PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 14: Geboren uit de maagd Maria (serie 2)

Zondag 14 · 2 februari 2025

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 14 (serie 2)

INLEIDING

Zondag 14 gaat over het mens worden van de Zoon van God: ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria. De eeuwige Zoon nam vrijwillig de ware menselijke natuur aan — echt mens, in alles gelijk aan Zijn broeders, maar zonder zonde. Dat was nodig, want alleen zo kon Hij als Middelaar de zonde bedekken waarin wij ontvangen en geboren zijn. Wie zichzelf verloren weet, mag deze Middelaar zoeken: heilig en onschuldig, gekomen om schuldige zondaars weer met God te verzoenen.

THEMA

Het mens worden van de Zoon van God

KERNPUNTEN

  1. Het feit van Zijn mens worden
  2. Het nut van Zijn mens worden

ZONDAG 14

Vraag 35: Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?
Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is, en blijft, de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

Vraag 36: Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
Dat Hij onze Middelaar is, en met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 14: Geboren uit de maagd Maria (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 14

THEMA

Het mens worden van de Zoon van God

LITURGIE

Lofzang van Maria:1,2 Twaalf Artikelen (1e berijming): 1

Lezen Lukas 1:26-38

Lofzang van Maria:3,4,5

Psalm 10:7

Lofzang van Maria:6,7

Geliefde gemeente, jongelui, de vorige keer ging het in de catechismuspreek over Zondag 13, over de Heere Jezus, als Gods eniggeboren Zoon, onze Heere. En nu volgt (dat is artikel 3 van de Twaalf Artikelen): Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.

We hebben dat samen gelezen uit Lukas 1:26-38. Laten we daar samen nog even naar kijken. Pak het er nog even bij, zodat je mee kan lezen. Lukas 1, vanaf vers 26:

Vers 26 en 27: En in de zesde maand (van de zwangerschap van Elisabeth) werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Nazareth; tot een maagd die ondertrouwd was met een man wiens naam was Jozef, uit het huis Davids; en de naam der maagd was Maria. Ze is waarschijnlijk een jaar of 16. Ze is ondertrouwd met Jozef. Officieel en wettig aan hem verbonden, maar ze hebben nog geen gemeenschap met elkaar gehad.

Vers 28 en 29: En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord en overlegde hoedanig deze groetenis mocht zijn. Dat kan je begrijpen, als er een engel voor of naast je staat!

Vers 30 en 31: En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden. En zie, u zult bevrucht worden en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heten JEZUS. U zult bevrucht worden en een Zoon baren? Je kunt je, meiden van 16, de verwarring van Maria wel voorstellen! He? Ik? Zwanger? Hoe dan?

En dus vraagt ze eerbiedig aan de engel in vers 34: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken? Hoe zal dat wezen? Dat klinkt niet als ongeloof, en dat is het ook niet. En dat is bijzonder. Het is eigenlijk een vraag om uitleg: Maar…, hoe dan? Ik ben helemaal niet getrouwd. Ik heb geen gemeenschap met een man gehad.

Vers 35. En de engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Maria, je Kind zal de Heilige zijn, Gods Zoon. Heilig, vanaf Zijn allereerste begin. Vol van heiligheid en onschuld. En door geboorte uit jou, zal Hij ook mens zijn. Maar, nog steeds: heilig en onschuldig.

En dit is je tot een teken, vers 36 en 37: En zie, Elisabeth, uw nicht, is ook zelve bevrucht met een zoon in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde. Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Geen woord, geen beloftewoord, zal bij God onmogelijk zijn. Er is nog nooit een woord uit de mond van de Almachtige gegaan, dat niet waar is geworden. Hier spreekt de onveranderlijke God, bij monde van de engel Gabriël. De God Die zegt: Zou Ik het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Hetgeen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.

En dan? Wat zegt Maria, dan? Kijk maar in vers 38: Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord. Met andere woorden: Zie, hier ben ik. Een totale overgave van een meisje van 15, 16, 17 jaar: Heere, hier ben ik! Ik volg U. Mij geschiede naar uw woord. Zegt u dat ook maar, u, die op de Heere hoopt.

We gaan samen kijken Zondag 14. Vraag 35. Wat is dat gezegd (wat betekent dat): Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria? Antwoord. Dat de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Het gaat in antwoord 35 over het feit dat de Heere Jezus de menselijke natuur heeft aangenomen.

Vraag 36. Wat nuttigheid verkrijgt u door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? Antwoord. Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt. In dit antwoord gaat het over het nut van dat mens-worden van Christus.

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: Het mens worden van de Zoon van God

We letten samen op twee aandachtspunten: 1. Het feit van Zijn mens worden 2. Het nut van Zijn mens worden

Als eerste dus:

1. Het feit van Zijn mens worden

Jongens en meisjes, de Twaalf Artikelen waar het nu in de catechismus over gaat, zijn wat betreft de Heere Jezus begonnen met de uitleg van Zijn Namen. Maar nu gaan we in Zondag 14 overstappen van de vraag hoe Hij heet en hoe Hij is, naar de vraag: Wat doet Hij en wat heeft Hij gedaan? Als Middelaar tussen de heilige God en zondige mensen.

En dan zeggen de Twaalf Artikelen in artikel 3 als eerste: Hij (dat deed Hij!) is ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria Hij, die de hoge en eeuwige God was, de eniggeboren Zoon van God, Hij (zegt Johannes) is neergedaald uit de hemel. Hij is vlees geworden, Hij is mens geworden. En Hij heeft onder ons gewoond. Hij heeft Zijn tent onder ons opgeslagen.

Hij heeft Zich, uit de hoge hemel vernederd. Zondag 14 gaat over eerste stap van Zijn vernedering: over Zijn geboorte uit Maria. Want Hij Die hoog was (en bleef), de eeuwige Zoon van God, heeft Zich diep vernederd. De Catechismus zegt: Laat er geen vergissing mogelijk zijn. Hij is en bleef wat Hij was: de eeuwige God. Maar Hij werd wat Hij niet was: mens… Hij verbond Zich aan de tijd, aan het stof. Hij nam door het werk van de Heilige Geest de menselijke natuur aan en wilde geboren worden uit Maria, als mens op deze aarde.

Je denkt, jongens en meisjes: Ja, dat wist ik. Dat weet ik allang. Dat weten we allemaal. Dit gaat over kerst. Dan denken we terug aan hoe de Heere Jezus geboren werd in Bethlehem. Zoals staat in Lukas 2: En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij baarde (beviel van) haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neer in de kribbe.

Ja, maar voordat je het weet, ben je daar een beetje aan gewend. Langzamerhand lijkt dat een beetje gewoon. Maar, gemeente, dit is echt een wonder! Er is geen wonder, zo groot als dit wonder! Want, jongelui, dat Kind, dat je in gedachten in de kribbe ziet liggen, is de eeuwige God!

Terwijl er nog geen mens was (in de stille eeuwigheid) had God een plan gemaakt. Om zondige mensen als wij te verlossen van onze schuld. Om ze weer met Hem te verzoenen. Om het weer goed te maken tussen de Heere en mensen die tegen Hem zouden opstaan. Om weggelopen kinderen weer terug te brengen tot het huis van de Vader. En dat eeuwige plan van God wordt in Bethlehem uitgevoerd.

Waarom? Waarom was dat plan er? Waarom liet God die mensen niet gewoon lopen? Om de eeuwige liefde van God tot Zijn kerk, tot Zijn kinderen.

Anders gezegd: omdat God goede gedachten had met mensen. Omdat Hij in mensen een welbehagen had. Zoals de engelen zongen in de velden van Efratha: Ere zij God, vrede op aarde, in mensen een welbehagen. In verloren mensen, in slechte mensen, in weggelopen kinderen. Die van Hem weggelopen zijn, en die sindsdien nooit meer naar Hem gevraagd of gezocht hebben.

En in plaats van ook nooit meer aan die weggelopen kinderen te denken, geeft de Heere Zijn eniggeliefde Zoon over in diepe vernedering. Om voor hen te komen, te lijden en te sterven. Vanuit de hoogte van de heerlijkheid en de glorie van de hemel daalt Hij af tot de laagte van de aarde. Hij neemt door het werk van de Heilige Geest de menselijke natuur aan. Hij vernedert Zich diep. Hij wil geboren worden als mens, Hij wil gelegd worden in een kribbe. Een onbegrijpelijk wonder van God.

Lukas schrijft: En zij (Maria) legde Hem neer in de kribbe, omdat… voor hen geen plaats was in de herberg. Dit was al een onbegrijpelijk wonder, maar nu wordt het een nog veel groter wonder! De eeuwige Zoon God komt naar deze aarde, Hij wil geboren worden als een mens. Maar…, voor Hem is geen plaats! Wij mensen willen Hem niet. En dus… is Zijn wieg een kribbe. Dat is Zijn begin. En dus… is Zijn troon (straks) een kruis. Dat is Zijn einde.

Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Niet welkom! Je zegt: Maar als je niet welkom bent, dan kom je toch niet? Ja, dat maakt het wonder dus alleen maar nog groter. Dat de Heere Jezus desondanks mens wilde worden. Dat Hij ondanks alles toch kwam.

De Catechismus zegt: Hij, de Heere Jezus, de eeuwige Zone Gods, Die waarachtig en eeuwig God is en blijft, heeft de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen. De Heere Jezus heeft de menselijke natuur aangenomen.

Dat is dus iets anders dan: gewoon geboren worden zoals wij. Want dat doe je niet zelf. Als je geboren wordt, dan doe je niks. Je wordt geboren. Maar bij de Zoon van God, bij de Heere Jezus is het anders. Hij deed wel iets. Hij nam de menselijke natuur aan. Niemand drong die aan Hem op. Hij koos er Zelf voor. Heel bewust en heel vrijwillig.

De Catechismus zegt: de Zoon van God heeft de ware menselijke natuur aangenomen. Met andere woorden: laat er geen twijfel bestaan, die menselijke natuur was echt. Het was een echte baby, die in de kribbe lag. Die sliep, die huilde, die dronk aan de borst van zijn moeder Maria, en die weer verder sliep.

Later was Hij een echt peutertje. Die in huis drentelde, Die Zijn eerste woordjes brabbelde, Die leerde praten en lopen. Nog weer later leerde Hij timmeren in de werkplaats van Zijn vader Jozef (Mark. 6:3). Hij groeide op in Nazareth en was Zijn ouders onderdanig.

Hij nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en de mensen (Luk. 2:52). Hij kende, net als wij: vermoeidheid, verdriet, pijn, zorg en eenzaamheid. Hij had honger. Hij was dodelijk beangst in Gethsémané. Hij klaagde over dorst en huilde tranen.

Hij werd geboren uit een vrouw, geboren onder de wet (Gal. 4:4). Hij is aan de mensen gelijk geworden (Filip. 2:7). In heel veel dingen was Hij zoals wij: een zwak, kwetsbaar, sterfelijk mens. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Hij moest de broederen in alles gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. Daarom deed Hij het dus. Hij heeft Zich zo diep vernederd, om de zonden van Zijn volk te verzoenen.

In heel veel dingen was Hij zoals wij. Maar er was één groot verschil. De Catechismus zegt: Opdat Hij ook het ware zaad Davids zij (de beloofde Messias), Zijn broeders in alles gelijk, uitgenomen (behalve wat betreft) de zonde. In alles wilde Hij hetzelfde worden als hen, maar in één ding was en bleef Hij anders. Hij had geen enkele zonde. Hij was in alles gericht op God. Hij was altijd bezig met de dingen van Zijn Vader. Jezus was echt mens, zoals God de mens bedoeld had. En zó kwam Hij naar deze aarde, om de zonden van Zijn volk te verzoenen.

Gemeente, dit is een wonder om stil van te worden. Om stil over na te denken. Om stil over te mediteren. Christus was en bleef: God uit God, Licht uit Licht. Samen met de Vader en de Heilige Geest, de eeuwige, drie-enige God. Die van eeuwigheid woont in hemelse glorie en luister. Paulus zegt in Filippenzen 2: Hij was in de gestaltenis Gods (vol heerlijkheid en glorie), Gode even gelijk. Maar Hij heeft Zichzelf vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden.

Hij koos er Zelf heel bewust voor om mens te worden. Dat was een daad van oneindige liefde. Want Hij wist dat, zodra Hij Zijn leven op aarde zou binnentreden, dat dat één lange lijdensweg zou worden. Een leven van lijden, van ellende, van verdriet, en uiteindelijk van sterven aan het kruis. Maar Hij zocht die lijdensweg. En heeft er nooit spijt van gehad. Want Hij wist waarvoor Hij het deed. Hij wist voor wie Hij het deed. Voor weglopers, Die Hij liefhad. Om ze thuis te brengen bij God.

In de menswording van de Zoon van God schittert Gods eeuwige welbehagen. In de menswording van Christus schitteren Gods goede gedachten voor slechte mensen. Hier schittert eeuwige zondaarsliefde. Boven de kribbe van Bethlehem en straks boven Golgotha schittert de eenzijdige liefde van de Vader. Die Zijn eniggeboren Kind als mens overgaf in diepe vernedering, in ellende, nood en dood. En boven de kribbe van Bethlehem en straks boven Golgotha schittert ook de onbegrijpelijke zondaarsliefde van Christus. Die zo diep gebogen heeft. Die Zich doodgeliefd heeft voor verloren mensen.

Dat mens worden was nodig om voor de zonde te kunnen betalen (dat zullen we zo meteen verder zien). Maar er ligt ook heel veel troost in voor Gods kinderen. In alles wat ons overkomt, in alles wat gebeurt, kan Hij met ons meevoelen en met ons meelijden. Want Hij weet wat het is om mens te zijn… Voelen we ons eenzaam of verlaten? Onze Heere weet hoe dat is, veel meer dan wij. Worden we veracht, op ons werk, in ons gezin of in de kerk? Hij werd nog veel meer veracht. Hebben wij pijn? Hij weet, nog veel meer dan wij, hoe dat is. Worden we verzocht door de duivel, aangevochten of bestreden? We weten dat de duivel Hem nog veel meer op de hielen zat.

Wat mag dat ons in tegenspoed en kruis, in aanvechting en verzoeking troost geven. Hij is de broederen in alles gelijk geworden. Hij noemt Zijn kinderen, Hij noemt ons: broeders, zusters. Want Hij kent ons lijden, onze tranen en onze pijn.

We hebben geen Verlosser, we hebben geen Zaligmaker Die ver van ons af staat: onbereikbaar, ontoegankelijk, onbekend met ons mensen. Maar Eén die van alles van ons afweet. Als de schrijver van de Hebreeënbrief daaraan denkt, dan zegt hij: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd.

Juist daarom, omdat onze Heere (hoewel zonder zonde) ons in alles gelijk geworden is, juist daarom mogen wij vrijmoedigheid hebben. Daarom mogen wij onbeschroomd onze knieën buigen. Daarom mogen wij zeggen en geloven: Heere, U weet alle dingen. En dus zingt de dichter van Psalm 10: U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve.

We gaan dat, voordat we verdergaan met ons tweede aandachtspunt zingen uit die tiende psalm. Psalm 10:7: Gij merkt op de moeite, smart en rouw, opdat men 't U in handen geven zou. Op U verlaat zich d' arme; zou hij vrezen? Gij immers zijt een trouwe hulp der we-zen.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Het nut van Zijn mens worden

Vraag 36 vraagt: Wat nuttigheid verkrijgt u door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? Antwoord: Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

De vraag is confronterend. Zijn ontvangenis en geboorte waren heilig. Hij was vanaf Zijn allereerste begin heilig en onschuldig. Wij niet. Wij zijn immers vanaf ons allereerste begin in zonden ontvangen en geboren, kinderen des toorns die in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij we opnieuw geboren worden. Wij moeten belijden met de dichter van Psalm 51: Ik ben in ongerechtigheid geboren; Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toorn. Reeds van het uur van mijn ontvangenis af.

Wat is dat een vernederende waarheid. Dat de Heere, in plaats van te beamen dat je goed bezig bent, zegt: Nee, vanaf je geboorte en daarvóór al, vanaf je allereerste begin ben je onheilig en schuldig, verloren en vijandig, geestelijk dood door de misdaden en de zonden. Tegen God opgestaan, tegen de heilige en de rechtvaardige God, Die je zonden nooit door de vingers kan zien. En alles wat je doet of probeert, zal je nooit één stap verder brengen. Je kunt het niet meer goedmaken. En je wilt het ook niet. Er deugt niets meer van je. En het wordt niets meer met je.

Ja, dat kan je zeggen en belijden, maar gemeente, het is zo nodig dat we dat echt leren zien door het ontdekkende werk van de Heilige Geest. Waardoor je (terwijl je voorheen dacht: ik ben rijk, verrijkt en heb geen ding gebrek), gaat zien en geloven: ik ben ellendig, jammerlijk, arm, blind en geestelijk naakt. Dan ga je ook echt geloven, dat je het zelf nooit meer goed kan maken.

Is dat de nood van uw en jouw hart? Ik heb het zelf gedaan! Ik heb zelf de deur naar God terug dichtgegooid. Ik heb zelf de weg geblokkeerd. En nu sta ik voor een gesloten weg. Voor een Rode Zee van schuld. Hoe komt het ooit weer goed?

Als je zo iets van jezelf leert kennen, van wie je bent voor God, van wat je gedaan hebt, dan ga je ook iets zien van het wonder (wat je nooit zult begrijpen!) van wat God gedaan heeft. Hij heeft in onbegrijpelijke goedheid goede gedachten van welbehagen gehad. In plaats van zulke verloren zondaars (in zonden ontvangen en geboren), gaf Hij Zijn eniggeboren Zoon. Zo anders dan wij: zonder zonde, onschuldig, in heiligheid ontvangen en geboren. Waarachtig God. In staat om de last van Gods toorn tegen mijn zonde te dragen. En waarachtig mens, zonder zonde.

De Middelaar. De catechismus zegt: ónze Middelaar, Die met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

Wat schittert hier ongeëvenaarde Goddelijke wijsheid. De Vader wilde Zijn Zoon overgeven in diepe vernedering om weggelopen zondaars weer thuishalen. En wat schittert hier eeuwige zondaarsliefde. Christus wilde als Middelaar met Zijn heiligheid en zondeloosheid die gesloten weg openen voor zondaars.

Zeg jij, die zo gebukt gaat onder je zonden, onder je zondige leven, om je zonde-zijn voor God… Zeg u, die God zoekt… Hoor u niet het Evangelie in deze woorden? Namelijk dit Evangelie: Zie (waar er van uw kant geen weg meer is), zie het Lam Gods. Zijn Lam, dat de zonde der wereld wegdraagt. Heilig en onschuldig. Een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Namelijk dit Evangelie: Vrees (in al uw vrezen) niet (zoals de engel zei), want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u (voor u!) heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere.

U kunt het nooit meer goedmaken. Van u uit is er geen weg. Maar God heeft Zijn Zoon gezonden. Als Middelaar, om te staan tussen Hem, de heilige en rechtvaardige God en verloren, weggelopen, vijandige mensen. Om door Hem al Zijn genade en barmhartigheid te bewijzen aan mensen die de eeuwige dood verdiend hebben. Door, zegt de Catechismus: mijn zonde voor Gods aangezicht te bedekken. Zoals de dichter van Psalm 32 zingt: Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Die van de straf voor eeuwig is ontheven; Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt. Bedekt, vergeven. Door Zijn volkomen onschuld en heiligheid daaroverheen te leggen. Waardoor de Heere geen ongerechtigheid meer ziet in Jakob, en geen boosheid meer in Israël (Num. 23:21).

Wat is het een genadige zegen, als de Heere je dat gaat laten zien en leert geloven. Bij jezelf is er geen weg meer. Je staat als voor de Rode Zee. Maar de Heere Zelf gaat een pad banen, het nooit eerder ontdekte spoor. Buiten jezelf. In het Lam Gods. En de Heere Zelf gaat je ogen richten op dit vernederde Kind van Bethlehem, op deze gekruisigde Christus. En laat zo licht opgaan in je donkere hart. Wat geeft dat (bij alles wat je nog mist) een blijdschap en verwondering in je ziel. Wat wekt dat heimwee en verlangen in je hart naar Hem. Dan gaat je hart meer dan ooit hongeren en dorsten naar Hem.

Als de Heere je iets geeft te geloven (naar de maat die Heere Zelf bepaalt) van wat de Catechismus hier vrijmoedig belijdt: Hij is onze Middelaar, door God geschonken. Die met Zijn heiligheid, mijn zonde bedekt. Die met Zijn volkomen onschuld mijn hemelhoge schuld bedekt. Dan gaat de Morgenster op in je hart. Dan laat de Zon der gerechtigheid Zijn eerste stralen vallen in je ziel.

Geliefde gemeente, daar moet het heen. Naar de Middelaar. Naar Christus, de Gekruisigde. En dus, blijf niet vertrouwen op jezelf. Maar kom, buig als zondaar, als verloren mens aan Zijn voeten. Hebt u voor uw verloren hart en voor uw onheilige leven deze Middelaar al nodig gekregen?

a. Niet? Dan bent u in groot gevaar. Dan bent u in levensgevaar. Want dan is uw zonde, waarin u ontvangen en geboren bent, nog steeds voor de heilige ogen van de Heere niet bedekt. Voor de ogen van Hem, voor Wie u eerdaags zult moeten verschijnen. O, wordt toch wakker uit uw dodelijke rust. Zie toch de ernst van uw toestand in. In zonden ontvangen en geboren, maar u gelooft het niet. De toorn van de Heere rust op u, maar u voelt het niet.

Een geopende weg is u voor ogen geschilderd. Om al uw zonden bedekt te laten worden door de onschuld en de heiligheid van deze Middelaar. Maar tot nu toe hebt u niet gewild. Onbekeerde vrienden, Jezus huilt tranen over u: Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert, en u hebt niet gewild (Matth. 23:37).

Gemeente, hebt u deze Middelaar al nodig gekregen? Bent u al gaan inzien, dat u van uzelf een verloren mens bent? En dat er in u geen enkel vermogen is om uzelf te redden? Is deze Middelaar in uw ogen al gaan schitteren? Veel schoner dan de mensen, omdat er genade op Zijn lippen is uitgestort? Genade…

b. Is dat, kinderen van God, niet wat ons leven geworden is? Genade… De genade en wijsheid van God de Vader, Die Zijn eniggeliefde Zoon gaf als een heilig en onschuldig Kind, om onheilige en schuldige kinderen weer aan te nemen tot onschuld en heiligheid? De genade en liefde van God de Zoon, Die met Zijn heiligheid en onschuld in deze zondige en schuldige wereld kwam om vijanden met God te verzoenen? De genade en het werk van God de Heilige Geest, Die onze onheiligheid en schuld bedekte met de heiligheid en de onschuld van Christus? En nu is er geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest (Rom. 8:1).

De genade van deze Middelaar, de genade van deze mens geworden Zoon van God, dringt ons tot een heilig leven. Tot een dagelijks zoeken van verzoening om zoveel blijvende zonden. En tot dagelijkse dankbaarheid.

Omdat Hij onze Middelaar is, Die met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt. Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave. De drie-enige God zij daarvoor alle eer!

Amen.

Slotzang Lofzang van Maria:6,7:

Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld Der hongerigen monden; Hij zag geen rijken aan; Maar heeft z', in hunnen waan, Gans ledig weggezonden.

Zijn goedheid klom ten top; Hij nam Zijn Isrel op, Naar 't heil, Zijn knecht beschoren; Gelijk Hij, ons ten troost, Aan Abram en zijn kroost, Voor eeuwig had gezworen.