Zondag 5 · 20 oktober 24
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 5 (serie 2)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 5 behandelt vier prangende vragen, verbonden met de Kananese vrouw uit Mattheüs 15. Is er enig middel om de verdiende straf te ontgaan? Kan ik zelf betalen, of een ander schepsel? Beide zijn uitgesloten: wij kunnen het niet, en geen schepsel kan de eeuwige toorn dragen. Wat dan? Er moet een Middelaar gezocht worden Die waarachtig mens en tegelijk waarachtig God is. Zoals de Kananese vrouw ondanks drie keer 'nee' bleef aanhouden, zo mag de zoekende zondaar blijven kloppen bij Christus.
Vier prangende vragen
ZONDAG 5
Vraag 12: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?
God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, òf door onszelf, òf door een ander, volkomenlijk betalen.
Vraag 13: Maar kunnen wij door onszelf betalen?
In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
Vraag 14: Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?
Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwige toorn GODS tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?
Zulk een, die waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook tegelijk waarachtig God is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 5
THEMA
Vier prangende vragen
AANDACHTSPUNTEN
We kennen haar allemaal. Die Kananese vrouw uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. Ze komt tot Jezus en roept: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. Mijn dochter is deerlijk (zij is heel erg) door de duivel bezeten. En dan? Dan gaat de Heere haar toch zeker wel direct antwoord geven en haar gebed verhoren? We hebben het samen gelezen. Pak het nog maar even voor je, als je wilt, Mattheüs 15 vanaf vers 22. De geschiedenis van de Kananese vrouw.
Daar, in vers 22, klinkt haar roep uit de nood: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner, mijn dochter is deerlijk door de duivel bezeten. Maar dan, vers 23: Doch Hij antwoordde haar niet één woord. Het eerste 'maar'.
En Zijn discipelen tot Hem komende baden Hem, zeggende: Laat haar van U, want ze roept ons na. Stuur dat mens, dat ons achteraan loopt te roepen, alstublieft weg.
Vers 24, het tweede 'maar': Maar Hij antwoordde en zei: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.
Wat denkt u, wat zal ze doen? Wat ga jij doen? Wat gaat u doen als er gezegd wordt: "Mevrouw, u roept wel, maar helaas, Ik ben niet gezonden voor mensen zoals u"?
Het lijkt wel alsof de Heere Jezus haar wegduwt. Ja, dat klopt, zo lijkt het ook. Maar tegelijkertijd trekt Hij onzichtbaar met zondaarsliefde aan haar hart. En dus gaat ze niet weg, maar ze komt juist dichterbij. Kijk maar in vers 25: En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij.
Maar dan volgt het derde 'maar' in vers 26: Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk, het is niet gepast, het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen. Gaat ze hier afhaken? Jullie? U? “Wat, noemt U mij een hond?” Maar, vers 27, zij zei: Ja Heere, U hebt gelijk. Maar de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.
Met drie keer 'maar' lijkt de Heere al haar hoop af te pakken, totdat er geen hoop meer over is. Maar ze buigt ervoor, ze accepteert het en ze omhelst het. Maar de Zaligmaker opgeven? Nee, dat kan ze niet. Naar wie zou ze anders heen moeten gaan?
Toen (vers 28) antwoordde Jezus en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelve ure, op dat moment.
Geliefde gemeente, dit is Gods patroon, dit is Gods manier van werken. De Heere neemt ons alles af. Drie keer 'nee' is genoeg voor het tijdgeloof om te gaan. Maar het echte, het ware geloof kan dat 'nee' van de Heere wel verdragen. Dat gaat niet weg, dat gaat nooit meer weg. Dat roept uit met Jakob: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat U mij zegent (Gen. 32:26En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.). Het blijft kloppen, het blijft roepen: “Heere, help me, is er voor mij nog een weg? Ik heb een Middelaar, ik heb een Zaligmaker nodig.”
Dat gaan we, gemeente, zo meteen ook zien in Zondag 5 van de Catechismus. In die vijfde Zondag begint het tweede hoofdstuk van de Catechismus, waarboven staat: Van des mensen verlossing. Na de diepte van de ellende die hiervoor getekend is, staan we allemaal op de drempel van het grote antwoord van God op onze ellende. Alle excuses zijn voorbij, die zijn allemaal gepasseerd. "Heeft God de mens misschien verkeerd geschapen?" En: "Ben ik echt onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad?" "Ja, maar is God dan wel eerlijk, Hij is toch liefde en is Hij niet barmhartig?" Al die uitvluchten zijn de vraagsteller één voor één uit handen geslagen. Bij u ook? Bij jullie ook, jongelui.
Het hart is gebroken. Maar het loopt niet weg. En dus moet u dat vanmiddag ook niet doen. Het komt juist naar de Zaligmaker toe, net als bij de Kananese vrouw: Zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij.
We gaan met Gods hulp samen kijken naar Zondag 5. Laten we de vragen en antwoorden 12, 13, 14 en 15 samen gaan lezen.
Vraag 12: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? Antwoord: God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, of door onszelf of door een ander, volkomenlijk betalen.
Vraag 13: Maar kunnen wij door onszelf betalen? Antwoord: In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
Vraag 14: Kan ook ergens een schepsel, dat alleen een schepsel is, gevonden worden dat voor ons betalen zou? Antwoord: (Stellig!) Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen die de mens gemaakt heeft. Ten andere, zo kan ook geen schepsel (dat alleen schepsel is) de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Vraag 15: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Antwoord: Zulk een, die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die tegelijk ook waarachtig God is. Tot zover Zondag 5 van de Catechismus.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Vier prangende vragen.
We letten samen op de drie kernen in die vier vragen. 1. Is er enig middel voor mij? (vanuit vraag en antwoord 12) 2. Kan ik het misschien toch zelf, of kan een ander schepsel het misschien doen? (vanuit vraag en antwoord 13 en 14) 3. Maar wat dan? (vanuit vraag en antwoord 15)
Dus: drie prangende vragen. Is er enig middel voor mij? Kan ik het misschien zelf of kan iemand anders het misschien doen voor mij? En: Maar wat dan…? We beginnen met de eerste vraag, ons eerste punt:
Want vraag 12 zegt: Aangezien (omdat) wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben. Nu dat zo is. Ik erken, ik belijd het. Dat ik verloren ben, schuldig en verdoemelijk voor God, tijdelijke en eeuwige straf waardig. Trouwens, heb jij, hebt u dat ook ooit zo beleden, in het verborgen voor God?
Nu dat zo is, zegt de vraag, is er enig middel waardoor ik deze straf kan ontgaan en weer tot genade kan komen? Heeft u dat ook ooit in het verborgen aan de Heere leren vragen? ‘Is er voor mij, o God, een middel om met U verzoend te worden? Voor mij, o God, met mijn verzondigde en verprutste leven. Waar op iedere bladzijde van mijn leven staat: schuldig, schuldig, schuldig…! Tegen al Uw geboden. Ik heb zwaar en menigmaal gezondigd! Is er enig middel voor mij om met U, Heere, verzoend te worden?’
Het lijkt alsof dit een vergelijkbare vraag is, vergeleken met de vragen van de vorige zondagen. Maar dat is niet zo. Er zit een wezenlijke verandering in de vraag. Eerst was het een rondkijkend zoeken (van hier naar daar) naar uitvluchten en excuses. Maar nu is het een naar boven kijkend vragen om redding en behoud: ‘O God, is er voor mij nog enig middel tot behoud?’
Geliefde gemeente, kent u die vraag uit uw verborgen bidvertrek? Is dit wat u op uw knieën in stilte zucht naar de hemel?
Is er voor mij enig middel waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan? Want ik wil niet van God gescheiden worden. Waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan en wederom tot genade zou kunnen komen? ‘Want Uw gunst, Heere, is echt alles voor me. Ik zeg 'amen' op Uw oordeel, U hebt gelijk. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Maar, Heere, ik kan en wil U niet missen. Ik kan en wil zonder U niet verder leven. En dus: Heere, is er voor mij nog een weg? Is er voor mensen zoals mij, die Uw eer en Uw volmaaktheden geschonden hebben, nog een weg om zalig te worden?’
Maar, zo teleurstellend als het antwoord van de Heere Jezus in de richting van de Kananese vrouw leek, zo teleurstellend lijkt ook dit antwoord. Antwoord 12 zegt: God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander volkomen betalen. Wat doet dit antwoord? Het laat ons zien wat we gedaan hebben: we hebben Gods eer geschonden. Het laat ons zien dat we de prijs van onze ziel aan God in tijd of eeuwigheid nooit zelf kunnen voldoen. Maar het wil ons niet wegdrijven van God! Het wil ons juist naar Hem toedrijven. In de hoop dat je nu, zittend in je bank, zelf zou aanvullen: "Toen, toen de Heere me dat liet zien en dat tegen me zei, toen kwam ik en toen bad ik Hem en zei: Heere, helpt U me dan!
God vraagt voldoening. Zijn heiligheid is geschonden, Zijn eer is (menselijk gezegd) aangetast. En dus moet er betaald worden. Door onszelf… Maar, Heere, dat kan ik niet. Of door een ander… Hoor je de hoop, die daarin doorklinkt?
Er is een andere weg waardoor de beledigde Drie-enige God tevreden gesteld kan worden. Hier gaat niet de deur naar de afgrond open, zoals sommigen denken. Want dit Woord wijst altijd naar twee kanten. Ja, zeker, naar de diepte van onze verlorenheid en schuld. Maar tegelijkertijd ook naar Gods genade en barmhartigheid in Christus Jezus. Dus hier gaat niet de deur naar de afgrond open. Hier wordt, staande bij de afgrond, de deur van het Evangelie geopend! Voor ons is het uitgesloten, want wij kunnen aan Gods eisen niet en nooit meer voldoen, maar het kan en het mag door een Ander.
Kent u, gemeente, persoonlijk en bevindelijk, uit ervaring iets van wat hier staat? En ook van dat wat we lazen van de Kananese vrouw? ‘Afgewezen, je hoort er niet bij, je bent een hond, je hebt geen rechten.’ Afgewezen door de Heere Zelf, want je schuld is hemelhoog.
En al je zogenaamde gerechtigheid en al je zogenaamde goede werken waar je zo op hoopte, voldoen niet. Dus heb je niets om aan Gods eis te voldoen.
Afgewezen, en tegelijkertijd net als de Kananese vrouw, stil naar de Heere toegetrokken. Er is een weg, in een Ander! In Hem Die stil aan mijn hart trekt om het dichterbij te halen. Er is een Ander. Door God gegeven: uit de hemel, vrij, om niet, als een vrije gift van Gods eeuwige welbehagen. Christus, de Zaligmaker, Die straks in de volgende Zondagen meer en meer onthuld gaat worden. Christus, Die aan het kruis aan al de eisen van Gods gerechtigheid genoeg heeft gedaan.
God wil dat er aan Zijn gerechtigheid genoeg gedaan wordt, staat er. Ik kan het niet. Ik kan het nooit meer, en u ook niet. Maar zegt de Catechismus, en zegt God: het kan wel door een Ander.
Maar zo snel geven wij het niet gewonnen. Zou dat de enige weg zijn? Het enige middel? En dus ons tweede punt:
Ja, maar kan ik het dan misschien toch ook zelf doen of kan een ander schepsel het misschien doen? Kijk maar naar vraag 13. Maar kunnen wij door onszelf betalen? Antwoord: In generlei wijze, op geen enkele manier, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder. Of, vraag 14. Kan ook ergens een schepsel, dat alleen schepsel is, gevonden worden, dat voor ons betalen zou? Antwoord: Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen schepsel de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Kan ik het misschien zelf doen? Wat zou ik dat graag willen. Juist ook als de Heere begint met Zijn werk in mijn hart. Ik zie mijn zonde, ik voel mijn schuld. Maar… laat ik het zelf proberen, om mijzelf te verbeteren. Laat ik proberen serieuzer te worden, ernstiger, netter, ijveriger, te huilen over de zonde en te bidden om genade. Laat ik proberen zelf mijn hart en mijn leven, schoon te wassen van mijn vroegere vuilheid.
En stilletjes groeit er wat hoop in je hart. Want je hebt dingen in je hart, die je vroeger niet had: liefde tot de Heere, tot Zijn Woord, tot de zondag, tot Zijn kinderen… En je vertelt er ook over op huisbezoek… “Zou dit,” denk je, “het begin zijn van Gods werk in mijn hart?” “Kom op,” denk je, “doe je best, om het vast te houden, om je er echt voor in te zetten.” “Heb geduld met mij, Heere, ik zal U alles betalen!”
Luister eens. Hebt u nooit gelezen wat Jeremia schrijft in Jeremia 2:22Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.? Al zou u u wassen met salpeter, en nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE. En hebt u nooit gelezen wat Jesaja schrijft in Jesaja 64:6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.? Wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden (onze beste werken) zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.
Afgekeurd dus! Wat? Alles!
En daarbij: bij alles wat je gedaan hebt, maak je je schuld, zegt de Catechismus, ook nog dagelijks groter. Het gaat gewoon niet, het gaat gewoon nooit meer lukken om het zelf te doen. Je kunt proberen minder zonden te doen, maar het lukt niet. Het gaat niet vooruit, het gaat achteruit. Op geen enkele manier kunnen wij onszelf verbeteren. Dat is uitgesloten.
Wij maken onze schuld iedere dag meer. We zijn bankroet, we zijn failliet. En met de dag komt er schuld bij.
Zou iemand anders mij dan kunnen helpen? Vraag 14: Kan ook ergens een schepsel, dat alleen schepsel is, gevonden worden, dat voor ons betalen zou? Misschien kan iemand anders wel voor mij betalen: een dier, een offerdier of een engel uit de hemel? Dat zou mooi zijn, dan kon ik het toch nog een beetje zelf oplossen!
Antwoord: Nee. Stellig: Nee! Met twee argumenten. Want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft. Dat zou niet eerlijk zijn. En ten tweede: Ten andere zo kan ook geen schepsel de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen. De straf is zwaar, zo zwaar, de eeuwige toorn van God, die kan geen ander schepsel dragen. Niemand anders van de schepselen kan ons verlossen. Psalm 49 zegt het ook: Niemand zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven (Psalm 49:8).
Samengevat, antwoord 13 en 14: Kan ik het zelf, of kan een ander schepsel voldoen aan Gods eis? Antwoord: In generlei wijze, op geen enkele manier. Uitgesloten!
Luister eens, wat is de reden, dat als God zegt: “Het kan, door een Ander…”, dat je dan eerst toch weer naar jezelf kijkt? En dan ook nog om je heen kijkt? Waarom kijk je niet naar boven? Tekent dat niet je verzet, je weerstand, tegen gered kunnen worden door die Ander? Tekent dat niet, dat je je hoop op jezelf eigenlijk nog steeds niet hebt opgegeven?
Je hebt de eer van de allerhoogste God geschonden. Je hebt een hemelhoge schuld. En je kunt het niet zelf oplossen!
Is er dan geen hoop? Ja, die is er wel. Er is een wonderlijke hoop, een volledige oplossing, een voldoening van Gods eis. Als je naar boven kijkt. En zegt: Heere, help me! Er is hoop, maar niet bij jezelf. Maar wel bij God. Het heil is des HEEREN, zegt Jona (Jona 2:9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.).
En dus bid, roep in uw hart, of God dáár licht op wil laten vallen. Op het antwoord op de volgende vraag, op vraag 15: Maar wat dan? Bij wie moet ik dan mijn redding zoeken?
Maar voordat we naar die vraag en naar ons derde punt gaan, zingen we eerst uit Psalm 143, het achtste vers: Laat mij Uw dierb're goedheid prijzen, Wanneer ik 't morgenlicht zie rijzen; 'k Betrouw op U in mijn ellend'; Wil mij het ware heilspoor wijzen; Mijn ziel heeft zich tot U gewend.
- - - - -
Ons derde aandachtspunt:
Ja, wat dan? Blijft u nu met de Kananese vrouw staan? Gaat u komen en buigen? Of loopt u met de rijke jongeling teleurgesteld weg? Zegt u (net als velen van de aanvankelijke volgelingen van Jezus) nu: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen (Joh. 6:60Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen?)? Of zegt u met Petrus en de andere discipelen: Heere, tot wie zullen wij heen gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68).
Voelt u met mij óók, dat hier meer dan ooit, een krachtig werk van de Heilige Geest nodig is? Om ons echt te overtuigen van onze onmogelijkheid? Om ons daaronder te laten buigen? Zoals de Kananese vrouw deed: Zij kwam en aanbad Hem. Zij aanbad Hem. Aanvaardend: Ja, Heere, ik ben een hond, ik heb geen recht. Zij aanbad Hem. Biddend: Heere, help mij.
Het is God de Heilige Geest, Die ons arm maakt, Die ons leeg maakt. Om ons te vullen met Christus.
Vraag 15 zegt: Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? Met andere woorden: Ik geef de hoop op mijzelf op. Maar ik laat U niet los, Heere!
Daarom blijf ik kloppen op Uw deur en liggen aan Uw voeten. Gemeente, dit is wat het geloof doet. Het erkent en belijdt eigen armoede, eigen gebrek en eigen niets. En het dringt om aan te houden, en om tot Christus te vluchten en te komen tot Hem.
Vraag 15 zegt: Heere, wat moet ik dán voor een Middelaar en Verlosser zoeken? En wéér lijkt het antwoord, ook hier, op het antwoord dat de Heere Jezus gaf aan de Kananese vrouw. Het antwoord zegt namelijk niet direct: O, er is een Verlosser en dat is Jezus Christus. Nee, het antwoord zegt: Zulk een (moet u zoeken), Die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans (toch) ook sterker dan alle schepselen, dat is, Die ook tegelijk waarachtig God is. Met andere woorden: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk (Matth. 19:26En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.).
Er ís een Middelaar en Verlosser! Die waarachtig en rechtvaardig mens is. Die nooit één zonde heeft gedaan. Die sterker is dan alle schepselen. Die kan, wat geen mens, geen schepsel doen kan. En Die ook God is!
Er ís een Middelaar! Die twee partijen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, tot elkaar kan brengen. Niet door te onderhandelen. Niet door beiden water bij de wijn te laten doen. Maar Die wel een weg opent voor onwaardige en verdoemelijke zondaars om met God verzoend te worden. Om de verdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen. Door alle zonden en de straf daarop over te nemen. En in plaats daarvan volkomen gerechtigheid en heiligheid terug te geven.
Er ís een Middelaar, Die onze onoplosbare zaak kan en wil oplossen. Omdat Hij tegelijk waarachtig God is. Met andere woorden, mensen, u die geen hoop meer ziet aan uw kant… Al uw eigen pogingen zijn mislukt… En u moet wel toegeven, erkennen en belijden, dat u arm en ellendig bent... En dat u dat zelf niet en nooit meer kunt oplossen… Dat u zelf nooit meer aan Gods eis kunt voldoen... Er is een weg bij God vandaan!
Want de Middelaar, Die uw zaak kan oplossen, is ook tegelijk waarachtig God. Het is God Zelf. Wend u dan, eindelijk, naar Hem toe en word behouden! Het is de Zoon van God, Die de menselijke natuur aannam. God en mens, bereid en bekwaam, om uw schuld over te nemen. Om u te verlossen van de straf, om u te brengen tot de gunst van God, om uw heimwee op te lossen en u met God te verzoenen.
Dus, wat u dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken moet?
Hém, Die God gezonden heeft om het verlorene te zoeken en om vijanden met Hem te verzoenen. De Weg, de Waarheid en het Leven: Jezus Christus. Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus (1 Tim. 2:5Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;).
U zegt: Daar gaat het pas volgende week over, in Zondag 6. Ja, maar het is hier net als met een huis vol licht in een donkere nacht. De gordijnen kunnen het niet tegenhouden. Het licht breekt er doorheen. Hier breekt het licht van de Middelaar door de duisternis heen. Naar ik hoop en bid, ook in uw hart, tobbende zondaar! Hier is de onthulling van Gods gedachten, van Gods plan, van Gods raad, van Zijn welbehagen. God heeft Zichzelf een Lam ten brandoffer voorzien: Christus, de Zaligmaker. Die alleen kon zorgen voor de eer van God. En Die alleen Redder kon worden van reddeloos verloren zondaren.
Echt mens, want de mens had gezondigd. En dus moest een mens de straf dragen. Echt mens, en tegelijkertijd echt God. Met andere woorden: Moet God Zijn eer terugkrijgen? En de mens zalig worden? Dat kan alleen maar door een wonder. Dat kan alleen door een Godswonder! Maar… het kan! Het is mogelijk, bij God vandaan.
Wat is dat een troost, voor mensen die niet meer weten hoe het verder moet. Van uw kant ziet u geen weg meer. Maar hier opent God de weg, Zijn weg, de weg van een eeuwig wonder bij God vandaan. De weg die bezongen werd in Efratha’s velden: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.). Door de mens geworden Zoon van God. Zijn gerechtigheid alleen brengt God alle eer, en redt van de welverdiende straf.
Is er nood in uw ziel? Ziet u geen uitweg meer? Ooit dacht u, dat er nog iets te redden viel. Maar nu: hulpeloos, machteloos, verloren…? Luister, lieve mensen: hier opent God de weg. Zijn weg. Waar wij helemaal buiten vallen. Waar wij niets aan bijdragen. De weg van het onbegrijpelijke wonder van Zijn eeuwige welbehagen.
Hij zond een Middelaar! Die wilde staan, en Die kon staan tussen God, Wiens eer wij schonden, en ons. God en mens. De Zoon van God, Die de menselijke natuur aannam. Gelegd in de kribbe, in diepe vernedering. Heel Zijn leven was een leven van volmaakte gehoorzaamheid, van bitter lijden, vooral in Gethsémané en op Golgotha, waar Hij leed en stierf. En zo betaalde Hij de schuld. Zo werd de hitte van Gods toorn geblust. En door Zijn opstanding en hemelvaart heeft Hij de weg terug naar God gebaand voor verloren zondaren.
Door dit Godswonder, door deze Middelaar, krijgt God Zijn eer terug. En kunnen arme zondaren zalig worden. Hier gaat het licht van de rijzende Morgenzon op, voor zoekende zondaren. Als de eerste stralen van Gods gunst en genade gaan oplichten in de stikdonkere nacht van zondeovertuiging. De Heere Jezus, Hij is het Licht der wereld.
Mocht de Heilige Geest, voor u, Zijn licht op Hém laten vallen, zodat u Hem zou zien: Blank in Zijn heiligheid en gerechtigheid, zonder zonde. Rood in Zijn bloed, dat drupte op de vloekheuvel Golgotha. En dat de Heilige Geest ook nu wil laten druppen op verloren zondaarsharten. En Hij draagt, als Koning, de banier boven tienduizend. In uzelf is niets meer, wat meetelt, wat aantrekkelijk is. Maar alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl. 5:16Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!).
U, zondaars, die God nog nooit gezocht hebt, denk niet, dat u zo verder kunt gaan. De eeuwigheid komt steeds dichterbij. Uw Rechter staat voor de deur. U kunt de eeuwige straf zelf niet dragen. Buig toch voor God. Vraag toch of Hij plaats wil maken voor de Middelaar in uw hart. Voordat het te laat is! Gemeente, hebt u ooit iets leren kennen van de diepte van uw verlorenheid en schuld? Van de absolute onmogelijkheid, om het zelf ooit goed te maken? En van de enige weg bij God vandaan? De Middelaar, de Verlosser? Kent u Hem?
Gemeente, u moet met God verzoend worden! En daar is een weg. Een enige weg: Jezus Christus en Die gekruisigd. Hij alleen! Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh. 3:36Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.).
Amen.
Slotzang Psalm 56:5,6
Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterv'ling zou mij schenden?
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven.
Andere preken over Zondag