4 oktober 2026
Psalm 89:7: Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken?
INLEIDING
Wie is als God? Niemand, in de hemel of op de aarde. God is eeuwig, volmaakt, onafhankelijk, onveranderlijk en oneindig, de oorzaak van alle goed. Vergeleken met Hem zijn engelen en mensen niets. Dat besef moet ons klein maken en tot aanbidding brengen. Hoe verschrikkelijk is de zonde tegen zo'n grote God, maar hoe onbegrijpelijk is ook Zijn genade: Christus boog tot in de diepte om zondaars te redden. Wie op Hem ziet, wordt naar Zijn beeld veranderd.
De grootheid en de heerlijkheid van God
PSALM 89:6-12
6 Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE; ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.
7 Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken?
8 God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen die rondom Hem zijn.
9 O HEERE, God der heirscharen, wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE? En Uw getrouwheid is rondom U.
10 Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.
11 Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.
12 De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 89:7
THEMA
De grootheid en de heerlijkheid van God
Gemeente, u zit er vast wel eens aan te denken, op een stil moment of als u ’s avonds in bed ligt…: Wij dienen de Heere God, maar Wie is Hij eigenlijk? En waar is Hij? Zou Hij mij echt zien? Zou echt niets Zijn oog ontgaan? En zou Hij echt alles van me weten? Maar dan weet Hij dus alles van bijna acht miljard mensen… En zou Hij echt alles in Zijn handen hebben in deze onrustige wereld?
Je denkt: Zou de Heere echt zo groot zijn? Als je daaraan denkt, dan voel je je ongetwijfeld klein, heel klein. Dan (dat hoop ik) buig je je in je hart voor de grote God en aanbid je Hem, Die leeft in alle eeuwigheid (Openb. 10:6En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;)
Over die onmetelijke grootheid van God gaat de preek van vanmorgen/-middag. Over Wie God echt is. Om mijzelf en u de spiegel voor te houden: Dien ik, dolende sterveling, deze God echt? En dien ik Hem ook echt, zoals dat mij past? Ook in de overtuiging dat geestelijk leven, dat een geestelijke opwekking (waar u, naar ik hoop, met mij om bidt), niet zal komen, dan in de weg van een krachtige verlichting door God de Heilige Geest, waardoor we meer dan ooit zicht krijgen op de grootheid, op de heerlijkheid en glorie van God, en op de nietigheid van onszelf. Dat zal ons op de knieën brengen, met de roep op de lippen: O, grote God, wat moeten we doen om zalig te worden? (Hand. 16:30En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?)
Met Gods hulp wil ik u vanmorgen preken over: Wie God werkelijk is. In de diepe overtuiging dat ik dat niet kan! Want het eindige, kan de Oneindige niet voor uw ogen schilderen. Mijn tong is te kort, om de glorie en de heerlijkheid van de eeuwige God onder woorden te brengen. Daarom bidden we in het bijzonder vanmorgen om het bovennatuurlijke licht en om het krachtige werk van de Heilige Geest. Die niet alleen verstandelijk leert, maar vooral ook innerlijk het hart raakt, het hart vastgrijpt, het hart opent en tot leven brengt. En zo brengt tot werkelijke aanbidding, tot vernedering en verwondering. Tot de uitroep: ‘Hoe groot bent U! Wee mij, dat ik zo gezondigd heb, tegen U. Wees mij, arme zondaar, genadig!’
We luisteren vanmorgen naar wat staat in Psalm 89:7Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?: Want wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?
Het thema voor de preek is: Wie is als God?
Ik zal met Gods hulp als eerste de betekenis van de tekst proberen uit te leggen. Vandaaruit wil ik vervolgens iets zeggen over de grootheid en de heerlijkheid van God. En dat wil ik in de derde plaats toepassen op onszelf.
We beginnen dus met:
1. De betekenis van de tekst Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?
Twee ‘wie-vragen?’, die antwoord uitlokken; zoals we dat vaker tegenkomen in de Bijbel. Zoals de vraag in Spreuken 20:9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?: Wie kan zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van zonde? Wie? Niemand! Zoals de vraag in Exodus 15:11O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?: HEERE! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? Wie? Niemand!
Zo is het ook hier: Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie kan er met U vergeleken worden, in de hemel? In de wolkenhemel, waar zon, maan en sterren aanbeden worden als afgoden? Maar wie zijn zij, vergeleken met de Vader der lichten, met de Zon der gerechtigheid? Wie kan er met U vergelijken worden, in de hemel? In de hemel der hemelen, waar de gezaligden en engelen zijn, de eerstelingen van Uw schepping? Zuiver, heilig, heerlijk en vol glorie? Wie kan er met U vergelijken worden in de hemel? Niemand!
En: Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken? Wie kan er met U vergeleken worden? Niemand is als U, niet in de hemel, en ook niet op de aarde! a. Er zijn in hemel: goede engelen, dragers van Gods volmaakte beeld. Die goede engelen beschenen de wachters bij het graf van de opgestane Heere Jezus, alleen met hun licht, en zij werden als doden (Matt. 28:4En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden.). Toch zijn die ontelbare engelen maar vonkjes vergeleken met het licht van de Almachtige God Zelf. Vergeleken met God, vallen zij in het niet.
Er zijn in hemel goede engelen, en er zijn in het heelal: ook kwade engelen, duivelse machten, door Paulus genoemd: de god dezer eeuw, de overste van de macht der lucht (2 Kor. 4:4In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.; Ef. 2:2), de antichrist, die zich verheft boven God (2 Thess. 2:4Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.). Maar vergeleken met God vallen zij allemaal in het niet. Heere, wie van hen is aan U gelijk? Niemand!
b. En op de aarde zijn er: mensen, zoals wij. Van wie de profeet Daniël zegt: Al de inwoners der aarde (wie het ook zijn) zijn (voor God) als niets geacht (Dan. 4:35En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?). En de profeet Jesaja zegt: Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal (…). Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid (Jes. 40:15Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!–17). Moet jij (met mij) dan niet zeggen: Wie ben ik dan, Heere? Als al de inwoners van de wereld, ook de groten die ik bewonder, niets zijn voor U, wie ben ik dan? Wie ben ik dan, dat ik denk dat ik mijn gang kan gaan? Wie ben ik dan, dat ik denk dat ik door kan gaan, zonder naar U te luisteren? Wie ben ik dan, dat ik denk dat ik U ter verantwoording kan roepen? Dat ik U de schuld kan geven van mijn schuld?
2. Ik zal nu als tweede naar aanleiding van de tekst iets proberen te zeggen over de grootheid en de heerlijkheid van God. Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken? Niemand! Dat is het negatieve antwoord. Niemand is als God! Maar onze tekst begint met het woordje ‘want’. Want wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden?
En dat verwijst terug naar vers 6: Dies (daarom) loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen. Uw lof en uw heerlijkheid worden geroemd in de hemel, en in de gemeente der heiligen op de aarde. Want: Wie is als U? Want: Wie kan U evenaren?
Want… 1. God is eeuwig. Wij zijn mensen met een begin en met een einde. Maar, zegt Psalm 90: Eer bergen geboren waren, God is van eeuwigheid tot eeuwigheid God (Ps. 90:2). Hij woont, zegt Jesaja, in de eeuwigheid (Jes. 57:15Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.). Zesduizend jaar wereldgeschiedenis is niets voor Hem. Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak (Ps. 90:4) De leeftijd van de wereld is een ogenblik, vergeleken met de eeuwigheid. Je kan denken, dat heel wat bent, als je 10 bent, of 18, of 50, of 85…, maar het is minder dan een stipje aan de horizon van de eeuwigheid.
Wie zijn wij toch, vergeleken met Hem, de eeuwige IK BEN DIE IK BEN? God is eeuwig. En:
2. God is ook volmaakt. Soms noemen wij dingen perfect of volmaakt, maar het kan altijd beter. Maar Gods volmaaktheid is vol. En niet afhankelijk van iets van ons of anderen. Zoals de zon nooit minder warm wordt door het afgeven van licht en warmte… Zoals de oceaan niet minder vol raakt van een slok water eruit, of voller door een bekertje water erin… Zo en veel meer kan niemand ooit iets toevoegen aan of afdoen van God.
God verliest niets, als je niet bidt, als je Hem niet zoekt, als je Hem in je hart niet aanbidt. Zelf verlies je alles. Maar denk niet, dat God minder zal worden van ons! Zou de eeuwige God minder worden van een dwalend en dwarrelend stofje? God wint er ook niets bij, door onze inspanningen voor Hem. Zou de grote God meer worden van een dolend en dwalend mensje? (zie Job 35:6-7Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem? Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?) Gods eer en glorie zijn niet van ons afhankelijk. Hij is volmaakt in Zichzelf.
Laten we onze kleine gedachten over Hem loslaten. De Volmaakte heeft het onvolmaakte niet nodig. En toch roept Hij ons allemaal tot Zich: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden (Jes. 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Want Ik ben de HEERE en niemand meer (Jes. 45:18). Verbaast je dat niet? Dat de grote God je roept, dwalend, dolend, rebellerend mens? Terwijl Hij je niet nodig heeft? Terwijl je aan Zijn volmaaktheid niets toe zult kunnen voegen? God is eeuwig, Hij is volmaakt, en:
3. God is ook onafhankelijk. Hij heeft niemand nodig om Hem te steunen of te onderhouden. Niemand heeft ooit iets bijgedragen aan Zijn bestaan. Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem (Kol. 1:17En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;). Hij houdt alle dingen in Zijn hand door het Woord van Zijn kracht (Hebr. 1:3Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen;). Hij is van niemand afhankelijk. Wij wel. Wij zijn allemaal tot in het uiterste afhankelijk van Hem. Daarom roept Hij ons! Niet omdat Hij ons nodig heeft, maar omdat wij Hem nodig hebben. Hem, in Wie wij leven en ons bewegen (Hand. 17:28Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.) Hem, Die onze eeuwige toekomst bepaalt. God is eeuwig, volmaakt, onafhankelijk, en:
4. God is ook onveranderlijk Hij is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.). Bij Hem is geen verandering of schaduw van omkering (Jak. 1:17Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.). Jongens en meisjes, je bent nu ouder dan een jaar geleden. U, ouderen, bent niet meer zoals u vroeger was.
Maar God blijft altijd Dezelfde. De dichter van Psalm 102 zegt: Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Maar U, HEERE, blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht (Ps. 102:12,13). En toch roept die eeuwige en onveranderlijke God ons: Zoek Mij toch, terwijl Ik te vinden ben. En roep Mij toch aan, voorbijgaande schaduwen, want uw dag gaat als kaf voorbij. Uw tijd is kort (Jes. 55:6Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.; Ps. 144:4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.; Zef. 2:2Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des HEEREN toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des HEEREN over ulieden nog niet komt.). God is eeuwig, volmaakt, onafhankelijk, onveranderlijk, en:
5. God is ook oneindig en onbevattelijk Zijn macht, Zijn regering, Zijn bestuur, Zijn invloed, het heeft alles geen grens. Salomo zegt: Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! (1 Kon 8:27Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!). Denk ook maar aan Psalm 139: Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee; Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. (Ps. 139:7–10) Er is geen plaats waar je de Heere kan ontvluchten. De eeuwige, de volmaakte, de onafhankelijke, de oneindige God ziet en weet alles. Met Hem vergeleken zijn we niets Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? En wie is (op aarde) de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken? God is eeuwig, volmaakt, onafhankelijk, onveranderlijk, oneindig, en:
6. God is de oorzaak van alle goed. We zien Zijn hand in de natuur om ons heen, in de schepping. We zien Zijn hand ook in de onderhouding van ons leven. Hij geeft ons adem, gezondheid, voedsel, kleding, bescherming in gevaar, ja alles. In Hem leven wij en bewegen wij ons (Hand 17:28).
7. En denk daarbij in de zevende plaats aan al Gods volmaaktheden: aan Zijn heiligheid, aan Zijn rechtvaardigheid, aan Zijn wijsheid, macht en trouw, liefde en genade, en het kan niet anders of we moeten uitroepen: Hoe groot bent U! Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Niemand!
En het is dat besef van Zijn grootheid, van Zijn heerlijkheid en glorie, en daar tegenover het besef van onze nietigheid en kleinheid, dat ons leven moet doordrenken. Ons persoonlijk leven, ons ambtelijk leven, ons kerkelijk leven. Door het krachtige werk van de Heilige Geest. Zodat we God echt gaan dienen, zoals Hij is, en zoals Hij door ons gediend wil worden.
Want, gemeente, kerk-zijn, gemeente-zijn is niet hetzelfde als mooie, goede en fijne dingen met elkaar doen, voor God.
Het is: in verootmoediging, in kleinheid, vanuit de diepte buigen voor God. Voor Wie en hoe God werkelijk is: de grote, de eeuwige, de volmaakte, de onafhankelijke, de onveranderlijke God, de Oorzaak van alle goed. Voor Wie wij werkelijk niets zijn. En Die desondanks innig met ons lot bewogen is!
Voordat wij verdergaan met ons derde punt, zingen we nu eerst uit Psalm 99, vers 1 en 2:
God, de HEER’, regeert; Beeft, gij volken, eert, Eert Zijn hoog bestel, Die bij Israël Tussen Cherubs woont, En Zijn grootheid toont; Dat zich d' aard bewege; Hij is Isrels zege.
God, Die helpt in nood, Is in Sion groot; Aller volken macht Niets bij Hem geacht; Buigt u dan in 't stof, En verheft met lof 't Heilig Opperwezen; Wilt het eeuwig vrezen.
3. Gemeente, we passen deze waarheid over God in de derde plaats toe, door te letten op: wie wij zijn en moeten zijn voor Hem.
a. Nu God zo groot is in majesteit en heiligheid, nu past het ons om stil te zijn in ons hart, nu we hier staan en zitten in de tegenwoordigheid van de Almachtige. De sprekende God is daar, in hemel. En Zijn stem klinkt hier, op de aarde. En dus moet iedereen wel stil zijn en luisteren. En zeggen met Samuël: Spreek, Heere, want Uw knecht hoort (1 Sam. 3:9-10Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u neder, en het zal geschieden, zo Hij u roept, zo zult gij zeggen: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort. Toen ging Samuël heen en leide zich aan zijn plaats. Toen kwam de HEERE, en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.).
b. Nu God zo oneindig volmaakt is, hoe slecht is dan de zonde tegen Hem. Hoe durf ik, hoe durf jij, hoe durft u als klein mensje te zondigen en zo op te staan tegen de eeuwige, volmaakte, onafhankelijke, onveranderlijke, oneindige God? Die ons leven draagt in Zijn goedheid en zorg? En Die ons Zijn Zoon zond, Die wij gekruisigd hebben? Is dat alles geen ongekende vorm van opstand, van weerzinwekkende brutaliteit, van buitengewone zelfoverschatting? Om onze handen uit te strekken tegen de Almachtige? Wee ons, dat wij gezondigd hebben en zondigen tegen zo’n hoge Majesteit! Het maakt ons kwaad oneindig groot.
c. Nu God zo oneindig groot is, hoe vreselijk is het dan om God als vijand te hebben. Terwijl Hij ons Zijn vriendschap biedt. Terwijl Hij ons roept: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden (Jes. 45:22). Is het geen ongekende dwaasheid die uitgestoken hand te weigeren? De hand van Hem, Die het universum, Die de wereld in Zijn handen heeft? Je bent bang als je door het rode licht rijdt? Voor een bekeuring? Ben je niet bang voor Almachtige? Voor een knip van Zijn vinger, voor een wenk van Zijn oog?
d. Nu God zo groot is en nu onze zonden zo groot zijn, hoe verschrikkelijk moeten dan de toorn en de wraak van God zijn. Hij, Die de wereld en ons daarin draagt, Hij kan die in één ogenblik loslaten en in stukken breken (Ps. 2:9Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.). Wat een illusie dan, om te denken dat je veilig bent, als je leeft in vijandschap tegen God. Wat een waandenkbeeld dan, om te denken dat je Zijn wetten kunt vertrappen en vrede zult hebben. Wat een droom dan, om te denken dat je Zijn Zoon kunt verachten en toekomst zult hebben. Ontwaak toch uit die droom, voor dat het te laat is! Onbekeerde vrienden, wees toch gewaarschuwd.
e. Nu God zo groot is, en wij zo nietig en klein, en nu onze zonde zo groot is, hoe verbazingwekkend is het dan dat Christus, Wiens lof hier in Psalm 89 bezongen wordt, de Zoon van God wilde buigen tot in de diepte van ons mens-zijn. Om Zijn liefde, Zijn bloed en Zijn hart te geven. Om te sterven aan een kruis. Om zulke vijanden te redden van die eeuwige wraak en ondergang.
f. Nu God zo groot is, en wij zo nietig en klein, en nu onze zonde zo groot is, en nu Christus zo diep gebogen heeft, hoe hartelijk, liefdevol en onbegrijpelijk is dan nu de roep van het Evangelie! U slechten, zo klinkt het uit de eeuwige gewesten, hoe lang wilt u de zonde liefhebben? Keer u tot Mijn bestraffing (Spr. 1:23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.). Wend u naar Mij toe en word behouden (Jes. 45:22). Kom tot Mij! Hoor en uw ziel zal leven (Jes. 55:3)!
Hoe onbegrijpelijk goed en groot is het aanbod van het Evangelie: hartelijk, oprecht en wel gemeend. Hoe wonderlijk is het, dat God in Christus een weg geopend heeft, waardoor u komen mag. Met berouw en smekend om vergeving van alles wat u tegen Hem deed.
Maar tegelijkertijd: Hoe verschrikkelijk moet het zijn, als u na uw aanvankelijk breuk met God dit aanbod van genade veracht en uw handen opnieuw opheft tegen de Almachtige, Zijn Zoon verwerpt en Zijn bloed vertrapt!
g. Nu God zo groot is, en wij zo slecht, hoe groot is dan ons voorrecht, kinderen van God, om deze God en Zijn Christus te mogen kennen: sprankjes, vonkjes van Zijn majesteit en glorie, van Zijn heerlijkheid en genade. En dat we ons mogen verblijden in Hem.
Klein denkend van onszelf en van alles van ons: van ons bidden, van ons lezen, van ons luisteren, van ons doen en laten, van ons getuigen, van ons kiezen, van alles van ons! Want het voegt alles niets toe aan Zijn heerlijkheid en glorie. Wel in onze gedachten en harten, maar niet in werkelijkheid.
Klein denkend van onszelf en van alles van ons: buigend in het stof. Weg met alle menseneer, weg met alle verdienste, weg met alle hoogmoed en trots! Want Hij alleen is God. En wij mogen Hem, in het stof aan Zijn voeten aanbidden. En dat is een eeuwig wonder van vrije genade en van vrije gunst. Dat wij de eeuwige, de onveranderlijke, de grote God mogen dienen. Dat wij door genade mogen zeggen: Deze God is onze God (Ps. 48:6Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg., ber.).
Wij staken Hem naar kroon. Maar Hij wilde desondanks ons tot een Vader worden, ons als Zijn kinderen dragen in Zijn eeuwige macht en goedheid, en ons naar Zijn beeld veranderen door Zijn Heilige Geest.
h. Nu God zo groot is, en wij zo klein, en nu God zo groot is in Zijn ongeëvenaarde wijsheid, en wij zo beperkt in ons bevattingsvermogen, nu is er alle reden om de Heere ook te aanbidden in de wegen van Zijn leiding en voorzienigheid. Hoe de weg van ons leven ook gaat. Zelfs in de meest moeilijke en meest onbegrepen wegen waarin Hij ons leidt. De Heere zegt: Laat af, en weet dat Ik God ben (Ps. 46:11Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.). Als wij Gods wegen niet begrijpen, moeten we die aanbidden (John Flavel).
i. Nu dat alles zo is (God is alles en in allen, en wij zijn niets), hoe nodig is het dan, dat heel ons kerkelijke leven, ons gemeenteleven, ons ambtelijke en persoonlijke leven doortrokken zal worden van dat besef! En hoe nodig is daarbij het bovennatuurlijke licht van God de Heilige Geest, om ons dat te leren. Om onze blinddoeken weg te nemen. Zodat we gegrepen worden door de ongeëvenaarde heerlijkheid en glorie van God. Zodat we onderuit gaan in onze hoogmoed. Zodat we gaan buigen in het stof.
Alleen zo, kunnen en zullen we werkelijk God dienen aan deze plaats, en niet onszelf. Niet naar gewoonte, niet in bijgelovigheid. Niet in zelfgenoegzaamheid, niet in tevredenheid. Niet in hoogmoed, terwijl we denken beter te zijn dan anderen. Maar diep gebogen. Hoog omhoog kijkend, vanuit de diepe vernedering van ons hart, uitroepend in het verborgen en in het openbaar: U, U alleen, bent waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging. Niet ons, o Heere, alleen Uw Naam, worde hoog geprezen! (Ps. 115:1Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.)
Die heerlijkheid en glorie van de eeuwige God zijn niet rechtstreeks door ons als mensen te zien. Mensen die God niet vrezen, goddelozen, onbekeerden kunnen hier wel over praten, maar zij kennen en zien ten diepste niets van Gods heerlijkheid. Want, zo schrijft Paulus in 2 Korinthe 4: de god dezer eeuw, de satan, heeft uw zinnen (uw gedachten) verblind, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is (2 Kor. 4:4) Uw leven is geestelijk duister. U ziet niet. U ziet niets van de werkelijkheid van Gods heerlijkheid, voor Wie u vroeg of laat wel verschijnen moet.
Gods kinderen zien sprankjes van de heerlijkheid van God, door in geloof te zien op Jezus. Op Zijn heerlijkheid, vol van genade en waarheid (2 Kor. 4:6; Joh. 1:14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.). En hoe meer we van Hem zien, van de volheid van Zijn genade en waarheid, hoe meer we de leegte zien van de dingen van deze wereld. En hoe meer we in stilte nadenken over de grootheid, de heiligheid en de rechtvaardig- heid, en over de wijsheid, de liefde en de genade van God, zoals die zichtbaar is in Christus, hoe meer we bedorven worden voor de zonde, en hoe meer ons hart en leven zich op God gaat richten.
En dus bestaat heel het leven van het geloof niet uit werken, uit zelf doen en uit jezelf verbeteren, maar uit het gelovig zien op Jezus, wat ons naar Zijn beeld veranderen zal (John Owen). Zoals Paulus zegt in 2 Korinthe 3: En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende (dus: nu we door het geloof de Heere Jezus Christus in het Evangelie helder zien), nu worden wij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.
Tot slot, gemeente. Wie mag in de hemel tegen de HEERE geschat worden? Wie is de HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?
In de hemel en op de aarde is niemand groter dan Hij! Eeuwig, volmaakt, onafhankelijk, onveranderlijk, oneindig, en een zeer overvloedige Fontein van alle goed (NGB, 1).
En daartegenover staan, op enkele vierkante centimeters: wij, mensen. Beperkt, nietig, verloren, zondig, eindig. In een punt op de tijdlijn van de eindeloze eeuwigheid En daarbij: de dingen van de wereld zijn voorbijgaand, tijdelijk, waardeloos. En de schatten van deze aarde blinken en verzinken als vallende sterren, als uitdovende lichtjes…
O mens, bedenk wie u bent… en waarheen u op weg bent. Naar de eeuwigheid, naar de grote ontmoeting met deze God.
Kies u heden, wie u dienen zult! (Joz. 24:15Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!) Het stof van deze aarde? De machtige godenzonen van deze tijd? Of… God? Hij alleen is God! Alle knie zal zich voor Hem buigen. En wie niet wil buigen, zal onder Zijn voeten verpletterd worden (Ps. 2:9).
Dient (dan) de HEERE met vreze, en verheugt u met beving. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen (Ps. 2:11-12).
Amen.
Slotzang Psalm 48:6:
Want deze God is onze God; Hij is ons deel, ons zalig lot, Door tijd noch eeuwigheid te scheiden: Ter dood toe zal Hij ons geleiden.
Andere preken over Psalmen