PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 21: Christelijke Kerk, gemeenschap heiligen (serie 1)

Zondag 21 · 19 december 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 21 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus worden het wezen, de leden en de voorrechten van de Kerk behandeld. De Zoon van God vergadert, beschermt en onderhoudt door Zijn Geest en Woord een uitverkoren gemeente in enigheid van het geloof. De leden hebben gemeenschap met Christus en al Zijn gaven, en zetten deze gewillig in ter zaligheid van elkaar. Om de genoegdoening van Christus vergeeft God al hun zonden en zondige aard, schenkt Hij hen Zijn gerechtigheid en bevrijdt Hij hen van het eeuwige oordeel.

THEMA

De Kerk, het lichaam van Christus

KERNPUNTEN

  1. Wat is dat voor een Kerk?
  2. Wie vormen de Kerk?
  3. Wat heeft die Kerk ontvangen?

ZONDAG 21

Vraag 54: Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?
Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.

Vraag 55: Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?
Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

Vraag 56: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?
Dat God, om des genoegdoens van Christus' wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 21: Christelijke Kerk, gemeenschap heiligen (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 21

THEMA

De Kerk, het lichaam van Christus

Gemeente, aan de beurt om te behandelen uit de Heidelbergse Catechismus is Zondag 21. Drie vragen en drie antwoorden die wij nu eerst samen gaan lezen.

Vraag 54. Wat gelooft u van de heilige algemene Christelijk Kerk? Antwoord: Dat de Zoon van God uit het ganse menselijk geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware geloof, van het begin der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

Vraag 55. Wat verstaat u door de gemeenschap der heiligen? Antwoord: Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.

Vraag 56. Wat gelooft u van de vergeving der zonden? Antwoord: Dat God om des genoegdoens (dat wil zeggen: om de genoegdoening, om de betaling) van Christus’ wil al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmee ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

Tot zover Zondag 21. Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: De Kerk, het lichaam van Christus

Drie punten zijn er, die samenvallen met de drie vragen en antwoorden van Zondag 21. Het eerste punt gaat over de vraag: Wat is dat voor een Kerk? Je zou ook kunnen zeggen: wat is het wezen van de Kerk? Dat staat in vraag en antwoord 54.

Het tweede punt gaat over de vraag: Wie vormen de Kerk? Wie zijn de leden van die Kerk? We lezen het in vraag en antwoord 55.

En het derde punt gaat over de vraag: Wat heeft die Kerk ontvangen? Wat zijn de voorrechten, de zegeningen van die Kerk? We lezen het in vraag en antwoord 56.

Dus: De Kerk, het lichaam van Christus. Drie vragen, drie punten: 1. Wat is dat voor een Kerk? 2. Wie vormen de Kerk? 3. Wat heeft die Kerk ontvangen? Als eerste dus:

1. Wat is dat voor een Kerk?

Je zou ook het tegenovergestelde kunnen vragen: Wat is de Kerk niet? Want er zijn op dit punt nogal wat verschillende meningen. Is de Kerk hetzelfde als ons kerkverband? Wij als Gereformeerde Gemeenten en daarbuiten deugt het niet? Is onze gemeente de Kerk, hier in [plaatsnaam]? Wij, de Gereformeerde Gemeente in [plaatsnaam] en daarbuiten deugt het niet? De kerk, je eigen gemeente, je eigen kerkverband verheerlijken, daar trots op zijn, dat is echt gevaarlijk! Dat gebeurde ook al in de tijd van de profeet Jeremia. Toen waren er mensen die zeiden: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel zijn deze! (Jeremia 7:4). Maar daarna ging het helemaal verkeerd met die tempel, met die gemeente. Het is niet voor niets dat Paulus schrijft in 1 Korinthe 4: Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet ontvangen hebt? Wat hebt u, dat u niet uit genade gekregen hebt? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u (wat bent u trots), alsof u het niet ontvangen had? Alsof u het allemaal zelf gemaakt of verdiend hebt? (1 Korinthe 4:7).

Dat is het ene gevaar: je eigen gemeente, je eigen kerkverband verheerlijken, en daar (al dan niet stiekem) trots op zijn. Er is, aan de andere kant, ook een ander gevaar. Namelijk dit gevaar, dat je denkt of zegt: ‘Er klopt hier in de kerk, in onze gemeente zoveel niet. Elders is het veel beter, daar is de waarheid veel zuiverder, daar voel ik me meer thuis, daar ben ik meer onder mijn soort mensen. Dat voelt beter, dat past beter. Maar hier in [plaatsnaam], daar is het zo zus, daar is het zo zo.’ Een schop geven tegen je eigen kerk.

Is er dan niets mis met de kerk? Ja, zonder twijfel. Hier bij ons ook. Maar dat wil niet zeggen dat je die kerk, die gemeente met al haar gebreken een schop moet geven en dat je vervolgens moet gaan kiezen voor je eigen smaak en voor je eigen voorkeur. Dat is echt tegen de Schrift! En volgens de Catechismus die voor ons ligt, heeft dat ook niks te maken met het Bijbelse denken over kerk-zijn. De Bijbel roept ons (leden en doopleden) op om, hoewel er veel mis kan zijn met de kerk en veel mis is met ons en onze gemeente hier, de Bijbel roept ons toch op om de onderlinge bijeenkomsten, de onderlinge samenkomsten, niet na te laten (Hebr. 10:25). En hoewel er heel veel mis was in de gemeente van Korinthe, dringt Paulus er toch op aan

om in die gemeente (na indringend zelfonderzoek, dat is waar!) het Avondmaal te blijven vieren.

Dus niet de kerk verheerlijken. En, de gemeente ook niet verachten. Want? Wat is de reden? Dat we daar zo naar, dat we daar zo verdrietig van worden? Nee! Hierom, dit is de reden: omdat binnen die zichtbare kring van de gemeente (die je met je eigen ogen ziet, ook nu vanmiddag in de kerk), omdat binnen die zichtbare kring van de gemeente, Christus Zijn Eigen gemeente bijeenbrengt. Dat is de Kerk (zoals we zeggen) met een grote K, met een hoofdletter: de onzichtbare kring van de oprecht gelovigen, van de kinderen van God, van de mensen die een nieuw hart hebben gekregen. Het is de Koning van de Kerk, de Heere Jezus Christus, Die ook daarom deze gemeente hier in [plaatsnaam] samenroept, onderhoudt, in stand houdt en bewaart.

De Kerk is van de Koning van de Kerk. De Kerk is van Jezus Christus. En daarom mag je de kerk niet verheerlijken, als was die van jezelf. En daarom mag je de kerk ook niet verachten en verlaten, want daarmee beledig je de Koning(!) van de Kerk. Uit deze gemeente hier in [plaatsnaam], en uit heel veel andere gemeenten verzamelt (en daar gaat het over in deze Catechismuszondag) de Heere Christus Zijn Eigen Kerk. Hij brengt die Kerk bij elkaar. En over die Gemeente, over die Kerk, met een grote K, over die onzichtbare kring van Gods kinderen gaat het hier, als het gaat over de heilige, algemene, Christelijke Kerk.

Die Kerk is heilig. Niet zonder zonde. Want in het leven van Gods kinderen, en dat weet u, is nog heel veel zonde en heel veel kwaad. Maar ze worden heilig genoemd en ze zijn heilig omdat ze, zo zeggen we, in Christus zijn. De heiligheid van Christus wordt hen toegerekend, die wordt aan hen gegeven. Ze zijn als een nieuw takje ingeplant in de wijnstok, in de Heere Jezus Christus. En omdat de wijnstok, omdat de wortel, omdat de Heere Jezus Christus heilig is, zijn ook de nieuwe takken heilig. Het is een heilige Kerk.

En het is een algemene Kerk. De Kerk van Gods kinderen wordt niet begrensd door de grenzen van ons kerkverband, door de grenzen van ons land of van onze taal. De Kerk is algemeen. Die is te vinden in allerlei soorten van kerkverbanden, in allerlei landen. Het is een wereldwijde Kerk.

En het is, in de derde plaats, een christelijke Kerk. En u voelt: daar komt het tot de kern van de zaak. Die Kerk is van de Heere Jezus Christus. Hij is het Hoofd, Hij is de Eigenaar van de Kerk. Daar is niets van ons mensen bij. De Kerk is van Christus, de Koning van de Kerk.

Sinds wanneer? In antwoord 54 staat dat die Kerk van eeuwigheid door de Vader is uitverkoren. Als je daar even over doordenkt, dan voel je ook, dat geen van de leden van die ware Kerk zichzelf ooit kan verheffen, dat niemand ooit trots kan zijn op zichzelf. Want het begin van de Kerk ligt in God. Toen waren wij er nog helemaal niet, toen was er nog geen mens geboren. Het begin van de Kerk ligt in de eeuwigheid, in de onbegrijpelijke, verkiezende liefde van de Vader. Als die er niet was geweest, dan was er nooit een Kerk geweest op aarde.

De Kerk komt voort uit de eeuwigheid en, zegt antwoord 54, de Zoon van God, Christus, vergadert die Kerk in de tijd. Hij haalt ze bij elkaar, Hij brengt ze bijeen. Hoe groot het verzet van mensen ook is, dat doet er niet toe. Hoe groot het verzet van de wereld en de duivel ook is, dat doet er niet toe. Het welbehagen van de Koning gaat gelukkig, dat wil zeggen voorspoedig voort! Hij vergadert Zijn Kerk uit het hele menselijke geslacht: rijk en arm, groot en klein, uit alle volken, uit alle rassen, uit alle soorten van mensen, uit heel het menselijke geslacht.

En Hij doet dat door de Heilige Geest en door het Woord. Die twee, die horen altijd bij elkaar, die mag je ook niet van elkaar los maken. Dat is on- Bijbels. Het is on-Bijbels om te zeggen: ‘God werkt door de Heilige Geest, maar het kan ook buiten het Woord om, het Woord is niet zo nodig. Misschien werkt de Heere wel door een bijzondere verschijning, door een bijzondere openbaring, door het innerlijke licht van mijn eigen hart. Ik heb het Woord van de Bijbel eigenlijk niet zo nodig.’ De Geest zonder het Woord, dat is on-Bijbels. Maar het andere is ook on-Bijbels. Het is niet Bijbels om te zeggen: ‘Het Woord alleen, zonder de Heilige Geest, dat is voor mij genoeg.’ Als ik het maar begrijp, als ik het maar aanneem, dan is het goed. Nee, dat kan niet zonder het werk van de Heilige Geest. Die twee, die horen dus altijd bij elkaar, dat is de Bijbelse lijn: De Heilige Geest spreekt door middel van het Woord, en het Woord raakt en overwint het hart door het werk van de Heilige Geest.

Hij dringt diep met het Woord door in de harten van ons mensen, wekt leven in onze dood, laat zien wie we zijn, brengt heimwee in ons hart om terug te keren naar God toe, en leert ons vragen om genade. Het is de Heilige Geest Die het Woord opent en maakt dat we Christus daarin gaan zoeken, gaan vinden en mogen omhelzen. En door Geest en Woord leert de Koning van de Kerk ook Zijn Kinderen om heilig voor God te leven.

En die Kerk is, zegt de Catechismus in antwoord 54, in eenheid van het ware geloof. Dat bindt de Kerk samen. Niet de gelijke naam van een kerkverband, geen uiterlijke gelijkheid of gelijke manieren van doen, maar ze zijn, zo zegt de Catechismus (en die spreekt Efeze 4 na) door Geest en Woord gebracht tot de eenheid van het ware geloof. Dat is wat verbindt, hier in [plaatsnaam], in Nederland en wereldwijd (Efeze 4:5).

En, zo eindigt antwoord 54 (en dan komt het ineens heel dichtbij), dat ik(!) van die Kerk (één in het ware geloof, onder Koning Jezus, wereldwijd) een levend lid ben. Dus blijkbaar (en u denkt met me mee) kan je gewoon lid zijn van de kerk, van de gemeente, dooplid van de Gereformeerde Gemeente in [plaatsnaam], zonder dat je bij die Gemeente, bij die Kerk, bij die vergadering van kinderen van God hoort! Je bent wel lid, maar je bent geen levend lid! Niemand ziet dat, maar God weet het. En u ook.

Hoe kan je eigenlijk weten of je een levend lid bent? Nou, dat schrijft Johannes bijvoorbeeld in 1 Johannes 3:14, als hij zegt: Wij weten (je kunt het dus weten!) dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven (dat wij levende leden geworden zijn) -en dan komt het- dewijl wij de broeders liefhebben. Dat weet je dus, zegt Johannes, uit de vrucht van het leven, uit: de broeders liefhebben.

Dit antwoord, antwoord 54, is eigenlijk een antwoord voor zelfonderzoek. Onderzoek uzelf en ik mijzelf. ‘Ben ik een levend lid van die Kerk, wereldwijd één in het geloof?’ Hoe je dat weet? Niet dus door te kijken naar allerlei uiterlijkheden, want dat zijn kenmerken van een ander soort van kerk. Dat zijn kenmerken van de zichtbare kerk. Maar het gaat om de vraag: ben ik een levend lidmaat van de onzichtbare Kerk? Hoe weet je of je daar een levend lid van bent? Johannes zegt: dat weet je als je door genade zeggen mag ‘ik ben door Gods genade overgebracht uit de dood tot het leven; tot het leven in Christus. Uit mezelf ben ik, net als iedereen (wat dat betreft is er geen verschil) dood door de zonden en de misdaden, maar door Gods kracht (dat komt niet uit mezelf) ben ik opgewekt uit die geestelijke dood en ben ik het leven gaan zoeken en heb ik het leven gevonden in Jezus Christus. En zo ben ik, door Gods genade, lid geworden van dat Gezin, van die wereldwijde Familie, van de Kerk met een grote K, en dat zal ik altijd blijven. Want het ligt vast in God, in de Koning van de Kerk.’ En dat blijkt, zegt Johannes, uit de vruchten. En die kan iedereen zien. Het blijkt, zegt Johannes, uit de liefde tot de broeders, uit de gemeenschap der heiligen.

Dat is ons volgende punt, maar we gaan samen eerst zingen uit Psalm 133. Vooruit denkend aan die broederlijke liefde, zingen we samen Psalm 133, het eerste vers Ai ziet, hoe goed, hoe liefelijk is 't, dat zonen Van 't zelfde huis, als broeders, samen wonen, Daar 't liefdevuur niet wordt verdoofd; 't Is als de zalf op 's Hogepriesters hoofd, De zalf, waarmee hij is aan God gewijd, Die door haar reuk het hart verblijdt.

Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Wie vormen de Kerk?

Vraag 55 zegt: Wat verstaat u door de gemeenschap der heiligen? Het antwoord zegt: Als eerste, dat de gelovigen allen en een ieder als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten tweede, dat elk zich schuldig moet weten zijn gaven ten nut en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden (of: te gebruiken).

De vraag is: wie vormen eigenlijk de Kerk, wie zijn eigenlijk de leden van die Kerk? Het valt op, jongens en meisjes, dat Gods kinderen heiligen worden genoemd. Zijn zij echt heilig, zijn zij echt zonder zonde? Nee, zonder zonde zijn we hier op aarde nog niet! Er is nog heel veel zonde in ons. En dus is er ook heel veel zonde in de kerk. Maar het bijzondere, het wonderlijke is dat God Zijn kinderen voor heilig houdt. Zo kijkt de Heere tegen Zijn kinderen aan. Omdat (en zo moet je dat zien) Hij niet rechtstreeks naar ons kijkt, maar Hij kijkt als het ware naar ons via de Heere Jezus Christus. Hij ziet ons aan in Hem. Hij kijkt eerst naar de Heere Jezus en ziet ons daarna als zijnde heilig in de Heere Jezus. Dat bedoelen we als we zeggen: de Heere ziet Zijn kinderen aan in Christus. Hij kijkt naar Hem en door Hem naar Zijn kinderen.

Maar nu de vraag van de Catechismus: wat is die gemeenschap der heiligen? Wat is die intense, hartelijke verbondenheid van de ware Kerk, van de gelovigen, van de kinderen van God, wereldwijd? Net als bij het kijken naar de zichtbare kerk, kan je ook hier in uitersten vervallen. Er zijn mensen die denken bij de gemeenschap der heiligen aan vroeger. ‘Ja, vroeger was dat er nog wel, toen waren er nog gezelschappen en toen was er nog die hartelijke verbondenheid en het spreken van hart tot hart met elkaar, maar, ja’, zegt u, ‘tegenwoordig is dat allemaal voorbij: verleden tijd!’ Maar dan moet ik u dit zeggen: die gemeenschap der heiligen, waarvan we gezongen hebben, is een zaak van liefde. En liefde (dat weet u uit het gewone leven) is niet iets dat je in de eerste plaats alleen maar ontvangt, maar liefde is in de eerste plaats iets wat je aan elkaar geeft. Dus als we die gemeenschap der heiligen missen, als die er niet meer is, dan moet u niet wijzen naar iemand anders. Dan komt dat (en ik sluit mezelf daarbij in) door onszelf. Omdat wij niet meer geven, omdat wij niet meer meedelen uit ons hart. Dat is de ene kant. Die zegt: ‘De gemeenschap der heiligen? Dat was vroeger, dat is voorbij.’

De andere kant zegt: ‘Ja, de gemeenschap der heiligen, gelukkig kennen we die wel in onze gemeente. Er is een goede onderlinge band. En er is zoveel liefde en zoveel behulpzaamheid en zorg voor elkaar.’ Dat is een grote zegen. Maar toch moet u dit antwoord van de Catechismus goed lezen.

Er staan twee dingen in. Het gaat over de gemeenschap der heiligen en het begint met dit: Eerstelijk, dat de gelovigen allen en een ieder – en dan komt het – als lidmaten aan de Heere Christus gemeenschap hebben en aan al Zijn schatten en gaven. Wat is dus de gemeenschap der heiligen? In de eerste plaats: hartelijke verbondenheid met Christus.

Met andere woorden: de gemeenschap der heiligen, het hartelijk één zijn van de gelovigen binnen de kerk en wereldwijd. waar komt die vandaan? Dat komt daar vandaan: dat al die kinderen van God leden, ledematen van Christus zijn. Met andere woorden: eerst is er de verticale band met de hemel. Zijn liefde tot mij, tot ons en mijn terugliefde, onze wederliefde tot Hem. Eerst de gemeenschap, de verbinding, de hartelijke verbondenheid met de Heere Jezus. Zonder dat, kan het wel mooi lijken, maar dan is het alleen maar horizontaal, alleen maar schijn, alleen maar buitenkant. Net als met een bos bloemen, die je in de winkel koopt. Je zegt: ‘Prachtig, die bloemen! Ze zien er geweldig uit.’ Je zet ze op een vaas, je geniet ervan, en een week later… al die bloemen vallen uit en laten hun kopje hangen. ‘t Is voorbij. Waardoor komt dat? Omdat ze geen verbinding meer hebben met hun wortel. Die is doorgesneden. En die wortel is nodig voor een bloem om in leven te blijven.

Echte onderlinge liefde en verbondenheid is er alleen en in zoverre er verbinding is met de Wortel, met de Heere Jezus Christus. Want de liefde komt niet uit ons, de liefde komt uit Christus. Dus er is alleen maar echte liefde, oprechte liefde, onderlinge liefde en gemeenschap der heiligen als we in de eerste plaats een ledemaat van Christus zijn: verbonden met het Hoofd, verbonden met de Wortel.

En wie zo bij de Heere Jezus hoort, wie zo aan Hem verbonden is, die (staat in dit antwoord) krijgt letterlijk alles van Hem: al Zijn schatten. En die schatten zijn voor al Gods kinderen gelijk: genade, vergeving van zonden, verzoening met God, vrede met God, vernieuwing van hart en leven. Al Zijn schatten.

Al Zijn schatten én al Zijn gaven. U weet dat iedereen verschillende gaven heeft. Ook in geestelijke zin zijn er verschillende gaven en talenten. Vroeger waren er in de eerste christengemeenten bijzondere gaven. De gave van profetie, de gave van gezondmaking, de gave van tongentaal, en ga zo maar door. Paulus schrijft in 1 Korinthe 13:13: en nu blijft (wat overblijft van al die gaven uit de eerste tijd van de christengemeenten) geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde. Die drie zijn de bijzondere gaven van de Heere Christus aan Zijn Kerk, gegeven tot opbouw in de liefde (Efeze 4:16).

Gemeenschap der heiligen wil dus in de eerste plaats zeggen: verbonden zijn aan Christus. Door die verbondenheid krijg je al Zijn schatten en gaven. En vandaaruit komt in de tweede plaats ook het hartelijk aan elkaar verbonden zijn.

Dat komt uit díe Bron. Dat komt niet uit mijn hart, maar dat komt uit het hart van Christus. Want door Zijn liefde en door onze wederliefde (onze terugliefde) tot Hem, zijn we ook onderling in liefde aan elkaar verbonden. Die liefde doet op een zelfde manier verlangen naar God en naar Christus. Die liefde doet op een zelfde manier zuchten onder de zonden, hopen op God en verlangen naar Zijn wederkomst. En die liefde verbindt. Want het is een liefde die opkomt uit de liefde van Christus, die de Kerk bijeen houdt: het Hoofd en de ledematen, en ook de ledematen onderling.

En die liefde, zegt Paulus, is lankmoedig, geduldig, goedertieren, trouw, niet jaloers, niet hoogmoedig, die zoekt zichzelf niet, die wordt niet verbitterd, die denkt geen kwaad van een ander, maar ze bedekt alle dingen, ze gelooft alle dingen, ze hoopt alle dingen en ze verdraagt alle dingen (1 Korinthe 13:4-7).

En wat is het een zegen, als die onderlinge liefde ook zo onder ons wonen mag. Al zijn we nog zo verschillend. Onze ledematen lijken in de verste verte niet op elkaar. Zo ook de leden van het lichaam van Christus: onze ogen lijken niet op onze handen (ze zijn zo verschillend!) en onze handen lijken niet op onze voeten (ze zijn zo verschillend!), maar toch als kinderen van God zijn we als het goed is één in Christus. Kinderen van één huisgezin, eendrachtig, volhardende in het bidden en smeken, en in het dienen van de Heere.

Als dat zo is, door Gods genade, dan gebiedt de HEERE daar (zo staat in Psalm 133) Zijn zegen. Daar waar liefde woont, dáár gebiedt God Zijn zegen. En die is dan als de liefelijke geur van de olie die neerdaalt van het hoofd van de hogepriester. Met andere woorden: die geur verspreidt zich, je ruikt het: de geur van Christus! En de geur van die liefde is verfrissend, als de dauw die neerdaalt op de berg Hermon.

Wat een zegen is het, als die band, die voortkomt uit de band met Christus, er in onze gemeente is. Maar het is niet alleen een zegen, het is tegelijkertijd ook een opdracht zegt de Catechismus. Het is ook plicht. Want dat is het tweede in antwoord 55: Ten andere, dat elk zich schuldig (verplicht, geroepen) moet weten zijn gaven ten nut en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.

Onze gaven zijn dus gekregen om die te gebruiken. Tot nut. Dat gaat om het tijdelijke leven. We helpen elkaar in zorg, in moeite, in armoede, in tijden van tegenspoed en rouw. We staan elkaar bij met die blijvende gaven van geloof, hoop en liefde. Tot nut en ook tot zaligheid. We gebruiken onze gaven om anderen te winnen voor de zaak van Christus en voor de dienst van de Heere.

Dat is een plicht, zeker, voor heel de gemeente. Maar in het bijzonder is dat de plicht van al de heiligen, van al Gods kinderen. Om anderen, wie dan ook (binnen of buiten de kerk,

gewaardeerd of niet gewaardeerd) gewillig, en zonder gemopper of gedoe, met vreugde en blijdschap te helpen en bij te staan. En tegelijkertijd is het onze plicht en opdracht om die ander te proberen te winnen voor de zaak van Christus en voor de goede dienst van de Heere. We denken daaraan, als we samen nog een keer gaan zingen uit Psalm 133:2. Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen, Als d' olie, die, van Arons hoofd gedropen, Zijn baard en klederzoom doortrekt; Z' is als de dauw, die Hermons kruin bedekt, Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit, En op zijn bergen nedervloeit.

Tot slot onze derde gedachte:

3. Wat heeft die Kerk ontvangen?

De derde en laatste vraag, vraag 56: Wat gelooft u van de vergeving der zonden? Dat God, om het genoegdoen van Christus, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmee ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

Hier gaat het om de vraag: Wat heeft die Kerk gekregen? Wat heeft de Kerk, met een grote K (de verzameling van Gods kinderen in deze wereld) eigenlijk ontvangen? Wat zijn de zegeningen van die Kerk? Dit: we hebben (en dat geldt al Gods kinderen) vergeving van zonden gekregen. Van Wie? Van God. Van Hem, Die betaling eiste. Van Hem, Die ons vrijsprak. Het kwam en komt bij Hem vandaan. Heel het plan van de zaligheid, daar kwam en daar komt helemaal niets van ons bij. Het kwam en komt uit God. Niets in ons heeft ooit God bewogen. Niets in ons kan Hem bewegen om naar ons om te zien en om Zich over ons te ontfermen. Het komt helemaal van Zijn kant. Het is Zijn onbegrijpelijke, eenzijdige liefde waarmee Hij mensen opraapt uit het verderf en hun zonden uit genade vergeeft.

Waarom doet Hij dat? Dat staat hier: om het genoeg doen (om de betaling) van Christus. En verderop staat: uit genade. Vergeving van zonden dat kan om het werk, om het bloed, om de genoegdoening, om de betaling van de Heere Jezus Christus aan het kruis.

En wat krijg je dan? Ja, als je dit antwoord leest zou je bijna een beetje gaan denken: wat zegt de Catechismus dit toch zakelijk. Wat krijg je dan? Je zou denken, dat er dan zoiets komt als: dan ga ik zoveel liefde ervaren en voelen in mijn hart, en dan mag ik zo kostelijk luisteren onder de preek en lezen in het Woord, en dan raakt mijn hart zo aangedaan.

Maar dat staat er allemaal niet. De Catechismus gaat, net als de Bijbel, niet op het spoor van ons gevoel. De Catechismus blijft in het spoor van de Schrift. Wat? Niet in de eerste plaats gevoel in mijn hart, maar geloof, dat is wat de Heere werkt in het hart van Zijn kinderen!

Geloof in twee dingen, namelijk dat Hij (God) uit genade al mijn zonden, ook mijn zondige aard waarmee ik mijn leven lang te strijden heb, nooit meer wil gedenken. Om Christus´ wil worden onze zonden zó vergeven, dat God er nooit meer aan denkt. Zoals staat in Psalm 103: Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons (103:12). Hij heeft al onze zonden achter Zijn rug geworpen in de diepten der zee. Hij denkt er nooit meer aan. Dat leert de Heere Zijn kinderen door Woord en Geest geloven. En dat geldt ook mijn zondige aard. Dat wil zeggen, dat ik niet alleen zonde doe, maar dat ik zelf zonde ben. Zo erg zit het door me heen geweven.

De zondige aard waarmee ik, staat er, heel mijn leven te strijden heb. We hebben ons leven lang te strijden, te vechten tegen wie we zijn, tegen onze aard. Een strijd die Paulus dit ontlokt (jaren, echt jaren na zijn bekering!): Ik ellendig mens, ik zie een andere wet in mijn leden (in mijn binnenste), welke strijdt tegen de wet van mijn gemoed en mij gevangen neemt onder de wet der zonde die in mijn leden is (Romeinen 7:23). Ook dat hoort bij het leven uit God, ook dat hoort bij het leven met God op aarde: strijden. Tegen de duivel? Ja, dat ook. Strijden tegen de zonde? Ja, ook. Maar vooral: strijden tegen jezelf, tegen je eigen zondige aard.

Maar wat een troost als de Heilige Geest me dat door het Woord leert zien en geloven, stapsgewijs en steeds meer, dat al die ontelbare zonden die ik gedaan heb, allemaal zijn vergeven, allemaal zijn weggewassen door het bloed van de Heere Jezus. Wat ben je, jongens en meisjes, dan gelukkig, als je dat weten mag! Dat in plaats van al die ontelbaar vele zonden, mij uit genade, onverdiend, de gerechtigheid, al de schatten die in Christus zijn, geschonken is, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods zou komen.

Het is vanmiddag eigenlijk gegaan over drie verschillende onderwerpen: over de Kerk, over de gemeenschap der heiligen en over de vergeving der zonde. Gemeente, u mag eigenlijk niet naar huis zonder antwoord te geven op deze vraag: wat voor soort lid bent u van de Kerk?

Bent u (en dan grijp ik even terug op het lid zijn van de heilige, algemene, christelijke Kerk) een geestelijk dood lid? Dat kunt u weten. Dat weet u. Geen genade. Geen leven in uw hart en ziel? O, ik roep u toe: word toch wakker en haast u toch, voordat u voor dit gericht van God verschijnen moet! Schik u, om uw God te ontmoeten (Amos 4:12)!

Of bent u een levend lid? Kent u iets in uw hart van de gemeenschap der heiligen? En van de vergeving van al uw zonden, en van heel uw zondige aard? Alleen om de genoegdoening van Christus? Bent u een levend lid? Dan is alles wat van Hem is van u. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 3: Maar gij zijt van Christus en Christus is Gods. Dan is er geen verdoemenis voor u, die in Christus Jezus bent.

Amen.

Slotzang Psalm 133:3:

Waar liefde woont, gebiedt de HEERE de zegen: Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, En 't leven tot in eeuwigheid.