PREEK · VRIJE STOFFEN

Grachten in de woestijn van Edom (Elisa 3) – 2 Koningen 3

30 juli 2023

2 Koningen 3:15-16: Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem kwam. En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten.

INLEIDING

Vijf aandachtspunten. Een lastig probleem: koning Joram is halfslachtig, en Josafat gaat zonder God te vragen met hem mee. Een verkeerd plan: zeven dagreizen ver, geen water meer. Een profetisch spreken: Elisa doorziet Jorams halfslachtigheid, maar spreekt om Josafats wil. Een Goddelijke opdracht: "Maakt in dit dal vele grachten" – graven zonder wind of regen te zien, uit gehoorzaamheid. Een genadige zegen: het water komt, juist toen men het spijsoffer offerde – een beeld van het offer van Christus.

THEMA

Grachten in de woestijn van Edom

KERNPUNTEN

  1. Een lastig probleem
  2. Een verkeerd plan
  3. Een profetisch spreken
  4. Een Goddelijke opdracht
  5. Een genadige zegen

2 KONINGEN 3:11-17

11 En Jósafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israël en zeide: Hier is Elísa, de zoon van Safat, die water op Elía’s handen goot.
12 En Jósafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van Israël en Jósafat en de koning van Edom.
13 Maar Elísa zeide tot den koning van Israël: Wat heb ik met u te doen? Ga heen tot de profeten uws vaders en tot de profeten uwer moeder. Doch de koning van Israël zeide tot hem: Neen, want de HEERE heeft deze drie koningen geroepen om die in der Moabieten hand te geven.
14 En Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Jósafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien.
15 Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem kwam.
16 En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten.
17 Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien en gij zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij zult drinken, gij en uw vee en uw beesten.

VOLLEDIGE TEKST

Grachten in de woestijn van Edom (Elisa 3) – 2 Koningen 3

ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 3:15-16

THEMA

Grachten in de woestijn van Edom

Gemeente, we overdenken vanmorgen samen het Schriftgedeelte dat ons voorgelezen is, 2 Koningen 3:1-20. Ik lees u samenvattend de verzen 16, 17 en 18 nog een keer voor: En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten. Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien, en gij zult geen regen zien, nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij zult drinken, gij en uw vee, en uw beesten. Daartoe is dat slecht in de ogen des HEEREN, Hij zal ook de Moabieten in ulieder hand geven.

Het gaat in 2 Koningen 3 over grachten (greppels of geulen) in de woestijn van Edom. Dat is ook het thema van de preek van vanmorgen/vanmiddag:

Grachten in de woestijn van Edom

We letten samen op vier aandachtspunten: 1. Een lastig probleem (dat ziet u in vers 1-7) 2. Een verkeerd plan (u ziet dat in vers 8-13) 3. Een profetisch spreken (dat ziet u in vers 13-15) 4. Een Goddelijke opdracht (dat staat in de verzen 16-19) 5. Een genadige zegen (dat ziet u tenslotte in vers 20)

Als eerste dus:

1. Een lastig probleem.

Want ja, zeg je: koning Joram heeft inderdaad een lastig probleem. Want Mesa, de koning van Moab, wil sinds het overlijden van zijn vader, koning Achab, geen belasting meer aan hem betalen. Hij betaalde tot nu toe per jaar 100.000 lammeren en 100.000 rammen met de wol (zo staat in vers 4), maar nu is hij daar klaar mee. Hij weigert verder nog iets te betalen. Ja, dat lijkt het probleem, maar het echte probleem staat daarvoor, in vers 2 en 3: En hij (Joram) deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijn moeder; want hij deed dat opgerichte beeld van Baäl weg, hetwelk zijn vader gemaakt had. Evenwel hing hij de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.

Joram is een man met twee gezichten. Hij doet het opgerichte beeld van Baäl, dat zijn vader Achab gemaakt heeft, weg. Hij doet het weg, maar zo blijkt later: hij laat het nog wel intact. Het is misschien apart gezet, maar niet afgebroken (10:27). Het lijkt voor het oog heel wat, dat ogenschijnlijk breken met de zonde, maar het was niet echt, niet compleet, niet volledig. En daarbij, hij bleef hangen aan de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. Hij bleef die twee kalveren dienen in Dan en Bethel. Dus, voor het oog imponeert het. Joram is anders dan zijn vader Achab. Maar schijn bedriegt. Zijn reformatie is halfslachtig, hij blijft hinken op twee gedachten. En dat, zo staat er heel scherp, was kwaad in de ogen des HEEREN. Er zo is het nog steeds. Jezelf bekeren van sommigen zonden, voor het oog jezelf verbeteren, maar diep in je hart toch doorgaan en blijven hangen aan de zonde, dat haat God! Het is kwaad in de ogen des HEEREN.

Dat is het grootste probleem van koning Joram. En het andere probleem van die onwillige koning Mesa, die geen belasting meer wil betalen, dat komt erbij. Maar daarvoor kan hij misschien wel bij koning Josafat aankloppen. Dat deed zijn vader Achab eerder ook. En met succes. Josafat dient dan wel de God van Israël, maar Josafat is ook een beetje goedgelovig en toegeeflijk. Die kan niet zo goed nee-zeggen. En inderdaad, dat blijkt.

Josafat wil Joram wel helpen. We lezen nergens dat Josafat in zijn gebed de zaak aan de Heere voorlegt, nee, hij zegt gewoon (in vers 7): ‘Ik zal opkomen, zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.’ Met andere woorden: Joram, je kunt op me rekenen.

Josafat is een kind van God, een koning die God vreest. En toch gaat hij hier weer het verkeerde pad op. Eerder was hij door de profeet Micha gewaarschuwd, om in de oorlog tegen de Syriërs niet met koning Achab in zee te gaan. Maar hij luisterde niet. En, het liep slecht af. Jehu, de ziener, was achteraf naar hem toegekomen met bestraffende woorden, en had gezegd: ‘Zou u de goddeloze helpen, en die de HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid’ (2 Kronieken 19:2). Maar toch doet Josafat nu weer hetzelfde. Zonder de Heere te bidden, zonder de Heere te vragen, gaat Josafat weer in zee met een goddeloze koning, nu met de zoon van Achab, Joram.

Wat tekent dit toch het dwaalzieke en hardleerse hart van Gods kinderen. Wat tekent dit het biddeloze hart van Josafat en van ons. We denken het zelf allemaal zo goed te weten. We maken eigen plannen, we volgen eigen ideeën, maar zonder te vragen naar de weg, naar Gods weg. Terwijl de Heere toch zo duidelijk gezegd heeft: Ken Mij in al uw wegen, en Ik zal uw paden recht maken. En: Wees niet wijs in uw (eigen) ogen (Spreuken 3:6-7a). Hield God ons in genade en trouw niet vast, we waren allang verloren. We zouden weer teruggegaan zijn op onze eigen goddeloze wegen, als God had losgelaten (als Hij had laten varen) het werk van Zijn hand.

Joram heeft er een medestrijder bij in de persoon van koning Josafat. En de koning van Edom is schatplichtig, is onderworpen aan Juda, dus die doet als vanzelf ook mee. Drie koningen staan klaar om het probleem van de afvallige koning van Moab op te lossen. Ze zullen hem een lesje leren, zodat hij weer met zijn lammeren en rammen over de brug komt. Ons tweede aandachtspunt:

2. Een verkeerd plan

Joram is blij met Josafat. Het is een man met ervaring, en bovendien vreest hij de God van Israël. Dat is misschien toch ook een beetje garantie voor succes. En dus vraagt hij Josafat om raad. Kijkt u maar in vers 8: ‘En hij zeide: Door welke weg zullen wij optrekken?’ Hoe zullen we het aanpakken? Want als we de Jordaan doorgaan en Moab in het noorden aanvallen, dat is lastig. En dus zegt Josafat: ‘laten we een omtrekkende beweging maken, door het land van Edom en onze vijand vanuit het zuiden aanvallen, door de weg van de woestijn van Edom.’

En zo gaan ze met elkaar op pad. Vers 9 zegt: Alzo toog de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom. En als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het leger en het vee, dat hen navolgde, geen water. Hier is niet op gerekend. Maar deze impasse kan dodelijk worden. Midden in de grote, rotsachtige woestijn van Edom, met zoveel mensen, en dan geen water…! Het leek allemaal zo mooi voor elkaar te zijn. Een slim, gezamenlijk plan. Maar… zonder God! En lieve vrienden, u weet het: Zo’n pad, zonder God, hoe intelligent het ook lijkt, loopt uiteindelijk af als een pad tot de dood. Dit is de paradijsweg: niet vragen naar de weg, niet vragen naar God, en je eigen weg gaan. En dat geldt niet alleen de halfslachtige koning Joram en de goddeloze koning van Edom, maar het geldt ook Gods kind en knecht Josafat. Als we wegen gaan zonder God, zonder te vragen ‘wat wilt U dat ik doen zal?’, dan blijken dat vroeg of laat doodlopende wegen te zijn.

Zeven dagen zijn ze op reis. En dan is het water op. En ze voelen het: een brandende tong. En ze weten het: dit kan ons einde betekenen. Wat een zegen is het als je uiteindelijk, na zeven dagen of langer, het gevaar van je doodlopende weg onder ogen ziet. Als je, terwijl zoveel mensen gerust doorlopen op hun eigen weg, ineens voelt: ‘Ik ben in gevaar! Dit kan letterlijk dodelijk aflopen.’

Het is een zegen, Jorams onder ons, halfslachtig en hinkend op twee gedachten, als je ineens ziet en voelt: ik ben in dodelijk gevaar! Zoek geen rust, maar zoek God! En erken en belijd dat je verkeerde wegen bent ingeslagen, verder, steeds verder bij God vandaan.

Het is een zegen, Josafats onder ons, u hebt de Heere niet biddend om raad gevraagd, als je ineens ziet en voelt: deze weg is een gevaarlijke weg! Deze weg voert mij steeds verder bij God vandaan. Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren. Ai, zoek Uw knecht, hoewel hij het spoor van Uw geboden heeft verlaten (Psalm 119:88, ber.).

Het water is op, midden in de rotsachtige woestijn van Edom. En dan gebeurt er iets. Iets wat je vaker ziet, ook in deze tijd. Als er nood komt, gaan de wegen van mensen uiteen. De weg van degenen die God dienen (hoewel ze verkeerde wegen zijn ingeslagen) en de weg van degenen die in hun hart of met hun leven de afgoden dienen.

Joram begint te jammeren. Kijk maar in vers 10: Toen zeide de koning van Israël: ‘Ach, dat de HEERE deze drie koningen geroepen heeft, om die in der Moabieten hand te geven!’ Zeg, Joram, je had toch niets met de God van Israël? Waarom begin je dan nu ineens over God? En, waar begin je over? Over Gods plan? Over Gods raad? Is dat niet uit het leven gegrepen? Je hebt niets met God. Je luistert niet naar Gods geboden. Je gaat je eigen weg. Totdat…, er iets gebeurt. Een ongeluk, een ongeneeslijke ziekte, een sterfgeval… En ineens…, hoe is het mogelijk! Ineens denk je en zeg je: ‘God, waarom? Waarom doet U dit? Waarom zijn Uw plannen tegen me! Zie je wel, U wilt me niet!’ Kom, wees eerlijk en oprecht. Heb je niets met God, geef God dan ook niet de schuld.

Joram! Dit moet je niet doen, dit moet je niet zeggen. Dat weet je. Je moet buigen voor Israëls God. Dat is de weg. Bekeer je, want waarom zou je sterven? Want Ik heb geen lust aan de dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE, daarom bekeert u en leeft (Ezechiël 18:32). Maar geef niet God de schuld van je eigen ongeluk!

Als er nood komt, gaan de wegen van mensen uiteen. Joram raakt in paniek en gaat God verwijten maken. Maar Josafat doet iets anders. Hij gaat, na al zijn eerder dwalen en verdwalen weer naar God vragen. Is dat ook niet onze ervaring, kinderen van God, dat de Heere ons in de nood bracht, niet om ons te slaan, maar om ons weer te leren naar Hem te vragen? Hij liet ons niet los. Bij ons was ontrouw, maar Hij bleef trouw. Is het nu misschien ook zo in uw leven? U bent God kwijtgeraakt? En nu door de Heere gebracht op wegen van tegenspoed en zorg? Gebracht in de nood? Doe dan wat Josafat ook deed, toen de dorst ook zijn leven ging bedreigen. Hij gaat in de nood van zijn hart weer vragen naar het woord van de Heere. We zien het in onze derde gedachte:

3. Een profetisch spreken

We lezen in vers 11: En Josafat zeide: ‘Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen?’ Antwoord? Ja, er is in het leger een profeet van de God van Israël. Elisa. Wat tekent dat de trouw van God. Niemand heeft naar God gevraagd, iedereen is zijn eigen weg gegaan. Maar God heeft ze op hun eigen wegen wel een profeet meegestuurd. Voor dit moment! Zoals je op eigen, verkeerde wegen, soms ineens iets of iemand kunt tegenkomen: een vergeten boek in de kast, een profeet op je weg. Het is Gods goede zorg, Die je niet wil laten omkomen in de wildernis.

Josafat weet het: des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van Israël, en Josafat, en de koning van Edom (vers 12). Josafat eert de profeet. Hij roept hem niet om te komen, maar gaat zelf naar hem toe. En de anderen gaan met hem mee.

Maar dan! Nog geen introductie is er gepasseerd, nog geen vraag heeft geklonken, of Elisa zegt (vers 13): ‘Wat heb ik met u te doen, Joram? Ga heen tot de profeten uws vaders, en tot de profeten uwer moeder.’ Ongekend scherpe woorden. Elisa doorziet zijn halfslachtigheid. Je kan denken dat God tevreden is met een halve reformatie, maar God wil je hele hart. Je wilt God en Zijn genade toch niet? En nu wel Zijn hulp en zegen? Als een soort eerste hulp bij ongelukken?

Waarom, Jorams in de kerk, hoor je vanmorgen scherpe woorden uit de mond van Elisa? Uit Gods mond? ‘Ga naar degene van wie je anders ook hulp verwacht! Waarom kom je bij Mij?’ Waarom? Niet om je weg te slaan, maar opdat je je echte nood zou voelen. En God echt nodig zou krijgen. Niet alleen Zijn zegen, niet alleen redding uit deze nood, maar vooral Hemzelf. En Zijn genade en Zijn Christus voor je verloren hart! Door deze scherpe woorden klinkt de roep: Keert weder, afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Als je die roep dan hoort, zeg dan toch: ‘Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want U bent de HEERE, onze God!’ (Jeremia 3:22)

Maar, nee, dat zegt Joram niet. Hij begint weer te klagen en te jammeren. Hij zegt: ‘Neen, want de HEERE heeft deze drie koningen geroepen, om die in der Moabieten hand te geven’ (vers 13). Weer krijgt God de schuld. En, hoor wat een zware woorden Joram gebruikt! God heeft ons hier gebracht om ons in de hand van de vijand te geven. Dit is de hand van Gods oordeel. Jammeren en klagen over Gods oordelen, zonder te buigen en te breken. Dat is wat Joram hier doet. En dat is wat sommige kerkmensen ook doen. Ze hebben van die zware

woorden, maar ze geloven zichzelf niet, laat staan God. Want het leidt niet en het heeft nog nooit geleid tot verbreking van hun halfslachtige en dus goddeloze hart!

Jorams, zwaar en vroom, of halfslachtig en goddeloos, luister toch naar deze woorden van God. Ze zijn scherp, maar willen u tot inkeer brengen. Lees maar mee in vers 14: En Elisa zeide:’ Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Josafat, de koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!’ Ik zie geen rechten in u. Ik zou met u kunnen afrekenen, hier in de woestijn van Edom. Maar om Josafat, Mijn knecht, Mijn gezalfde Koning, om de meerdere Josafat, klinkt toch nog het woord van God. Tot u! Ook tot u! Zelfs tot u! De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jesaja 55:7).

Elisa zegt (in vers 15): ‘Nu dan, brengt mij een speelman.’ En het geschiedde, als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem (op Elisa) kwam. Laat iemand spelen op een instrument. Op een snaarinstrument, zoals een citer, harp of viool. Waarom vraagt Elisa dat? Vaak wordt gezegd: Om Elisa’s humeur weer een beetje te ontspannen, na zijn scherpe woorden tegen Joram. Maar ik betwijfel dat. Waren de scherpe woorden tegen Joram ook niet als pijlen gedoopt in liefde en bewogenheid met deze stervende man? En lezen we verder ooit dat Gods knechten, de profeten en apostelen, muziek nodig hadden om te kunnen spreken? Nee. Wat we wel lezen is dat ze vaker zichtbaar, aanschouwelijk onderwijs gaven. Door een voorbeeld te geven, of door iets uit te beelden. Breng mij een speelman. Kijk naar dat instrument. Komt daar vanzelf iets uit? Kijk naar deze Elisa. Uit hem komt niets. Hier staat een onmachtig instrument. Pas als de hand van de speelman, van de muzikant, over de snaren gaat, dan pas worden die prachtige klanken voortgebracht. En zo komt Gods hand over Zijn nietige instrument Elisa. Zoals al Gods dienaars, predikers van het Evangelie, van zichzelf nietige instrumenten zijn. Van hen hoef je niets te verwachten, ook niet in tijden van nood. Maar wel van het woord des Heeren, dat uit hun mond komt, als de hand des Heeren over hen komt. Want dan horen zij, die drie koningen in de woestijn van Edom, en dan hoort u, hier vanmorgen in de kerk: hemelse muziek. Woorden van genade. Zoals God ze werkt. Woorden die onze eigen werken en eigen naam afbreken, en die genade geven door de weg van het wonder.

We gaan het zien in onze vierde gedachte, maar zingen samen eerst woorden van David, woorden van Josafat uit Psalm 119:88: Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond, Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen, enz.

Ons vierde aandachtspunt:

4. Een Goddelijke opdracht

We lezen in vers 16: En hij (Elisa) zeide: ‘Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten.’ Graaf in dit dal, in deze, droge rotsachtige woestijn van Edom grachten of greppels. Ja, maar…? Nee! Dit is de opdracht van God: Maakt in dit dal vele grachten. Ga graven! In dit dal. Overal. Dag en nacht.

Wonderlijke opdracht van God… Zo zegt de HEERE: ‘Maakt in dit dal vele grachten.’ Hebben we graafgereedschap bij ons? Nee…, alleen wapens. Zijn we een beetje ervaren met dit soort van graafwerk? Nee…, we zijn soldaten. Zo zegt de HEERE: ‘Maakt in dit dal vele grachten.’

Graaf hier greppels, geulen, sloten, want (vers 17 en 18) zo zegt de HEERE: ‘U zult geen wind zien, en u zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat u zult drinken, u en uw vee, en uw beesten. Daartoe is dat slecht in de ogen des HEEREN, Hij zal ook de Moabieten in uw hand geven.’

Het is een opdracht, een onbegrijpelijke opdracht, met een dubbele belofte: U moet graven en Ik zal water geven. Heel veel water. En de overwinning op Moab krijgt u erbij. Met andere woorden: U krijgt meer dan u gevraagd hebt.

Maar eerst maar even die opdracht: ‘Maak in dit dal vele grachten.’ Was het niet logischer geweest om te zeggen: graaf in dit dal vele graven…

Wat wilde Heere toch bereiken met deze merkwaardige opdracht? Dit: (a) Als eerste, dit graven in de rotsige bodem van de woestijn moet hen leren hoe hard hun eigen hart is. Nu krijgen ze zelf uitgebeeld te zien, hoe hun eigen binnenste is. Ze moeten ploegen op rotsen, op de rotsen van hun eigen hart. (b) Dit moeten graven in de woestijn, wil in de tweede plaats hun hoogmoed breken. Vechten willen ze, want dat kunnen ze. En nu ineens laat de Heere hen zien, dat ze van zichzelf zwak en sterfelijk zijn, ja, zelfs ten dode opgeschreven. (c) Dit graven in de woestijn, wil hen in de derde plaats leren dat ze niet moeten vertrouwen op hun eigen inzichten en verstand. Want dit gaat tegen alle rede in. God wil hen leren eigen wegen achter zich te laten en gehoorzaam te zijn in Gods weg. (d) Met dit graven in de woestijn wil God hen in de vierde plaats ook leren om niet meer te vertrouwen op henzelf, maar op God. Die water belooft!

Zoals jullie, jongens en meisjes, ook wel eens gegraven hebben op het strand. Je maakt bergen, je graaft kuilen en geulen, hopend op…? Op het water van de zee.

Want als dat water komt (en je weet dat het komt!), dan spoelen de zandbergen (de bergen waar je eerst trots op was) weg. En dan worden je gegraven gleuven gevuld met water. Maar…, in het begin gebeurt er, terwijl je hard aan het graven bent, helemaal niets. Je ziet niets. Het werk is zwaar. En het is zomers warm op het strand. Maar, je weet en je vertrouwt: het wordt vloed. Het water komt! Zo wil de Heere deze mannen in dodelijk gevaar ook leren (voorlopig zien ze niets), leren vertrouwen op Zijn woord: Er komt water. Op Mijn tijd.

Maar, zult u zeggen, wat heeft dit beeld ons eigenlijk te zeggen? Dit, dat ook u en ik, dat ook wij graven moeten! De Heere heeft grote dingen beloofd, maar Hij geeft ze in de weg van graven. Verdien je daar iets mee? Nee. Maar als je het niet doet, als je ongehoorzaam bent, dan weiger je te gaan in Gods weg, en dan krijg je de vervulling van de belofte niet. Dan sterf je van dorst in de woestijn.

Er is genade, er is gratie bij God te verkrijgen. Voor niets, gratis! Niet door de werken, opdat niemand zal roemen in zichzelf. Alleen de manier waarop die genade, dat water des levens, gegeven en verkregen wordt, is: door de weg van het gebruik van de middelen. Onze Dordtse Leerregels zeggen: De almachtige werking van God, waardoor Hij ons natuurlijke leven voortbrengt en onderhoudt, sluit het gebruik van de middelen niet uit. Maar God eist van ons dat we deze middelen gebruiken, waardoor God volgens Zijn oneindige wijsheid en goedheid Zijn kracht wil uitoefenen.

Jorams, zwaar maar onoprecht, half gereformeerd maar goddeloos, gebruik de middelen! Graaf uzelf vele grachten! Steek de schop van het Woord in de harde aarde van uw hart. Graaf op uw knieën in het onderzoek van de Bijbel, en in het eerlijk ontdekken van de kwade bron van uw hart. Geef uw hoogmoed op en buig. Verlaat uw kennis en inzichten en doe gehoorzaam wat God van u vraagt. Buig u in het stof!

Hoeveel mensen hebben in het verleden al grachten gegraven in uw hart? Door het woord van de Heere aan u voor te houden, thuis, in de kerk, op de catechisatie, op school, op de vereniging? Maar toch door geleefd en eigen wegen gegaan? Graaf grachten, eerlijk en oprecht, in uw eigen verloren hart! Er wordt water beloofd!

Josafats, eerder dwalend, maar nu door het woord van de Heere terecht gewezen, graaf in dit dal velen grachten. Blik eerlijk, door het licht van de Heilige Geest geleid, in de diepte van uw verloren en harde hart. Graaf en voel hoe hard de bodem is. Zie hoe dor en droog de aarde is. Graaf met ontzetting, met schuldbelijdenis en met een vernederd hart. Want zo is het ongetwijfeld ook gegaan bij Josafat. U denkt toch niet dat hij zijn mannen opdracht heeft gegeven om te graven, terwijl hij zelf toekeek? Nee, dit is Gods opdracht, in de eerste plaats aan Joram, Josafat en de koning van Edom.

Graaf! Al lijkt het ploegen op rotsen. Ouders, graaf in de harten van je kinderen. Er is water beloofd, in de weg van graven. Catecheten, ambtsdragers, clubleiders, graaf in de rotsachtige bodem die voor je ligt. Er is water beloofd, door de weg van graven. Leerkrachten, docenten, graaf in de harde en droge aarde van de harten van je leerlingen en studenten. Er is water beloofd, door de weg van graven.

Achteraf zal je nooit kunnen zeggen: er is water gekomen omdat ik zo diep gegraven heb. Ik heb dat verdiend door mijn goede en ijverige inspanningen. Nee, want waar komt dat water vandaan? Dat weet eigenlijk niemand. Elisa zegt: ‘Want zo zegt de HEERE: U zult geen wind zien, en u zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat u zult drinken, u en uw vee, en uw beesten (vers 17).’ U zult het niet begrijpen, maar het water zal wel komen. Zonder regen, zonder wind, maar het is beloofd. Het is beloofd dat het zal komen, op een wonderlijke manier en in overvloed. Want dit (hele) dal zal met water vervuld worden! En daarbij zult u ook meer krijgen dan dat u gevraagd hebt. U zult krijgen boven bidden en denken. Want, zegt Elisa: Daartoe is dat slecht in de ogen des HEEREN, Hij zal ook de Moabieten in uw hand geven (vers 18). Want, zegt Paulus later, God is machtig meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt (Efeze 3:20).

Water zal er komen. In de weg van het gebruik van de middelen, zonder verdienste, uit genade, en zonder dat zij en wij er ook maar iets van begrijpen. Net zoals de wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat. Kortom, het wordt niet gewerkt door een mens, door de wil van het vlees, maar het zal een wonder zijn van de ontfermende God.

Ten diepste zien we hier een beeld van het werk van God de Heilige Geest in een mensenhart. Want wat zegt Jezus, als Hij eerst iets gezegd heeft over de wind die we niet begrijpen? Alzo, zegt de Heere Jezus tegen Nicodémus, is een iegelijk, die uit de Geest geboren is (Johannes 3:8).

Dus, God wil werken in Jorams-harten, door de weg van de middelen. Door de weg van graven. En Hij wil doorwerken in Josafats-harten, door de weg van de middelen. Door de weg van graven, door de weg, zoals onze catechismus het zegt, van Woord en sacrament. Zonder dat iemand van hen daardoor iets verdient. Want het water zal komen door de weg van het wonder! Maar beiden moeten wel graven! Want door al dat gegraaf leren ze hun eigen onvermogen en onwil, hun eigen hardheid en vijandschap, meer dan ooit kennen. Het lest hun dorst niet. Sterker nog: hun dorst wordt er alleen maar meer van. En door dat steeds maar dieper graven, krijgen ze steeds meer zicht op het feit dat de gift van water een genadegift zal zijn, het wonder van water een genadewonder.

We gaan het zien in onze vijfde gedachte. Want wat blijkt? Is er een verband tussen het beloofde water en de gegraven geulen? Nee, er is een verband tussen het beloofde water en het offer dat in Jeruzalem gebracht wordt. Ons vijfde aandachtspunt:

5. Een genadige zegen

Want we lezen in vers 20, na al dat graven, dag en nacht, in de hitte en de droogte van de woestijn: En het geschiedde des morgens, als men het spijsoffer offert, dat er, ziet, water door de weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd.

Zoekende mensen, gravende zielen, er komt in uw leven alleen maar een oplossing, voor het eerst of opnieuw, door de weg van een Goddelijk wonder. U begrijpt het niet. U ziet droogte, hardheid en onvruchtbaarheid voor u in de grond. En u kijkt omhoog, maar u ziet geen regen en wind. En toch…

Waar komt de grote ommekeer vandaar? Laat ik u wijzen op de in dit verband zo sprekende woorden van de profeet Jesaja: De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst. Ik, de HEERE zal hen verhoren, Ik, de God Israëls, zal hen niet verlaten. Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen en fonteinen in het midden der valleien. Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten (Jesaja 41:17-18). Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen (Jesaja 44:3).

Want… Ik zal… U staat bij uw gedolven greppel. Het had uw graf kunnen worden… U hebt de dood verdient. U bent het waard om onder te gaan onder het oordeel. Een welverdiende straf. En dan, daar, bij die open gracht gedolven in de harde, rotsachtige grond, klinkt het woord van de Heere: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10). En uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God (Galaten 2:16). Maar, Ik zal…

Ik zal, zegt God. Op grond waarvan? Vers 20 zegt: En het geschiedde des morgens, als men het spijsoffer offert. Toen het offer geofferd werd, toen! Ziet! Let erop! Toen deed God het! Uit genade. Door de weg van een onbegrijpelijk wonder. Toen ging er water stromen, door een onbekende weg. Door de weg van Edom kwam het, en het land werd met water vervuld.

In het leven van zulke mensen, die staan aan hun gegraven, droge, harde, onvruchtbare greppels, opengebroken ten diepste door het ontdekkende werk van God de Heilige Geest, in het leven van zulke mensen opent God op Zijn tijd Zelf de weg. Een voor ons eerst onbekende weg. En ook na ontvangen genade een weg waar we vaak zo ver vandaar waren. Gods weg, niet onze weg. Niet de weg van werken en verdienen. Maar de weg van het offer in Jeruzalem. De Statenvertaling vertaalt het in het Hebreeuws gebruikte woord met spijsoffer. Een offer zonder bloed, bestaande uit meel en olie, gebracht uit dank voor Gods liefde en goedheid. De King James vertaling vertaalt het Hebreeuwse woord met (letterlijk) vleesoffer. Een bloedig offer dus. Het is goed om te weten dat het betreffende Hebreeuwse woord voor meer soorten van offers gebruikt kan worden. Daarbij was het brandoffer het offer dat iedere dag om negen uur ’s ochtends als eerste geofferd werd. Het werd bereid met een spijsoffer, wat op dezelfde tijd werd gebracht (Exodus 29:40).

Dus, wanneer komt er water in de dorre vallei van Edom, in die open gegraven onvruchtbare, harde, droge en rotsachtige bodem in Edoms woestijn? Als het offerlam in Jeruzalem wordt geslacht. Er is genade, levend water, door de weg van het offer in Jeruzalem. Door de weg van het offer van Christus, het geslachte Godslam!

Jorams, zwaar maar onoprecht, half gereformeerd maar goddeloos, in de weg van het gebruik van de middelen, wordt u genade beloofd vanwege het offer in Jeruzalem. Want, zo zegt de HEERE: ‘Ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.’ U geldt de nodiging: ‘Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke (Johannes 7:37). En die dorst heeft, kome. En die wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17).’ Verlaat uw eigen vroomheid en dubbelhartigheid, verneder u en buig voor de Heere, en vraag en roep om dit wonder van eenzijdige Goddelijke genade! Water uit Edom, door de weg van het offer. Levend water, stromende uit de zijde van het geslachte Godslam! Geestelijk dode, onbekeerde Jorams, u die God van alles de schuld geeft en zelf maar niet in de schuld wil komen, luister! Zo zegt de Heere, midden in de zorgen en problemen waarin u zit: ‘O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven (Jesaja 55:1-3).’

Josafats, eerder dwalend, maar nu door het woord van de Heere terecht gewezen, graaf in uw droge en dorstige dal vele grachten. En, hoop op de Heere. Op het offer op Golgotha. Sla opnieuw een blik in de geopende wonden van uw Middelaar, in het geopende hart van uw gestorven Zaligmaker. Zie op Hem: Een van de krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit (Johannes 19:34).

Bloed tot verzoening van het weer opnieuw gaan van uw eigen, zelfgekozen, zondige wegen. Water tot heiliging, tot vernieuwing van dat altijd maar weer dwalende hart.

Tenslotte, gemeente, wie u ook bent, er blijft hoe dan ook altijd maar één grond over. Die ligt in God, in Hem Die wonderen doet. Er is onder de hemel één Naam gegeven tot zaligheid. De Naam van het Lam Gods. Zie op Hem en wordt behouden! En neemt Zijn juk op u, en leert van Hem, dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. En u zult rust vinden voor uw zielen (Mattheüs 11:29).

Amen.

Slotzang Psalm 99: 1 en 2:

God, de HEER, regeert; Beeft, gij volken, eert, Eert Zijn hoog bestel, Die bij Israël Tussen Cherubs woont, En Zijn grootheid toont; Dat zich d' aard bewege; Hij is Isrels zege.

God, die helpt in nood, Is in Sion groot; Aller volken macht Niets bij Hem geacht; Buigt u dan in 't stof, En verheft met lof 't Heilig Opperwezen; Wilt het eeuwig vrezen.