Zondag 13 · 12 januari 2025
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 13 (serie 2)
INLEIDING
Zondag 13 gaat over de derde en vierde Naam van de Zaligmaker: Gods eniggeboren Zoon, onze Heere. Christus is de eeuwige, natuurlijke Zoon van God — en juist daarom kon Hij verloren zondaars terugbrengen tot kinderen van God, aangenomen uit genade, niet uit natuur. Hij is ook Heere geworden: Hij kocht Zijn kinderen los, niet met goud of zilver, maar met Zijn kostbaar bloed, en verloste hen uit de heerschappij van de duivel tot Zijn eigendom. Wat een liefde van de Vader.
De belijdenis van Gods eniggeboren Zoon, onze Heere
ZONDAG 13
Vraag 33: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch Gods kinderen zijn?
Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.
Vraag 34: Waarom noemt gij Hem onze Heere?
Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo zich tot een eigen gemaakt.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 13
THEMA
De belijdenis van Gods eniggeboren Zoon, onze Heere
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, het gaat vanmiddag in de catechismuspreek over de eeuwige Zoon van God. En over kinderen van God, die uit genade tot kinderen aangenomen zijn. Waarom? Met het doel dat we ons zouden verwonderen over Wie God is en over wat Hij gedaan heeft. En daarom kijken we samen nog even kort naar wat we zojuist gelezen hebben. Naar de eerste twee verzen van 1 Johannes 3.
We lezen 1 Johannes 3:1: Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Hoor je de verwondering? Kijk toch, zegt Johannes, hoe groot die liefde is. Die liefde van de Vader, die Hij ons gegeven heeft. Ons, die dat niet verdiend hadden. Ons, die van nature kinderen des toorns waren. Ons, die deze Vader verlaten hadden om nooit meer terug te komen.
Maar God! Het ging van Hem uit. Hij gaf ons die grote liefde. Zoals Johannes ook schrijft in 1 Johannes 4:10Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een Verzoening voor onze zonden. De Vader heeft Zijn Zoon overgegeven. En Hij heeft ons, schrijft Petrus, niet gekocht met zilver of goud, maar met Zijn kostbare bloed (1 Petr. 1:18-19Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is; Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;). Tot een Verzoening voor onze zonden. En daarom heeft de Vader ons tot Zijn kinderen aangenomen.
Daarom (vers 1b) kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Daarom zijn we vreemdelingen op de aarde. Geen kinderen van de wereld, maar kinderen van God. En daar hoort dus lijden en verdrukking bij. Want de wereld kent ons niet. Zoals Paulus zegt in Romeinen 8: Als wij kinderen zijn, dan zullen we ook met Christus lijden (Rom. 8:17). Maar midden in dat lijden, leven we met verwachting.
Kijk maar in vers 2: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods. Met andere woorden: in dit leven mogen we al iets kennen van het recht op het kindschap dat we gekregen hebben. Maar er komt nog veel meer!
Want (het vervolg van vers 2): Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. De heerlijkheid die de Heere voor ons bereid heeft, die zien en kennen we nog niet. Maar (staat er): wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen. Met andere woorden: ons wacht een grote heerlijkheid, naar ziel en lichaam. Hoewel Christus Zelf, zittend aan de rechterhand van Zijn Vader, ver boven iedereen zal uitstijgen.
Want (zo vervolgt Johannes): Want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Hier op aarde mogen we onze Heere ontmoeten. In het Woord, in onze stille gebeden, en in het bijzonder bij de bediening van de heilige sacramenten. Maar dat is altijd weer tijdelijk. En dat is altijd nog ten dele. Maar ons wacht, kinderen van God, uiteindelijk na dit leven een nooit eindigend zien van de Zaligmaker. Met eer en heerlijkheid gekroond. Want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Christus, Die de hemel voor ons tot de echte hemel zal maken.
En daarom, laat de stille overdenking van de liefde van de Vader, en van de prijs die Christus voor ons betaald heeft, en van de leiding van de Heilige Geest, en van de verwachting van deze heerlijke toekomst, onze harten vullen met verlangen, vrede en verwachting.
Het gaat vanmiddag in de preek over Zondag 13 over het tweede artikel van de Twaalf Artikelen. Nadat het in de vorige zondag ging over de namen Jezus en Christus, gaat het nu over de twee volgende namen van de Zaligmaker: Hij is Gods eniggeboren Zoon, onze Heere.
Laten we samen Zondag 13 met elkaar gaan lezen: Vraag 33. Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn? Antwoord. Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.
Vraag 34. Waarom noemt u Hem onze Heere? Antwoord. Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: De belijdenis van Gods eniggeboren Zoon, onze Heere
We letten samen op twee aandachtspunten: 1. Gods Zoon (vanuit vraag en antwoord 33) 2. Gods kinderen (vanuit vraag en antwoord 34)
Als eerste dus:
Vraag 33 vraagt: Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd? Het antwoord: Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is.
Wat betekent eigenlijk die uitdrukking: Eniggeboren Zoon? Zoals de Vader Zelf zei toen Jezus gedoopt werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb? Zoals staat in 1 Johannes 4:9: Hierin is de liefde van God aan ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem?
De Heere Jezus (zegt de Catechismus als uitleg) is de eeuwige en ook de natuurlijke Zoon van God. Dat betekent: Hij is God, net als de Vader en de Heilige Geest. Hij was in den beginne bij God. Hij was God en Hij bleef God. De tweede Persoon in het Goddelijke Wezen: God uit God, licht uit licht. Christus is de eeuwige, natuurlijke Zoon van God. In de nooit begonnen eeuwigheid zei de Vader: U bent Mijn zoon, heden heb Ik U gegenereerd (Ps. 2:7Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.). Johannes schrijft in Johannes 5:26Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven;: Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf.
Begrijpen doen we het niet. Uitleggen kan ik het ook niet. Maar tegelijkertijd is dit geen dorre theologie. Dit is ook geen bijzaak. Dit is het fundament van het geloof van de kerk. Want Petrus ooit beleed: U bent de Christus, de Zoon van de levende God (Matth. 16:16En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.).
Want? Waarom is dat zo belangrijk? Omdat daarom en zo alleen Hij onze Zaligmaker kan zijn. Omdat Hij de eeuwige Zoon van God is. De eeuwige Zoon van God, Die vrijwillig het huis van Zijn Vader verlaten heeft. Die op Gods tijd de menselijke natuur aannam om weglopers, om verloren zondaars weer thuis te brengen in het Vaderhuis van God.
Van dat geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is, daar hangt heel veel vanaf. Daar hangt de zaligheid vanaf. Want als je niet gelooft, dat Jezus Christus de Zoon van God is, dan kan je niet zalig worden.
Want als Hij gewoon mens, als Hij gewoon schepsel was geweest, dan was niet God Zelf uit de hemel tot ons gekomen. Maar een mens, een schepsel. En geen schepsel, geen mens was ooit in staat om de last van de toorn van God tegen onze zonde te dragen. Dan waren we dus volledig overgeleverd aan onszelf. Maar Gode zij dank, Hij zond Zijn enig geliefde Zoon naar deze wereld.
God de Vader heeft Hem aangesteld en gezalfd tot Zaligmaker van verloren zondaars.
Tot Profeet om verloren mensen de weg tot de zaligheid te wijzen. Tot Priester om Zichzelf te offeren. Om de Zijnen vrij te kopen, niet met zilver of goud, maar met Zijn kostbare bloed. En tot Koning om hen te besturen en te bewaren. En dat alles kon alleen de Zoon van God Zelf: verloren mensen thuisbrengen, terugbrengen bij God. Zoals het ooit was en bedoeld was, als kinderen van God.
Van onszelf zijn we ver bij God vandaan. Van nature, zegt ons doopformulier, zijn we kinderen des toorns. Mensen die tegen God opgestaan zijn. Mensen die met Hem gebroken hebben. Wij zijn in Adam diep gevallen. Wij wilden onze Schepper niet meer als God en Vader. We hebben vrijwillig gekozen voor een nieuwe vader, de duivel. Zoals de Heere Jezus zegt in Johannes 8:44Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een mensenmoorder van de beginne.
En sindsdien zij we hopeloos verweesd, los van God. En dat merk je, dat voel je… De doelloosheid en vervreemding van je leven, waaraan we allemaal lijden, heeft alles te maken met het feit dat we van nature zonder deze Vader leven. Nu zwerven en dolen we als verloren kinderen in deze wereld. Waar we door eigen schuld ons bijzondere voorrecht en ons hoge doel zijn kwijtgeraakt. De hoge staat die we hàdden: Adam was (Luk. 3:38) de zoon van God Eerst wel, maar daarna niet meer. En nu wij ook niet meer. En dat is het, wat ons onszelf voor de Heere moet mishagen en voor God moet verootmoedigen. Want wie heeft ooit zoveel kwaad tegen zoveel goed gedaan?
Is er een weg terug voor die weggelopen kinderen? Is dat je vraag, is dat je nood? Ja, die weg is er. Er is één weg terug om zalig te worden, om weer kind van God te worden: Gods eniggeboren Zoon. Die vrijwillig het heerlijke huis van Zijn Vader verliet. Hij kwam wonen in deze wereld. Hij kwam bij ons, midden in onze Godsvervreemding en vijandschap tegen Hem. En uiteindelijk gaf Hij de prijs van Zijn kostbare bloed voor zulke verlaters van God. Roepend: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten? Opdat (zegt de Catechismus) wij om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen zouden worden. Opdat (zegt het avondmaalsformulier) wij nimmermeer door Hem verlaten zouden worden. Zijn komen in deze wereld, Zijn gehoorzaamheid, Zijn lijden, Zijn sterven en opstanding, dat alles werd de grond voor onze aanneming tot kinderen.
Dat opende de weg om vóór Zijn dood tegen Zijn discipelen te zeggen: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u (voor u!) plaats te bereiden (Joh. 14:2In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.).
En dat opende de weg om ná Zijn opstanding tegen Maria te zeggen: Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God (Joh. 20:17Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.).
Dat is wat de Heere Zijn kinderen wil leren, in het bijzonder door de prediking van het Woord. Door ons eerlijk te laten zien wie we zijn en waar we vandaan komen. Gevallen uit het kindschap van onze Schepper Vader. Door doelbewuste opstand tegen Hem. En niet in staat en onwillig om ooit nog op eigen kracht terug te keren.
Dat wil de Heere ons leren, door ons eerlijk te laten zien wie we zijn en waar we vandaan komen. En ook door ons te laten zien, dat er bij God vandaan toch nog een weg is om terug gebracht worden.
Was dat geen wonder in onze ogen, kinderen van God, geliefde medechristenen? En werd en wordt dat niet een steeds groter wonder? Dat de eniggeboren Zoon van God in deze wereld kwam? Waar Hij veracht, miskend, geslagen, gespuugd, verworpen en gekruisigd werd? Om zulke, door eigen schuld verweesde en van God vervreemde kinderen, toch weer terug te brengen bij God? Om ook mij weer terug te brengen bij God?
Kent u daar iets van, gemeente? Jullie, jongelui? Van dat: ook ik ben uit genade door God teruggebracht bij God? Waar ik zelf nooit om gevraagd had, en wat ik zelf ook nooit gezocht had. Maar God gaf het. Om Hemzelf, om Christus’ wil?
Ken je iets, persoonlijk, van dat genadige welkom voor zondaars bij God? Van dat genadige, niet: Ga weg van mij! Maar van dat genadige: Kom herwaarts tot Mij, u die vermoeid en belast bent? Zoals ook nu het Evangelie nodigt: Verloren, opstandige, weggelopen kinderen, kom! Bij Mij, bij de Heere, is raad voor je radeloze hart, hoop voor je hopeloze hart en vergeving voor je hemelhoge schuld, ja, zelfs leven voor je dode hart! Want Ik heb Mijn Zoon naar deze aarde gestuurd. Als Mijn Lam om geslacht te worden voor de zonde. Als Zaligmaker om het verlorene te zoeken. Om zulke weggelopen kinderen als u, als jij, weer thuis te brengen. Om ze met Mij, de heilige God, te verzoenen.
Als je de stem van die Evangelienodiging dan hoort, antwoord dan toch, roepend en biddend: O Heere, breng ook mij terug. Denk toch ook aan mij. Denk toch aan Uw Vaderlijke mededogen, Heere, waarop ik biddend pleit.
We gaan dat samen zingen uit Psalm 25: 3 Denk aan't vaderlijk meêdogen, HEER, waarop ik biddend pleit’.
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Vraag 34 vraagt: Waarom noemt u Hem onze Heere? Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt
Wat is de kern van dit antwoord? De belijdenis: Deze eniggeboren Zoon van God, is ook mijn Heere. Ik ben van Hem. Ik ben van eigenaar veranderd. Losgekocht uit de slavernij van de satan, van de zonde en van de wereld. En teruggebracht bij God. En nu is die eniggeboren Zoon van God, ook mijn Heere. En nu is Zijn Vader ook mijn Vader.
Al het goud van de wereld was niet genoeg om me vrij te kopen uit de gevangenis waarin ik zat. En al het zilver van de wereld was niet genoeg om me vrij te kopen uit mijn slavernij. Want? Want de duivel vroeg meer? Nee, want God wilde dat er een hogere prijs betaald zou worden voor zoveel ontrouw, zonde en schuld. Die prijs was hemelhoog. De prijs van mijn ziel was voor mijzelf onbetaalbaar.
Maar God! En wat schittert daar genade! God zond voor die hemelhoge schuld uit de hemel Zijn eniggeboren Zoon. Het Lam van God, dat de zonde van de wereld weggedragen heeft. Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft.
Er moest voor dat weglopen, er moest voor dat breken met God, er moest voor dat onszelf verkopen als slaven aan de duivel, er moest voor dat alles betaald worden met bloed. Want, zo zegt de Heere: zonder bloedstorting is er voor zulke grote zonden geen vergeving (Hebr. 9:22En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.).
Eeuwenlang wees het paaslam daarnaar vooruit. Eeuwenlang wezen al de lammeren die geofferd werden in de tempel daarnaar vooruit. Ooit zou het Lam van God komen. Totdat op Gods tijd het Woord vervuld werd. God stuurde Zijn Eigen Lam, Zijn Eigen eniggeboren Zoon. Als het Lam van God. Dat geslacht werd op Golgotha. Christus stierf de vervloekte dood aan het kruis. En betaalde zo de prijs voor de zonden van die weggelopen kinderen. De prijs van Zijn dierbare, kostbare bloed.
En daarmee heeft de Heere Jezus al Gods kinderen verlost en bevrijd uit de slavernij van de zonde en van de duivel. Zijn bloed was de grote prijs die betaald moest worden. Het bloed van het Lam van God. Om de toorn van God over de zonden te stillen. Om te voldoen aan de eisen van de rechtvaardigheid en de heiligheid van God.
Om met God te verzoenen en vrede te maken. Toen de Heere dat bloed zag, toen ging Hij voorbij. Het stilde Zijn toorn. Het bluste de hitte van Zijn gramschap. Dat bloed van Jezus Christus, Gods Zoon dat ons reinigt van alle zonden (1 Joh 1:7Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.).
Daaraan denkend roept Johannes uit in 1 Johannes 3:1: Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden Zo groot was Zijn liefde, dat Hij alles gaf voor de Zijnen.
Zoekende zondaars, u die ziet en gelooft dat u tegen God gezondigd hebt… U die voelt dat de Heere betaling eist voor uw hemelhoge schuld… Luister eens naar dit heil- en troostrijke woord. De Heere Zelf heeft een weg gebaand, een weg geopend voor verloren zondaars om zalig te maken. Bij Hem moet u het zoeken. Bij de gekruisigde Christus. Op Hem mag u uw hoop stellen, uw enige hoop. Op de eniggeboren Zoon van God. Biddend of de Heilige Geest u licht en genade wil geven om te geloven: de Vader gaf Hem ook voor mij. En Christus deed dat ook voor mij.
De grote vraag is, geliefde gemeente, kent u persoonlijk iets van die onbegrijpelijke liefde van de Vader? En van de kracht van het bloed van Christus? Dan moet je wel eerlijk van jezelf bekennen dat je midden in de dood ligt. En dan moet je de zaligheid wel buiten jezelf zijn gaan zoeken. Omdat je zelf de prijs, het rantsoen, het losgeld voor je ziel aan God in tijd of eeuwigheid zelf niet kon voldoen.
Wat wordt het dan een wonder, als de Heere Zelf door Zijn Woord en Geest, je in je zielenood het Lam, het Lam Gods gaat aanwijzen. En gaat zeggen: Zie op Hem en word behouden. En je zo behoudenis mag vinden, buiten jezelf, in de Heere Jezus Christus. Door God geschonken, als een vrije gift uit de hemel. Om ons, mensen (die ooit van God weggegaan waren en nooit meer wilde terugkeren), om ons met lichaam en ziel, zegt de Catechismus, van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed los te kopen.
Wat wordt dat een wonder, als de Heere Zelf ons brengt bij Zijn eniggeboren Zoon. En wat blijft dat na gekregen genade een wonder. En wat wordt dat een steeds groter wonder. Dat Christus voor ons betaald heeft met de kostbare prijs van Zijn bloed, om ons met God te verzoenen.
En om ons ook (zegt antwoord 34) van alle heerschappij des duivels te verlossen, en ons zo Zich tot een eigendom te maken, Dus, kinderen van God, we zijn niet alleen gekocht met het kostbare bloed van de Heere Jezus aan het kruis. Maar we zijn ook verlost uit de slavernij van de duivel. De Heere heeft ons gerukt uit zijn klauwen. En zo heeft Hij ons tot Zijn eigendom gemaakt. Dat is toch om stil van te worden?
Kan je dat als kind van God altijd vasthouden? Kan je dat altijd zonder aarzelen geloven? Als de duivel je aanvalt en je wijst op je zonden? Zoals hij de hogepriester Jozua wees op zijn vuile kleren? Als je geloof, wat je van de Heere gekregen hebt, aarzelt…, wankelt… Nee, dan voelen we, dat we zwak van moed zijn en klein van krachten. Dan voelen we dat de Heere ons moet vasthouden.
Maar als de Heere ons er dan weer Zelf op wijst, door Zijn Woord en door Zijn heilige sacramenten, en zegt: Kijk, Hem heb ik aan u gegeven. En dit heeft Christus voor u gedaan. Dan springt ons hart weer op van blijdschap en verwondering. Dan zijn we weer zo gelukkig. Dan worden we weer stil voor God.
Als we eraan denken, hoe de Heere Jezus ons, opstandige weglopers die we waren, kocht, niet met geld, met goud of zilver, maar met Zijn kostbare bloed. Wat een onnoemelijk hoge prijs had Hij voor ons over. Wat een weergaloze liefde van de Vader, dat Hij Zijn Zoon overgegeven heeft om onze zonden. En wat een weergaloze liefde van Christus, dat Hij gehoorzaam werd tot de dood van het kruis, om ons die vijanden waren, tot kinderen te maken.
Het is, jongelui, zo’n gelukkig leven. Dat leven met de Heere. Dat leven van Zijn genade. En het is zo’n gelukkige wetenschap. Als je weten mag: de Heere heeft ook mij aangenomen tot Zijn kind. Ik hoor weer voor altijd bij Hem. Wat een vrede geeft dat met God, door het bloed van het Lam van God. Wat een rust geeft dat, dat je weten mag dat je geborgen bent achter Zijn bloed. Wat een zegen is dat, dat je weten mag: ik ben niet meer van mezelf. Ik ben ook niet meer van de satan. Maar ik ben van Hem. Ik ben van onze Heere. Ik ben van God. Zo betrouwbaar, zo sterk. Zo weergaloos in Zijn liefde en trouw. Hij zal me nooit meer loslaten. Niemand zal me ooit kunnen rukken uit Zijn handen. In Hem, in Zijn handen en in de handen van de Vader ben ik veilig.
Satan kan ons hinderen, hij kan ons aanvallen. En de zonde kan ons proberen te verleiden. Maar ze heersen niet meer over ons. Ze zijn niet meer de baas over ons. Omdat we (eeuwig wonder van vrije genade!) vrijgekocht zijn door het bloed van Christus. We zijn (en dat is een enige, unieke troost!) het onvervreemdbare eigendom geworden van onze Heere.
Jongelui, dit wil je jaloers maken op het goed dat de Heere weggelegd heeft voor degenen die Hem vrezen. Dit wil je hartelijk aansporen om dit geluk ook te gaan zoeken. Dit wil je aanmoedigen om de Heere te gaan zoeken terwijl Hij te vinden is. Als je dat doet, dan zal je Hem vinden. En dan vind je leven!
Laat dit, kinderen van God, geliefde medechristenen, daarom dan ook vaak de inhoud zijn van onze stille overdenking: O Heere, hoe groot is Uw liefde. Dat U mij liefgehad hebt. Dat U mij getrokken hebt met koorden van goedertierenheid. Dat U mij hebt opgetrokken uit een ruisende kuil. O Heere Jezus Christus, hoe groot is Uw liefde. Dat U Uw bloed voor mij hebt gestort.
Laat dit ons leiden tot stille aanbidding van God de Vader: De lofzang is in stilheid tot U, o God. Laat dit ons leiden tot stille aanbidding van God de Zoon: O liefde, die om zondaars te bevrijden… Die om mij te bevrijden… Die om mij tot Uw kind te maken, zo zwaar wou lijden! Laat dit ons leiden tot stille aanbidding van God de Heilige Geest, denkend aan de woorden van Paulus uit Romeinen 8: Die door de Geest geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom. 8:14).
Kinderen van God, tot slot. We zijn door genade het eigendom geworden van Jezus Christus. Hij is onze Meester, onze Heere, onze Kurios. Gelukkig leven! Maar, als we nu in het verleden als slaven van de duivel hebben gewerkt, dan is het leven onder onze nieuwe Meester, geen leven van luiheid. Maar een leven van levensheiliging, gehoorzaam zijn en dienen. Zoals de apostel Johannes schrijft in 1 Johannes 3 (het gedeelte wat we gelezen hebben) het derde vers: En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. Zoals de apostel Petrus zegt in 1 Petrus 1: We moeten gehoorzame kinderen zijn. Niet gericht op de wereld, maar heilig voor God (1 Petr. 1:14). Zoals Zondag 12 vorige week zei: We moeten ons als een levend dankoffer Hem opofferen. En nu zegt Zondag 13: We zijn, kinderen van God, niet meer het eigendom van onszelf, maar van onze nieuwe Meester. Geen kleine zelfstandigen dus, geen zzp’ers, geen eigen ondernemers, maar in loondienst van onze grote Meester. En Zijn loon is… genadeloon.
We worden geroepen te leven in een nieuwe gehoorzaamheid. We worden geroepen om de voetstappen van onze Meester te volgen. Om onder Zijn banier te strijden tegen de zonde, de duivel, de wereld en ons eigen zondige hart.
En zolang dat duurt, is onze kinderenvreugde nog niet volmaakt. Zolang dat duurt, huilen we nog kindertranen om wie we zijn, om wie we gebleven zijn. Zolang dat duurt, snikken we nog met kinderverdriet om ons dwalen en verdwalen, steeds weer. Daarom kijken we vaak met onuitgesproken kinderverlangen omhoog, zeggend met de dichter: ‘d Ogen houdt mijn stil gemoed, opwaarts om op U te letten U die trouwt bent, zal mijn voet voeren uit bozen netten
Verlangend naar de dag, waarop het werk van onze Heere in ons voltooid is. Naar de dag waarop onze hemelse Vader al de kindertranen van onze ogen zal afwissen.
Naar de dag waarop ons geloof zal overgaan in aanschouwen. Jongelui, dat wordt de mooiste dag van ons leven. De dag waarop we onze hemelse Bruidegom, onze Heere Jezus Christus zullen zien. Het Lam, in de hemel, staande als geslacht, voor ons. En dat geslachte Lam zal ons voor altijd herinneren aan de hoge prijs van Zijn kostbare bloed voor ons.
Dan zullen we zeggen, vol blijdschap en verwondering: onze Heere! En dan zal Hij ons, als aangenomen kinderen, thuisbrengen bij: onze Vader. In het Vaderhuis met de vele woningen.
We zullen met allen die rondom de troon zijn, zeggen: Hét Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openb. 5:12Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.). Tot in alle eeuwigheid
O Lam Gods, U bent geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie (Openb. 5:9) U zij alle eer. Halleluja!
Amen.
Slotzang Psalm 73:12,13:
'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat; En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.
Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart Of bange nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
Andere preken over Zondag