PREEK · KERKELIJK JAAR

Kolenvuur, vis en brood - Johannes 21

Pasen - 5 april 2021

Johannes 21:9: Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.

INLEIDING

Deze leespreek over Johannes 21:1-14 tekent de discipelen die na een vruchteloze nacht vissen, worden ontdekt door Jezus' vraag: 'Hebt gij niet enige toespijs?' Hun eigen werken brengen niets voort. Op Zijn woord werpen zij het net uit en vangen overvloedig. Aan de wal wacht een liefdevol bereid kolenvuur met vis en brood – beeld van Gods genade die niet uit eigen werk komt. De boodschap: kom met je armoede tot Christus, Die alles Zelf bereidt en geeft.

THEMA

De openbaring van de Heere Jezus aan de zee van Tiberias

KERNPUNTEN

  1. Rusteloos werken
  2. Stil toezien
  3. Ontdekkend vragen
  4. Gezegend volgen
  5. Liefdevol ontvangen

JOHANNES 21:4-10

4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was.
5 Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.
6 En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.
7 De discipel dan welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere. Simon Petrus dan horende dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt) en wierp zichzelven in de zee.
8 En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.
9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.
10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt.

VOLLEDIGE TEKST

Kolenvuur, vis en brood - Johannes 21

ds. J. IJsselstein - Johannes 21:9

THEMA

De openbaring van de Heere Jezus aan de zee van Tiberias

Gemeente, het Woord van God komt tot ons vanuit het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is, Johannes 21, de verzen 1 tot en met 14. Ik lees u samenvattend alleen nog het vijfde en zesde vers: Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.

Het thema voor de preek is: De openbaring van de Heere Jezus aan de zee van Tiberias.

De openbaring; een moeilijk woord, jongens en meisjes. Je leest dat woord aan het begin van het gedeelte dat zojuist werd voorgelezen en aan het eind. Aan het begin, in vers 1, staat dat de Heere Jezus Zich openbaarde en aan het eind staat: Dit was nu de derde maal dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is. Wat betekent dat woord ‘openbaren’ eigenlijk? Het betekent (en dat is nog steeds een moeilijk woord): jezelf kenbaar maken. Het betekent: naar voren komen, jezelf laten zien. Van tevoren was het verhuld, verborgen, verstopt, maar nu wordt het opengedaan, kun je het zien, kennen.

Je kunt ook denken aan Samuël in het Oude Testament. Daar staat dat hij de stem van de Heere niet kende. Die had hij nog niet gehoord! En dan gaat de Heere Zich ‘openbaren’ aan Samuël. Samuël hoort de stem van de Heere, maar eigenlijk hoort hij de stem nog steeds niet echt, want hij gaat naar Eli en zegt: ‘Zegt u het maar, Eli!’ Pas na twee keer begrijpt Eli het en dan zegt hij tegen Samuël: ‘Als de Heere nu weer spreekt, als Hij Zich weer gaat openbaren aan jou, Samuël, dan moet je zeggen: Spreek Heere, want Uw knecht hoort.’

Openbaren wil zeggen: er is iets, er is iemand, je kent hem niet, je weet niet wie hij is, maar ineens komt die iemand tevoorschijn en zegt: ‘Ik ben het.’ Je moet dus goed onthouden dat ‘openbaren’ wil zeggen: naar voren komen, zich onthullen, zich laten zien.

De Heere Jezus openbaarde Zich. Vandaar als het thema voor de preek: De openbaring van de Heere Jezus aan de zee van Tiberias.

We overdenken vijf punten: 1. Rusteloos werken (vers 1 t/m 3) 2. Stil toezien (vers 4) 3. Ontdekkend vragen (vers 5) 4. Gezegend volgen (vers 6 t/m 8) 5. Liefdevol ontvangen (vers 9 t/m 14) Als eerste dus:

1. Rusteloos werken

Ze zijn met z’n zevenen: Petrus, Thomas, Nathanaël, de twee zonen van Zebedeüs, Johannes en Jakobus en nog twee anderen die we niet kennen. Petrus zegt (dat staat in vers 6): Ik ga vissen en de anderen zeggen: ‘Goed, we gaan met je mee.’ Waarschijnlijk had Petrus een eigen vissersboot en - zo gezegd, zo gedaan - gaan ze vissen.

Misschien, jongens en meisjes, misschien doen jullie dat ook weleens… vissen. Met je vrienden in een vijver in de buurt, misschien wel samen met je vader. Leuk… Ik weet ook wel een beetje hoe dat werkt, want ik houd ook wel van vissen, en ik weet ook dat de meeste vissers denken dat ze precies weten hoe dat moet: vissen. Ze weten de beste plek, de beste stek, ze weten de beste tijd, ze weten het beste aas, ze weten precies hoe het moet. En als ze thuiskomen, komen ze thuis met de grootste verhalen en vooral met de grootste vissen… Tja, en als je niks gevangen hebt, dan berg je snel je spullen op en ga je stilletjes wat anders doen. Irritant trouwens, als je aan het vissen bent en er komt iemand langs en die zegt: ‘joh, je moet het zó doen, je moet het anders doen.’ Dan denk je bij jezelf: ‘ik weet het zelf best ook wel hoor, hoe ik vissen moet. Ik vis vaker hoor, je hoeft het mij niet te vertellen. Ik weet het heus wel, gisteren heb ik nog een hele grote gevangen.’ Dat zijn de echte vissers...

Nou, dat waren deze mannen ook. Deze zeven - en vooral Petrus, Johannes en Jakobus - waren échte vissers. Petrus zei: Ik ga vissen en de anderen zeiden: ‘Goed, wij gaan met je mee.’ Gemeente, was het goed dat ze gingen vissen, of toch eigenlijk niet? Dat is een moeilijke vraag. Ik weet het eerlijk gezegd ook niet zo goed. Het was niet verkeerd dat ze bezigheid zochten. U kent het spreekwoord wel: ‘Ledigheid is des duivels oorkussen.’ Petrus had tenslotte ook een eigen bootje. Het is ook niet verkeerd om als ambtsdrager in je eigen behoefte te voorzien; dominees moeten tenslotte ook eten. En bovendien hadden ze nog geen uitgesproken opdracht om te gaan preken. U kunt zich misschien ook de twijfel wel voorstellen in het hart van Petrus: ‘Zou ik eigenlijk nog wel mógen preken na mijn verloochening van de Meester?’ Maar er is ook een andere kant. Ze zijn door de Heere geroepen om visser van mensen te zijn, om apostel te worden. En het accent ligt hier wel heel erg op ‘ik’. Ík ga vissen… Zijn ze niet te ongeduldig in het wachten op een teken van de Heere? Voor beide kanten valt iets te zeggen.

Maar hoe dan ook, deze echte ervaren vissers vissen de hele nacht, op de beste plek op het meer, op de beste tijd en met het beste net, en ze vangen helemaal niets, terwijl ze werken en zwoegen.

Jongens, jullie zouden zeggen: ‘We kregen helemaal geen beet.’ De discipelen zeggen: ‘Het net is leeg. Dat hebben we nog nooit meegemaakt, dat we echt helemaal niets gevangen hebben!’ Vissertjes onder ons, je weet hoe dat voelt, als je ’s middags thuiskomt en tegen je moeder moet zeggen dat je niets gevangen hebt…

Is dat niet vaker zo? Je doet je best, je werkt en zwoegt, ook in je persoonlijke leven, in je gezin, op je werk, in je huwelijk, maar het lukt niet. Je doet je best om die vriendschap, waar je zo naar uitkijkt, te laten ontluiken en op te laten bloeien, maar het lukt niet. Wat heeft de Heere daar toch mee te zeggen? Want, gemeente, u denkt toch niet dat Hij niet ziet en niet weet dat al die vissen links en rechts zomaar om dat net heen zwemmen? ‘Ik doe zo mijn best, ik kom naar de kerk. Ik luister ook nog en ik kom naar de catechisatie, maar er gebeurt helemaal niks. Ik buig mijn knieën van tevoren; vroeger deed ik dat nooit. Ik bid, ik roep, ik zie uit, ik lees mijn Bijbel stuk, maar er gebeurt helemaal niks!’ En ondertussen denk je in je hart: ‘Zou het wel waar zijn? Zou het wel het werk van de Heere zijn, of toch niet?’ En de duivel fluistert in je oor: ‘Houd er toch mee op, want dit schiet echt niet op!’ En de mensen om je heen zeggen: ‘Waar wacht je toch op? Je moet geloven! Je moet het zelf doen!’

Rusteloos, moedeloos werken… Rusteloos en moedeloos vissen, met je eigen hengeltje in de troebele wateren van je eigen hart: van je eigen bekering, van je eigen ervaring, bevinding en vertroosting. Van de teksten en de versjes die je van de Heere gekregen hebt. En uiteindelijk moet je zeggen: ‘Ik vang niks.’ En ondertussen staat Jezus op de oever. Dat is het tweede punt:

2. Stil toezien

Jezus is niet ver van het strand: tweehonderd joodse ellen. Honderd meter, zouden wij zeggen. Hij staat op het strand, maar ze zien Hem niet. In ieder geval, ze herkennen Hem niet, terwijl het al morgen is en het al licht begint te worden. Misschien was het zoals bij de Emmaüsgangers: dat hun ogen werden gehouden dat zij Hem niet kenden.

De Heere staat op de kant en Hij kijkt en ziet hun getob. Hij ziet en weet dat ze de hele nacht niets gevangen hebben.

De Heere ziet wel dat u zo hard werkt en dat u zo vecht in uw gezin, op uw werk, in uw huwelijk. De Heere ziet wel, jongelui, dat je braaf naar de kerk komt en naar de catechisatie. Gemeente, de Heere ziet wel dat u tobt op uw knieën maar geen licht ziet, dat u al zo lang met verlangen naar de kerk komt, maar zegt en denkt: ‘Ik neem nooit wat mee naar huis.’ Rusteloos, moedeloos werken. ‘Vermoeid en belast’, zegt u. Ja! En u werkt maar door. Alleen. Kunt u het dan allemaal alleen? Kunt u het allemaal zelf? ‘Ja’, zegt u, ‘ik doe mijn best. Ik doe wat ik kan!’

Ervaren visser, u weet het allemaal zo goed. U weet zo goed hoe God een mens bekeert. U zegt: ‘Het zijn allemaal verschillende fasen. Eerst komt dit en dan komt dat. De mens moet dit kwijt en moet dat krijgen.’ Ja, ervaren visser, u weet het allemaal zo goed… Jezus staat aan de oever. In gedachten kunt u Hem zien staan aan het strand, zien kijken naar het bootje en Zijn hoofd zien schudden: arme tobbers! En toch is daar ook een troost voor tobbers! Of u nu tobt over uw werk of over uw gezin, over uw huwelijk, over je school, over je vriendschap: de Heere ziet het wel en de Heere weet het wel. Of je nu tobt over je hart, je ziel, je leven voor God, de Heere ziet het! Rusteloze, moedeloze werkers: de Heere ziet u, maar u ziet Hem niet. Want dat staat hier: zij wisten niet dat het Jezus was. Het oog gesloten, het hart duister… We zien Hem niet!

Maar weet u wat nu het wonder is? Nu gaat Jezus Zich - daar komt het moeilijke woord weer - openbaren. Nu gaat de Heere Jezus Zich onthullen, naar voren komen, laten zien Wie Hij is en wil zijn. Vrágen ze daarom? Nee, helemaal niet! En tóch komt Hij! Hij komt op Zijn tijd, als er geen perspectief meer is. Ze zijn uitgevist. Ze hebben de hele nacht gewerkt en gezwoegd en nu is het klaar. Niks gevangen! De Heere Jezus komt niet aan het begin van de avond: ‘Jongens, je moet het anders doen. Anders vang je niks vannacht!’ Jezus komt op Zíjn tijd, als ze uitgevist zijn, als het hopeloos is. Komt Jezus als ze Hem innig gezocht en gesmeekt en gevraagd hebben? We lezen er niets van. Hij komt op Zijn tijd! Als het hopeloos is. Als ze geen weg meer zien. Als de deuren gesloten zijn.

Gemeente, als er geen weg meer is in jezelf en als je op dat punt komt, dan komt Hij - en dat is punt drie - met ontdekkende vragen.

3. Ontdekkend vragen

In vers 5 staat: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Het klinkt heel erg vriendelijk. We zouden zeggen: ‘Jongens, heb je iets voor bij het brood? Een stukje vis of zo?’ Het antwoord is kort, heel bits, eigenlijk een beetje boos: ‘Nee!’ In het Grieks wordt de vraag eigenlijk negatief gesteld: ‘Jongens, jullie hebben niks te eten, hebben jullie soms? Hebben jullie soms niks gevangen? Of wel soms?’

Je tobt, je zwoegt, je vecht om je werk, om je huwelijk, om je school, om je vriendschap. Het lukt niet. Of wel soms? Je zit hier iedere week in de kerk, gelukkig! En je komt naar de catechisatie. Nog steeds niet bekeerd… Of wel soms? Het is, gemeente, die vraag die in het negatieve is gesteld, die iets wil doen. Die iets wil onthullen, iets wil blootleggen, ook iets wil openbaren, iets wil ontdekken. Wat dan? Uw zwakte! Uw onvermogen! U probeert, als het gaat om de tijdelijke dingen, uw leven te sturen en plannen te maken en te vechten voor die plannen, maar rekent u eigenlijk nog wel met God in uw leven? Heeft God nog wel een plaats in je plannen, in je dagelijkse leven? Of denk je dat je die vriendschap zelf kunt laten ontluiken, kunt laten opbloeien?

‘Jongens, hebben jullie niet iets te eten?’ Je hebt al maanden, waarschijnlijk al jaren gevist in dat troebele water van je eigen hart, van je eigen bekering, van je ervaringen, van je vertroostingen. En niks gevangen… Zit daar eigenlijk wel vis? Het is een ontdekkende vraag, ook in het leven van God zoekende zondaars. Je zou zo graag je eigen vis op tafel willen leggen. Maar eerlijk gezegd, gemeente, zolang dát zo is hebt u Jezus niet nodig! Bij Hem hoef je niet je eigen vis op tafel te leggen. Bij Hem mag je komen met je armoede en met je gebrek. Met je verlorenheid en met je schuld. Je moet niet zeggen: ‘Hier is mijn vis’, maar je mag zeggen: ‘Heere, ik heb helemaal niets!’ Uitgevist en niks gevangen… Het probleem is echter dat we dat nu juist niet willen! Ik wil zelf ook zo graag werken, meewerken, meehelpen.

Als Jezus komt - en leg je hart er maar eens naast, gemeente - als Jezus komt, in het bijzonder in het leven van Gods kinderen, voor het eerst of opnieuw, als Hij Zich openbaart, onthult, laat zien, is het eerste wat Hij in liefde en in wijsheid doet: onze armoede, ons gebrek in onszelf, onze schuld voor God laten voelen.

In deze geschiedenis, broeders, ligt ook een les voor ons als ambtsdragers. Hoeveel vissen heb je al gevangen in je leven? Je hebt hard gewerkt en uit ervaring weet je hoe je vissen moet. Misschien ben je al tien jaar, twintig jaar ambtsdrager. ‘O ja’, zegt de Meester, ‘hoeveel catechisanten heb je al bekeerd? Hoeveel mensen heb je al gebracht tot licht, tot rust en tot leven?’ Al die nachten heb je gevist met zoveel ijver, maar toch moet je zeggen: ‘Niets gevangen, Heere. Ik heb nog nooit een mens bekeerd.’

En wat krijg je dan Hém nodig, gemeente, ambtsdragers, broeders, als je met je eigen armoede voor de dag moet komen voor de grote Ambtsdrager: ‘Heere, U noemt mij wel een visser van mensen, maar ik kan niet vissen.’ Dan krijg je Hém nodig, Die op de oever staat en Die je getob wel ziet, maar Die wacht en Die zomaar alleen vraagt, ook aan ons als ambtsdragers: ‘Met welk doel? Opdat jullie met je armoede, je ellende en je gebrek aan Mijn voeten terecht zouden komen.’

En dat brengt me bij het vierde punt, maar we gaan eerst zingen uit Psalm 116 vers 4: D’eenvoudigen wil God steeds gadeslaan. - - - -

Gemeente, we gaan verder met ons vierde aandachtspunt:

4. Gezegend volgen

In vers 6 lezen wij: Hij (Jezus) zeide tot hen (ze zijn nog in het bootje): Werpt het net aan de rechterzijde (stuurboordkant) van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.

Onbegrijpelijk eigenlijk: deze mannen weten hoe ze vissen moeten. Het zijn ervaren vissers, beroepsvissers. Ze weten precies: ’s nachts moet je vissen op het meer van Galilea, op dát plekje, dáár moet je je net uitwerpen, zó diep, dáár zit de vis.

En nu staat die Vreemdeling op de kant en Hij zegt: ‘Jongens, de vis zit aan de rechterkant. Naar de stuurboordkant met dat grote sleepnet!’ En wat zeggen ze? Wat vragen ze? Niets! Ze doen het. Kennelijk heeft die Man daar op de kant zoveel uitstraling en autoriteit, zoveel macht en majesteit, dat ze blindelings doen wat hen gevraagd wordt. Ze halen het net op en gooien het aan de rechterkant in het water en ze voelen het direct: het net zit vol met vis!

Misschien tobt u al zo lang. Met uw werk, met uw gezin, met je school, met uw huwelijk. Je vecht al zo lang op je eigen manier, in je eigen kracht, voor die vriendschap waar je zo naar uitkijkt. Gooi het net aan de andere kant! Want je vecht, maar je bidt niet! Je knokt voor je huwelijk, maar je doet het in eigen kracht! Je buigt je knieën niet voor God, om te belijden voor God en voor je man of voor je vrouw wat je eigen aandeel is in alle ellende die er gekomen is. En, jongelui, je doet je uiterste best om die vriendschap toch eindelijk een keer te laten opbloeien, maar je buigt je knieën niet: ‘Heere, leer me toch Uw wegen. Wat wilt U dat ik doen zal?’

En je komt, jongelui en ouderen, in de kerk, en jullie, jongens en meisjes, komen naar catechisatie, maar laten we eens eerlijk van hart tot hart met elkaar praten: het is allemaal zo voor de vorm, zo voor de buitenkant. Kijk eens in je hart! Gooi het net eens aan de andere kant. Je zegt misschien: ‘Ben je wijs, dat helpt helemaal niet!’ Ja, maar het is God, het is de Heere Die het zegt! Want, wees eens eerlijk: je komt wel naar de kerk, maar bid je wel? Jongens en meisjes, buig je thuis nog wel je knieën voor God, zomaar stilletjes op je kamer, voordat je naar de kerk gaat? En doordeweeks, voordat de dag begint? Helpt dat dan? Ja, dat helpt! Want God, de God Die wij dienen, hoort het gebed, vérhoort het gebed! Waarom doe je dat niet vaker? Zomaar naar je kamer gaan, computer uit, mobieltje uit en bidden op je knieën: ‘O God, ik heb gezondigd, wees mij zondaar genadig!’ Helpt dat dan? Ja, dat helpt! Buig toch, jongens en meisjes, je knieën voor God en bid en roep en vraag! Zó zul je God vinden! Weet u dat wel zeker? Ja, dat weet ik zeker! Waarom? Omdat God het zegt! We dienen een betrouwbare God, Die gezegd heeft: ‘Zoek en je zult vinden!’ Klop iedere dag en steeds maar weer opnieuw en stop niet met kloppen. Houd aan! Klop, en u zal opengedaan worden.

Godzoekende mensen onder ons, ben je al jaren aan het vissen, met je eigen hengeltje in de troebele wateren van je eigen hart, je eigen bekering, ervaring en vertroosting? Niks gevangen, hè? Nee! Daar zít ook geen vis. Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid! U moet niet met uw werk, uw vis, maar met uw ellende, uw armoede en verlorenheid bij Christus zijn! Dát is de weg die u gewezen wordt. U mag tot Hem komen! Vindt u dat geen wonder? Met uw verlorenheid en met uw schuld, met uw opstand en met uw rebellie mag u komen. Niet met wat u hébt! Dat mag u allemaal achterlaten. U mag tot Hem gaan met wat u míst! Dán wil Hij voor u, arme en verloren zondaren, een volkomen Zaligmaker zijn.

Maar ik zeg tegelijkertijd tot u, als een liefdevolle waarschuwing: als u nooit zó tot Hem komt, als een arme en verloren zondaar die niets heeft, kunt u, ondanks alles wat u bezit, niet zalig worden.

Wat een wonder dat de Heere Jezus Zich zo aan die discipelen openbaart. Ongelovig is hun hart, gesloten en blind zijn hun ogen, en rusteloos is hun werk en hun getob. De Heere Jezus ziet het zo vanaf de kant, ontdekt ze aan hun armoede en wijst hen de weg. Hij zegt als het ware tegen hen: ‘Luister nou eens, jongens, je zult nooit je eigen buik kunnen vullen met je eigen vis. Kom nu maar met je honger naar Mij toe! Dan zal Ik je vervullen met de rijkdom van Mijn genade, want zo ben Ik als Zaligmaker! Armen worden door Mij met goederen vervuld; hongerigen worden verzadigd met brood en dorstigen mogen drinken van de wateren des levens om niet!’ Het is allemaal zonder geld en zonder prijs! Wijn en melk voor een zondaar die niets heeft! En daarom zegt Paulus in Romeinen 11: Indien het (als het) door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het uit de werken is, zo is het geen genade meer (Rom.11:6). Het is één van twee: of u wordt door genade zalig, als een arme en berooide zondaar, of u gaat met uw werken verloren. Die weg van werken, van zelf vissen is dicht, geblokkeerd, en dat hebben we zelf gedaan. Maar, en dat is nu de wonderlijke boodschap van het evangelie: er is een geopende weg en een geopende toegang tot Gods genadetroon. Een verse en levende weg, die gebaand is door het bloed van de Middelaar, waardoor armen, verlorenen, mensen die het niet meer weten, het zelf niet meer kunnen, toch uit genade, onverdiend, zalig kunnen worden. Kom dan toch! Kom dan toch, u die vermoeid bent! Vermoeid van dat werken, dat eindeloze vissen in je eigen hart en in je eigen leven. Kom dan toch, u die vermoeid en belast bent met uw zonden en schuld! Kom tot Hem en Hij zal u rust geven! Gaat in door de enge poort: het geloof in Christus! Je kunt niet zo gemakkelijk door die poort. De poort en de weg is nauw; je moet alles afleggen! Zelfs het kleed van je beste werken, van je eigengerechtigheid. Je kunt alleen maar door die enge poort ingaan als een arme zondaar die niets heeft: ‘Ellendig en arm en blind en naakt, zo kom ik tot U, o God Die zalig maakt.’

Hier in deze geschiedenis, gemeente, komt ook een ander aspect naar voren: een boodschap voor allen die zich geroepen weten tot het werk in Gods koninkrijk. Het is goed om te wachten op Gods tijd. Wij willen zo graag vissen in de mensenzee, in de wereldzee, maar Gód weet waar de vis zit! God weet waar de vis zit die niet ík, maar die Híj wil vangen. En daarom: volg Hem! Wie het net mag uitwerpen als God het zegt, op de plaats waar de Heere wil, zal zien en ervaren dat niet onze vissen, maar dat Zijn vissen gevangen worden!

Het net zit vol. Ze voelen het direct: helemaal vol met vis! Niet te trekken, zo zwaar! En dan zien we, gemeente, iets heel moois in deze geschiedenis. Je ziet zomaar met een paar zinnen het verschil tussen kinderen van God getekend. Petrus knoopt zijn overkleed vast en springt zomaar pardoes over de rand van de boot in het water, midden in de zee. Nu moet u niet zeggen: ‘Die man was impulsief, die had misschien wel ADHD of zo.’ Nee, dat is het niet. Het is de liefde van zijn hart waardoor hij alles achterlaat! Als een ervaren visser laat hij de vissen in het net. Hij laat ze achter, want het gaat hem om zijn Meester! Die staat op het strand! Zó doet Petrus het. We

zouden zeggen: ‘Het is een doener.’ Je ziet handelende liefde die de Heere in zijn hart gelegd heeft. Johannes is anders. Hij ziet het, hij gelooft het, en zegt, zomaar vol van liefde uit de grond van zijn hart: ‘Jongens, dat is Hem! Het is de Meester!’ Zo doet Johannes het. We zouden zeggen: ‘Dat is wervende liefde, sprekende liefde.’ De andere discipelen zijn weer anders; daar lezen we niets over. Die slepen het net, doen het werk en komen rustig aan de kant. Gods kinderen zijn verschillend, en dat is een zegen! Daar moet je elkaar niet zuur om aankijken. Dat is het verschil en de veelkleurigheid van Gods werk, ook in Zijn kinderen.

Ons laatste aandachtspunt:

5. Liefdevol ontvangen

Zo, ze staan allemaal op de kant. Zes zijn er nog droog en één is er drijfnat. En nu aan het werk! Vis gaan schoonmaken met elkaar: 153 stuks. Dan ben je nog wel even bezig. Werken met je eigen resultaat. Een bordje op de deur van je hart: ‘Ik werk aan mijn heiligmaking!’ Maar wat gebeurt er? Ze stappen op het strand en kijk: een kolenvuur, vis en brood. Zou Petrus niet in een flits hebben teruggedacht aan de zaal van Kajafas? Weet u het nog? Hij stond bij een kolenvuur en warmde zijn handen en zei: Ik ken de Mens niet. En ondanks dat, juist nu, zoveel goede zorg van de Heere. Wat is het toch om je over te verwonderen als kind van God: een kolenvuur!

Wat zien we hier, gemeente? De zorgen van de Heere in tijdelijke dingen. Alles, echt alles komt van Hem, ook in het dagelijkse leven, van maandag tot en met zaterdag. Niet alleen vandaag, maar álles komt van Hem! In je werk, in je huwelijk, in je gezin, op school, in je vriendschappen. Natuurlijk doe je je best en draag je je verantwoordelijkheid, want we zijn geen mensen die onze werkzaamheden mogen verwaarlozen. We hebben een roeping in dit leven, maar laat er tegelijkertijd dat verborgen leven aan de troon van Gods genade zijn. Dat bedoelde ik te zeggen, jongens en meisjes: je kamer in, je deur dicht, op je knieën voor God en zeggen: ‘O Heere, help me toch! Ik kan het niet! Ik doe mijn best wel op school, maar ik kan het niet zonder U, want zonder U kan ik niets doen. Help me toch in de kerk om te luisteren en spreek toch tot mijn ziel. En help me toch in die vriendschap die alsmaar niet wil ontplooien en wil ontluiken. Zie toch, Heere!’

Dat leven bedoel ik, gemeente, ook als het gaat om tijdelijke dingen: ‘Zie toch, Heere, mijn gebrek, mijn armoede, mijn onvermogen. Heere, ik kan het niet! Ik kan het niet in mijn gezin, in mijn huwelijk. O Heere, doet U het toch en helpt U mij toch!’ De goede zorg van de Heere zult u zien en ervaren als u ook in tijdelijke dingen in de weg van de Heere gaat, biddend en in afhankelijkheid van Hem. Goede zorg zien we ook in deze geschiedenis, in het leven van deze ambtsdragers: midden in het werk, een nacht gevist... Midden in het werk van moedeloos tobben en ploeteren zorgt de Heere voor Zijn knechten, Zijn ambtsdragers. En heel goed ook! Want terwijl Zijn discipelen rusteloos en moedeloos de hele nacht hebben gewerkt, heeft de Heere alvast de tafel, zouden wij zeggen, voor hen klaargezet om te gaan eten. Hun vis heeft Hij helemaal niet nodig; er is allang vis voordat zij één voet op het strand gezet hebben.

Ze mogen eten van Zijn vis. En Hij zegent dat ook. Tegelijkertijd ziet Hij hun vlijt als Hij uit hún hand neemt wat Hij eigenlijk Zelf aan hen gegeven heeft, wat Hij Zelf in hen gewerkt heeft, als Hij zegt in vers 10: Brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt.

Iedereen weet het, terwijl ze stil op het strand zitten bij het kolenvuur. Ja, het wordt echt stil. Iedereen weet het, niemand durft iets te vragen. Ze weten allemaal diep in hun hart: dat is de Meester, dat is de Heere. Zo is het toch, kinderen van God in ons midden? Als de Heere Zijn licht laat vallen op Christus en je iets of meer van Hem mag zien als Zaligmaker van je zonde en schuld, dan is er geen twijfel meer in je hart. Dan zeg je: ‘Ja, het is de Heere.’ Wees stil voor God!

Zo werkt de Heere, gemeente, ook in het leven van de genade. Hij ziet ons tobben. Hij zwijgt, maar Hij kijkt toe. Hij ziet het allemaal en Hij ontdekt ons - en dat is Gods werk - aan de vruchteloosheid, de nutteloosheid van onze werken, door eenvoudig te vragen: ‘Nooit wat gevangen hè, in je hart? Of wel soms? Werp dat net nu maar eens aan de andere kant! Doe maar, naar de stuurboordkant met dat net! Kom nu maar, met al je armoede. Ik zie wel dat je dat niet wilt en dat je dat niet kunt, maar Ik nodig je toch. Kom nu maar met al je armoede, ellende en leegte tot Mij! Kom tot Mij, u die vermoeid bent! Vermoeid van al dat vissen en nooit wat vangen… Vermoeid en belast… Belast met zonden en schuld. Kom toch tot Mij! Je hoeft niets mee te nemen. Trouwens, je hébt ook helemaal niets. Kom maar bij Mij, bij Mij is alles!’

Kom, arme van geest, tot Christus! Kom, hongerige en dorstige, tot het water en het Brood des Levens om niet! Want u zult - en het is goed dat u dat weet en dat blijft bedenken - nooit de hemel binnengaan met iets wat u hebt of denkt te hebben van uzelf. Laat het toch allemaal achter! Laat dat kleed van eigengerechtigheid liggen en vlucht als een arme, berooide en naakte zondaar tot Christus om behoud en zaligheid!

‘En als we nu zo tot Christus komen’, zegt u, ‘dan mogen we daarna natuurlijk wel aan het werk. Alsnog aan het werk…’ Nee! Wij worden geroepen om in wederliefde de Heere te dienen en te vrezen, maar wat er ten diepste gebeurt, is dat Hij ons van het Zijne geeft. De vrucht van het vernieuwde leven is van God. Als we door genade tot Christus mogen komen en tot Hem gebracht mogen worden, dan eten we uiteindelijk niet van onze vis. Er ligt vis en brood op Zíjn kolenvuur! Dan eten we Zíjn vis en Zíjn brood. Het is Zijn werk. Zijn liefdewerk waarmee Hij Zijn hart en leven heeft afgelegd voor zulke slechte mensen zoals deze discipelen waren.

‘En wij brengen…’, zegt u. Ja, wat brengen we eigenlijk? Zegt u het eens, kind van God, wat brengt u? Als u aan het eind van uw leven uw laatste adem uitblaast en voor God moet verschijnen, wat zult u dan zeggen? ‘Heere, hier ben ik met…’ Met wat? Met mijn bekering? Nee toch! Met mijn teksten? Nee toch! Dan zult u zeggen: ‘Heere, hier ben ik met mijn verlóren leven. O God, wees mij, zondaar, genadig.’ Het is die belijdenis, gemeente, waarmee u kunt leven én kunt sterven: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig!’

En dan zal Hij zeggen, wat een wonder: ‘Kom, gezegende van Mijn Vader, beërf het koninkrijk dat voor u weggelegd is van voor de grondlegging der wereld, gij goede en getrouwe dienstknecht!’ U zult uw voorhoofd fronsen en zeggen: ‘Wat? Ik?’ ‘Ja’, zal Hij zeggen, ‘kijk maar: kolenvuur, vis, brood. Kijk maar: 153 vissen!’ ‘Maar’, zult u zeggen, ‘die zijn niet van mij! Dat was toch ook Uw werk, Heere! Het is allemaal van U geweest!’

Laat dat uw troost zijn, u die de Heere vreest! Als u na een leven van zuchten om uw eigen armoede hier in deze wereld, als u na een leven van verwondering en blijdschap en verlangen vanwege Gods goedheid, als u na een leven van donkere wolken die het licht van de zon bedekken, als u na een leven van lichtstralen van omhoog, als u na een leven van momenten dat u het heldere licht van Christus’ openbaring mocht zien, als u na dát leven uw voet zult zetten op het zilveren strand van de eeuwigheid, en u een kolenvuur en het grote net met 153 vissen zult zien, dan zult u uw hoofd buigen en zeggen: ‘Heere, het was niet van mij. Hier ligt nu helemaal niets van mij. Dit was en is alleen maar van U.’

Laat dit uw troost en verwachting zijn, u die de Heere vreest: dan zal om Hém alleen dat gelukkige leven met God hier, overgaan in eeuwig geluk. Verlost van je eigen armoede en van je eindeloos terugkerende neiging om toch maar weer te vissen in je eigen hart. Verlost van die eindeloze neiging om te werken, te tobben en te ploeteren, omdat je vijand bent van genade. Daarvan verlost! Geen wolken meer die de zon bedekken! Onze blijdschap, zegt de dichter, zal dan, onbepaald, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen. Eeuwige onthulling, eeuwige openbaring van God in Christus! Dat is het blijde vooruitzicht, dat ons hart streelt en vertroost, want het is ons goed om híer en dán nabij God te zijn.

Amen.