gaan. Er staat ook niet: ze zullen altijd alles precies zo blijven doen, zoals wij het altijd gedaan hebben. Nee, de belofte treft de kern: Zij zullen U, HEERE, trouwe God van het verbond, vrezen. Zij zullen U eerbiedig hoogachten, eren, liefhebben en dienen. En, gemeente, dat is een Goddelijke belofte waar de Heere Zelf voor instaat. God houdt Zijn kerk in stand. De dichter van Psalm 72 zingt het: De stedelingen zullen bloeien, gelijk het malse kruid. Zijn Naam en roem zal eeuwig groeien. Ook zal, eeuw in, eeuw uit, het nageslacht Zijn grootheid zingen, Zolang het zonlicht schijn', Hun zal een schat van zegeningen, in Hem, te erfdeel zijn. Dus moed houden, ouders. Moed houden, jongeren. Want de Heere gaat door met Zijn kerk en met Zijn werk.

Het gaat vanmiddag in Zondag 21 over de heilige algemene Christelijke Kerk. Laten we de vragen en antwoorden 54, 55 en 56 samen gaan lezen.

Vraag 54. Wat gelooft u van de heilige algemene Christelijke Kerk? Antwoord: Dat de Zoon van God uit het ganse menselijk geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware

geloof, van het begin der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven. Dat gaat dus over de vraag: De Kerk, wat is dat?

Vraag 55. Wat verstaat u door de gemeenschap der heiligen? Antwoord: Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een ieder, als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden. Dat gaat dus over de vraag: De Kerk, waaruit bestaat die?

Vraag 56. Wat gelooft u van de vergeving der zonden? Antwoord: Dat God om het genoegdoen van Christus al mijn zonden, ook mijn zondige aard waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome. Dat gaat dus over de vraag: De Kerk, wat is haar schat?

Het thema voor de preek van vanmiddag is: De Kerk, het lichaam van Christus

Drie punten, het zijn de drie vragen die ik zojuist al noemde: 1. De Kerk, wat is dat? Of: het wezen van de Kerk (vraag en antwoord 54) 2. De Kerk, waaruit bestaat die? Of: de leden van de Kerk (vraag en antwoord 55) 3. De Kerk, wat is haar schat? Of: de zegen van de Kerk (vraag en antwoord 56)

Als eerste dus:

1. De Kerk, wat is dat?

Gemeente, het gaat in Zondag 21 over de heilige algemene Christelijke Kerk. Die heeft veel gebreken, maar wordt toch heilig genoemd. Omdat ze apart gezet is, afgezonderd tot heilige dienst. En vooral, omdat de Heilige Geest haar heilig maakt. De algemene Kerk. Die versnipperd lijkt, die verscheurd lijkt, maar toch algemeen genoemd wordt. Omdat ze (hoewel verstrooid en verscheurd) toch één is in haar Hoofd: Christus. En daarom heet ze ook Christelijk.

De heilige algemene Christelijke Kerk. Het is een vergadering, een kring van mensen die geroepen zijn. Die samengeroepen zijn. En wie doet dat, dat samenroepen? Dat is het werk van God de Heilige Geest. Hij roept mensen. Door de prediking, door het Woord van de Heere, door de (wat heet) uiterlijke roeping. Maar ook door (wat heet) de innerlijke, de inwendige roeping in het hart.

Dus, waar kom je die mensen tegen? Daar waar het Woord van de Heere gebracht wordt. In de kerk dus. Zoals hier, en zoals op heel veel andere plaatsen meer.

Daar, zegt artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: a. Waar het Woord van de Heere zuiver gebracht wordt; zonder kritiek op de Bijbel dus. b. Waar de sacramenten (de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal) zuiver bediend worden. c. En waar ambtsdragers toezien op de leer en het leven van elkaar en van anderen. Dus waar de kerkelijke tucht gehandhaafd wordt.

In zo’n kerk heeft de Heere ook ons een plek gegeven. Niet omdat deze kerk de beste is, of omdat wij de besten zijn. Verre van dat. Maar het was Gods goede wil, jongelui, dat je hier gedoopt werd. En we hopen ook dat je (als je dat nog niet gedaan hebt) straks hier belijdenis zult gaan doen. En dat je je kerk, ondanks alles, trouw blijft.

Waarom? Waarom zou je niet op zoek mogen gaan naar… iets wat misschien beter bij je past? Naar een plek waar je een wat beter gevoel bij hebt? Nou, omdat God je op deze plek gezet heeft. De reden ligt niet in onze arrogantie – dat wij denken of zeggen: hier in onze kerk is alles goed, hier is alles beter. Nee, de reden ligt in God, in je doop – in de zegen die God je hier vanaf je jonge jaren wilde geven. Waar Hij al in je eerste levensbegin tot je kwam, en tot je sprak. En je doet nogal wat, als je van die plek (waar God naar je toe kwam) weggaat. Dan kan je beter (als je vindt dat er van alles mis is in onze kerk; en wie zal dat ontkennen?), dan kan je beter gaan bidden voor je zieke kerk. Je kan beter gaan bidden voor je zieke moeder, dan haar in de steek laten. Je kan beter vragen om een geestelijke opwekking hier, dan dat je naar de buren gaat.

De plek die je van God kreeg, hier, is kostbaar. Als onderdeel van de heilige algemene Christelijke Kerk. Dat is, zegt de Heidelbergse Catechismus: a. Een gemeente die de Zoon van God vergadert, beschermt en onderhoudt. Die gemeente wordt dus vergaderd. Mensen worden door God geroepen en erbij gebracht. En die gemeente wordt beschermd en onderhouden.

Want er zijn allerlei tegenkrachten. De duivel gaat rond als een briesende leeuw om die gemeente af te breken en te verstrooien. Maar er zijn ook van binnenuit krachten die de kerk ondermijnen: verkeerde ideeën, verkeerde leringen of verlies van respect voor het gezag van de Bijbel.

Maar gelukkig, hoe het ook gaat (aanvallen van buiten, verwarring van binnen): de poorten van de hel zullen de gemeente van Christus nooit overweldigen (Matth. 16:18). Niemand zal in staat zijn de schapen van Christus te rukken uit Zijn handen en uit de handen van de Vader. Want Hij Zelf beschermt en onderhoudt Zijn kerk.

Die soms wel heel klein is, misschien wel bijna onzichtbaar, zoals in de tijd van Elia.

Artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: En deze heilige Kerk wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij soms een tijd lang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen; gelijk zich de Heere gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden.

Die Kerk is een gemeente, zegt de Catechismus, die tot het eeuwige leven uitverkoren is en die Christus vergadert door Zijn Woord en Geest. Je voelt, als je dit leest: als we het hebben over ‘de heilige algemene Christelijke Kerk’, dan hebben we het niet over onze kerkgenootschappen. Nee, dit gaat niet over de GerGem of over de HHK, dit gaat over een andere Kerk. Dit gaat over de echte Kerk. Hier vallen grenzen weg. Hier vallen kerkmuren om.

En de vraag is of jij en ik ook horen bij die echte Kerk (met een hoofdletter). Of jij en ik ook van die Kerk een levend lidmaat zijn en eeuwig zullen blijven.

a. Van die Kerk zegt de Catechismus als eerste: dat die door de Heere van eeuwigheid is verkoren, uitverkoren. Dat maakt dat niemand van de leden van de Kerk, dat niemand van de ware gelovigen trots kan zijn op iets van zichzelf. Want het begin van die Kerk ligt in God. In de eeuwigheid. In de verkiezing door de Vader. Was die er niet geweest, dan was die Kerk er ook niet geweest. Dan was geen mens ooit zalig geworden.

b. Die Kerk wordt als tweede, staat er: in de tijd door Geest en Woord geroepen. Dus door: Geest en Woord. Beiden zijn nodig: Geest en Woord.

c. En ten derde zijn de leden van die Kerk aan elkaar verbonden: in eenheid van het ware geloof. Dat is het bindmiddel van de kerk. Wat de echte Kerk bindt, is niet de uiterlijke gelijkheid van de mensen, de naam van het kerkverband of de gelijke manieren van doen of praten. Nee, wat de echte Kerk bindt, is: het door de Geest en het Woord gebracht zijn tot de enigheid van het ware geloof. Door het werk van de Geest is die Kerk een gemeente van: één Heere, één geloof, één doop (Ef. 4:3-5).

Bent jij, bent u lid van die Kerk (met een grote K)? Een geestelijk levend lid? Ja, want je kan ook gewoon lid zijn van een kerk, zonder bij die Kerk te horen. Lid voor het oog, maar geen levend lid in je hart. Hoe je dat weet eigenlijk? Of je een levend lid bent?

a. Johannes schrijft in Johannes 10: De schapen van de Goede Herder horen Zijn stem en volgen Hem (Joh. 10:4). Vroeger kenden ze die van de Goede Herder niet. Totdat Hij in hun leven kwam. De stem, de woorden van Christus gingen kracht doen in hun ziel.

Hij maakte hen levend. Hij deed hun ziel uitgaan naar Hem. Hij werd hun Leven, Hij werd hun Hoop.

b. En later schrijft diezelfde apostel Johannes ook: Wij weten (daaraan kan je het dus ook weten), dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben (1 Joh. 3:14). Je kan het dus ook weten uit de vruchten van je leven.

En van die geestelijk levende leden van de Kerk geldt, zegt de Catechismus, dat de Heere hen niet alleen zal vergaderen, maar ook zal beschermen en onderhouden. Zoals Hij Zijn Kerk beloofd heeft: Ik ben met ulieden, al de dagen tot de voleinding der wereld (Matt. 28:20). Niemand zal u uit Mijn handen kunnen rukken (Joh. 10:28). En het goede werk dat Ik in u ben begonnen, zal Ik voltooien (Filip. 1:6). En dus, zegt de Catechismus: nu ik door de Zoon van God lid geworden ben van Hem en van Zijn kerk, zal ik dat altijd blijven. Want de Kerk is van God. En alles ligt vast in Hem. Dat horen we ook in Psalm 48, waar we nu eerst samen het eerste vers van gaan zingen. Psalm 48 vers 1: Zingen: Psalm 48 vers 1: De HEER’ is groot; elk zing' Zijn lof In Salems stad en tempelhof, Waar onze God, bij zuiv're tonen Op Zijnen heil'gen berg wil wonen. Hoe schoon, hoe welgelegen, Wat vreugd voor d' aard', wat zegen, Is Sions berg! hoe groots, hoe blij, Hoe heerlijk aan de noorderzij'! Wie is 't, die niet de Godsstad roemt, De stad des groten Konings noemt? - - - - -

Gemeente, het gaat vanmiddag over de heilige algemene Christelijke Kerk. We hebben als eerste gelet op de vraag: de Kerk, wat is dat? Nu ons tweede aandachtspunt:

2. De Kerk, waaruit bestaat die?

Vraag 55 vraagt: Wat verstaat u door de gemeenschap der heiligen? Het antwoord: Als eerste dat de gelovigen, allen en een iegelijk (allemaal!), als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten tweede dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.

Dus wie vormen die Kerk eigenlijk, waar het vanmiddag over gaat? Wie zijn de leden van die Kerk? Ze worden hier de heiligen genoemd.

Zijn Gods kinderen echt heilig? Zijn we echt zonder zonde? Nee, er is veel zonde in ons, en dus ook in die Kerk. Maar God houdt ons voor heilig. Zo kijkt God tegen ons (die Zijn kinderen mogen zijn) aan. Omdat God, als Hij naar ons kijkt, naar de Heere Jezus kijkt. Dat bedoelen we, als we zeggen: Hij ziet ons aan in Christus.

Maar wat is dan de gemeenschap der heiligen? Waarin bestaat precies de hartelijke verbondenheid van de gelovigen onderling? En met wie zijn ze eigenlijk verbonden? De Heidelbergse Catechismus zegt twee dingen. a. Als eerste: dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan de Heere Christus en aan al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Dus de gemeenschap der heiligen, het hartelijk één zijn van gelovigen, begint met…? Dat zij allemaal leden van Christus zijn. Dat zij allemaal deel hebben aan Hem. Als lidmaten, als ledematen van de Heere Jezus.

We hebben een band van liefde met de Persoon van de Heere Jezus Christus. En wie zo bij Hem hoort, wie zo gemeenschap met Hem heeft, die krijgt ook alles van Hem. Al Zijn schatten: genade, vergeving, verzoening, rechtvaardigmaking en heiligmaking. En ook al Zijn gaven. Die verschillend zijn, want iedereen krijgt eigen gaven en eigen talenten. Maar al die gaven zijn gekregen van Hem en bedoeld tot Zijn eer. Gegeven tot opbouw van de gemeente in de liefde (Ef. 4:16) en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk.

b. De gemeenschap der heiligen, de gemeenschap van Gods kinderen bestaat dus in de eerste plaats uit onze innige, hartelijke verbondenheid met Christus. Maar in de tweede plaats bestaat die gemeenschap der heiligen ook uit een hartelijke verbondenheid aan elkaar. Wat we zo duidelijk zien in het Formulier om het Heilig Avondmaal te houden. Eerst is er de gemeenschap met Christus: ‘Dat wij door de Heilige Geest (Die in Christus, als in het Hoofd, en in ons als Zijn lidmaten woont) met Hem waarachtige gemeenschap hebben, en al Zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid, deelachtig worden.’ Maar tegelijkertijd is er ook de gemeenschap van gelovigen met elkaar: ‘Bovendien, dat wij ook door dezelfde Geest onder elkaar, als lidmaten van één lichaam, in waarachtige broederlijke liefde verbonden worden; gelijk de heilige apostel spreekt: Eén brood is het, zo zijn wij velen één lichaam; dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet en zich ondereen vermengt; alzo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus onzes lieven Zaligmakers wil (gedrongen door de liefde van Christus) Die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, altezamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen.’ Dus ledematen, lidmaten van Christus. En tegelijkertijd ook samen één lichaam. Hartelijk en met liefde aan elkaar verbonden.

Met liefde uit Christus, en met liefde tot Christus. Al zijn we nog zo verschillend. Maar toch één in Hem. Eén lichaam. Leden van hetzelfde huisgezin. Als het goed is: eendrachtig volhardende in het bidden en smeken, in het dienen van de Heere (Hand. 1:14). En waar dat zo is, daar gebiedt de Heere de zegen. Dat is wat hoort bij de gemeenschap der heiligen: de zegen van de band met Christus, en van de band met elkaar.

Maar daar hoort, zegt de Catechismus, ook een opdracht bij. Kijk maar naar antwoord 55: Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven tot nut en tot zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden. Kinderen van God, ouderen en jongeren, we hebben elkaar in de gemeente nodig. Ledematen, lidmaten zitten (als het goed is) aan elkaar vast. En ze helpen elkaar, ze dienen elkaar.

Jongeren, als je de Heere vrezen mag, moet je in geestelijke zin niet proberen om zelf het wiel uit te gaan vinden. Je hebt de oudere kinderen van God nodig. En, oudere kinderen van God, u die al langer op de weg van de genade bent, de jongeren houden ons een spiegel voor. Tot ons nut. En onze roeping is om hen de weg te wijzen, met de gaven die wij van de Heere gekregen hebben. Het is niet de bedoeling dat je zegt: Nou, de Heere zal het ze vanzelf wel een keer leren, laat ze maar gaan. Nee, neem jonge broeders en zusters aan de hand. Doe wat Aquila en Priscilla deden: leg hun de weg van de Heere uit (Hand. 18:26).

En laten we dat, zoals de Catechismus zegt, gewillig en met vreugde doen. Laten we elkaar helpen als het gaat om het leven met de Heere. De een heeft meer geleerd, de ander heeft andere dingen geleerd. Niet met de bedoeling om elkaar te beleren, om arrogant te doen, trots te zijn of neer te kijken op de ander. Maar wel om elkaar te helpen. Laten we onze gaven besteden tot geestelijk nut in de gemeente. Zoals de apostel zegt: Sticht de een de ander (1 Thess. 5:11). Door samen te spreken over de dienst van de Heere. Niet over onszelf, maar over Gods genade en over hoe de Heere ons leert met Hem te leven. In kleinheid en ootmoed, als het gaat om onszelf. Maar met goede woorden over de Heere en Zijn dienst. Laten we onze gaven in de gemeente ook met vreugde besteden, tot nut van elkaar. Ook als het gaat om de dingen van dit leven. Laten we elkaar helpen, voor elkaar zorgen in tijden van ziekte, eenzaamheid en nood. Elkaar helpend in de moeilijkste momenten van het leven. Laat niemand in de gemeente alleen hoeven te lijden, alleen hoeven te sterven. Wees er voor elkaar in tijden van tegenspoed en van rouw. Help elkaar. En troost elkaar met het Woord van de Heere.

Laten we onze gaven in de gemeente met vreugde besteden. Ook en vooral, zoals de Catechismus zegt, tot zaligheid. Door anderen voor Christus te winnen.

Is dat niet de kern van gemeente-zijn – in het bijzonder de kern van levend lidmaat van de Kerk van Christus zijn? Dat je uit liefde tot het Hoofd van de Kerk Christus, en uit liefde tot je medemens de ander niet zomaar verloren laat gaan?

Ons derde aandachtspunt:

3. De Kerk, wat is haar schat?

Of: de zegen van de Kerk. Want vraag 56 vraagt: Wat gelooft u van de vergeving der zonden? Het antwoord zegt: Dat God om het genoegdoen van Christus al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

Jongelui, wat is jullie schat? Wat is het mooiste van jullie leven? Zeg je dit na in je hart, wat hier staat? ‘Dat God nooit meer aan mijn zonden denkt.’ Dit is het geluk, dit is de schat van iedereen die van genade leven mag. En dat kan ook jij krijgen: vergeving van al je zonden. Zelfs van de allerergste, waarvan niemand ooit heeft geweten. De Heere zegt in Jesaja 1: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18). En tegen wie zegt de Heere dat? Tegen mensen van wie Hij zegt: zelfs jullie godsdienst is in Mijn ogen een gruwel (Jes. 1:13). Voor Mij zijn jullie net als de mensen van Sodom en Gomorra (Jes. 1:10). Dus, jongelui, kan je zalig worden. Je kan gered worden. God is bereid je ziel te redden van de dood!

Om, zegt de Catechismus, om het genoegdoen van Christus. Om alles wat Hij deed en leed. Om Zijn sterven aan het kruis. Om Zijn opstanding en Zijn leven. Hij heeft alles gedaan, wat gedaan moest worden. Hij heeft alles verdiend, wat er verdiend moest worden. Je hoeft er zelf niets meer aan toe te voegen. In de Heere Jezus Christus is een fontein geopend tegen de zonden en tegen onreinheid. Komt, laat je dan wassen in Zijn bloed. Weiger het alsjeblieft niet. Al waren je zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Dat zou je zo gelukkig maken. Dan heb je echt alles! Kijk maar in de Catechismus. Wat heeft de kerk, wat hebben Gods kinderen gekregen? Wat is onze schat?

Dat we geloven mogen dat God, om alles wat de Heere Jezus voor ons deed, aan al onze zonden, ook aan onze zondige aard, waarmee we ons leven lang te strijden hebben, nooit meer zal denken. Zoals staat in Jesaja 43: Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet (Jes. 43:25). Zoals staat in Jeremia 31: Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken (Jer. 31:34). Niet meer. Nooit meer!

En dat alles, zegt de Catechismus, uit genade. Om dat wat de Heere Jezus voor mij deed, om Zijn genade mag ik geloven, dat al mijn zonden vergeven zijn. Zodat God er nooit meer aan denkt. Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons (Ps. 103:12).

En dat geldt zelfs voor mijn zondige aard. Dat ik niet alleen zonden doe, maar het ook ben. Dat het helemaal door me heen zit. Die zondige aard waarmede ik mijn leven lang te strijden heb. Die Paulus de uitroep ontlokt: Ik ellendig mens, ik zie een wet in mijn leden, die strijdt tegen de wet van mijn gemoed, en die mij gevangenneemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.

Ook dat hoort bij het leven met de Heere: strijd met mezelf. Maar wat een troost, kinderen van God, dat de Geest ons door het Woord leert zien en leert geloven (stapsgewijs): al onze zonden – ontelbaar veel – zijn vergeven door de genoegdoening van Christus. Door Zijn werk, door in mijn plaats te gaan staan. Ook dat ik zonde ben…

Nu is er geen verdoemenis meer. Omdat ik in Hem ben, omdat ik Zijn eigendom ben. Geen verdoemenis meer, maar nog wel strijd. Want het leven van de heiligen op aarde is anders dan dat van de heiligen in de hemel. Hierboven in de hemel is er rust. Maar hier beneden is er nog strijd. Want wij struikelen, wij vallen nog zo vaak in de zonde. De heiligen die in de Bijbel genoemd worden, waren allemaal, stuk voor stuk, zondaars. Die struikelden, die vielen: Abraham, Lot, Mozes en Aäron, David, Petrus en zoveel anderen meer.

Onze zonden laten ons zuchten: Ik ellendig mens, wie verlost me hier toch van. Totdat de Heilige Geest ons voor het eerst of opnieuw hierop wijst: Ik, de Heere, heb om de genoegdoening van Christus al uw zonden achter Mijn rug geworpen (Jes. 38:17). Zo ver het westen verwijderd is van het oosten, heb Ik uw overtredingen weg gedaan. En Ik gedenk uw zonden niet. Niet één! En dus zegt Paulus niet alleen: Ik ellendig mens, maar ook: Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere (Rom. 7:25).

Geliefde gemeente, tot slot een laatste vraag: Bent u levend lid van de heilige algemene Christelijke Kerk?

Paulus schrijft: En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de (Rode) zee doorgegaan zijn; en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; en allen denzelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Wat waren alle Israëlieten, wat waren alle verbondskinderen dichtbij. Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ternedergeslagen. De meesten van die zichtbare gemeente zijn omgekomen. En dat staat in de Bijbel – zegt Paulus – voor ons geschreven als waarschuwing (1 Kor. 10:1-11).

Want je kan lid van de Gereformeerde Gemeente van [plaatsnaam] zijn, en iedere zondag hier zitten, en heel goed luisteren (dat moet je vooral ook blijven doen). Maar in het perspectief van de komende eeuwigheid is de grote vraag: Bent u in uw hart wel een levend lid van de Kerk (met een grote K)? Kent u genade? Bent u van Christus? Of zal deze kerk en de bank waarop u zit, straks getuige tegen u zijn? Dat u de weg wel geweten hebt, dat u zo vaak genodigd bent, maar niet wilde? Dat u wel zalig kon worden? Maar dat u niet zalig wilde worden?

Neem die vraag, lieve mensen, mee naar huis, naar uw binnenkamer. Dit is onze grote levensvraag: Bent u van Christus? Heeft Hij door Zijn volkomen genoegdoening ook u van al uw zonden verlost? Geliefde gemeente, één ding is nodig: U moet in Christus geborgen zijn.

Amen.

Slotzang Psalm 84:1,2:

Hoe lief'lijk, hoe vol heilgenot, O HEER’, der legerscharen God, Zijn mij Uw huis en tempelzangen! Hoe branden mijn genegenheên, Om 's HEEREN voorhof in te treên! Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen; Mijn hart roept uit tot God, Die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft.

Zelfs vindt de mus een huis, o HEER’, De zwaluw legt haar jongskens neer In 't kunstig nest bij Uw altaren, Bij U, mijn Koning en mijn God, Verwacht mijn ziel een heilrijk lot; Geduchte HEER’ der legerscharen, Welzalig hij, die bij U woont, Gestaâg U prijst en eerbied toont.