11 september 2022
Psalm 130:3: Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?
INLEIDING
Uit de diepten van zonde en schuld roept de dichter tot de HEERE, de trouwe Verbondsgod. Hij bidt om gehoor en belijdt: wie zal bestaan, als U de ongerechtigheden gadeslaat? Toch is er geen wanhoop, want bij U is vergeving. Vanwege het bloed van Christus. Die vergeving werkt geen lichtvaardigheid, maar heilige vrees: eerbiedig buigen voor God en Hem liefhebben, als een kind.
Uit de diepten
PSALM 130:1-8
1 Een lied Hammaäloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE.
2 Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
3 Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?
4 Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
5 Ik verwacht den HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord.
6 Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
7 Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
8 En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 130:3
THEMA
Uit de diepten
Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp, voor deze week van voorbereiding voor de bediening van het Heilig Avondmaal, het eerste deel van Psalm 130. Psalm 130:1-4. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Een lied Hammaäloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE! HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen. Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Het thema voor de preek is: Uit de diepten We letten samen op vijf punten. Als eerste: Uit de diepten roep ik. Vers 1 zegt: Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE! Als tweede: Uit de diepten bid ik. Vers 2: HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen. Als derde: Uit de diepten belijd ik. Vers 3: Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Als vierde: Uit de diepten hoop ik. Vers 4a: Maar bij U is vergeving. En als vijfde: Uit de diepten vrees ik. vers 4b: Opdat Gij gevreesd wordt.
Dus vijf aandachtspunten bij het thema: Uit de diepten. Uit de diepten: 1. Roep ik 2. Bid ik 3. Belijd ik 4. Hoop ik 5. Vrees ik Vijf werkzaamheden van het hart. Die ik u en mezelf als een spiegel wil voorhouden, en wil meegeven in deze week van voorbereiding.
Psalm 130. Een lied Hammaäloth…, zo begint vers 1. Een pelgrimslied, gezongen op weg naar het heiligdom in Jeruzalem, op weg naar de tempel, op weg naar Sion.
Uit de diepten. Meervoud dus…
Welke diepten zijn dat? Het gaat hier niet om één enkele diepte van ziekte, van tegenslag, van oorlog, van moeite of zorg. Het gaat hier zelfs niet om één enkele diepte door één bepaalde zonde. De dichter is in de diepten van de overtuiging van zijn (kijk maar in vers 3), van zijn zonden en ongerechtigheden. Zoals je dat ook hoort in Psalm 69:1-2Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim. Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.: Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan.
Ik de diepten, zit ik vast, in de grondeloze modder van mijn zonden en schuld. Ik voel de grond niet. Ik zak steeds verder weg. En hoe meer ik het zelf probeer om eruit te komen, hoe verder ik wegzak. In de modder. Vies, stinkend, en dus: een beeld van de zonde.
Dus de dichter van Psalm 130 voelt zich vastzitten in de modder van zijn zonden, bedolven onder de modderstroom van zijn ongerechtigheden. En dat is bijzonder! Want van onszelf zitten we allemaal vast in de modder van de zonde (ook al lijk je misschien netjes, maar het om je hart!), maar zonder het echt te zien of te voelen! Totdat de Heere het aan je laat zien. Totdat de Heere je ontdekkende genade geeft. Genade die ontdekt. Die je ogen opendoet. En die je iets laat zien, wat je eerst niet zag. Eerst zag je je zonde niet. Nu wel. Eerst dacht je dat het wel meeviel. Maar nu zie je: ik zit er helemaal in vast.
Dat zie je, als Heere in je hart gaat werken. Dat zie je, als Heere in je hart blijft werkt, steeds weer en steeds meer. Dan denk je niet (als je naar jezelf kijkt) dat je steeds beter wordt. Maar je ogen gaan steeds verder open, om te zien hoe diep je eigenlijk in de modder gezakt ben. En hoe ellendig je van jezelf bent en blijft. Zoals Paulus zegt (jaren na zijn bekering): Ik, ellendig mens. Wie verlost me hier toch van? (Rom. 7:24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?)
Van? Waarvan? Van mijn eigengerechtigheid. Van dat hopen op mezelf. Omdat ik mezelf stiekem zo goed vind. Van mijn trots, van mijn hoogmoed. Van dat ik zo slecht wil buigen. Van dat ik zo slecht mijn knieën buigen wil en bukken wil voor God. Van mijn gerichtheid op mezelf. Van dat ik God en Zijn eer niet in het oog heb. Van mijn wereldsgezindheid, van mijn vastzitten aan het houden van de dingen van nu. Van mijn verkeerde verlangens, van mijn onmatigheid, van mijn onreinheid. Kortom, van al mijn zonden en schuld! En zo wordt, ook na gekregen genade, juist na je bekering, de belofte van het genadeverbond vervuld: Ze zullen een walging aan zichzelf hebben.
Ben je dat als kind van God dan op een gegeven moment niet voorbij? Eindelijk verleden tijd? Nee, want dan zou ook genade verleden tijd zijn. Denk maar aan wat de Heere zegt in Ezechiël 36: Ik (zal) rein water op u sprengen en u zult rein worden (vers 25). En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; En Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven (vers 26). En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen (vers 27). En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden (vers 29).
Mooi! Wonderlijk! Door Gods genade steeds schoner gemaakt. Steeds meer verlost van de modder van mijn zonde. Maar dan… zegt de HEERE, dan…, juist dan zult u meer dan ooit zien, wie u bent voor Mij, de heilige God. Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen die niet goed waren; en u zult een walging van uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen (vers 31).
Als Heere Zelf die twee meer en meer tegenover elkaar plaatst: De in Zichzelf onbesmettelijk heilige God en geestelijkheid Zijn heilige wet. En daartegenover: ik, met mijn vuile, blijvend vuile hart. Ik heb zoveel kwaad gedaan in Zijn heilige ogen… Dan leer ik in de diepten van mijn schuld buigen voor God. Van mezelf wil ik dat niet. Ik wil groot zijn, ik wil groeien! Maar de Heere breekt mijn weerstand en leert me buigen!
Al Gods kinderen leren (op Gods tijd) als in zichzelf verloren zondaars buigen voor Hem, de heilige God. Hoe de Heere je ook getrokken heeft. Of de Heere nu vroeg in je leven gekomen is en je getrokken bent door Zijn liefde, of dat je getrokken bent door diepe overtuigingen van je schuld. Hier kennen al Gods kinderen iets van. Want, als je je zonde niet echt kent, dan ken je ook de Zaligmaker niet. Als je gewoon blij bent met jezelf en met hoe je bent voor God, dan ken je geen genade. En ook geen dankbaarheid. Dan moet je volgende week ook echt niet aan het Heilig Avondmaal komen.
Ons avondmaalsformulier zegt: Ten eerste (dat is allereerste!) bedenke een iegelijk bij zichzelven zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelven mishage, en zich voor God verootmoedige. Zo groot was die schuld, zo groot waren die zonden, dat God het zo niet kon laten. Zijn heiligheid kon ze niet ongestraft laten! En zo zwaar was die vloek, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood van het kruis gestraft heeft. Perst je dat geen dubbele tranen uit de ogen? ‘O, God, dat ik zo gezondigd heb, tegen U!’
De dichter van Psalm 130 zit in de diepten, in een ravijn, in de modder, in de diepten van de verslagenheid om zijn zonden. Dat is de reden van de benauwdheid van zijn hart! Het is een man met een gebroken, verslagen, neergebogen, verontrust, schuldverslagen hart. Vanwege… zijn zonden.
Waarom ga ik daar nu zo op in? Om twee redenen. a. In de eerste plaats omdat dit (in het leven van Gods kinderen) zo vaak reden is van veel twijfel. U zegt: ‘Ik zie tot mijn grote verdriet nog zoveel zonden, zoveel schuld. Ik kan in mezelf voor God niet bestaan.’ En dan komt de influistering van de duivel, die zegt: ‘Maar dit kan ook echt niet! Dit kan niet waar zijn! Dit kan Gods werk niet zijn!’ En dat terwijl de strijd en de worsteling met dat zondige ik, juist een teken is van oprechtheid, van het werk van de Heere in je hart. Die pijnlijke strijd met mijn zondigde ik, is juist een van kenmerken van een nieuw hart. Die permanente botsing tussen de heiligheid van God en het nieuwe deel van mijn hart aan de ene kant, en de blijvende onheiligheid van mijn oude mens aan de andere kant. Ik zal het anders zeggen; en dat is de tweede reden waarom ik hier zo op inga.
b. Het is een kenmerk van het leven met de Heere, dat de zonde je een last is. Als dat niet zo is, dan zit het ergens van binnen niet goed. Als je nooit jezelf als zondaar voor God hebt leren kennen, dan zit het niet goed. Zonder kennis van zonden, ken je ook geen genade. En daarbij, opwas in de genade is ook af te meten aan groei in zelfkennis, aan groei in kennis van je zondige ik. Immers genade wordt meer genade, als je meer ziet wie je zelf bent voor God.
De dichter van Psalm 130 zit vast in de diepten, in diepe modder. Hij kan er zelf niet uitkomen! En dus…? Wat doe je, als je in een ravijn gevallen bent, als je vastzit in de modder, en er niet uit kan komen? Dat brengt me bij ons eerste aandachtspunt: Ik roep! Maar we gaan samen eerst zingen uit Psalm 141:1: 'k Roep, HEER’, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.
Vijf werkwoorden, vijf dingen die je hart doen, als je ziet wie je bent voor God!
Vers 1 zegt: Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE! Ik roep… Wanneer, jongens en meisjes, roep je? Als je in nood bent. Zoals hier: ik zit vast in de modder! Als je pappa en mamma kwijt bent. Als je God kwijt bent. Die zoveel voor je betekent. Zonder Wie je niet leven kan. Die je kent en liefhebt. Want (staat er): ik roep tot U, o HEERE!
Niet tot een onbekende God, maar tot U, de HEERE, de trouwe en genadige God van het verbond. Tot U, Die nooit laat varen het werk van Uw handen. En dus is dit ook geen wanhopig roepen (zoals we straks verder zullen zien). Dit is een hoopvol roepen. Want de HEERE heeft het toch gezegd (en Hij houdt getrouw Zijn woord!): Roep Mij aan in de dag der benauwdheid, Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren (Ps. 50:15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.).
Ik roep, uit de diepten tot U, o HEERE(!) Tot U, Die in mijn vroegste jeugd al kwam en Uw Naam uitsprak boven mijn leven, toen ik gedoopt werd. Tot U, Die me in al de jaren daarna geduldig droeg en voor me zorgde. Tot U, Doe altijd weer klopte op de deur van mijn hart, en vriendelijk en ernstig tot me sprak. U, HEERE, bent gebleken een Hoorder der gebeden te zijn. Die nimmer mij heeft afgewezen, noch mijn gebed gehoor ontzegd.
En dus, ik roep met hoop. Want U bent (ondanks wie ik ben) altijd Dezelfde gebleven. Ik roep… Klopt dat: Roept u? Ik roep en:
Vers 2 zegt: HEERE, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op stem mijner smekingen. Wil, o HEERE, naar mijn smeekstem horen! Luister toch naar mijn roepen om genade! Merk op mijn jammerklacht. En verleen mij gunstig oren.
Kinderen van God, misschien hebt uit de mond van de Heere wel rijke en wonderlijke beloften gehoord. Ze zijn u op andere momenten misschien wel tot grote troost geweest… Al gaat u door water, Ik zal bij u zijn. Of door rivieren, zij zullen niet overstromen (Jes. 43:2Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.). Ik zal u nimmer om doen komen! (Ps. 33:10De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken., ber.) Maar, wat als je nu in de diepten, in diepe modder zit, en het niet meer kan overzien? Wat dan?
Dan moet je bidden. Zoals Jona bad in de buik van de vis. Hij was in grote nood, in doodsnood, in de diepte van de zee, en… bad. Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE, en Hij antwoordde(!) mij; uit de buik des grafs schreide ik, en U hoorde(!) mijn stem (Jona 2:2En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.). Hij bidt. En de HEERE, zo getrouw als sterk, hoort!
Dan moet je bidden. Zoals de meerdere Jona bad, toen Hij grote angsten leed, in helse diepten, in dichte duisternis. Hij knielde neer en bad… En in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. Terwijl Zijn zweet werd als grote druppels bloeds, die op de aarde afliepen (Luk. 22:44En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.).
Om dat lijden, om dat geheel enige lijden van de Heere Jezus Christus, is er houvast voor een zondaar, die uit de diepten roept en bidt tot God. Ik verdien (als ik kijk naar mijn hart voor God), ik verdiend dat God nooit meer naar mij horen zou. Maar om Hem (Wiens dood wij bij het sacrament van het Heilig Avondmaal gedenken) is het anders. Als ik roep vanuit de diepten, vastgelopen, weer vastgelopen in de modder van mijn verloren bestaan, dan kan en mag mijn zinkende ziel zich om Jezus’ wil vastgrijpen aan God. En roepen: HEERE! voor U is al mijn begeerte; mijn zuchten is voor U niet verborgen (Ps. 38:10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.). En bidden: Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren (Ps. 69:15). En dan mag ik (in al mijn zuchten) ook weten en geloven (de Heere zegt het tot uw bemoediging, zuchtende zondaars!), wat staat in Psalm 116: De HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen; Want Hij neigt Zijn oor tot mij; daarom zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
Zo bid ik… Klopt dat: Bid u zo? Ik roep, ik bid, en:
Ik belijd, voor het aangezicht van die trouwe God, Die me hoort (wat staat in vers 3): Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Ik wil u vragen, gemeente, om in deze week van voorbereiding hierover na te denken. Over deze vraag: Als U, HEERE, de trouwe God van het verbond, de driemaal heilige God… Als U, HEERE, mijn ongerechtigheden, mijn misdaden, mijn zonden en de schuld door die zonden… Als U die gadeslaat, als U die onderzoekend van alle kanten bekijkt … En als U nu eens met Uw heilige ogen… daarnaar zou kijken…
Wat dan? Heere, goede God? Alwetende? Hier is mijn hart… Het ligt open voor U…
Want U, HEERE, bent heilig. De profeet Habakuk zegt: Gij zijt te rein van ogen dan dat Gij het kwade zou zien (1:13a). Laten we, gemeente, geen kleine gedachten hebben van God. En laten we ook geen gemakkelijke gedachten hebben over de zonde. De zonde is verschrikkelijk. De zonde is erger dan de hel. Want de zonde tart en beledigt de allerhoogste Majesteit.
De God voor wie u staat, tot wie u volgende week, avondmaalgangers, nadert is een heilige God! En ik moet belijden: Als U, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
Je zegt: Hoe heilig is de HEERE dan? En hoe groot is de haat van God tegen zonde dan? En hoe erg is de zonde dan? Zo heilig is God, dat Hij de zonde niet ongestraft kon laten. Zo heilig is God, dat het blinkende zwaard van Zijn heiligheid, Zijn liefste Zoon trof in Zijn hart. En dat Hij de beker van Zijn toorn uitgoot in Zijn mond. En Zijn zweet werd tot grote druppels bloed…
Kijk naar Gethsémané, kijk naar Golgotha! Kijk naar de tekenen van brood en wijn. En je ziet: de heiligheid van God, en de walgelijkheid van jezelf. En dus kan je volgende week niet anders komen, dan met diepe schaamte.
Kijk naar Gethsémané, kijk naar Golgotha! Kijk naar de tekenen van brood en wijn. En je ziet: de onbegrijpelijke liefde van God in Christus. En dus kan je volgende week niet anders komen, dan met diepe verwondering.
Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Dat belijd ik. Klopt dat: Belijd u dat? Ik roep, ik bid, ik belijd, en:
Want zo zegt de dichter in vers 4: Maar bij U is vergeving. De dichter ziet in zichzelf geen grond, geen hoop en geen ruimte meer. Maar, wat blijkt? Nu (nu hem alle hoop op zichzelf ontvallen is), nu wijst de Heere Hem de weg buiten zichzelf. En dat leert hem en ons roepen, bidden en belijden met hoop!
Er is in het leven van ontdekte zondaars geen wanhoop, maar hoop! Dwars door alle beschuldigingen heen. Omdat Heere ons, als Hij werkt in ons hart, ook altijd iets laat zien en voelen van Zijn genade en barmhartigheid. Van dat er bij Hem een weg is om zalig te worden.
En dat zie je hier ook Als deze pelgrim, in al zijn onwaardigheid, zijn betraande ogen (met tranen om zoveel zonde en schuld) naar de tempel in Jeruzalem richt… Dan hoor je hem als het ware bidden, en hopen: ‘HEERE, trouwe God, zie ik daar niet de tekenen van Uw verzoening en van Uw genade? Daar zie ik toch het bloed, dat stroomt van het altaar? Dat bloed dat heenwijst naar Hem, Die in de weg van Zijn bloed, toch verzoening zal aanbrengen, volkomen overeenkomstig Uw Goddelijk en heilig recht?
Wat wordt dat bloed van het altaar, wat wordt die lijdende en stervende Christus dan kostbaar en onmisbaar in de ogen van zulke schuldverslagen zondaars! Hier zie je, dat de Heere Zelf Zijn kinderen in de diepten gaat leren hoe het verder moet. Hoe de Heere Zelf Zijn kinderen in de nacht van hun zondeovertuiging en verdere ontdekking aan zonde de weg gaat wijzen.
En ons leert: Hoe diep ik ook gezonken ben, vanwege mijn eigen schuld, nog nooit is er Eén zo diep gezonken als Christus. Hij heeft Zich vernederd tot in de diepte van de dood. Hij, heilig en zondeloos, verliet vrijwillig Zijn troon. Voor vijanden en opstandelingen! Hij vernederde Zich in de diepste diepte van Gods toorn. En liet al de schuld van de Zijnen op Zich stapelen: ‘Vader, leg die last maar op Mij! Ja, die last van zond’ en plagen, niet te dragen. Leg die maar op Mij.’
Wat wordt het bloed van het altaar, wat wordt het Lam van God, wat wordt Christus kostbaar en onmisbaar in de ogen van schuldverslagen zondaars. Wat wordt Zijn bloed onmisbaar voor zo’n schuldig mens Zie Hem kruipen in de hof van Gethsémané. Zijn zweet werd als grote druppels bloed. Een Man in de kracht van Zijn leven. Maar nu, een worm en geen man (Ps. 22:7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.). Zie Hem staan voor Kajafas: bespot, gesmaad, veracht. Zie Hem op weg naar Golgotha. Hij droeg Zijn kruis, Zijn droeg de last van de toorn van God tegen de zonden van de Zijnen. Zie Hem hangen aan het kruis. Zie Hem worstelen in dikke duisternis. Hoor Hem roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mat. 27:46). Daar stroomt het bloed van het altaar, van het kruis. Het bloed van het Lam van God. En: Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden, waren dierbaar in Gods oog!
Hoe dierbaar, hoe kostbaar was Zijn bloed in de ogen van Zijn Vader! ‘Als U, Mijn Zoon, zo voldoet aan Mijn Goddelijke recht, dan zal Ik nooit meer toornen of schelden. Zijn bloed was kostbaar in de ogen van Zijn Vader. Die was daarmee volkomen tevreden, volkomen genoeg gedaan.
Daarom wordt het bloed van Christus ook zo kostbaar in de ogen van ontdekte zondaars. Die roepen uit de diepten. Die buigen voor God: Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig…
Maar HEERE, bij U is toch ook een weg om zalig te worden? U hebt toch een weg uitgedacht, waarin U uw eer krijgt? Ik kan niet zonder U. Ik kan niet voor U staan. Ik kan zonder U niet leven. Maar, HEERE, bij U is toch vergeving? Bij U is toch een weg ter ontkoming? Dus richt mijn roep en mijn gebed en al mijn hoop zich op U! U bent mijn enige hoop! Ik hoop op U. Klopt dat? Hebt u de hoop op uzelf opgegeven? Is Christus uw enige Hoop? Ik roep, ik bid, ik belijd, ik hoop, en:
Want, zo zegt vers 4b: Opdat Gij gevreesd wordt. Ik vrees… En kennelijk is dat het gevolg van dat zien, dat er bij God vergeving is. Sterker nog: het is het doel ervan. Want er staat ‘opdat’! Opdat Gij gevreesd wordt! Dus het zien van ‘dat er bij de Heere vergeving is’, en het ontvangen van die vergeving, heeft als doel: dat we vrezen zullen.
Vrezen, jongens en meisjes, dat met heel diep respect, heel eerbiedig buigen voor God. Hem liefhebben en gehoorzaam zijn als de allerhoogste en heilige God! Voor wie ik stof ben. En Die me desondanks liefheeft als Zijn kind. Als ik iets zie van de heiligheid van God, en van het afschuwelijk slechte van mijn zonde, dan komt er vrees. Maar ook als ik iets zie van Zijn liefde en genade voor zo’n mens als mij, ook dat geeft vrees. Want wat heeft die genade van de Heere Jezus Christus gekost. Dan komt er een heilige huiver. Ik kan en wil God niet weer en niet meer beledigen.
Het doe denken aan wat de profeet Hosea schijft in Hosea 3:5Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.: Zij (de Israëlieten) zullen vrezende komen tot de HEERE en tot Zijn goedheid
Vrees is het gevolg van het zien, van het ontvangen van vergeving. ‘Heere, ik kan het niet begrijpen, dat er bij U vergeving is, voor mij! Ik schaam me weg. En mijn schuldige hart beeft bij de gedachte aan Uw vergeving! Want hoe groot bent U! En wie ben ik, en wat is mijn huis?
Want juist het ontvangen van Gods vergevende genade geeft, helderder dan ooit tevoren, zicht op Gods heiligheid en Gods liefde, zoals ik die nu zie aan het kruis! En dan vrees je voor Gods goedheid en wordt je bang voor de zonde. Dan wil je God niet meer onteren. Maar dan wil je Hem voor altijd liefhebben en dienen als een liefhebbend kind.
Ik wil u oproepen, gemeente, om eerlijk en in alle ernst, deze week voor Gods aangezicht na te denken, of u dit persoonlijk ook kent: Ik roep, ik bid, ik belijd, ik hoop en ik vrees Dan zult u volgende week ook (zoals Hosea zegt): vrezende komen tot de Heere en Zijn goedheid; vrezende komen tot de tekenen van Zijn heilige liefde.
Hieraan kunt u uw leven kennen, geliefde gemeente: a. Aan een diepe afkeer, aan een walg van uw zonden. Dat doet roepen uit diepten. b. Aan het zoeken van uw leven buiten uzelf, in vergeving van al uw zonden door het bloed van het Lam: Maar, HEERE, bij U is toch vergeving! c. Aan een diepe vrees voor Gods goedheid, waardoor u zonder twijfel met alle zonden wilt breken.
Als dat in uw leven zo is, nodigt de Heere u volgende week aan Zijn tafel. Om U Zijn liefde te laten zien. En u daarvan meer te verzekeren.
Amen.
Slotzang Psalm 130:1,2:
Uit diepten van ellenden Roep ik, met mond en hart, Tot U, die heil kunt zenden; O HEERE, aanschouw mijn smart; Wil naar mijn smeekstem horen; Merk op mijn jammerklacht; Verleen mij gunstig' oren, Daar 'k in mijn druk versmacht.
Zo Gij in 't recht wilt treden, O HEERE, en gadeslaan Onze ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, HEERE, met beving, Recht kinderlijk gevreesd.
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Voorbereiding