PREEK · VRIJE STOFFEN

De koning Salomo met de kroon - Hooglied 3

12 juni 2024

Hooglied 3:11: Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Sions, den koning Sálomo, met de kroon waarmede hem zijn moeder kroonde op den dag zijner bruiloft, en op den dag der vreugde zijns harten.

INLEIDING

In Hooglied 3 zien wij de bruid uit de woestijn opkomen, berookt met mirre en wierook — uit beproevingen gevoerd naar de bruiloftsdag. Maar luister wat vers 11 zegt: het is vooral de dag der vreugde Zijns harten — de dag waarin de Bruidegom Christus zich volmaakt verheugt over degenen voor wie Hij Zich heeft overgegeven.

THEMA

Op weg naar de Koninklijke bruiloft

KERNPUNTEN

  1. De komst van de bruid
  2. De komst van de Bruidegom
  3. De dag van de bruiloft

HOOGLIED 3:5-11

5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem, die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste.
6 Wie is zij die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?
7 Zie, het bed dat Sálomo heeft, daar zijn zestig helden rondom, van de helden Israëls,
8 Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts.
9 De koning Sálomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.
10 De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.
11 Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Sions, den koning Sálomo, met de kroon waarmede hem zijn moeder kroonde op den dag zijner bruiloft, en op den dag der vreugde zijns harten.

VOLLEDIGE TEKST

De koning Salomo met de kroon - Hooglied 3

ds. J. IJsselstein - Hooglied 3:11

THEMA

Op weg naar de Koninklijke bruiloft

Gemeente, wij overdenken in de dienst van het Woord van vanmorgen het tweede gedeelte van Hooglied 3. Hooglied 3, daarvan de verzen 6 tot en met 11. Ik lees u samenvattend nog het 11e vers van Hooglied 3 voor: Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! de koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op de dag der vreugde Zijns harten

Het thema van de preek van vanmorgen is: Op weg naar de Koninklijke bruiloft Er zijn drie aandachtspunten: 1. De komst van de bruid (dat ziet u in vers 6) 2. De komst van de Bruidegom (dat ziet u in vers 7 tot en met 10) 3. De dag van de bruiloft (het is u voorgelezen uit vers 11) Dus: op weg naar de Koninklijke bruiloft. Drie aandachtspunten: de komst van de bruid, de komst van de Bruidegom en de dag van de bruiloft. Als eerste:

1. De komst van de bruid

We lezen in vers 6: Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers? We zien hier in dit hoofdstuk een beeld wat we wel herkennen, hoewel het in Nederland heel anders toegaat, dan dat het destijds toeging in het oude oosten. Als er in Nederland een koninklijke bruiloft is, of als het de verjaardag is van de koning, dan zijn er voor dag en dauw al mensen die voor zichzelf het mooiste plekje uitgezocht hebben om de koning te zien. En hoe dichterbij hij komt, hoe meer mensen samendringen om een glimp op te vangen van de koning!

Zo is het ook hier. Het is alsof een menigte mensen staat te wachten op…? Op de stoet die daar in de verte aankomt. En als u verder leest, dan leest u ook wie daar staan te wachten. In vers 10 worden ze genoemd de dochters van Jeruzalem, in vers 11 de dochters van Sion. Die dochters van Jeruzalem zijn eerder in beeld gekomen, in hoofdstuk 1:5. Ze zijn beeld van mensen die ook, net als de bruid, gebracht zijn tot een nieuw leven met de Heere. Zij zijn ook kinderen van God. De liefde tot de Bruidegom is hen niet vreemd. Ze hebben

geestelijk leven, ze kennen geestelijk verlangen, maar er is in hun leven nog zoveel onwetendheid, zoveel gebrek aan kennis en ervaring.

Deze dochters van Jeruzalem, deze dochters van Sion, kijk ze eens kijken, kijk ze eens turen in de verte! Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers? Wie is de bruid, die we daar in de verte ontwaren? U voelt, er zit heel veel beeldspraak in wat nu volgt: die daar opkomt uit de woestijn? De bruid van Christus, beeld van Gods kinderen, zij komt op uit de woestijn. Het is een typisch Oudtestamentisch beeld. Het volk Israël kwam op uit Egypte, werd daar verlost uit slavendienst, en was op reis, op weg naar het beloofde Kanaän. Ze waren verlost uit de slavendienst van Egypte, uit de slavendienst van het leven in de zonde, ze waren gebracht tot een nieuw leven, maar ze kwamen niet direct in Kanaän aan. Er volgde een reis door de woestijn: een moeilijke reis, een zware reis, een reis vol van beproevingen.

Waarom? Dat was nodig. In Deuteronomium 8 zegt Mozes, terugkijkend naar die tijd in de woestijn, tegen het volk Israël: En u zult gedenken aan al de weg, die u de HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zou houden, of niet. En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat (Deuteronomium 8:2-3).

De woestijn, dat leven vol van moeite en aanvechting is nodig, om ons te leren… Een paar dingen: Om ons te leren te buigen. De Heere wil ons verootmoedigen. Om ons te leren Zijn geboden te houden. De Heere wil ons leven vernieuwen. Om ons te leren te eten van het manna, van het ware Brood uit de hemel. De Heere wil ons leren van genade te leven. En dus is de weg van Gods kinderen, de weg van de bruid van Christus, een weg door de woestijn. Ons pad gaat niet over rozen, maar wij moeten door veel verdrukkingen ingaan in het hemelse Kanaän (Handelingen 14:22).

Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren… Als de stoet dichterbij komt, is het beter te zien. Er is meer! Ze komt op uit de woestijn, en er stijgen rookpilaren op, rookpilaren van mirre en wierook. En die pilaren van de rook gaan kaarsrecht omhoog. Het woord dat gebruikt wordt, doet denken aan kaarsrecht groeiende palmbomen. Als rookpilaren. Het wijst terug naar hoe de Heere Zijn volk geleid heeft in de woestijn. Altijd was er overdag de wolkkolom, en in de nacht was er de vuurkolom.

Maar er staat nog iets bij: de bruid is berookt met mirre. Mirre, dat was een van de ingrediënten van de heilige zalfolie van de tabernakel. Die olie,

gemaakt met de zuiverste mirre, werd gebruikt om de hogepriester, de priesters, de offerplaats en de tabernakel te zalven (Exodus 20:23). En mirre is er ook bij de geboorte en bij de begrafenis van de Heere Jezus (Mattheüs 2:11, Johannes 19:39). Met andere woorden: alles van de bruid ruikt naar Christus, naar Zijn werk en verdienste, naar Zijn genade voor haar. Naar Hem, die Zichzelf voor haar heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk (Efeze 5:2).

Ze is berookt met mirre en wierook. Wierook, dat is in de Bijbel beeld van gebed, van het gebed dat als wierook opstijgt naar de troon van God, als een aangename geur voor de Vader in de hemel. Het is vooral beeld van de voorbede van Christus. De bruid ruikt naar mirre en wierook, naar Christus, naar Zijn verdienste en naar Zijn gebeden.

En ze ruikt naar allerlei poeder des kruideniers. Ze ruikt naar allerlei geurende soorten van parfum van een die verkopende handelaar. Dat wil zeggen: ze is door en door geheiligd, van zonden afgewassen en vernieuwd van hart. Dat is letterlijk aan alles te ruiken. Kijk, daar komt de bruiloftsstoet! Wie is dat toch? Wie is zij? Zo heerlijk, zo schoon, zo volmaakt?

Vindt u, gemeente, dit geen contrast met wat staat in hoofdstuk 1:5-6? Waar de bruid zei: Ik ben zwart (…), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen En nu zo! Wat schittert hier toch het werk van Gods genade in het hart van de bruid. Alles is anders geworden. En dat deed Hij: God! Dat is het werk geweest van de Geest van Christus. Het was God die haar verkoor, Die haar liefhad met een eeuwige liefde. Daar ligt de oorsprong, daar ligt het fundament, in de verkiezende liefde van de Vader. Ze is gewassen door het bloed van Christus. De Heilige Geest gaf haar leven, Hij vernieuwde haar hele bestaan. En nu…, nu ruikt ze naar Christus, naar mirre, en haar leven ruikt naar gebed, naar wierook. Het doet denken aan wat de vijanden van de Heere Jezus, de mannen van de Grote Raad later zeggen over Petrus en Johannes, die ongeleerde, eenvoudige vissers (maar het waren de bruidsjongens van Christus!); Lukas schrijft: zij verwonderden zich en kenden hen (je kon het aan ze ruiken), dat ze met Jezus geweest waren (Handelingen 4:13).

Hier zijn het niet de vijanden, hier zijn het de dochters van Jeruzalem. Ze staan aan de kant van de weg en zeggen: O, wat bent u mooi! Je proeft de verbazing, de verwondering in hun woorden, als ze zeggen: ‘wie is zij toch, voorheen zo zwart, maar nu zo schoon?’ Je proeft trouwens niet alleen hun verbazing en verwondering, maar je proeft ook hun verlangen: ‘wij zouden ook zo graag zo willen zijn, maar we missen nog zoveel. We missen nog zoveel kennis, zoveel inzicht, zoveel liefde en genade, als we kijken naar Gods kinderen, naar de bruid van Christus.’

Kent u iets van die verwondering en verbazing? Kent u ook iets van dat hartelijke verlangen? Luister dan. Want terwijl de dochters van Jeruzalem daar zo staan te staren, komt er ineens als het ware een stem uit de stoet, een stem uit de koets. Het is de bruid zelf, die roept naar de dochters van Jeruzalem (kijk maar in vers 4): Ziet! Het brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. De komst van de Bruidegom

Ziet! U kijkt naar mij, maar niet doen! U moet niet letten op mij, op de bruid, maar u moet letten op de Bruidegom! Kijk niet naar mij! Zoals Johannes de Doper van zich afwees, toen hij zei: Hij, Christus moet wassen, ik moet minder worden (Johannes 3:30). Dat is en blijft het constante getuigenis van de kerk, van al Gods kinderen. Niet: ‘kijk mij nu! Wat is mijn liefde toch groot, en wat is mijn getuigenis toch vrijmoedig en hartelijk.’ Nee! Maar dit, wat we zongen aan het begin van de dienst: Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer! (Psalm 115:1). U zij alle eer en lof gegeven! Nee, we zeggen, ook tegen u, dochters van Jeruzalem, beginnenden in het leven van de genade: Kijk! Kijk naar de Bruidegom! Hem hebt u nodig!

Hier wordt de Bruidegom nog aangeduid met Salomo. Maar we voelen al lezend dat de Bruidegom, dat Salomo (beeld van de hemelse Bruidegom Christus) in de ogen van de bruid steeds groter wordt. In vers 7 noemt ze hem Salomo. In vers 9 koning Salomo, en in vers 11 is hij nog groter: de koning Salomo die gekroond is. Maar ik zei u al, het gaat natuurlijk ten diepste hier om de meerdere Salomo, om de Heere Jezus Die zei: meer dan Salomo is hier (Mattheüs 12:42). Zeker, Salomo was koning, maar Christus is de Koning der koningen (Openbaring 19:16). Zeker, Salomo was wijs, maar in Christus zijn al de schatten van wijsheid en kennis verborgen (Kolossenzen 2:3). Zeker, Salomo was kunstig en verstandig in bouwwerken. Maar van Christus geldt: alle dingen zijn door Hem gemaakt (Johannes 1:3). Zeker, Salomo had een immens groot rijk. Maar Christus regeert van zee tot zee en van de rivier tot aan de einden van de aarde (Psalm 72:8).

En nu zegt de bruid van Christus, van Hem, in vers 7: Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël. Dit bed is geen gewoon bed, want het gaat niet om een slaapkamer, maar om een bruiloftsstoet. Dit bed is een draagstoel, een vergrote, een ruime draagstoel, waar iemand ontspannen in kan zitten, maar die ook als ligstoel geschikt wordt om in te rusten.

Als wij een bruiloft hebben, dan ontmoeten bruid en bruidegom elkaar bijvoorbeeld ‘s ochtends in het huis van de bruid, en dan gaat de dag beginnen. Maar destijds in Israël kon een bruiloft, zeker een bruiloft van een koning, voorafgegaan worden door een soms wel urenlang durende processie, een eindeloze rondgang in een stoet waarin beiden, de bruid en de bruidegom, meereisden. Overdag werd vooraan zo’n stoet wierook gebrand (de rookpilaren van vers 6), als het donker was werd de stoet begeleid met brandende toortsen of fakkels.

‘Dochters van Jeruzalem, kijk naar de draagstoel, naar de koets van de Bruidegom!’ Wat betekent die koets eigenlijk? Over het algemeen wordt gedacht: de koets is het Woord van God. Dochters van Jeruzalem, u moet klagen aan gebrek aan kennis en inzicht, u wilt ook zo graag de bruid van Christus zijn? Kijk naar de koets van de Bruidegom! Daar kunt u Hem vinden. Daar is Hij, nabij U, in het Woord dat wij prediken (Romeinen 10:8). Christus wordt voorgedragen in de draagstoel van het Woord van het Evangelie. Daarin wordt Hij in triomf rondgedragen, tot aan de einden van de aarde. Dat Woord gaat voorspoedig voort, en doet al wat Hem behaagt (Jesaja 55:11).

En dat Woord van Christus (en dat hebt u ook nodig, dochters van Jeruzalem), dat Woord van Christus neemt de bruid mee, uit de woestijn. Dat Woord heeft haar ontdekt aan wie ze van zichzelf was: zwart als de tenten van Kedar. Dat Woord heeft haar haar verlorenheid en eigen onvermogen om zichzelf te veranderen laten zien. Maar dat Woord (dat is het middel door God gegeven!) heeft haar ook tot Christus gebracht en in beginsel met Hem verenigd. En nu is ze op weg, in deze koets, naar de dag van haar huwelijk. Wilt u Christus hebben? Zoek Hem dan in het Woord!

Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël. Die koets, die draagstoel van Salomo, wordt bewaakt. Door zestig dappere helden, elitetroepen van het Koninkrijk der hemelen, erewachters van de Koning der koningen. De Bruidegom Zelf is in Zijn tijd op de aarde bewaakt door engelen, gedienstige geesten die Zijn Woord doen (Hebreeën 1:14). Maar ook de bruid wordt bewaakt door Hem. Hij zal niet toelaten dat iemand haar ooit zal rukken uit Zijn handen, of uit de handen van Zijn Vader (Johannes 10:28-29).

Daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël, die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts. De bruid wordt streng bewaakt, vanwege de schrik des ‘s nachts, vanwege het gevaar van het nachtelijke duister. Juist in tijden van beproeving, verzoeking, tegenspoed en zorg, wordt zij door de Bruidegom bewaakt en bewaard. Maar ook haar hele leven lang, want haar hele leven is een leven vol van schaduw en duisternis (2:17). De apostel Petrus schrijft later: de bruid wordt in de kracht Gods bewaard, door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard worden in de laatste tijd (1 Petrus 1:5). En de apostel Judas schrijft aan: de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn, en (en dan komt het) door Jezus Christus bewaard (Judas:1). Het doet denken aan de Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 14. Daar staat: Gelijk het nu God beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking van het Evangelie in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan (van dat Woord), mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften, en het gebruik van de heilige sacramenten.

En, zo vervolgt artikel 15: de bruid van Christus heeft haar (die leer van Gods bescherming en bewaring) altijd als een schat van onwaardeerbare prijs, zeer teer bemind en standvastig verdedigd. Zo staat het ook een Psalm 34:8: De engel des HEEREN legert zich rondom degenen die Hem vrezen en rukt hen uit. We gaan daar nu eerst samen van zingen uit Psalm 34, het vierde vers: Des HEEREN engel schaart Een onverwinb're hemelwacht, Rondom hem, die Gods wil betracht; Dus is hij wèl bewaard. Komt, smaakt nu en beschouwt De goedheid van d' Alzegenaar. Welzalig hij, die, in gevaar, Alleen op Hem betrouwt.

We lezen verder in vers 9: De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon. Hij heeft voor zich een koets gemaakt, beeld (zo zagen we eerder) van de Bijbel, van het Woord van God. En die koets is gemaakt van het hout van Libanon. Dat wil zeggen: duurzaam, onverwoestbaar. Het Woord van God blijft tot in eeuwigheid. Het is het eeuwig blijvende Evangelie (1 Petrus 1:23, 25).

Gemaakt van het hout van Libanon, met pilaren van zilver. Het Woord van de Heere is zuiver als zilver (Psalm 12:7). De vloer, het fundament van de koets is van zuiver goud. Ze is gegrond op het eeuwige verbond der genade. De gordijnen zijn van purper. Wat de bruid aan het oog onttrekt, wat haar bedekt is het bloed van de Bruidegom. Wat haar beschermt, is Zijn koninklijke heerschappij en macht. En het binnenste van de koets is bespreid met de liefde van de dochters van Jeruzalem. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19).

Wat dit alles, zo vol van beeldspraak, aan ons laat zien, is dit. a. In de eerste plaats de liefdevolle en overvloedige zorg van de Heere voor Zijn bruid. b. In de tweede plaats haar koninklijke staat. Ze komt weliswaar op uit de woestijn, maar ze is tot adeldom verheven. Later schrijft Petrus: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk(!) priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zou verkondigen de deugden Desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 2:9). c. Het toont in de derde plaats haar geestelijke schoonheid en haar veilig geleide door deze duistere wereld, begeleid door de elitetroepen van de Koning, d. En het toont in de vierde plaats haar eeuwige zekerheid, de zekerheid van de komende dag van haar bruiloft. Want de Koning Zelf heeft haar opgezocht. Hij Zelf heeft haar gewassen door Zijn bloed. En Hij Zelf neemt haar mee in Zijn koets, in de koets van het eeuwig blijvende Woord.

En wie in die koets kijkt naar de vloer, naar het fundament, naar de bodem, die ziet: het is vast! Want daar ligt op de bodem het goud van Gods eeuwige trouw, het goud van Zijn verkiezend welbehagen.

En als de bruid dat alles ziet, overrompeld door de schoonheid van de Koning, door de vastheid van Zijn werk, verlangend uitziend naar de dag van de volkomenheid, naar de dag van haar bruiloft, dan roept ze uit… We gaan het zien in vers 11, in onze derde gedachte:

3. De dag van de bruiloft

Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! de Koning Salomo, met de kroon, waarmee Hem Zijn moeder kroonde op de dag Zijner bruiloft, en op de dag der vreugde Zijns harten. Dochters van Sion, u die door de Heere pas gebracht bent op de weg van het leven, beginnenden in de genade, ga uit en zie de Koning Salomo, met de kroon waarmee Zijn moeder Hem gekroond heeft.

In het oude oosten werd de koning, bij zijn bruiloft, gekroond. Bij de Grieken en Romeinen was de kroon van bladeren en bloemen. Bij de Israëlieten was de kroon van zuiver goud. Salomo is op de dag van zijn bruiloft gekroond door zijn moeder Bathseba. Zal de Heere Jezus zo op de dag van Zijn hemelse bruiloft gekroond worden door Zijn moeder Maria? Zou dat de betekenis zijn? Nee, u voelt, dat kan de bedoeling niet zijn.

Moeder is in de Bijbel vaak beeld van de Kerk. Denkt u maar aan vers 4 van Hooglied 3: Ik bracht Hem, de Bruidegom, in het huis van mijn moeder. De Kerk zelf is de kroon en de glorie van Christus. De Kerk zelf zal Hem, de Bruidegom, kronen! (Openbaring 19:12) De Kerk is in zekere zin ook de ‘moeder’ van Christus. Hij, de Messias, kwam voort uit de boezem van de kerk, geboren uit de maagd Maria (Openbaring 12:1-5). En de kerk heeft, zo zegt Paulus in Galaten 4, ook kinderen voor Hem voortgebracht (Galaten 4:19). En nu, nu de dag van de bruiloft gekomen is, de grote dag van de uiteindelijke vereniging tussen de Heere Jezus en al Zijn kinderen, nu zetten zij de kroon op Hem! Zijn bruiloftsdag zal de dag van Zijn kroning zijn, de dag van Zijn heerlijkheid en glorie. Als allen, voor wie Hij de hemelse glorie verliet, voor wie Hij Zijn bloed stortte, voor wie Hij de dood inging, uiteindelijk (vanwege Zijn trouw!) de hemel zullen binnengaan. Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien en verzadigd worden (Jesaja 53:11), verzadigd van vreugde en blijdschap. Dan zullen al Gods kinderen Hem kronen, en de kronen werpen aan de voeten van het Lam (Openbaring 4:10).

Wat een zeldzaam contrast. Komend uit de slavendienst van de zonde. Verlost door een uitgestrekte en machtige arm (Psalm 136:12). Komend uit de woestijn, uit de hitte van de verdrukking, uit moeite, tegenspoed en verachting, de versmaadheid van Christus liever gehad dan de schatten van Egypte (Hebreeën 11:26), een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen (1 Korinthe 4:9), maar dan…

Dan, zo zingt Psalm 45, zal des Konings dochter inwendig geheel verheerlijkt zijn, en haar kleding zal zijn van gouden borduursel (Psalm 45:14). Dan, zo zegt Jesaja: zal zij een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN, en een koninklijke hoed (een koninklijke kroon) in de hand haars Gods (Jesaja 62:3). Paulus zegt: dan wordt de bruid heerlijk voorgesteld, een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, (…) heilig en onberispelijk (Efeze 5:27). En de apostel Judas schrijft: hier op aarde is zij door Zijn machtige hand voor struikelen bewaard, dan onstraffelijk gesteld voor Zijn heerlijkheid, in vreugde (Judas 1:24). Dan bekleed met de klederen des heils, met de mantel van Zijn gerechtigheid (Jesaja 61:10).

Waar en hoe zullen wij onze dank en verbazing, onze verwondering dan uiten? We zullen zeggen: de kroon, Heere…? Die is voor U! Want U hebt het gedaan. Het is door U en door U alleen, om het eeuwige welbehagen.

Het is de dag van onze vreugde, de dag van de vreugde van de bruid van Christus. Jazeker, dat ook. Maar het zal vooral zijn de dag van de vreugde van Zijn(!) hart (3:11). Hier op aarde was het verlangen van Christus naar Zijn bruid veel sterker dan haar verlangen naar Hem. Hier op aarde was de liefde van Christus voor Zijn bruid veel sterker dan haar liefde voor Hem. En ook nu is de vreugde van Christus veel groter dan haar volmaakte vreugde. Dit is de dag van Zijn vreugde!

Hier is de vervulling van Psalm 104: De Heere verheugt Zich in Zijn werken (104: 31), als Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidt (Hebreeën 2:10) Dit is de dag van de vreugde van Christus. Hier is de vervulling van Jesaja 62:5: Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.

Wat is dat toch onbegrijpelijk! Ja, dat wij ons verheugen over de Heere en Zijn genade… Maar, nu verheugt God Zich over Zijn werk, nu verheugt de Bruidegom Zich over Zijn bruid. De gedachte aan deze dag ondersteunde Hem vroeger al in Zijn lijden: de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus (heeft), voor de vreugde (voor deze vreugde, voor de vreugde van de gedachte aan deze dag!), die Hem voorgesteld was, het kruis verdragen, de schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God (Hebreeën 12:2).

Moet u, o bruid van Christus, als Hij zo uitziet naar deze dag, moet u dan ook niet meer uitzien naar deze dag? Naar de dag waar Christus Zelf zo naar uitziet? Waarvan Jesaja ooit profeteerde: Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap (Jesaja 61:10)?

Moet u, o bruid van Christus, dan ook niet uitzien naar deze dag? Naar de dag waar Christus Zelf zo naar uitziet?

En…, moet u niet treuren, moet u niet verschrikken, u die deze liefde en dit verlangen, u die deze Bruidegom niet kent? Gemeente, zonder Christus is niemand op reis naar de hemel. Zonder Christus bent u op reis naar de hel. Geloofde u dat maar, dan zou u hier niet zo rustig, zo onbewogen zitten en doorleven. Maar ik klaag met Christus: nu is het verborgen voor uw ogen (Lukas 19:42). Maar weet dit en geloof het toch (en het is mijn gebed dat de Heere u daarvoor zal bewaren) zonder persoonlijke kennis van deze Christus, van deze Bruidegom, wordt deze dag voor u geen trouwdag. Zonder kennis aan deze Bruidegom, Christus Jezus, wordt deze dag voor u geen trouwdag, maar de dag van de voltrekking van uw vonnis. Geen trouwdag…, maar de dag van de voltrekking van uw vonnis…!

Deze liefdevolle Bruidegom zal u, onbekeerden, vijanden van het kruis van Christus, vijanden van de Koning der koningen verpletteren. Hij zal u verpletteren met een ijzeren scepter. Hij zal u (letterlijk) in stukken slaan als een pottenbakkersvat (Psalm 2:9).

Nu dan, kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen (Psalm 2:12).

Want op onze weg, hoewel omringd door veel duisternis en verdrukking, worden Gods kinderen veilig beschermd en bewaard. En onze aankomst is zeker, op de dag van Zijn vreugde en blijdschap. Dan zal ook onze blijdschap, door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen (Psalm 68:2, ber.).

Amen.

Slotzang Psalm 89:8:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.