17 juli 2015
Psalm 84:4: Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jonkskens legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning en mijn God.
INLEIDING
David, verhinderd om naar de tabernakel te gaan, ziet in gedachten mussen en zwaluwen die daar wél wonen, en zijn ziel bezwijkt van verlangen naar God. De verachte mus vindt een huis, de zwaluw bouwt haar nest van gestold offerbloed vlak bij het altaar - juist voor zulke onaanzienlijke schepsels is daar plaats. Zo is er, alleen door het bloed van het Lam, ruime plaats bij God voor verloren zondaars, wier lege handen niets meebrengen dan hun schuld en verlangen.
Wonen bij het altaar
PSALM 84:1-9
1 Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm voor de kinderen van Korach.
2 Hoe lieflijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!
3 Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
4 Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jonkskens legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning en mijn God.
5 Welgelukzalig zijn zij die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
6 Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.
7 Als zij door het dal der moerbeziebomen doorgaan, stellen zij Hem tot een Fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.
8 Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
9 HEERE, God der heirscharen, hoor mijn gebed; neem het ter ore, o God Jakobs. Sela.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 84:4
THEMA
Wonen bij het altaar
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de preek van vanmiddag, in deze periode van vakantie gaat niet over een kamer in een vijfsterren hotel met uitzicht op de bergen, op de zee of op de oceaan, maar het gaat vanmiddag over een kamer met uitzicht op het altaar. De tekst kunt u vinden in Psalm 84:4Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!, een vers dat we samen met elkaar gaan lezen: Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!
Het thema voor de preek is: Wonen bij het altaar
Er zijn twee aandachtspunten, we letten op: 1. Een huis voor de mus 2. Een nest voor de zwaluw Als eerste dus:
Kijk eens in gedachten, jongens en meisjes, zie je al die mensen op weg? In kleine groepjes, maar die kleine groepjes worden steeds groter… Al die mensen zijn op weg naar de tabernakel. Ze zingen, ze zijn blij. Maar, niet iedereen is blij, niet iedereen kan blij zijn. David bijvoorbeeld: wat zou hij graag naar de tabernakel gaan, maar het kan niet. Hij wordt achterna gezeten, waarschijnlijk door koning Saul, opgejaagd als een schrikkerig vogeltje.
En dat doet David heel veel verdriet. Dat hij niet mee kan naar de tabernakel. Dat herken je vast ook wel. Iedereen gaat mee op schoolreis, maar jij bent ziek. Je hebt er een heel jaar naar uitgezien, maar uitgerekend op die ene dag, ben je ziek en beroerd. Of je hebt de hele week op school gezeten en uitgerekend op zondag… ben je ziek… Nou, zeg je, dat komt goed uit, dan kan ik een keertje thuis blijven... Zeker, dat kan nodig zijn als je echt ziek bent… Bij David is het ook echt nodig. Het kan echt niet anders. Anders wordt hij gevangen genomen. Maar, hij is er niet gelukkig mee.
Want in zijn hart is verlangen, groot verlangen naar de tabernakel, naar de plaats waar de Heere woont. We zouden zeggen: naar Gods huis, naar de kerk.
Je hoort er David ook van zingen in de psalmen die wij vanmiddag zingen: in Psalm 42, in Psalm 63, en ook deze Psalm 84: Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heerscharen. Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN, mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Hoe liefelijk! Niet: zo liefelijk, maar: hoe liefelijk. Dat wil zeggen: ik heb er eigenlijk geen woorden voor om te beschrijven hoe lief ik de plaats van Uw woning heb. Omdat? Omdat U daar woont. Mijn hart verlangt naar U in een land dor en mat, zonder water.
Je snapt, met zo’n verlangen kost het je zondags geen moeite om je bed uit te komen. Met zo’n verlangen heb je geen klokgelui nodig om wakker te worden. Met zo’n uitzien en verlangen in je hart, is de zondag zeker geen saaie dag, die je door moet zien te komen met een beetje ontspanning en met een hele lange middagdut…
Misschien zit u, misschien zit jij wel met zo’n verlangen in de kerk. Met het verlangen om hier de Heere te mogen ontmoeten, om hier woorden te mogen horen uit de mond van de levende God. Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God! Niemand weet het, niemand ziet het, maar het is wel waar: mijn hart schreeuwt tot U. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar U. Wanneer zal ik ingaan en voor Uw aangezicht verschijnen? Of… verlangt je hart (terwijl je nota bene in Gods huis bent) naar allerlei andere dingen? Niet naar God, maar naar plezier, naar geluk, naar gezelligheid?
Jongens en meisjes, wanneer ga je naar iets verlangen? Als je verlangt naar drinken, dan is het omdat je dorst hebt. Als je verlangt naar eten, dan is het omdat je trek hebt. Als je verlangt naar liefde, dan is dat omdat je weinig liefde ervaart. Als je verlangt naar rust, dan is dat ongetwijfeld vanwege al de zorgen en problemen van je leven. Je zegt: ik verlang naar een lieve vriend of vriendin. Omdat ik iets mis, alleen ben ik niet compleet. Verlangen wil zeggen: er is iets dat ik niet heb, ik voel een lege plek.
Want als je maag gevuld is, dan heb je geen honger. Als je leven vol is van liefde die je krijgt, dan heb je geen behoefte aan meer. Je hebt genoeg. Als je leven vol is van de dingen van het leven van nu, dan heb je genoeg. Of ons leven nu vol is van plezier of van zorgen, van nature is in ieder geval het vol met van alles en nog wat. En dus is er geen verlangen naar God. Want verlangen, dat wil zeggen: er is leegte, ik mis iets.
En nu zegt David: Heere, ik mis U! Kent u, ken jij dat gemis? Het is een heel eenvoudig kenmerk van het leven met de Heere, dat je zegt, dat je voelt in het diepst van je hart: Heere, ik mis U! Nee, niet: ‘ik heb U! Want ik heb U toch gekozen? En dus bent U voor eens en altijd mijn
eigendom, dat ik trots kan laten zien aan iedereen: kijk, ik heb Jezus!’ Nee, het leven met de Heere wordt (en dat kom je overal tegen in de Bijbel) gekenmerkt, niet door bezit, maar door gebrek, door verlangen, door uitzien. Zoals Jesaja zegt in Jesaja 40: die de HEERE verwachten, die zullen de kracht vernieuwen. Zoals de dichter zegt van Psalm 34: die de Heere zoeken, die hebben geen gebrek aan enig goed.
Van nature zijn wij geen missende mensen. Van nature is ons hart wel leeg van God. Maar toch hebben we van onszelf geen verlangen, geen honger, geen dorst. Kijk eens, jongens en meisjes, naar je eigen hart. Is daar verlangen naar God? Of, is er wel leegte, maar toch geen verlangen? Zie dan toch wat je mist! Je voelt geen leegte, omdat je hart geestelijk dood is. Hij voelt geen honger en geen dorst, omdat in je ziel geen leven is. Of, is er in je hart wel leegte, en tegelijkertijd ook uitzien en verlangen? Dan lijkt je hart op het hart van de dichter van deze psalm. Kijk dan vanmiddag maar heel goed met hem mee.
Wat doet dat verlangen met de dichter van Psalm 84? Zijn verlangen brengt hem in gedachten bij de tabernakel. Als je verlangt naar vakantie, dan zie je soms van tevoren al levensecht je vakantie voor je. Als je verlangt naar rust, naar liefde, naar een lieve vriend of vriendin, dan zie je het soms ineens voor je, alsof het al zover is. En zo is dat ook bij David. Hij verlangt naar de Heere, hij verlangt naar de tabernakel. En dan is hij in gedachten ineens bij de tabernakel. Dan ziet hij ineens die groepjes mensen zingend aankomen bij de plaats waar de Heere woont. Kijk, daar komen ze! Hoe vrolijk gaan de stammen op, naar Sions Godgewijde top.
Zie je hem in gedachten staan? Kijk, hij kijkt als het ware om zich heen… en dan… dan ziet hij iets bijzonders… Als hij daar zo in gedachten bij de tabernakel staat, dan ziet hij daar niet alleen mensen, maar ook vogels. Sterker nog: de mensen komen en gaan. Ze komen en gaan weer naar huis. Maar de vogels in de lucht vliegen rond. Die mogen blijven. Die wonen bij God…
Kijk nog even wat beter mee. Hij ziet een mus. Letterlijk staat er: een vogeltje. Zelfs een vogeltje vindt bij U een huis. Zo groot is het verlangen van David, dat hij met jaloezie kijkt naar zo’n vogeltje, dat zo dicht bij de tabernakel woont. Misschien moeten we denken aan de gewone mus, zoals we die ook kennen. Een vogel die graag leeft en woont in de buurt van mensen. Misschien, dat kan ook, moeten we denken aan een zangvogeltje. Aan een vogeltje dat in een kooitje werd gehouden, zoals wij dat ook nog steeds doen met onze kanaries of andere zangvogels.
Zeker, de kinderen van Korach, zij waren de zangers bij de tabernakel. Maar ze konden niet altijd zingen. Maar een zangvogel, die zingt altijd door.
Je hebt vast wel eens zo’n zangvogel horen zingen. Bijvoorbeeld die kanarie in dat kooitje bij opa en oma. Dat beest zingt altijd door. Het stopt nooit met zingen. Soms gaat zo’n beest zo lang door, dat je geneigd bent om een handdoek over de kooi heen te leggen, terwijl je denkt: ‘beest, hou toch op, houd toch je snavel…tje.’ David ziet in gedachten zo zingend vogeltje, dat rusteloos de lof van zijn Schepper bezingt.
En dat doet denken aan… aan het paradijs. Daar konden en mochten wij mensen rusteloos en zonder ophouden de lof van onze Schepper bezingen. Maar we hebben het niet gedaan. We zijn opgestaan tegen onze Schepper en Maker en sindsdien zwijgt onze mond. Ja, onze mond is vol van heel veel dingen, maar vooral van onszelf en van de dingen van de wereld. Misschien ook wel vol van godsdienst. Maar in ieder geval niet van God. Paulus zegt het heel scherp in Romeinen 3: 4, als hij zegt: onze mond is vol, jazeker, maar vol van vervloeking en bitterheid. Als David die vogeltjes hoort zingen bij de tabernakel, dan voelt hij het ongetwijfeld: ik heb gezondigd, mijn mond kan zo de lof van mijn Schepper niet meer bezingen. En dat is niet Uw schuld, Heere, maar dat is mijn schuld. Want ik heb tegen U gezondigd.
Misschien heeft David zo’n zangvogeltje voor ogen gehad. Misschien ging het, dat kan ook, om gewone mussen. Een mus is een eenvoudig en veracht beest. Worden er niet twee voor een penning verkocht, worden er niet vijf voor twee penningen verkocht? Vijf halen, vier betalen dus. Verachte beesten waren en zijn het. Zie je David in gedachten staan bij de tabernakel? Je ziet hem kijken naar die kooitjes met die zangvogeltjes, naar de mussen die daar rondvliegen… Iedere dag zijn ze er weer. Ze komen dichter bij het heiligdom dan menig priester. Overdag zijn ze voortdurend bezig, zijn ze drukken in de weer, en ‘s nachts slapen ze bij de huizen van de priesters of bij de tabernakel zelf.
Als David die mussen ziet, dan voelt hij een hevig verlangen in zijn hart. Dan zegt hij: mijn ziel bezwijkt van verlangen. Wat zou hij graag dagelijks, iedere dag, zo dicht bij de tabernakel, zo dicht bij de Heere leven. Wat zou hij graag, net als die vogels, altijd zo de lof van de Heere willen bezingen! En… wat komt daar in zijn leven toch weinig van terecht... Kent u, ken jij dat verlangen? Dat verlangen om dagelijks zo dicht bij de Heere te leven?
Kan dat eigenlijk wel? We zijn toch bij de Heere weg gegaan? Kan het ooit nog wel goed komen? Het is waar, als de Heere je daar iets van laat zien, dan zie je dat het onmogelijk is om als zondaar bij Hem te kunnen wonen, om als zondig mens in Zijn nabijheid te kunnen verkeren. Immers God, onze God is heilig. Dan kan er wel verlangen zijn in je hart (want de Heere trekt aan je hart met koorden van liefde), maar er is ook de onmogelijkheid. En de bange vraag in je hart: is er nog wel een weg? Is het niet, door mijn eigen schuld, hopeloos geworden met mij? Is er nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en tot genade te komen?
Ja, zegt de catechismus, die weg is er, maar God wil dat aan Zijn recht genoeg gedaan wordt.
Kijk ondertussen nog even naar die mussen, want er ligt nog een andere boodschap in die vogeltjes. Het zijn verachte vogels. Mussen zijn geen lust voor het oog. Het zijn geen ooievaars, het zijn geen kraanvogels, het zijn grijze mussen. En ze dragen zeker niet zichtbaar bij aan de heerlijkheid van de tabernakel. Je zou bijna zeggen: ‘misschien is het wel beter als er niet zouden zijn. Ze bevuilen het terrein, die prachtige doeken van de tabernakel.’ Maar toch, ze worden niet verjaagd. Ze wonen bij Gods huis.
Ziet u, wie er welkom zijn bij de Heere? Ziet u, wie er bij Hem mogen wonen? Dat zijn de verachten. Mensen die door anderen veracht worden, en mensen die zichzelf vooral verachten. Mensen die helemaal niets kunnen bijdragen aan de heerlijkheid van de tabernakel. Weet en geloof, gemeente, dat de Heere het verlorene zoekt. Hij zoekt geen vromen en rechtzinnigen, Hij zoekt verloren mensen, vijanden, zondaars. Mensen die van zichzelf helemaal niets hebben. Mensen die zichzelf diep moeten schamen. Ze hebben ook geen mond om de lof van de Heere te bezingen. Hun mond zwijgt. Vanwege hun zonden, vanwege het besef van hun schuld. Ze hebben eigenlijk niets anders om te zeggen dan: Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig. Maar juist tegen zulke mensen zeg ik: wanhoop niet. Want hier staat: de mus (juist die verachte mus!) vindt een huis bij God!
Als ik tegen jou zeg: jij vindt een huis, dan betekent dat twee dingen. Jij vindt, dat wil zeggen: jij hebt gezocht. Maar het wil ook zeggen: er was een huis, dat was er al, dat stond klaar.
U die God zoekt, luister! De Heere Jezus Christus is ten hemel gevaren, opdat (zo zingt Psalm 68) zelfs het wederhorig kroost (mensen die niet naar Hem luisteren, die nooit naar Hem geluisterd hebben) bij Hem zou kunnen wonen. Bij Hem is plaats voor wederhorigen. Hij ontvangt zondaars en eet met hen.
Er is plaats bij God, door Christus, voor de verachten mussen, voor verloren zondaars. Nee, bij God is geen plaats voor eerzuchtige adelaars, die op zoek zijn naar aanzien en eer. Bij God is geen plaats voor gulzige kraaien, die alles naar zich toe graaien en steeds maar meer en meer willen hebben. Bij God is geen plaats voor wijze uilen, die alles weten en altijd alles beter weten. Bij God is geen plaats voor roofvogels, die kleine vogeltjes opeten. Maar bij God is plaats, ruim plaats, overvloedig plaats voor mussen. Die verachten mussen, die mogen wonen bij de tabernakel. Daar genieten ze rust, veiligheid, de nabijheid van de Heere en het gezelschap van elkaar.
Hoe kan dat? Hoe kan een mens, die van nature dood, geestelijk dood, vijandig en opstandig is, wonen bij de Heere? Hoe, waarom kan zo’n verachte mus wonen bij de tabernakel? Dat kan ten diepste alleen maar om Hem, die klagen moest: de vossen hebben holen, de vogels des hemels nesten, maar Ik heb niets om het hoofd op neer te leggen. De Zoon des mensen heeft Zich vrijwillig vernederd, vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen hebbende, om door Zijn bloedstorting op Golgotha verloren zondaars terug te brengen tot het huis van de Vader, met zijn vele woningen. Van het werk van Christus, van dat offer spreekt in het bijzonder het tweede beeld: een nest voor de zwaluw. Maar laten we samen eerst zingen uit Psalm 84:2. Zelfs vindt de mus een huis, o HEER, De zwaluw legt haar jongskens neer In 't kunstig nest bij Uw altaren, Bij U, mijn Koning en mijn God, Verwacht mijn ziel een heilrijk lot; Geduchte HEER der legerscharen, Welzalig hij, die bij U woont, Gestaâg U prijst en eerbied toont.
Ons tweede aandachtspunt:
We zien David in gedachten nog steeds bij de tabernakel. Zag hij zangvogeltjes, zag hij alleen mussen, of beiden? Hoe dan ook, hij ziet ook een zwaluw die een nest gebouwd heeft, als hij zingt: de zwaluw vindt een nest voor zich bij Uw altaren.
Zwaluwen zie je niet overal. In het bos zie je geen zwaluwen. Zwaluwen zie je in de buurt van huizen en schuren. Ze plakken hun nesten tegen balken, in hoeken of kleine openingen. Kunstig is zo’n nest gemaakt. Het is niet direct mooi, maar wel heel knap gebouwd. Zelden zie je zwaluwen op de grond. Eigenlijk alleen als ze bezig zijn om hun nesten te maken. Dan zie je ze op de grond, vaak in de buurt van plassen, op zoek naar natte, kleverige klei of leem. Ze zoeken vochtigheid om hun nest te kunnen boetseren met kluitjes van leem of klei. Daar maken ze een soort van ondiepe modderkom van, die ze binnen bekleden met veertjes. Uiteindelijk wordt het een soort halve bol, met een opening om in- en uit te vliegen.
Maar, u begrijpt, de tabernakel en de wijde omgeving ervan, die werden natuurlijk netjes schoongehouden. Daar waren geen modderpoelen, daar was geen natte klei. En toch maken de zwaluwen een nest voor zich bij de tabernakel: bij uw altaren. Met andere woorden: heel dicht bij het altaar! Misschien was het tegen de rand van het brandofferaltaar? Maar waarschijnlijk moeten we vooral denken aan de bovenrand van de tent der samenkomst en aan de huizen van de priesters.
Nesten, gemaakt van…? Ja, waarvan eigenlijk? Van modder, klei of leem? Maar waar moesten ze dat dan vandaan halen? Nee, waarschijnlijk was het iets anders waar ze hun nest van boetseerden. Van iets dat ook langzaam indroogt en hard wordt: van geronnen bloed. Het is waarschijnlijk dat het bloed dat van het altaar stroomde, mede nestmateriaal vormde voor de zwaluwen. Zij bouwden hun huis met bloed, bekleden het aan de binnenzijde met veertjes, en als ze door de opening van een nest naar buiten keken, dan keken ze uit op het altaar. Dat was hun huis! Jongelui, als je voor deze vakantietijd een huisje zoekt, dan kan je een advertentie tegenkomen waarin staat: ‘voor geluksvogels, een houten huisje, met uitzicht op de zee!’ Maar hier wonen zwaluwen (en dat is het echte geluk in deze wereld), in een nest waarschijnlijk gemaakt van gestold bloed, met uitzicht op het altaar.
Trouwens, over uitzicht gesproken, weet je nog? In het paradijs hadden wij een huis (door God gemaakt en aan ons gegeven) met uitzicht op de hof van Eden. Maar door de zonde van Adam, ons verbondshoofd, zijn wij allemaal dat huis uit gejaagd. Dat huis is voor ons onbewoonbaar geworden. We zijn er uitgestuurd, we zijn er uit gezet, want wij hebben God op het hoogst misdaan en zijn van het heilspoor afgegaan.
En sindsdien leven we in een huis met uitzicht op… een verloren paradijs. Zeker, je kan er blijven wonen. Er zijn genoeg mensen in de wereld die wonen in wat wij zouden noemen een onbewoonbaar huis. U kan blijven wonen waar u woont, met plezier zelfs, rustig wonen in uw huis, rustig uw eigen godsdienst bedrijven, maar… weet u wel het gevaar van het huis waarin u woont? Dat huis is levensgevaarlijk! U leeft in een ruïne, het dak staat op instorten, en boven u hangt rechtvaardige toorn van God. Want het oordeel is uitgesproken, hoewel de voltrekking van het vonnis voor een moment is uitgesteld. Voor een dag, een week, een maand, een jaar? Ik weet het eerlijk gezegd niet. U ook niet. Hoe gevaarlijk is het huis van een onbekeerd hart!
De mus vond een huis, de zwaluw bouwde een nest van bloed bij de tabernakel. Zij woonden bij de Heere. Maar hoe moet het toch verder met u? Met u die nooit gezien hebt uw ellendige toestand buiten God? Met u die nooit gezien hebt, dat uw zonde scheiding maakt tussen God en uw hart? Met u die nooit uitziet en verlangt naar een huis bij God, die zondaren met Zichzelf wil verzoenen? De mus vond een huis en de zwaluw materiaal voor haar nest, maar u zult ook een woning vinden voor uzelf, als u zo doorgaat zonder God en buiten God. Maar dan geen woning bij God. Want Hij zal zeggen tot degenen die aan Zijn linkerhand zijn: gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is. Dat is de werkelijkheid van uw leven: ook voor u is een woning bereid. Tot in alle eeuwigheid zal het huis van de duivel en zijn engelen ook uw huis zijn.
De zwaluwen kunnen bij het altaar leven dankzij het bloed dat daarvan stroomt. Dankzij het bloed dat zonder ophouden vloeit van het altaar, dankzij al die brandoffers. Dat geeft iedere zwaluw genoeg materiaal om een nest van te bouwen.
Nog een keer de vraag: Hoe kan een mens weer wonen bij God? Dat kan alleen door het bloed van het offer. Zonder bloedstorting is er geen vergeving, is er geen plaats bij God. Misschien is er in uw hart wel verlangen naar God. Maar u voelt: bij de Heere wonen, kan dat wel? Als u ziet op uw zonden, dan niet, dan kan het niet, dan kan het nooit meer. Als u ziet naar uw eigen gerechtigheden, dan kan het ook niet. Het is aan onze kant een verloren zaak. U wilt misschien nog hopen op uw liefde, op uw ijver, op uw tranen en gebeden, maar Samuel Rutherford zei ooit: ‘zelfs onze tranen moeten gewassen worden door het bloed van Christus.’
Alleen dankzij de offers woonden de zwaluwen bij de tabernakel. Alleen dankzij het offer van het Lam, van het Lam Gods, Christus Jezus, is er plaats bij God voor verachte en hinderlijke mussen en zwaluwen. Christus is het enige Offer, het Lam Gods. Zijn Goddelijke natuur, zo schrijft Thomas Boston, was het altaar, Zijn menselijke natuur was het offer, dat werd aangestoken en aangeblazen door de toorn van God. En zo is Hij met Zijn bloed ingegaan voor het aangezicht van Zijn Vader, die Zijn offer volkomen heeft aanvaard. En alleen door dat bloed is er plaats, is er woning bij God voor zondaars, voor goddelozen, voor rechtelozen. Voor mensen die geen weg meer zien, voor mensen die alles kwijt zijn en hun lege handen uitstrekken naar God.
Ja, er is zelfs plaats bij God voor verharde en dode zondaren. Alleen, erken uw ongerechtigheid dat u tegen de Heere uw God hebt overtreden. Kom toch, verloren zondaars: hier, bij het altaar, is redding, behoud en verzoening voor uw hemelhoge schuld. Buig toch aan de voeten van de Zaligmaker, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hij kwam niet alleen voor ontdekte zondaars, voor mensen die zoeken en die verlangen. Want dat alles is geen werk van mensen, dat alles is Zijn werk. Al verlangt u helemaal niet, kom dan toch. Hij moge u door genade brengen. Vraag Hem dan om leven, vraag Hem dan om gemis en verlangen. Vraag Hem dan om een huis bij God, met zicht op het altaar.
Zo leefde het in het hart van de dichter: mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar Uw altaren. Ja, want zo mag je het eigenlijk ook lezen. De zwaluw vindt een nest bij, maar je mag ook lezen naar Uw altaren. En dan staat er dus eigenlijk: Mijn hart bezwijkt van verlangen naar Uw altaren. Ik verlang ernaar om het bloed van de offers te zien, dat stroomt van de altaren. Ik verlang ernaar om één blik te slaan op het offer, het enige, laatste en volkomen offer: Jezus Christus. Eén blik tot verzoening, maar ook steeds weer opnieuw. Ik verlang ernaar om bij het altaar te wonen. Want ik heb het steeds weer nodig om op het altaar, om op het bloed te zien. Opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding.
Heere der heerscharen, mijn Koning en mijn God. Tot twee keer toe staat daar het bezittelijke woordje: mijn. Misschien denkt u: dat klinkt nogal bezitterig: mijn. Maar toch is dat ‘mijn’ taal van het geloof. Het geloof zelf is een lege hand, die niets heeft dan alleen maar zonde en schuld. Maar in mijn zielsellende zie ik, met een gebroken oog het altaar. En ik strek mijn lege hand uit, roepend en met tranen, terwijl ik zeg: ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp. Ik strek mijn lege hand uit tot U, mijn Koning en mijn God. Alleen van U verwacht mijn ziel een heilrijk lot! Mijn Koning en mijn God. Niet dus omdat ik enig recht heb, maar omdat U Zichzelf wilt wegschenken aan zondaars die geen rechten hebben.
Wie ooit op die plaats gekomen is (ik heb niets, maar alles is in mijn Koning en in mijn God), die wil daar nooit meer weg. Die wil daar altijd blijven, die wil daar wonen. Welgelukzalig is hij die bij U woont!
Misschien is het in het verleden zo bij u geweest, dat u kon zeggen en geloven: ‘mijn Koning en mijn God.’ In de nood van uw leven leerde u een blik slaan op het altaar, en met Thomas mocht u uw vinger door het geloof in de zijde van de Heere leggen, en belijden: mijn Heere en mijn God. Maar nu is uw hart misschien weer zo vol van verlangen naar andere dingen. Zo vol van al het andere en zo leeg van God.
En wat blijkt dan steeds weer opnieuw, dat we uit onszelf geen verlangen hebben. Als het daarvan afhing, dan was het ook een verloren zaak. God Zelf is de Enige, Die dat verlangen in ons hart werkt. Roep dan maar opnieuw, als een zondaar, of Hij u leeg wil maken, en opnieuw verlangen en uitzien wil wekken in uw hart. En laat ons tegelijkertijd voorzichtig wandelen. Want we weten dat juiste dingen van deze wereld en de zonde van ons hart ons wegtrekken van het altaar.
Daar, bij het altaar, had de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legde. Nog even dat laatste: de zwaluw legt haar jongen bij het altaar. Bij het altaar zorgt ze voor haar jongen, ze houdt ze warm, ze brengt ze groot, en haar huis heeft uitzicht op het altaar. Daaraan denkend wil ik eindigen met drie opmerkingen, één aan het adres van Godvrezende ouders, één aan het adres van goddeloze ouders, en één aan het adres van jongeren)
a. Ouders die God vrezen, zie hier de troost voor uw vroeg gestorven kinderen. Misschien gestorven in de moederschoot, of als kleine kinderen weggenomen door de dood, maar u mag zich getroost weten. Ze waren gelegd in een nest gemaakt van bloed met zicht op het altaar. U hoeft, zeggen onze Dordtse Leerregels, niet te twijfelen aan hun verkiezing en zaligheid. Misschien zijn uw kinderen al groter geworden. Richt hun blik zoveel u kan op het altaar. Als het niet kan, als ze inmiddels nog groter zijn, als ze niet meer willen, als ze weg zijn
van de kerk, richt dan zelf maar uw eigen blik op het altaar. En zie op de vastheid van het verbond, dat vastgemaakt is in het bloed van het Lam, denkend aan de woorden van Psalm 89, waar God zegt: Ik zal niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden.
2. Ouders die God niet vrezen, zie het gemis van uzelf en misschien ook wel van uw kinderen. U woont niet bij het altaar, en dus bent u ook niet in staat om uw kinderen uitzicht te bieden op het altaar. U bent te beklagen en zij ook. Maar kijk, er is plaats bij het altaar: ruim en overvloedig. Kom dan met uw verloren leven en met de verloren levens van uw kinderen. Bukkend en buigend voor de Heere. Er is geen betere plaats op de aarde dan die plaats.
3. Jongeren, je groeit op rond de tabernakel, hier in de kerk. Daar is altijd heel veel drukte en gezelligheid, maar de vraag is: heb je ooit voor jezelf een blik geslagen op het altaar? Op het bloed van het Lam, op het bloed van de Heere Jezus Christus, tot vergeving van je zonden? Ja, want je leeft wel heel dichtbij, maar je kunt desondanks aan alles voorbij leven. Je leeft bij het Woord van de Heere. Dat Woord is dichter bij je, dan dat het altaar was bij de zwaluwen. Je hebt het vast, je houdt het in je hand, je weet het in je gedachten en je hoort er iedere dag uit. Maar niet vergeten: je kan met het Woord in je hand verloren gaan. Je hebt het bloed nodig, het bloed van het altaar, het bloed van het Lam Gods, de Heere Jezus Christus. Je hebt vergeving nodig van je zonde en schuld. En dus: kijk niet de andere kant op! Stop je oren niet dicht! Ga niet door! Maar kom, buk en buig aan de voeten van Hem, de Heere Jezus, die Zichzelf gegeven heeft voor zondaars. Belijd Hem je verlorenheid en schuld. Kinderen, bid en je zal gegeven worden, zoek en je zal vinden, klop en de deur zal voor je worden opengedaan.
Dit geldt u allen: Zoek de HEERE, terwijl Hij te vinden is; roep Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Hij vermenigvuldigt het vergeven!
Amen.
Slotzang Psalm 42:1,3
't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEER; God des levens, ach, wanneer Zal ik naderen voor Uw ogen, In Uw huis Uw naam verhogen?
O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Want Gods goedheid zal uw druk Eens verwisselen in geluk. Hoop op God, sla 't oog naar boven; Want ik zal Zijn naam nog loven.
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Heilige Doop