PREEK · VRIJE STOFFEN

Elia en de wijngaard van Naboth - 1 Koningen 21

12 november 2015

1 Koningen 21:2: Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.

INLEIDING

In 1 Koningen 21 begeert koning Achab de wijngaard van Naboth, die weigert zijn erfdeel te verkopen: "Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou." Door de leugens van Izebel wordt Naboth onschuldig gedood, waarna Elia namens de HEERE tot Achab zegt: "Ik heb u gevonden" — deze leespreek laat zien hoe onrecht aan het licht komt en hoe Naboth wijst op de meerdere Naboth, Jezus Christus, Die met Zijn bloed betaalde.

THEMA

Achab en Naboth

KERNPUNTEN

  1. Het onrecht over Naboth
  2. Het ingrijpen van God

1 KONINGEN 21:13-16

13 Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.
14 Daarna zonden zij tot Izébel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood.
15 Het geschiedde nu toen Izébel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izébel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven, want Naboth leeft niet, maar is dood.
16 En het geschiedde als Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond om naar den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, af te gaan om dien erfelijk te bezitten.

VOLLEDIGE TEKST

Elia en de wijngaard van Naboth - 1 Koningen 21

ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 21:2

THEMA

Achab en Naboth

Achab heeft het druk… En Elia en Elisa zijn even onzichtbaar… Achab heeft het druk met de oorlogen tegen koning Benhadad, de koning van Syrië. Die komt, zo kunnen we lezen in 1 Koningen 20, met 32(!) andere koningen vechten tegen de koning van Israël in Samaria (20:1). En hij is zeker van zijn overwinning. Hij zegt, heel arrogant: uw goud, uw zilver, uw vrouwen en beste kinderen zijn van mij (20:3). En al lezend verwacht je en denk je: Het kan niet anders, nu gaat Achab definitief ten onder.

Maar, er komt een profeet naar koning Achab en die zegt (20:13): u zult overwinnen! Waarom? Met welk doel? Met dit doel: opdat u weet, dat ik de HEERE ben. Maar, let op: volgend jaar komt koning Benhadad terug (20:22). En zo gebeurt het ook. Een jaar later komt Benhadad terug. Maar opnieuw komt er een man Gods en opnieuw worden de Syriërs verslagen, 100.000 mannen op één dag (20:29).

Wat is eigenlijk Gods bedoeling met het uitgebreid vertellen van deze geschiedenissen in hoofdstuk 20? Wat valt daarbij het meest op? Dit: Gods geduld met Achab. Dit is eigenlijk de echo van 1 Koningen 20: Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben (Klaagliederen 3:22). Later schrijft Petrus: God is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan (2 Petrus 3:9-10).

Waarom is God geduldig met de eerste wereld, voor de zondvloed? Omdat Noach bezig is een ark te bouwen tot redding van hemzelf en van zijn gezin. Waarom is God geduldig met Sodom en Gomorra? Omdat Lot en zijn gezin er eerst nog uitgehaald moeten worden. Waarom is God geduldig met Achab? Omdat Elia niet klaar is met zijn werk. En vanwege de 7000 mensen die de knie voor Baäl niet gebogen hebben. Maar in al dat geduld is er ook de dringende oproep van de Heere voor Achab persoonlijk, heel oprecht en welgemeend: Achab, het zijn Mijn goedertierenheden dat je nog niet vernield bent! En Ik doe dit alles opdat u, Achab, weet dat ik de HEERE ben (20:13).

Achab heeft de druk met oorlog voeren… En Elia en Elisa, die zien we even niet… De vijand, Achab en Izebel, de vijand is druk met zichzelf. En dus krijgen zij, Elia en Elisa even lucht.

Zo zorgt God soms ook voor Zijn kinderen en knechten. Soms hebben hun vijanden het even druk met andere zaken, soms hebben ze even genoeg aan zichzelf. Misschien hebben Elia en Elisa in deze tijd profetenscholen gesticht en daar les gegeven. Immers later lezen we over profetenzonen in Bethel en Jericho (2 Koningen 2:3,5). Hoe dan ook, in 1 Koningen 20 is er rust voor Elia en Elisa.

Maar in 1 Koningen 21 is de rust wat dat betreft over. En dat is het hoofdstuk waarvan we de inhoud nu met elkaar overdenken: 1 Koningen 21.

Het thema voor de preek is: Achab en Naboth Er zijn twee aandachtspunten: 1. Het onrecht over Naboth 2. Het ingrijpen van God Als eerste dus:

1. Het onrecht over Naboth

Achab heeft een idee, een wens… Naast zijn tweede residentie in Jizreël ligt eigenlijk een heel mooi perceeltje grond, een prachtige wijngaard. Misschien heeft de landschapsarchitect wel tegen Achab gezegd: ‘Achab, het zou mooi zijn, als je dat stukje grond erbij kan betrekken.’

Een goed idee, wat Achab omzet in een voorstel, in een zakelijk plan. ‘Naboth (leest u maar mee in vers 2), laten we ruilen. Je krijgt er iets beters voor terug, of ik zal je er goed voor betalen. Maar, hoe dan ook, je gaat erop vooruit’. Maar (vers 3): Naboth zeide tot Achab: Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou! ‘Koning Achab, dat is onbespreekbaar. No deal, koning!’

Daar moet Naboth een goede reden voor gehad hebben. En om die goede reden te zeggen, moet hij veel moed gehad hebben. De reden is deze: Israël was niet alleen verlost uit het land Egypte, maar had ook een erfenis gekregen in het land Kanaän. Hun verlossing bestond dus eigenlijk uit twee dingen: uit de verlossing van de slavernij van Egypte, en uit de erfenis van het land Kanaän. En van dat tweede deel van hun verlossing, van die erfenis, had de Heere gezegd: die mag je nooit afstaan! Israël mocht het land voor een periode verhuren, maar niemand mocht het ooit verkopen. Het geërfde land was eigenlijk een garantie tegen armoede. Het land bleef, hoe dan ook, altijd je bezit. Hoe arm je ook werd, hoe veel schulden je ook had, in het jubeljaar was het land weer helemaal vrij van lasten. Dan werd het weer je eigen bezit. Sterker nog: eigenlijk was het land helemaal niet het bezit van de Israëlieten. Het land was van God. Zo staat het bijvoorbeeld in Leviticus 25:23: Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent (zie ook Numeri 36:7).

De reden voor de weigering van Naboth was goed. En Naboth heeft moed. Want hij zegt die reden gewoon tegen de koning. En hij weet ongetwijfeld welke risico’s daaraan kleven. Naboth kent zijn Bijbel. En hij is één van de 7000 die de knie voor Baäl niet gebogen hebben. En hij heeft God liever dan de mensen. Al is er misschien voordeel te behalen, hij wil het gebod van de Heere gehoorzaam zijn (Handelingen 5:29). Ook al moet hij dat uiteindelijk met de dood bekopen.

Nathan is een voorbeeld voor hoe wij als christenen moeten staan in onze huidige samenleving. Net als Daniel, net als zijn drie vrienden (Daniël 3). Ze moeten buigen voor het beeld in het dal van Dura, of… Net als Petrus en Johannes (Handelingen 4). Ze moeten stoppen met preken, of… Zo is het ook met Naboth. Hij moet zijn wijngaard verkopen, of… Hij kan goede winst maken en vriend van de koning worden, of… Maar nee, liever de gunst van de Heere en Zijn gebod gehoorzaam zijn (Hebr. 11:25-26). Liever Zijn Naam dan mijn naam. En… dat is genade. Dat kan alleen maar door de genade van Hem die nooit Zijn Eigen eer zocht, maar altijd de eer zocht van Zijn Vader (Johannes 8:49).

Bovendien, wie de Heere dient, wie weet van verlossing uit de macht van de zonden en uit de overheersing van de duivel, die heeft zicht op een andere, op een hemelse erfenis. Op een erfenis die in de hemelen bewaard wordt, en die nooit kan worden afgenomen (1 Petrus 1:4-5). Waar mot en roest niet kunnen verderven, waar dieven niet kunnen stelen (Mattheüs 6:19-21). Zelfs de dood kan mij van die erfenis niet scheiden. ‘Nee, koning Achab, onbespreekbaar!’

Achab is boos, hij is furieus, hij voelt zich diep gekrenkt. Als een klein kind, als een verwende kleuter kruipt hij in bed en weigert hij te eten (vers 5). ‘De koning wil niet meer uit bed komen! Wat is er gebeurd?’ Zijn zijn legers verslagen? Nee, die kunnen de Syriërs nog steeds goed de baas. Zijn er weer Baälprofeten vermoord? Nee, na de ramp op de berg Karmel staat de dienst van Baäl er weer florissant bij. ‘Nee, de koning heeft zijn zin niet gekregen.’ Maar, koningin Izebel zal hem wel even troosten, op haar manier natuurlijk.

Ondertussen zien we wat er komt van verkeerde begeerte. Dat leidde bij Adam en Eva in het paradijs tot zonde. En zonde leidde tot de dood. Verkeerde begeerte leidde bij David tot de dood van Uria, de man van Bathseba. En hier bij Achab leidt het tot de dood van Naboth.

‘Achab’, je hoort het Izebel zeggen, ‘ben je nu een koning of… Kom op, uit je bed, eten! Ik zal die wijngaard wel aan je geven (vers 7).’ Achab zelf is niet eerlijk in het vertellen van het hele verhaal. Hij vertelt Izebel niet de eigenlijke reden waarom Naboth zijn wijngaard geweigerd heeft.

Maar Izebel zelf spant de kroon, met een driedubbele misdaad, met drievoudig onrecht. In de eerste plaats stuurt ze valse brieven, op naam van Achab (vers 8). In de tweede plaats roept ze een vasten uit (vers 9). Wat een hypocrisie, alsof er erge zonden in de stad zijn ontdekt! En in de derde plaats roept ze valse getuigen, kinderen Belials, waardeloze kerels, die moeten gaan zeggen dat Naboth God en de koning heeft gevloekt (vers 10). En iedereen doet ook nog zomaar mee aan deze maffia-achtige toestand! Uiteindelijk wordt Naboth gestenigd (vers 13), en zijn zoons idem dito (2 Koningen 9:26). ‘Zo, het probleem is opgelost. Achab, hier heb je je wijngaard!’

Je voelt in de schrijftoon van de Bijbelschrijver de kilte, de harteloosheid van het verhaal, vol van onrecht. Een aantal dingen vallen in het bijzonder op. Zelf is Achab te fatsoenlijk om dit allemaal zo te doen, maar hij laat het wel gebeuren. Hij laat het Izebel opknappen. Soms deinzen we zelf terug voor het kwaad van de zonde. Maar we vinden het wel goed, we vinden het wel fijn als iemand anders het voor ons doet.

En verder vraag je je al lezend af (na alles wat er gebeurd is in het vorige hoofdstuk) waarom Achab niet wat terughoudender is? Dat heeft opnieuw alles te maken met wat begeerte doet. Adam en Eva wisten hoe groot de prijs was van hun begeerte tot zonde. Maar… ze deden het toch! En van de begeerte kwam zonde, en van zonde kwam de dood. Zoals Jakobus schrijft: Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart de dood (Jakobus 1:15). En dat wist David ook, toen hij Bathseba riep… En dat moet ook Achab geweten hebben… Maar het lijkt alsof Achab denkt: ‘als de straf niet direct komt, dan valt het misschien nog wel mee...’ De begeerte is sterk, en de gedachte is: de straf zal misschien wel meevallen… En dat is gevaarlijk! Dat is het gevaar voor u, die leeft in de zonde. Dat u denkt: ‘ik word toch nog niet gestraft, dus kan ik nog wel even doorgaan.’ Zonder dat u erbij na wil denken, dat God alles ziet en weet.

Ondertussen laat alles wat er met Naboth gebeurt aan Gods kinderen zien, wat wij in deze wereld kunnen verwachten. De Heere Jezus heeft het gezegd in Markus 13:9: Maar ziet u voor uzelf toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; u zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult u gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis. En Petrus schrijft: Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwam (1 Petrus 4:12). En de apostel Johannes schrijft aan de gemeente van Smyrna: Vrees geen der dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens (Openbaring 2:10).

Met andere woorden: houd, midden in de verdrukking, uw hemelse erfenis in het oog!

Maar laten we niet over het hoofd zien, ondertussen is deze Naboth een bijzonder type geweest van Christus. Naboth is profetie! Profetie van de komende Messias die het bezit van een eeuwige en blijvende wijngaard zal gaan kopen met de prijs van Zijn kostbare bloed. Er zijn, als we Naboth vergelijken met de Heere Jezus Christus, heel veel parallellen. Beiden zijn verzocht om het gebod van de Heere het overtreden. We lezen in Mattheüs 4: En (satan) zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien U, nedervallende, mij zult aanbidden (4:9). Maar... Hij deed het niet. Beiden zijn vals beschuldigd van het lasteren van God en van de koning of de keizer. En beiden zijn daarom ter dood veroordeeld. Aan het einde van zijn evangelie schrijft Mattheus: Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God geluisterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt u Zijn godslastering gehoord (Mattheüs 26: 61, 65, 66). Beiden zijn buiten de stad, op wrede wijze gedood (1 Koningen 21:3; Hebr. 13:12-14). En van beiden worden de moordenaars later ter verantwoording geroepen (1 Kon. 21:19; Handelingen 2:22-23). Naboth is type van Christus.

Maar, er zijn ook grote verschillen tussen Naboth en de Heere Jezus Christus. De Heere Jezus was de door God gezonden Middelaar, die niet voor Zichzelf sterven moest, maar Die stierf voor de Zijnen. En Zijn erfenis werd Hem uiteindelijk niet ontvreemd. De kerker werd Zijn buit. Hij stierf en overwon.

Er zijn grote verschillen tussen Naboth en de Heere Jezus Christus, maar er is ook een groot verschil tussen Naboth en ons. Naboth hield vast aan zijn erfenis. Hij weigerde die af te staan. Maar wij hebben in het paradijs onze erfenis vergooid. Naboth was onschuldig. Hij had geen schuld, maar werd toch gedood. Maar onze schuld is hemelhoog... Wat hebben we nodig, dat we die schuld van onze verloren erfenis leren kennen en daaronder leren buigen. Zodat wij met David gaan zeggen: Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog (Psalm 51:4). Zodat we gaan leren vragen naar de genade van de meerdere Naboth, die met de prijs van Zijn kostbare bloed die eeuwige erfenis wilde terugkopen: Heere, wilt U mijn schuld overnemen?

Voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt, gaan we samen eerst zingen uit Psalm 109, daarvan het 16e vers. Opdat zij weten en belijden, Dat Uwe hand mij wil bevrijden, Dat Gij, o HEER, mijn recht doet gelden. Laat hen dan vloeken, lasteren, schelden; Maar zegen Gij mij, o mijn God; Gij zijt mijn erfdeel, en mijn lot.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Het ingrijpen van God.

Geen zonde is verborgen voor God. Zondaars zijn nooit veilig voor God. Zo lijkt het wel. Achab wordt gefeliciteerd, Izebel feliciteert zichzelf, de valse brieven kunnen in de papierversnipperaar, iedereen glimlacht en er is geen vuiltje aan de lucht…

Maar, de Heere ziet en weet alles (Psalm 139). De profeet Maleachi schrijft: Er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht (3:16). En de profeet Daniël zegt: er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart (2:28). En de spreukendichter zegt: de ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden (15:3). Met andere woorden: de Heere ziet en weet alles. Je kan een tijd doorgaan, maar er komt een dag waarop de Heere op alles zal terugkomen. In de dag wanneer God de verborgen dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie (Romeinen 2:16). Want: En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben (Hebreeën 4:13).

Dat mag ons wel heel erg aan het denken zetten, als het gaat om onze onzichtbare zonden. Onzichtbare zonden, misschien wel net als hier: overdekt met een mantel van geestelijkheid of vroomheid. Uiterlijk is er geen vuiltje aan de lucht. Maar in werkelijkheid (en de ogen van de Heere zien alles) is het alles vol van onrecht.

Achab is blij! Hij stapt uit zijn bed en gaat zijn wijngaard bekijken. Het is voor elkaar! Maar het plezier is van korte duur. Job schrijft: de vreugde van de huichelaar is voor een ogenblik (20:5). Want, daar is die man weer! Dat is nu inmiddels de vierde keer dat hij hem tegenkomt: Elia, de Thisbiet!

Hebt u mij gevonden, o vijand (vers 20)? Wat is dat toch een dodelijke vergissing! Wie is de vriend van je ziel? Is dat degene die altijd ‘vrede’ roept en ‘geen gevaar’!? Deed de Heere Jezus dat ook? Keerde Hij de tafels van de wisselaars niet om? En sprak Hij niet ernstig over het komende gericht? Als het Woord van de Heere u scherp veroordeelt, weet dan dat we zoeken wat tot uw vrede dient! Als we u zeggen dat God heilig is en de zonde niet kan aanzien, als wij u oproepen uw schuld te belijden, om te breken met uw zonden en berouw te hebben en te buigen voor God, als we uw oproepen om uw zaligheid niet bij uzelf, maar buiten uzelf te zoeken, denk dan toch niet dat we uw vijand zijn! Het is onze opdracht te roepen, zoals Jesaja schrijft: Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden (58:1).

Ja, de reactie is voorstelbaar. Als God je pad kruist en met Zijn vinger wijst, en je laat zien wat je gedaan hebt. Het leek allemaal zo mooi: een vasten uitroepen, omdat God en

de koning gelasterd zijn, maar het was ten diepste allemaal vol van vijandschap, misdaad en dodelijke begeerte. Ja, het is voorstelbaar dat je dan schrikt en boos bent. Maar doet u dan tenminste ook wat Achab daarna deed…!

Ondertussen zien we hier ook (dat even tussendoor) wat de prediking van het Woord teweeg brengt. En dus hoeven we daar niet van te schrikken, al doen we dat als mensen altijd wel weer. We zijn er niet om mensen te behagen, maar we zijn dienaars van Christus. We vrezen niet voor degenen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden. Vreest veel meer, heeft de Heere Jezus gezegd, voor Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel (Mattheus 10:28).

En hij (dat is Elia; vers 20b) zeide: ik heb u gevonden, overmits u uzelf verkocht hebt (u hebt uzelf verkocht, geruild voor geld en goed) om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN. Zie, Ik zal kwaad over u brengen en uw nakomelingen wegdoen (1 Koningen 21:20-21a).

Ik heb u gevonden! Wat als de Heere dat vanmorgen tegen ons, tegen u zou zeggen? Ik heb u gevonden, overmits u uzelf verkocht hebt om te doen dat kwaad is in Mijn ogen? U zegt: ‘ik zou schrikken!’ Ik geloof het. Maar wat zou dat een zegen zijn! Als de Heere u vanmorgen zou vinden in uw ongerechtigheid. U die zou gaan aanwijzen en zou zeggen: ‘u hebt uzelf verkocht aan de zonde!’ En u zou gaan zeggen: ‘Ja, Heere, U hebt gelijk. Ik buig onder Uw recht, ik ben het met U eens. U bent rechtvaardig.’ Wat zou dat een zegen zijn, als uw hart daaronder zou breken, en u zou gaan zeggen: Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waardig (Psalm 51:4).

Want juist in die weg wil de Heere plaats maken voor Hem, de meerdere Naboth, die geen zonde gekend of gedaan heeft, om met de prijs van Zijn bloed zulke mensen los te kopen uit de slavernij van het Egypte van de zonde en een erfenis te geven in het land Kanaän.

God spreekt het oordeel uit over Achab: Ik zal uw geslacht wegdoen, uitroeien! (vers 21). Want u hebt Mij getergd. En u hebt Israël doen zondigen (vers 22). En uw leven was zeer gruwelijk in Mijn ogen (vers 26).

U hebt Mij getergd… Uw leven was gruwelijk voor Mij… Wat zegt u daarop? Tot nu toe hebt u daar misschien nog nooit iets op gezegd… Want dit is vaker tegen u gezegd. Maar u hoorde het aan…, u slikte het…, en u ging weer door… Van begeerte naar begeerte, van zonde naar zonde. Toegedekt…, afgedekt…, misschien wel net als Achab en Izebel deden, met een mantel van vroomheid.

Totdat? U zegt: ‘nee, ik merk nog helemaal niets.’ En misschien maakt u dat, net als Achab, nog vrijpostiger om door te gaan. Omdat u helemaal niets merkt en niets ziet van een consequentie, van een straf van de Heere op uw zondige leven. Terwijl er ondertussen wel de dreiging is! Hoort toch het woord van de HEERE: Ik zal kwaad over u brengen, Ik zal u uitroeien! (vers 21) U, die geen deel hebt aan het bloed van de meerdere Naboth, wees toch gewaarschuwd! U staat op het punt om uitgeroeid te worden! U gaat uw eeuwige ondergang tegemoet!

Misschien zegt u: ‘vergelijkt u mij nu met de goddeloze koning Achab? Achab was veel slechter dan dat ik ben geweest en ben. Die was pas echt goddeloos!’ Kijkt u eens in vers 27: Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in de zak, en ging langzaam.

Waar is uw berouw, waar is uw vasten, waar zijn uw tranen? Als Achab echt slechter was dan u bent, is uw berouw dan beter dan zijn berouw…

De Heere verwondert zich om het berouw van Achab. De Heere zegt in vers 29: Hebt u het gezien, Elia, kijk eens, heb u het gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Hij scheurt zijn kleding, hij gaat in rouw en vast… Doet u dat ook? Hij is echt onder de indruk van de woorden van Elia… Bent u dat ook? Hij is ernstig en neemt de dreiging van het oordeel bloedserieus… Doet u dat ook? Uit zijn woorden en daden (hoewel voor de helft) blijkt vernedering voor God… Hoe is dat bij u? Bent u echt wel beter dan Achab was?

U hebt mij getergd… Uw leven was gruwelijk voor mij… Wat zegt u daarop? Gaat u vanmorgen voor het eerst bekennen wie u echt, wie u werkelijk bent? Gaat u vanmorgen voor het eerst belijden, bukken, buigen, breken?

Het berouw van Achab is niet volkomen. Hij zegt het wel allemaal, en we zien ook heel veel emotie, maar het is een bekering zonder vrucht. Want zijn wijngaard geeft hij niet terug aan de familie van de vermoorde Naboth. Het is een bekering zonder vruchten, het is een zich niet van harte bekeren, zoals onze catechismus dat noemt in zondag 30.

En toch is er zelfs op dit halve berouw een antwoord van de Heere, in vers 29: Daarom dewijl hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen. Alles is doortinteld, zelfs hier, middenin de aankondiging van het oordeel, alles is doortinteld van Gods geduld. U hebt Mij getergd, uw leven was gruwelijk voor Mij, maar: Beken toch wat tot uw vrede dient (Lukas 19:42).

Keert u tot Mijn bestraffing! (Spreuken 1:23) Verlaat de slechtigheden en leeft! Wie is slecht, hij kere zich herwaarts en kome tot Mij! (Spreuken 9:4-6)

Hebt u ooit, o onbekeerden (ik moet zeggen: o, goddelozen!), vriendelijker woorden gehoord uit de mond van de Heere dan die u nu vanmorgen hoort? U hebt Mij getergd… Uw leven was gruwelijk voor Mij… Maar zie, Ik sta nog steeds aan uw deur… en Ik klop… (Openbaring 3:20).

Amen.

Slotzang Psalm 37:9

Gods macht verbreekt den arm der goddelozen, Terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt. Al treden z' op geen weg, bezaaid met rozen, Zij wachten 't heil, door God hun toegezeid. Hij kent hun tijd; zij zien, in spijt der bozen, Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.