7 juni 2023
Hooglied 2:10: Mijn Liefste antwoordt en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.
INLEIDING
In Hooglied 2:8-13 is de gemeenschap met Christus verduisterd: niet in werkelijkheid, maar in de beleving van de bruid. Dan komt Christus zelf, springend over alle bergen die scheiden, uit eenzijdige, verkiezende liefde. Stap voor stap nadert Hij – achter de muur, door het venster, blinkend door de tralies – en roept met gezag én tederheid: sta op en kom! De winter is voorbij, Zijn werk is begonnen, al is de vrucht nog maar pril. Toch blijft het stil: er komt geen antwoord.
Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
HOOGLIED 2:8-14
8 Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.
9 Mijn Liefste is gelijk een ree of een welp der herten; zie, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën.
10 Mijn Liefste antwoordt en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.
11 Want zie, de winter is voorbij; de plasregen is over, hij is overgegaan.
12 De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
13 De vijgenboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.
14 Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Hooglied 2:10
THEMA
Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
Gemeente, wij overdenken in deze week van voorbereiding samen met elkaar het gedeelte dat ons voorgelezen is uit Hooglied 2, namelijk de verzen 8 tot en met 13. Daar lezen we het woord van God als volgt: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën. Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom! Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land. De vijgenboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!
Gemeente, in de verzen hiervoor heeft de bruid, beeld van Gods Kerk, iets bezongen van de schoonheid van de Bruidegom, van haar liefde tot Christus. Ze is overweldigd door Zijn liefde, en daardoor kwam er in haar hart nog veel meer verlangen naar Hem. En ook de vrees dat die nauwe verbinding, dat die gemeenschap met Christus door haar zonden verstoord zou raken. Hij, de Bruidegom, hield haar, de bruid (het is beeldend taalgebruik) in Zijn armen. Zo dichtbij, zo in Zijn nabijheid… Maar nu, in vers 8, blijkt dat dat kennelijk voorbijgegaan is.
Tijden van hartelijke verbondenheid, van liefdevolle nabijheid, van gemeenschap met Christus kunnen korter of langer duren, maar ze gaan voorbij. Het kan zijn dat Christus Zich terugtrekt, in Zijn wijsheid, in Zijn soevereine vrijheid, en dat tot ons nut. Bijvoorbeeld om ons te leren meer te geloven, ook al zien en voelen we niet meer. Maar het kan ook zijn dat onze zonde, onze liefde tot de wereld (tot een andere liefste, er is een derde in het spel), dat die de nabijheid met Hem verstoren, zodat Hij Zich onttrekt.
Dat is de achtergrond van vers 8, waar de bruid uitroept: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! Ziet u, daar is afstand gekomen, daar is scheiding gekomen. Daar zijn bergen en heuvels…
Er kan na aanvankelijke licht duisternis zijn, na aanvankelijk leven dodigheid zijn, na aanvankelijke hartelijke liefde nu liefdeloosheid en gerustheid zijn. De gevoelige ervaring van de nabijheid van de Heere (‘het is mij goed om nabij God te zijn’) is weg. En het kan zijn dat dat in het hart van Gods kinderen grote ongerustheid veroorzaakt en een ernstig verlangen, maar het kan ook zijn dat er ondanks de ervaren afwezigheid van Christus zoveel rust, gerustheid en gelatenheid is in ons hart.
Maar dan, op Gods tijd, wat blijkt dan? Dat, wat in het eerst van het beginnende leven van de genade ook bleek: Ik heb u levend gemaakt, daar u dood was in de misdaden en de zonden. Dat was Mijn, dat was Gods werk (Efeze 2:1En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;). Zo ook nu, als de Heere Zelf de donkerheid, de duisternis en de dodigheid in het leven van Zijn kinderen doorbreekt en tot hen komt. Want, horen we iets van uitziend verlangen, van een bezorgde roep van de bruid? ‘Kom, Heere, kom mij te hulp, houdt U niet ver van mij?’ Nee! Maar toch komt Hij. Alles schittert van eenzijdige liefde, van liefde die enkel voortkomt uit God, uit Hem alleen, voortkomend uit de bron van Zijn eeuwige, verkiezende liefde. God heeft goede gedachten, gedachten van welbehagen gehad met deze bruid, en daarom gaat Hij haar opnieuw trekken met koorden van liefde.
Als Hij komt, dan roept zij. Dat is de volgorde! Er zijn zoveel mensen die denken: als ik uitroep ‘Hij is van mij’, dan komt Hij. Nee! Het is andersom! Als Hij komt (dat eerst!), dan roept zij: Dat is de stem van mijn Liefste! Ziet Hem!
Er is een periode geweest (vandaar de roep van verbazing: dat is Zijn stem!), er is een periode geweest dat zij Zijn stem niet meer hoorde. Er is een periode geweest dat alles zo stil geworden was in haar leven. Het Woord sprak niet meer zoals voorheen. Het leven was er zo uit. En nu komt Hij! Nu komt Hij terug en roept zij: dat is Zijn stem! Het doet denken aan wat de Heere Jezus zei in Johannes 10:27Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.: De schapen horen Mijn stem, en Ik ken (dat is het eerste: Ik ken) dezelve, en zij volgen Mij (dat komt als tweede).
Dominee Alexander Comrie zegt ergens (ik citeer): In de genade van het geloof is een zekere (…) kennis en genegenheid aan Jezus (…) waaruit de kleine en zuigeling in de genade Hem van alle anderen kent en onderscheidt. En: Er is iets in de ware gelovigen, waardoor zij aan Hem zo gewend zijn, dat zij kunnen zeggen: Deze is mijn Liefste (…)! Zodra Christus zei tot de vrouw: Maria, kende zij Hem, zij wilde zich in Zijn armen werpen en Hem omhelzen. Zij roept: Rabbouni, Meester!
Dat is de stem van mijn Liefste. Je voelt de aangedaanheid van haar hart. Je voelt de verwondering: ik ben het zo onwaardig! Ik was het waard, dat Hij nooit meer naar mij zou omkijken, Ik ben het waard, dat Hij nooit meer naar mij terugkeert. O, hier wordt alle hoogmoed, zelfgenoegzaamheid en tevredenheid afgewezen.
Maria zong het: Die hoog zijn van gevoelen, heeft Hij verstrooid, verward (Lz Maria:4). Het zijn de in zichzelf onwaardigen, het zijn de armen, het zijn degenen die zichzelf beschuldigen moeten van zoveel ontrouw, het zijn de gebutste bloemen, de geknakte lelies, die uitroepen: Dat is Zijn stem! Ziet Hem!
Ziet Hem! Hoe gaat Hij alles en iedereen te boven. Wat een Zaligmaker! Wat een trouw, wat een liefde! Ziet Hem, Hij komt, springende over de bergen, huppelend over de heuvelen! Het is een uitroep van de bruid die een paar dingen vooronderstelt en inhoudt.
a. Deze uitroep veronderstelt in de eerste plaats dat er een grote afstand was tussen de Bruidegom en de bruid: heuvels en bergen. Niet in werkelijkheid, want het hart van Christus is nooit gescheiden van Zijn Kerk, de wederzijdse band wordt nooit gebroken. Hij laat nooit los, wat Zijn hand begon, Hij laat nooit varen de werken van Zijn handen (Psalm 138:8De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.). Maar er was wel een grote afstand in het ervaren van het hart van de bruid, in het voelen in haar binnenste.
b. Deze uitroep ‘Hij komt, Hij springt, Hij huppelt’, geeft in de tweede plaats aan dat alles van Hem komt. En de bergen en heuvels waarover Hij springt en huppelt, zijn kennelijk als niets voor Hem. Hij springt en huppelt er overheen. Het geeft aan hoe eenvoudig het is voor Hem. Voor ons zijn het bergen, niet te overzien, maar voor Hem is het geen enkele belemmering.
c. Het geeft iets weer ook, dat huppelen en springen, van de opgewektheid, van de blijdschap in het hart van Christus, als Hij de Zijnen weer opzoekt. Hij is het (onbegrijpelijk wonder!) die Zich verblijdt in Zijn bruid. Hij is het, die grotelijks begeert om tot hen te komen. Ons verlangen verdwijnt in het niet bij Zijn verlangen.
d. Dit komen van Christus, dit springen en huppelen over de bergen en de heuvels, zegt ook iets over de snelheid waarmee Hij komt: springend en huppelend (2 Samuël 2:18Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeën, die in het veld zijn.).
e. Het zegt ook iets van de sierlijkheid en de schoonheid van Zijn komen. Als in triomf, sierlijk springend als een mannelijk hert.
Dat komen van Christus, dat gaat van Hem uit. De bruid ziet Hem pas, als Hij over de berg is. Maar daarvoor was Hij al onderweg. Een gescheiden Christus is een komende Christus, ook al zien we Hem nog niet. Maar we weten (dat mag ons tot troost zijn, als de Heere ooit in ons leven gekomen is, maar nu afwezig lijkt te zijn), dat Hij zal terugkomen. Hij heeft immers gezegd: Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weder tot u (Johannes 14:8Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.).
Het mag ons wel dringen tot het gebed van de dichter van Psalm 70: Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast(!) U tot mij; U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet! (Psalm 70:6)
Laat het ons, gemeente, in deze week van voorbereiding dringen tot het gebed van Jesaja: Och, dat U de hemelen scheurde, dat U nederkwam, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten (dat wil zeggen: smelten) (Jesaja 64:1Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;). Met de bede, dat de Heere Zelf zal waarmaken, wat Zacharia ooit profeteerde: Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult u worden tot een vlak veld; want hij zal de hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelve! (Zacharia 4:7Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!) De Heere is het Zelf, die bergen en heuvelen vlak maakt. Hij huppelt en springt over alle belemmeringen, die wij in eigen kracht onmogelijk kunnen bedwingen.
Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën (vers 9). Als Hij komt, dan komt Hij (om zo te zeggen) in drie stappen.
Stap 1. Hij staat achter onze muur… Een huis in het oosten had destijds vrij open vensters, soms met traliewerk of rasterwerk ervoor. En nu, zo zegt de bruid, staat Hij achter onze muur. Zij zit binnen. Hij staat buiten. Ze ziet Hem niet, want daartussen, tussen hen beiden, is een muur. Wat een troost is dit voor een arm, ongetroost kind van God, wandelend in duisternis, zonder licht. Het innerlijk ervaren van Zijn liefde en genade kan voor ons gevoel zo ver weg zijn, terwijl Hij in werkelijkheid zo dichtbij ons is. Maar we zien Hem niet. Hij staat achter onze muur. Achter de muur van onze zonden, achter de muur van onze liefde tot de wereld, achter de muur van onze liefde tot onszelf, staat Hij. Hij wacht om genadig te zijn. Je krijgt al lezend het gevoel: Hij verstopt Zich, buiten het huis, onzichtbaar… Zoals wij, grote mensen, ons weleens verstoppen voor onze kleine kinderen, terwijl we zachtjes roepen: ‘Zoek me dan…!’ ‘Mijn kind, zoek Mij dan! Ik ben zo dichtbij! Stap 1: Hij staat achter onze muur…’
Stap 2. Dichterbij nog: kijkend uit…, of: kijkend door de vensters. Nog steeds gescheiden, maar wel dichterbij. Met een vaste en doordringende blik kijkend, heel persoonlijk en vriendelijk…
Stap 3. Nog dichterbij: met twinkelende, fonkelende ogen, blinkend door de traliën, door het houten rasterwerk van het venster, met een vriendelijke en liefdevolle blik.
Achter onze muur, kijkend door het raam, nog beter zichtbaar: blinkend door het rasterwerk van het venster. Het laat zien dat er verschil is, dat er meer en minder is in het
leven van Gods kinderen. Voor sommige van Gods kinderen kijkt Hij door het venster, voor anderen staat Hij achter de muur. Maar het kleinste, het minste leidt al tot de uitroep van verwondering: Ziet Hem!
Die van dichtbij kijkende ogen van God en Christus, die zien we vaker in de Bijbel. Denkt u maar aan de belofte van Psalm 32: Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (32:8). En de dichter van Psalm 34 zegt: De ogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep (34:16). En wat denkt u van de geschiedenis van de verloren zoon? Lukas schrijft: En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag(!) hem zijn vader (hij zag hem!) en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem (15:20). En wat denkt u van Nathanaël in zijn verborgen gebed? De Heere Jezus zei tegen hem: Eer u Filippus riep, daar u onder de vijgenboom waard, zag Ik u (Johannes 1:48Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.). En wat denkt u van de ogen van Jezus, die de ogen van Petrus ontmoetten in de zaal van Kajafas: En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren (Lukas 22:61En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.).
O, wat is het een grote genade in ons leven, als Christus tot ons komt, springend en huppelend over al onze bezwaren heen, als Hij staat achter onze muur, of van dichterbij kijkt door onze vensters. Nee, de tijd van de volkomenheid, de tijd van de volmaaktheid is nog niet aangebroken. Het is en blijft allemaal ten dele. Maar als we een glimp mogen zien van Hem, als we iets mogen ervaren van de vervulling van de belofte van Jesaja ‘uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid’ (Jesaja 33:17Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien.), dan zingen we het uit met de bruid: U bent veel schoner dan (wie dan ook van) de mensenkinderen, want genade is op uw lippen uitgestort (Psalm 45:3Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.). Laten we daar samen eerst van zingen uit Psalm 45, daarvan het eerste vers. Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen; Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft; Is ze als de pen van een, die vaardig schrijft. Beminnelijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven, Gaat al het schoon der mensen ver te boven; Genâ is op uw lippen uitgestort, Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.
We lezen samen verder in vers 10: Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom! Mijn vriendin, Mijn schone. U bent van Mij, u bent Mijn eigendom. Ik heb u gekregen van Mijn Vader, Ik heb u gekocht met de kostbare prijs van Mijn Eigen bloed. Hoort u trouwens hoe persoonlijk het is? Mijn Liefste sprak tot mij. U kunt het niet doen met het geloof van een ander. Het is echt een persoonlijke zaak. We horen het ook in de woorden van Paulus, als hij schrijft aan de gemeenten in Galatië:
Hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij(!) liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij(!) overgegeven heeft (Galaten 2:20Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.).
Sta op, Mijn vriendin, Mijn liefste, Mijn schone. Het valt op dat er helemaal niets veranderd is aan de liefde van Christus. De liefde van de bruid is onderhevig aan verandering. Soms is die liefde levend en sterk, soms is ze ingezonken en lauw. Maar de liefde van de Bruidegom, de liefde van Christus blijft. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde (Johannes 13:1), Zijn liefde is onveranderlijk (Hebreeën 13:8). Hij staat achter onze muur, kijkend door het raam, blinkend door het venster, en zegt Sta op en kom!
a. Het is in de eerste plaats een oproep die kracht bijgezet wordt door hoe Hij haar aanspreekt. Hij noemt haar Mijn liefste. Al Mijn liefde is voor u. Ik heb Mijn leven voor u gezet. Sta op en kom. Hij noemt haar Mijn schone. Want ondanks uw ontrouw, en hoewel uw leven besmet is met zoveel zonde, toch zie Ik iets in u van Mijn werk en van Mijn genade: als een lelie… Verlaat en vergeet uw volk en uw vaders huis (Psalm 45:11). Verlaat de wegen van de zonde, uw liefde tot de wereld, het rusten in uw eigen werken, verlaat uw tevredenheid met wat eens geweest is. Sta op en kom! Kom tot Mij, o alle gij dorstigen, kom tot de wateren (Jesaja 55:1O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!). Kom tot Mij, u die vermoeid en belast bent, Ik zal u rust geven (Mattheüs 11:28Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.).
b. Het is het de tweede plaats een oproep vol van het verlangen van Christus naar Zijn bruid. Het is geen uitroep van verlangen van de bruid naar de Bruidegom, maar het is een uitroep van Zijn verlangen naar haar. De Heere heeft nooit gezegd: ‘u hebt grotelijks begeerd om het avondmaal met Mij te houden’. Maar wel: ‘Ik heb grotelijks begeerd om met u te eten’. Sion is van God begeerd (Psalm 132:13Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:; Lukas 22:15). Het is een oproep vol van liefde, bewondering en verlangen: Mijn vriendin, Mijn liefste, Mijn schone, sta op en kom.
c. Maar het is in de derde plaats ook een roep met autoriteit, een oproep met gezag, met een stem als van een machthebbende: Sta op en kom! Zoals Hij voor het eerst Zijn kinderen opwekte uit het graf van hun zondedood, dood door de misdaden en de zonden (Sta op! En die de stem van de Zoon van God gehoord hebben, die zullen leven, Johannes 5:25Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.), zo komt Hij ook steeds weer opnieuw in het leven van Zijn kinderen. Zo komt Hij opnieuw in onze dodigheid, in onze dodigheid, in ons rusten, in onze tevredenheid, in onze donkerheid en duisternis en zegt: Sta op en kom! Letterlijk zegt Hij: Kom weg! Ga weg van daar! En kom tot Mij! Zoals Jeremia profeteerde in Jeremia 3: Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen.
Sta op en kom en zeg: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God! (Jeremia 3:22)
Want… en dan komt de reden in vers 11,12 en 13: Ik ben gekomen tot u! U zocht Mij niet, maar Ik zocht u! Ik ben gevonden door degenen die naar Mij niet gevraagd hebben, door degenen die Mij niet gezocht hebben (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). En daardoor (dat is de reden om op te staan!): zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan. Voorheen was er een tijd van ijzige koude, een regentijd, een wintertijd. In die tijd toen u iets zag van het getrokken zwaard van Gods toorn tegen uw zonden. U moest zeggen met Jesaja: Heere, ik verga, want ik ben een man van onreine lippen, een man met een onrein hart (Jesaja 6:5Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.). Want wie zal bestaan voor Uw koude (Psalm 147:17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?). Maar nu, nu is er een andere tijd aangebroken. Nu is de wintertijd, nu is de regentijd voorbij. Ik heb verzoening aangebracht. Uw schuld is uit Gods boek gedaan, de hitte van Gods gramschap is geblust.
Gods kinderen kennen in het leven van hun hart koude wintertijden. Ons hart kan zo koud, zo dood en onvruchtbaar zijn. Terwijl door onze ziel een stille huivering gaat, vanwege onze zonden, vanwege onze liefde tot de wereld, vanwege de oppervlakkigheid in ons dagelijkse leven, vanwege ons gebrek aan liefde, gemis en verlangen, Terwijl ondertussen de oproep van de apostel ons niet onbekend is: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem (1 Johannes 2:15Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.). Koude wintertijden… totdat…, totdat Christus opnieuw tot ons komt. Totdat Hij opnieuw tot ons komt, ons leven zuivert, onze liefde tot de wereld breekt en ons hart weer laat ontvonken in liefde tot Hem. En dat breekt er voor het eerst of opnieuw een zachte lente aan. Als we (…) door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods (dat is de oorsprong, het komt bij God vandaan!) bezocht worden door de Opgang uit de hoogte (of, zoals er letterlijk staat: door de opgaande zon) (Lukas 1:78door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;). De Heere geve ons, gemeente, in het bijzonder in deze week van voorbereiding, en persoonlijk en in ons gemeenteleven, dat er voor het eerst of opnieuw zo’n geestelijke lente mag aanbreken.
De winter, de regentijd is voorbij. Nu komt de tijd van de lente. Leest u maar mee in vers 12: De bloemen worden gezien in het land. Gods Kerk wordt vaak vergeleken met een tuin. Gods kinderen worden vaak vergeleken met planten, met bloemen. Geplant aan waterbeken (Psalm 1:3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.), geplant in het huis des Heeren (Psalm 92:14Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.), geplant als een edele wijnstok (Jeremia 2:21Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok?), als een lelie onder de doornen (Hooglied 2:2). Denkt u ook maar aan Jakobus, die schrijft: Ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt (Jakobus 1:21Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.).
Hoe droevig, hoe doods alles er voorheen ook uitzag, maar het gekrookte riet is niet verbroken, de rokende vlaswiek is niet uitgeblust (Jesaja 42:3Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.). De Zon der gerechtigheid
gaat stralen (het komt van Hem!). En ineens wordt het zichtbaar: Mijn liefste u bent in Mijn oog als een lelie onder de doornen (Hooglied 2:2).
De bloemen worden gezien in het land, en de zangtijd genaakt. Voorheen was er zuchten en geween. De dichter van Psalm 30 zegt: Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid, des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich (30:6) Gejuich en gezang, vanwege? Vanwege Zijn opzoekende liefde! Want: Hij heeft mij uit een ruisende kuil opgevoerd (Psalm 40:3En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.). Gejuich en gezang vanwege de wegen des Heeren, zoals de dichter zingt van Psalm 138: En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot (Psalm 138:5).
De bloemen worden gezien, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land. Deze trekvogel, het is een andere duif dan de duif in de kloven van de rots uit vers 15, deze trekvogel, de tortelduif is weer terug in het land. Haar koeren is het eerste teken van de lente.
En ook (vers 13): de vijgenboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Nee, het zijn nog geen rijpe vruchten. Laten we niet zo zelfverzekerd en trots zijn, denkend dat onze levensboom vol rijpe vruchten hangt. De winter is net voorbij, en steeds gaan die seizoenen door, niet één keer, maar steeds weer. En dus is er nog maar een klein beginsel (zondag 44, HC), een onrijpe vijg, een bloesem aan de druivenstronk.
Maar het is tot blijdschap van…? Van de bruid? Ja, ook, zeker, maar vooral ook van de Bruidegom! Het is Christus die hier Zijn Eigen werk prijst. Het begin van de eerste vrucht wordt gezien.
En dus klinkt opnieuw (want de bruid is ondertussen nog steeds niet opgestaan en naar buiten gekomen!), en dus klinkt opnieuw de klop op de deur van haar hart: Sta toch op, Mijn vriendin, Mijn schone en kom toch! Blijf niet zitten in de zonde, blijf niet hopen op uw werken, blijf niet rusten op wat in het verleden (misschien al wel jaren geleden) was, verlaat uw liefde tot de wereld, vergeet uws vaders huis, en kom tot Mij!
Maar, kinderen van God, laten we treuren van schaamte en ons hoofd buigen vanwege zoveel liefdeloosheid. Want: Er komt geen antwoord… O, huil met mij in uw hart, vanwege zoveel gerustheid, vanwege zoveel gebrek aan liefde en verlangen van onze kant. ‘Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!’
Maar het blijft stil…
Amen.
Slotzang Psalm 132:9,10:
Want Sion is van God begeerd, 't Wordt met Zijn woning hoog vereerd; "Hier", sprak Hij, die het al beheert, "Hier zal Ik wonen naar Mijn lust; Hier is in eeuwigheid Mijn rust."
'k Zal Sions, 'k zal der armen spijs, Hier zegenen op de ruimste wijs; Hier zal Ik, Mijnen naam ten prijs, De priesters met Mijn heil bekleên, En 't volk doen juichen weltevreên.
Andere preken over Hooglied
Andere preken voor Voorbereiding