Biddag - 13 maart 2013
Psalm 130:3-4: Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
INLEIDING
Biddag voor gewas en arbeid roept de gemeente op tot gebed en afzondering, waarbij Psalm 130:3-5 de kern raakt: "Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, HEERE, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt." Deze leespreek laat zien hoe de ware bidder roept vanuit de diepten, smeekt om vergeving en zich verlaat op Gods Woord.
De ware bidder
PSALM 130:1-8
1 Een lied Hammaäloth.
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE.
2 Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
3 Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?
4 Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
5 Ik verwacht den HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord.
6 Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
7 Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
8 En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 130:3-4
THEMA
De ware bidder
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, op deze biddag, een dag van stille afzondering en gebed, komt het Woord van God tot ons vanuit de psalm die u voorgelezen is, Psalm 130. De tekst vindt u in het 3e, 4e en 5e vers van deze psalm, waar we het Woord van God als volgt lezen: Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Het thema voor de preek is: De ware bidder. Er zijn drie aandachtspunten. In de eerste plaats: de ware bidder roept vanuit de diepten. In de tweede plaats: de ware bidder smeekt om vergeving. In in de derde plaats: de ware bidder verlaat zich op het Woord.
Dus: De ware bidder. 1. Roept vanuit de diepten 2. Smeekt om vergeving 3. Verlaat zich op het Woord.
Gemeente, het is vandaag biddag, biddag voor gewas en arbeid. Een dag van gebed en afzondering aan het begin van een nieuw seizoen. Wat is er veel om voor te bidden. Voor de dingen die we nodig hebben in ons gezin: eten, drinken, kleding, financiële middelen. Maar ook gezondheid, liefde en vrede in het samenzijn met elkaar. Wat is er veel om voor te bidden in ons kerkelijke leven: voor de prediking van Gods Woord, voor de catechisaties, voor de huisbezoeken, voor de verenigingen. Maar ook voor ons land, voor de overheid. Wat is er veel om voor te bidden. En toch zegt Jakobus: U bidt, en u ontvangt niet, omdat u kwalijk bidt, opdat u het in uw wellusten doorbrengen zou. Dat wil zeggen: U bidt wel veel, maar er is iets fundamenteels mis aan uw gebeden. Daarom worden uw gebeden niet verhoord. U bidt wel veel, maar het doel van uw gebed is verkeerd. U bidt gericht op uzelf, gericht op uw genot, en uw rust, en uw plezier, hier! Hier, in deze wereld. Gericht op het hier en nu! Gericht naar beneden.
Maar de ware bidder bidt met een andere richting. Niet naar beneden, maar naar boven. Niet in de eerste plaats gericht op zichzelf, maar op God: op de eer van God, op de zaak van God.
En vandaar ons eerste aandachtspunt: de ware bidder roept vanuit de diepten. Vanuit de diepten tot God.
Een lied Hammaäloth, zo begint deze psalm in vers 1. Het is een pelgrimslied, gezongen door pelgrims die op weg zijn naar Sion, op weg naar het heiligdom.
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE. Bent u vanmiddag zo naar de kerk gekomen? Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE? Uit de diepten. Goed lezen, er staat een meervoud: uit de diept-en. Welke diepten? Ik lees niet van de diepte van ziekte, van tegenslag, van oorlog, van armoede, van moeite, somberheid, angst of pijn. En toch: uit de diept-en! Ik lees ook niet van een bepaalde diepte waarin dichter terecht gekomen is door de een of andere zonde. En toch: uit de diept-en! Deze dichter verkeert in de diept-en zijn bestaan, voor God! Het is zoals staat in Psalm 69: Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. Dit is de bange levensvraag van een door schuldbesef getroffen en verslagen hart.
Uit die diepten roep ik. Het is een angstig roepen, een roepen vanuit de nood. Het is ook een vurig en aanhoudend roepen! En... het is een roepen met een richting. Ik roep, Heere, in angst tot U gevloden! Heere, ik roep tot U! En het is tegelijkertijd een roepen vanuit de nameloze afstand tussen God en het schuldige hart. Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
Psalm 130 is één van de zeven boetpsalmen: een gebed uit de diepten van geestelijke benauwdheid, een gebed van een verslagen, terneer gebogen, verontrust, en schuldverslagen hart. Hier is sprake van (om het maar even wat ouderwets uit te drukken), hier is sprake van schuld-doorleving. U zegt: Wat is dat precies? Is ellendekennis dan meer dan alleen het weten met je verstand dat je schuldig bent voor God? Is dat doorleven van schuld dan iets anders dan het zomaar erkennen: Ja, Heere, dat zal waar zijn, ik sta schuldig tegenover U? Laten we die vragen nog even in onze gedachten vasthouden...
Vers 3. Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? HEERE, de allergrootste Naam van de Heilige God, van Wie een andere Bijbelschrijver uitgeroepen heeft: Gij, vreselijk zijt Gij en wie zal voor Uw aangezicht bestaan?
De allergrootste Naam van de Heilige God, geopenbaard (u weet het nog wel) aan Mozes, in de woestijn bij de berg Horeb. Geopenbaard voor een volk dat sterft in de verdrukking van Egypte, geworden ‘haast tot as’. Geopenbaard aan Mozes in het brandende braambos, die niet verteerde. Dat wil zeggen: de Allerhoogste, is tegelijkertijd de God van Abraham, Izak en Jakob, de God Die in Christus trouw is aan Zijn verbond!
Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere (-nogmaals-), wie zal bestaan? Heere, almachtige God, ik sta voor U, en wie zal voor U kunnen bestaan? Wie zal rechtop voor U kunnen staan, oog in oog met U, almachtige Heere, driemaal heilige en rechtvaardige God? Voor Wiens aangezicht de serafijnen zingen in hemelse gewesten vol van heerlijkheid: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen? Wie kan voor U staan? Wie kan voor U bestaan? Als U de ongerechtigheden gadeslaat? Als U de misdaden, de zonden, de schuld door die zonden, en dat tegen U, heilige en rechtvaardige God, gadeslaat? Als U die gadeslaat? Dat wil zeggen: Als U Uw blik daarop vestigt? Die aandachtig en ernstig beziet en bewaart voor Uw aangezicht? Dat wil zeggen: mijn ongerechtigheden worden voor Uw aangezicht bewaart, opeengestapeld, één voor één... En die stapel wordt steeds hoger... en hoger... En U, Heere, ziet het: die stapel groeit… en die groeit… O, Heere, wie zal bestaan, als U al die zonden naar recht toerekent?
Gemeente, is dit niet de roep die klinkt uit het hart van een verloren, maar opnieuw geboren mens? Vanuit het hart van een mens die door Gods Geest is ontdekt aan eigen verlorenheid en schuld? Nooit oog gehad voor mijn zonde, voor mijn ongerechtigheid... Altijd op de troon gezeten, op de troon van mijn vijandschap en opstand tegen God... Een vijandschap die diepgeworteld is in mijn bondsbreuk in Adam, in wie ik dood gevallen ben... Op de troon! Maar door een pijl van Gods Geest, door de kracht van het Woord, dodelijk getroffen in het hart, en... van dood levend gemaakt!
Van de troon gehaald. En... gebracht in de diepten. Van de troon, naar de diepte. Daar wil geen mens komen. Daar komt een huichelaar nooit. Maar daar brengt God de Zijnen, ondanks al hun verzet, voor het eerst en ook weer opnieuw: in de diepten! En dat is tegelijkertijd dan toch het wonderlijke van het werk van Gods genade. Wat in het gewone leven in de diepte terechtkomt, dat is verloren. Als je, jongens en meisjes, in een ravijn stort, dan val je letterlijk dood. Maar dat is nu juist het wonderlijke van Gods werk. Dat is nu juist de weg die God met Zijn kinderen houdt. Hij brengt hen in de diepten. Niet om hen te doden, maar juist om hen te behouden van het verderf! Hij had hen kunnen laten in de diepten van het verderf, waarin ze zichzelf vrijwillig hadden gestort. Maar uit enkele goedheid, voortkomend uit eenzijdige liefde en bewogen in Zichzelf, brengt God de Zijnen op Zijn tijd in de diepten, niet om hen te doden, maar om hen zo de weg te leren tot het behoud!
Daar leert Hij ons zien: Ik heb geen bestaansgrond voor U. Als niemand van Adam voor U kan bestaan (zo Gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat), dan kan ik helemaal niet voor U bestaan, als U mijn ongerechtigheden gadeslaat. Als Gods wet in ons leven gaat spreken, betaling gaat eisen, dan moeten we erkennen: Ja, Heere, het is waar. Ik heb tegen al Uw geboden, niet zomaar, maar zwaar, niet een keer, maar menigmaal overtreden. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Al dieper zinken we in de diepten, als de Heere het licht van Zijn heiligheid en van Zijn rechtvaardigheid laat vallen over onze on-heiligheid, over onze on-rechtvaardigheid. Daar worden we zondaar voor God!
Bent u wel eens zondaar voor God geworden? Zeg eens eerlijk voor uzelf, voor God. Kijk eens even niet opzij. Ik vraag het aan u, aan u persoonlijk: bent u weleens zondaar voor God geworden? Dan praten we niet meer zo over onze ellende. Ik zou bijna zeggen: daar is geen kunst aan. Napraten kan iedereen. Dan praat je niet meer zo, dan ga je roepen. Dan roep je in stilte, in het verborgen, uit de diepten van je hart tot God: Wie kan bestaan? Wie kan voor U bestaan? U, die heerlijk bent in al Uw Goddelijke deugden! U, Die Mij nog nooit enig kwaad hebt gedaan! En ik...? Ik heb geprobeerd Uw deugden aan te randen. Ik heb U naar de kroon gestoken. Ik ben... Adam. Ik ben, ja, het is waar Heere, ik ben een opstandeling, zoals Adam. Daar verliezen we alle rechten voor God, daar leggen we de hand op de mond. Daar zeggen we: Heere, Uw doen rein is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Daar is niet alleen maar een toestemmen, met ons verstand, van onze zonde en verlorenheid, daar is ook een erkennen, een aanvaarden van Gods recht! Daar komt, zo zei men vroeger, een toevallen van Gods recht in leven van Gods kinderen. Daar zeggen we, echt, vanuit de grond van ons hart, en dat is geen verstandskwestie, dat is een zaak van beleven, van bevinden, van doorleven: Heere, U hebt gelijk, Uw doen rein is, Uw vonnis rechtvaardig, want ik..., ik heb tegen U, tegen U gezondigd!
Zit u zo in de kerk vanmiddag? Kijk eens in uw hart, en zeg eens eerlijk: zit u zo in de kerk? Is dit uw beeld? Of bent u alleen maar christen met uw verstand? U weet het allemaal precies, maar het is geen zaak van uw hart? Geen zaak van beleving, van doorleving voor God? Het is biddag, ook voor u, maar biddag voor de vorm alleen. Zonder nood in het hart, zonden roep vanuit de diepten tot God. Is het ooit nood geworden in uw leven, gemeente?
Wat doet een mens die in nood is? Vluchten. Vluchten! Wonderlijk vluchten. Ik roep, Heere, in angst... en ik vlucht weg van U? Nee. Ik roep, Heere, in angst tot U gevloden.
Want, dat zijn geen mensen die weg vluchten, die bij God vandaan vluchten! Dat zijn mensen die juist naar God toe vluchten. Dat zijn mensen die zonder God niet leven kunnen! Dat zijn mensen die roepen, vanuit de diepten, ja dat wel, maar tot God!
Hoe onmogelijker het aan hun kant wordt, hoe harder ze gaan roepen: Heere, ik kan voor U niet bestaan! Maar, Heere, ik kan zonder U ook niet verder! Laat Uw deugden door mij toch niet gekrenkt worden, laat Uw Naam door mij toch niet gelasterd worden. Maar, Heere, is er nog een weg? Een weg waarin Uw Naam verheerlijkt wordt? Een weg waarin U de eer krijgt waar U recht op hebt? En is er in die weg, ook voor mij nog een weg om zalig te worden? Om hersteld te worden in Uw gunst en gemeenschap?
De ware bidder roept vanuit de diepten. Bidden is roepen vanuit de diepten. Biddag is een dag van bukken, van buigen en van roepen vanuit de diepten. Vanuit de diepten van onze rechteloosheid voor God. Kent u, gemeente, dat roepen? Kent u dat roepen vanuit de diepten? Hebt U uzelf ooit leren kennen als een zondaar voor God? Misschien bespreekt u uw ellende wel met de mensen, maar mijn vraag aan u is: Kent u uw ellende? Persoonlijk? Voor God?
Wij gaan verder met onze tweede gedachte:
Maar... U voelt het, er komt een tegenstelling. Maar… Vanzelfsprekend, natuurlijk! Bij U is vergeving!? Zo...? Hier, gemeente, bedriegen zich duizenden. Jongelui, let op. Hoe vaak hoor je het niet? Wat? Dit: ‘Erken dat je zondaar bent. Maar als je vervolgens bidt om vergeving, dan ben je gered.’ Of dit: ‘Ik bezocht eens een bijeenkomst. Daar was een vurig spreker. Hij raakte mijn hart! Hij riep me op tot belijdenis van zonde. Ik deed het. Achteraf hebben we samen gebeden in de Naam van Jezus, gevraagd om vergeving en God vergeeft..., dus...: toen ben ik gered! Natuurlijk, want God vergeeft de zonde toch?’
Ging dat ook zo met u? Bedrieg u niet! Ik zal het u sterker zeggen: U bent bedrogen! U hebt uzelf bedrogen! Zie toch uw gevaar, zo kunt u de eeuwigheid niet binnengaan! Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Waar zijn de hartelijke tranen van uw berouw? Waar is uw leedwezen over de zonde? Waar uw worstelen om behoud? Waar uw roep om redding, om hulp uit de nood?
Hoe kan een mens, een mens die zichzelf in de diepten heeft leren kennen als een rechteloze voor God, hoe kan zo’n mens ooit vanzelfsprekend hopen op vergeving? Hoe kan een rechteloze zondaar ooit vanzelfsprekend rekenen op genade? Dat is onmogelijk!
Ik moet eerlijk tegen u zijn. Laat ik het zeggen tegen mezelf, en u mag het op uzelf toepassen: Als vergeving voor mij een vanzelfsprekendheid is, dan ben ik nooit echt zondaar voor God geworden! Dan ben ik nog onbekeerd. En wie onbekeerd doorleeft gaat verloren!
Als we onszelf hebben leren kennen als een doodschuldige zondaar, dan kan het niet anders. Deze vraag: maar bij U is toch vergeving, is een vraag naar het onbegrijpelijke van Gods eenzijdige genade. Dit is een vraag van een mens, voor wie het onmogelijk geworden in zichzelf. Een vraag van een mens die geen ruimte meer ziet in zichzelf, maar voor wie God ruimte gaat maken buiten zichzelf.
God Zelf richt het oog van een verloren zondaar, die uit de diepten roept, op Hem: Op de trouwe Verbondsgod, op de HEERE (met vijf hoofdletters), op het bloed van het Lam, op het onfeilbare Woord der belofte. Niet bij mij, maar bij U, Heere, is toch vergeving? Ik kan het niet begrijpen, maar dit is toch Uw Naam, Heere, die U Uzelf gegeven hebt: HEERE Heere, God (o Heere, ik kan niet voor U bestaan!), barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid? U bent toch die God, Die in de eeuwigheid een weg hebt uitgedacht, een weg van verzoening door recht, een weg van verzoening door het bloed?
Terwijl ik opga naar het heiligdom, waar U woont in heerlijkheid, zie ik daar dan niet de tekenen van verzoening? Daar zie ik toch het bloed, dat van het altaar drupt? Het bloed dat heen wijst naar Hem, Die in de weg van het bloed, zal komen (en gekomen is) om een volkomen verzoening aan te brengen? Een volkomen verzoening, geheel overeenkomstig Uw Goddelijk recht? Wat wordt dat bloed van het altaar, wat wordt het bloed van het Lam, kostbaar, onmisbaar in de ogen van schuldverslagen zondaren! Als God hun ogen gaat richten op het altaar, op het bloed van het altaar, op het Lam, op het Lam Gods. Op het bloed van Hem, Die weggezonken is in de diepten van Gods toorn. Vrijwillig, en met al de liefde van Zijn hart. Nooit zonk iemand zo diep weg, als dat Hij weggezonken is. Christus heeft Zich vernederd tot in de diepste diepten van onze verlorenheid en dood.
Hij verliet vrijwillig Zijn troon. En dat deed Hij voor... opstandelingen. Hij liet de schuld van Zijn bruid op Zich stapelen. ‘Leg die last maar op Mij!’ Ja, die last: Zulk een last zond’ en plagen, leg die maar op Mij! En Hij vernederde Zich. Hij zonk weg tot in de diepste diepten van Gods toorn tegen de zonde.
Wat wordt het bloed van het altaar, het bloed van het Lam kostbaar, onmisbaar in de ogen van schuldverslagen zondaren! Wat wordt Zijn bloed onmisbaar voor een schuldig mens. Zie Hem in gedachten kruipen in de hof van Gethsémané. Zijn zweet werd als grote druppels bloed die op de aarde drupten. Vader, indien het mogelijk is, laat deze
drinkbeker van Mij voorbijgaan, maar niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede. Een Man, in de kracht van Zijn leven. Maar nu: een worm en geen man. Zie Hem staan voor Kajafas: bespot, gesmaad, en veracht. Zie Hem gaan op weg naar Golgotha. Hij droeg (o, hoe hartelijk en bereidwillig) Zijn kruis. Hij droeg (o, hoe vol liefde en overgave) de last van de toorn van God tegen al de zonden van Zijn Kerk. Zie Hem hangen aan het kruis. Zie Hem worstelen in dikke duisternis. Hoor Zijn indringende roep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Daar stroomt het bloed van het altaar. Daar stroomt het bloed van het kruis. Het bloedende Godslam. En Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden waren dierbaar in Gods oog!
Hoe dierbaar is dat bloed in de ogen van zondaren? Ja, dat ook, maar in de eerste plaats geldt: Hoe dierbaar is dat bloed in de ogen van de Vader! Boven Golgotha klinkt als het ware de stem van de Vader: Deze! Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. Als U, Mijn Zoon, zo voldoet aan de eisen van het Goddelijke recht, dan zal Ik nooit, nooit meer toornen en schelden op hen in wier plaats U staat. Dit bloed is kostbaar in de ogen van de Vader. Hij is volkomen tevreden, er is volkomen genoeg gedaan. En daarom kan het! Daarom kan het! Daarom kunnen zondaren met God verzoend worden, daarom worden goddelozen gerechtvaardigd door het bloed van het kruis.
En daarom, omdat Zijn bloed kostbaar is in de ogen van de Vader, daarom wordt dat bloed van het Lam ook zo kostbaar in de ogen van ontdekte zondaren, die roepen uit diepten tot God. Voor hen die buigen onder het oordeel, onder het vonnis, en die uitroepen: Uw doen is rein Uw vonnis, o Heere, is gans rechtvaardig. Ik zal mijn mond niet opendoen, U bent rechtvaardig in Uw spreken. Maar Heere, is er nog een weg om zalig te worden? Een weg waarin U de eer krijgt en mijn ziel de zaligheid, want Ik kan niet zonder U. Ik kan niet voor U staan, maar ik kan zonder U ook niet meer verder leven! Maar, Heere, er is toch een weg om zalig te worden? Een weg bij U vandaan? Uw weg! Een weg waarin U, waarin Christus alle eer krijgt?
Wat ontvlamt in dat roepende hart, dat roept vanuit de diepten toch een vuur van verlangen naar Hem, naar het Lam, naar Christus. Hoe wordt Christus alles voor zulke, roepende zondaren. Christus, Die stervende Zijn leven gaf voor stervende zondaren, die gezondigd hebben tegen een heilig en rechtvaardig en goeddoend God. O, hoe gepast is Zijn bloed voor hun schuldige hart. O, hoe geschikt is Zijn balsem voor de wond van hun ziel. O, hoe schittert Zijn liefde in hun gebroken oog.
Christus wordt alles voor een schuldverslagen hart. Wat doet Hij het uitziende hart ontvlammen in verlangen. Wat doet Hij het gebroken hart ontvonken in uitzien. Hij doet
het uitroepen: U bent veel schoner dan de mensenkinderen, want er is genade op Uw lippen uitgestort! U bent blank en rood, en al wat aan U is, is gans begeerlijk! Ja, U bent mijn Liefste, mijn Hartevriend.
Het kan niet anders, zulke mensen, die roepen tot God, die zien op Jezus, zulke mensen gaan God vrezen. Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Als God je schuld vergeeft, dan ga je niet met God om, alsof Hij je vriend, je collega, of je buurman is. God vrezen, dat wil zeggen: vol zijn van heilig ontzag, van eerbied voor Gods vergevende genade. Van verbazing ook: Wie ben ik, Heere, voor U? Ik heb het niet verdiend. God vrezen, dat is geen angstige schuwheid, maar diep eerbiedig zijn en hoog opzien tot de hoogste Majesteit. En tegelijkertijd is er die kinderlijke liefde, die vraagt: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? Het is een hartelijke en kinderlijke liefde, vol overgave, die blijvend diep onder de indruk is van Gods majesteit en van de nameloze afstand die er is en blijft tussen de grote God en ons, kleine, nietige en zondige mensen.
Laten we, voordat we verdergaan met ons derde aandachtspunt, eerst samen gaan zingen uit Psalm 40:2:
Hij geeft m' opnieuw een danklied tot Zijn eer, Een lofzang. Velen zullen 't zien, En God eerbiedig hulde biên, Hem vrezen, en vertrouwen op den HEER’. Wel hem, die 't Opperwezen Dus kinderlijk mag vrezen, Op Hem vertrouwen stelt, En, in gevaar, geen kracht Van ijd'le trotsaards wacht, Van leugen of geweld.
Gemeente, op deze biddag gaat het over de ware of oprechte bidder. We zagen dat zo’n bidder roept vanuit de diepten, smeekt om vergeving, we gaan nu in de derde plaats nu zien dat zo’n ware bidder zich biddend verlaat zich op het Woord. Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Misschien zegt u: Ja, dat roepen uit de diepten, dat verlangen, dat uitzien, daar ben ik geen vreemdeling van. Maar hoe zal ik het toch weten, dat Hij de Mijne is? O, wist ik het maar, kon ik het maar geloven dat ik de Zijne ben. Hoe zal ik het toch weten, dat mijn schuld is weggewassen door Zijn bloed? Hoe zal ik toch aan Zijn voeten komen en vrede vinden? Hoe zal ik Hem toch ooit durven en mogen omhelzen als mijn Zaligmaker?
Wanneer zal ik met Thomas, die kleingelovige Thomas, mogen en durven zeggen: Heere, ook mijn Heere, en mijn God?
Wat is, gemeente, nu eigenlijk het houvast van een roepend mens? Wat is het houvast van een schuldverslagen zondaar? Wat is het houvast van een uitziende bidder, die roept vanuit de diepten tot God?
Wat is eigenlijk uw houvast? Is het uw doop, uw belijdenis, uw leven, uw netheid? Kunt u staan op die grond? Hebt u daar wel echt houvast aan? Als u staat voor God? Kunt u daarmee voor God bestaan?
Wat is eigenlijk uw houvast? Uw bekering, uw tranen, uw bevinding? Kunt u staan op die grond? Hebt u daar wel echt houvast aan? Als u staat voor God? Kunt u daarmee voor God bestaan?
Zijn het uw Godsontmoetingen bij een geopende hemel? Zeker, die tijden kunnen er zijn in het leven van Gods kinderen. Tijden waar we zo naar terug kunnen verlangen, tijden ook om nooit te vergeten. Zoals bij de herders in Efratha: de hemel ging open. Plotseling was er een menigte van hemelse heirlegers, lovende en prijzende God. Wat een heerlijkheid, wat een verwondering, wat een boodschap! En toen, even later, was het weer aardedonker.
En wat zeiden ze toen tegen elkaar? ‘Nou, mannen, daar kunnen we voorlopig weer even mee vooruit. Wat een wonderlijke ervaring, wat een heerlijke boodschap, daar kunnen we voorlopig weer op teren, daar kunnen we de komende tijd vrijmoedig van getuigen?’ Hoe leefden de herders in hun verwachting van de Zaligmaker? In hun verlangen? In hun hopen? In hun uitzien? Wat zeiden ze? Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het Woord(!), dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. Ze grepen zich vast aan het Woord. Dat was hun houvast! Hoe leefde de dichter van Psalm 130 in zijn verwachting van vergeving van schuld? Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Op Uw Woord heb ik gehoopt. Het Woord alleen geeft houvast. Het enige houvast waar een roepende en zoekende bidder zich aan vast kan klemmen, is het Woord!
Hoe meer U me afwijst, ik zal het van harte erkennen: U hebt gelijk, ik heb geen enkel recht voor U. Maar hoe meer mijn ziel ook gaat verlangen naar U, hoe harder mijn ziel gaat roepen uit de diepten tot U: Mijn ziel wacht op de Heere! Hoe meer U me afwijst, hoe meer ik me zal vastgrijpen aan Uw eigen Woord: ik hoop op Uw Woord.
Op Uw Woord? Op welk Woord? Dit Woord: Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden. Die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
Daarom, u die roept, wanhoop niet! Ook al hoort u nog geen antwoord, uw roep klinkt door tot in het hemelhof. Uw roep klinkt als hemelse muziek in de oren van de Heere Zebaoth. Het is God, Die u alles uit handen neemt, om u op Zijn tijd vergeving te schenken in een weg... van onmogelijkheid. Waarom doet de Heere dat? Opdat alle eer voor Hem zou zijn! Toen alle hoop mij gans ontviel en niemand zorgde voor mijn ziel, toen...! Toen hebt U mijn pad gekend.
Waar zondaren bukken en buigen, in hun totale onmogelijkheid aan de voeten van Christus, zich vastgrijpend aan het Woord, vluchtend tot Hem, daar zal Hij Zich openbaren als hun volkomen Zaligmaker. Als Degene, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hij is het Zelf, het is de Heilige Geest, Die zulke roepende en zoekende zondaren brengt aan de voeten van Christus. Daar, waar we in verwondering stamelen: niet alleen anderen, maar ook mij. Dit is ook mijn Heere, dit is ook mijn God. Daar, waar Hij ons toeroept: Ik voor u. Daar, waar wij in stilte antwoorden: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp!
Beste vrienden, het is vandaag biddag. De ware bidder, daar ging het om in de preek. De ware bidder komt uiteindelijk als een rechteloze, met betraande ogen aan de voeten van Jezus terecht. Dat is biddag. Roepen om vergeving vanuit de diepten en als een rechteloze je verlaten op het Woord, en komen tot het vleesgeworden Woord. Luther heeft ooit gezegd: Zalig worden is verloren gaan. Maar hij zei er nog iets bij: Zalig worden is verloren gaan aan Jezus’ voeten. Hebt u persoonlijk ooit zo (als een verlorene) gebeden aan de voeten van Christus?
Zij die hopend op God wachten, zullen nooit beschaamd worden. Zoekende zondaren, houdt moed! Nooit heeft iemand tevergeefs geroepen. Laat alles maar los, alles van u, alles waar u uw hoop zo tevergeefs op bouwt. En verlaat u maar op het Woord. Op het Woord van de belovende God. Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht. Moge dat, aan het begin van het nieuwe seizoen dat weer voor ons ligt, uw aller houvast zijn: het Woord. Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Amen.
Slotzang Psalm 27: 5,7
Mijn hart zegt mij, o HEER', van Uwentwegen: "Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht", Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen Alleen bij U, o bron, van troost en licht! Verberg toch niet Uw oog van mij, o HEER'! Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer. Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet. O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed: Hij is getrouw, de bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER'.
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Biddag
Andere gerelateerde preken