15 januari 2025
Mattheus 5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
INLEIDING
De burgers van het Koninkrijk der hemelen hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus, omdat ze die zelf missen. Ze zijn barmhartig, met een bewogen hart dat de nood van anderen aantrekt, zoals de Heere Zelf barmhartig is. En ze zijn rein van hart: door genade vernieuwd, met een afkeer van de zonde en verlangen naar heiligheid. Deze kenmerken drijven, met het oog op het Heilig Avondmaal, telkens opnieuw naar Christus, om in Hem de gerechtigheid, barmhartigheid en reinheid te vinden die zij zelf niet hebben.
De burgers van het Koninkrijk der hemelen.
MATTHEUS 5:3-9
3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.
6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Mattheus 5:8
THEMA
De burgers van het Koninkrijk der hemelen.
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, het gaat in de Zaligsprekingen over: Wie de burgers zijn van het Koninkrijk der hemelen. Dat zijn (zo zagen we afgelopen zondag): de armen van geest, de treurenden en de zachtmoedigen. Mensen die in geestelijke zin zelf niets hebben, maar die in hun armoede op Christus hopen. Mensen die treuren naar God, vanwege hun zonden. Mensen die verlangen de voetstappen van Christus te drukken in vergevingsgezindheid en liefde tot hun vijanden.
In de preek [van vanmorgen] gaan we met Gods hulp letten op de volgende schakels uit die gouden ketting van genades, die de Heere geeft. Waarbij het (net als de vorige keer) niet gaat om edele karaktertrekken of natuurlijke talenten, waarom het werk van God en van Zijn genade in mensenharten. Die ons voorgehouden worden als een spiegel voor ons zelfonderzoek in deze week van voorbereiding voor de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal. En die ons voorgehouden worden tot troost en nodiging om aan de tafel van de Heere te komen, als we in alle bescheidenheid (zonder trots) mogen belijden dat de Heere ons daar uit genade ook iets van heeft gegeven.
We overdenken [vanmorgen] vers 6 tot en met 8 uit Mattheüs 5. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden. Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Het thema voor de preek van vanmorgen is, net als in de vorige preek over de zaligsprekingen: De burgers van het Koninkrijk der hemelen.
Dat zijn (in drie punten): 1. Degenen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid 2. De barmhartigen 3. De reinen van hart
Als eerste dus:
1. Gods kinderen, de burgers van het Koninkrijk der hemelen zijn mensen die: hongeren en dorsten naar de gerechtigheid Naar de gerechtigheid. Dat wil zeggen: naar volledige overeenstemming met Gods heilige wet.
En dat is iets, wat niemand van ons van nature heeft. Onze goede werken zijn dat niet. Immers Jesaja zegt: Wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes. 64:6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.) En onze beste pogingen om dat te veranderen, kunnen ons daar ook niet brengen. Immers Jeremia zegt: Want al wiest gij u met salpeter en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE (Jer. 2:22Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.). En welke offers je daar ook voor wilt brengen, Psalm 40 zegt dat de Heere geen lust gehad heeft aan slachtoffer en spijsoffer (Ps. 40:7). En wie er ook gerechtigheid aan je zou willen geven, Psalm 49 zegt: Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven (Ps. 49:8).
Dat wil zeggen, wat dit betreft, is onze situatie hopeloos. Ons hoogste doel, om volledig in overeenstemming te zijn met Gods wil en wet, is voor iedereen van ons onhaalbaar. Want (zegt Job) hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? (Job 9:2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?) Maar in die hopeloze, uitzichtloze situatie van ons (weglopers bij God vandaan), is God binnengekomen met Zijn genade. Zoals staat in Psalm 40:8-9: Toen zeide Ik (Zoon van de Vader, Christus Jezus): Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands.
En Gods manier om die gerechtigheid aan verloren mensen te geven… a. horen we in de profetie van Jesaja, in Jesaja 53, waar staat: Maar Hij (Christus) is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld (…) de HEERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes. 53:5-6). Onze ongerechtigheden, kinderen van God, werden op Christus gelegd. En zo bracht Hij gerechtigheid aan, volkomen in overeenstemming met de eis van Gods heiligheid.
Gods manier om die gerechtigheid aan verloren mensen te geven… b. horen we vanuit de profetie van Jesaja, en zien we [aanstaande zondag] ook in de tekenen van brood en wijn. Waarin zichtbaar voor ogen geschilderd wordt: Ik, Christus, de Gekruisigde, voor u, vol ongerechtigheid. Om uw gerechtigheid voor God te zijn. Uw Immanuël: God met ons. De HEERE, onze gerechtigheid (Jer. 23:7Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd.).
Dat is de achtergrond van wat Jezus hier zegt in vers 6: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Zalig zijn die mensen, die naar deze gerechtigheid oprecht, intens en hartelijk verlangen. Zalig zijn die mensen, die daarnaar jagen als naar dat, wat hun enige nodige is. Omdat ze dat missen. Dat is hun gebrek.
En die honger en dorst is het bewijs van hun geestelijke leven, van hun burgerschap van het Koninkrijk der hemelen. En dat is ook wat hen maakt tot welkome gasten aan de tafel des Heeren. Want wie zondag komt, die hoeft niets mee te nemen dan zijn of haar gebrek, dan zijn of haar honger en dorst…
Honger en dorst, dat zijn echt kenmerken van iemand die met de Heere leeft. Denk maar aan Psalm 42:3Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?: Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God. Denk maar aan Jesaja 26:9Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.: Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken. Honger en dorst naar de gerechtigheid, dat is een hartelijke begeerte, een intens verlangen, een ijverig zoeken naar God, naar vrede met Hem, door de gerechtigheid van Christus.
En dat wordt hier niet zonder reden zó genoemd: honger… en dorst… Want honger is wat anders, dan een beetje trek of een knorrende maag hebben. En dorst is wat anders, dan graag iets te drinken willen hebben.
a. Echte honger doet (als eerste) pijn. Geestelijke honger is een pijnlijk, ondraaglijk verlangen van de ziel naar God. Wat doet zeggen: Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot levende God!
b. Echte honger laat zich (als tweede) ook maar door één ding stillen, namelijk door eten. En echte dorst laat zich ook maar door één ding stillen, namelijk door water. Geef een hongerig mens plezier, muziek, of wat dan ook. Maar hij heeft zal zeggen: Nee, ik moet eten, ik moet drinken! Een hart vol geestelijke honger zegt: Geef me Jezus, of ik sterf. Een hongerige ziel rust nooit. Die blijft rusteloos, zolang hij of zij Christus-loos blijft. Zo iemand zoekt Jezus, en Jezus alleen.
c. Iemand die echt honger heeft (in de derde plaats) die vecht om eten. Ik kan niet zonder Hem. Ik moet Hem hebben. Zo iemand breekt, als de honger sterker wordt, dwars door alles heen. Als u echt honger had, en er zou hier voorin de kerk brood liggen, u zou het nu komen halen.
d. Geestelijke honger proeft (als vierde) zoetheid in alles wat de Heere geeft. Echte honger vraagt niet om slagroomtaart. Honger maakt rauwe bonen zoet. Geestelijke honger proeft zoetheid in al Gods woorden. In Zijn beloftewoorden, maar ook in woorden van vermaning, bestraffing en onderwijs. Want in al die woorden wordt iets geproefd van Gods barmhartigheid
e. Die honger, die dorst, laat je (als vijfde) ook breken met de zonde. f. En (om niet meer te noemen) zulke honger is ook blijvend. Want eigenlijk staat er (net als bij degenen die treuren in vers 4):
Zalig zij zij, die treurende zijn. Zalig zijn zij, die hongerende zijn. Want al bezitten degenen die God vrezen gerechtigheid, toch hongeren en dorsten zij blijvend naar meer.
Die honger en dorst, die laat ons hongerig bidden en lezen. Die laat ons dorstig komen onder de prediking van het Woord. En die laat ons met honger en dorst komen naar de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal.
Zalig zijn zij, want: zij zullen verzadig worden. De Heere belooft het, en zal het Zelf doen. Wat Maria ooit zong in Lukas 1: Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden (Luk. 1:53). Wat dichter zingt in Psalm 107: Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld (Ps. 107:9).
Wat geeft de Heere dan? Het kan zijn een aangename ervaring van Gods gunst, met een gevoelig hart, en met heel liefde in ons hart. Maar de Heere wil vooral genade geven. De genade van geloof. Met een gelovige blik op Christus, Die leed en stierf, ook voor mij. Met een gelovige blik op Zijn gerechtigheid, ook voor mij.
Hebt u honger, hebt u dorst naar de gerechtigheid van Christus? Hebt u dat nooit gehad? Blijf dan niet denken dat u rijk en verrijkt ben, en geen ding gebrek hebt. Want zonder dit diepe verlangen in uw hart, bent u ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt (Openb. 3:17Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.).
Had u ooit wel honger en dorst, maar is het nu zo anders geworden? Hebt u, zoals sommige gelovigen in Efeze, uw eerste liefde verlaten? Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken (Openb. 2:5Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.).
Doet het u verdriet dat het ooit anders was in uw leven? Bedenk dan dat verdriet hebben over gemis (over gemis aan honger en dorst) ook teken van genade is. Ga dan met dat gemis naar de Heere Jezus toe. En vraag Hem om genezing van uw gebrekkige eetlust. En doe uw mond wijd open, Hij zal hem vervullen.
Wij gaan er samen over zingen uit Psalm Ps 81:12: Opent uwen mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.
Zalig zijn de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen. Zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zij zijn zalig. Maar de zaligheid zelf is niet in dat arm zijn, in dat treuren, in dat hongeren of dorsten, of in dat zachtmoedig zijn. De zaligheid is, dat dit… of laat vluchten tot Christus om genade, behoud en vernieuwing van ons hart, of dat het vrucht is van wat Hij Zelf in ons leven heeft gedaan.
En de onvolmaaktheid van die vruchten (van zachtmoedigen zijn en barmhartig zijn), die onvolmaaktheid wil ons opnieuw tot Christus laten vluchten. Met het gebed: O Zoon, maak me toch meer en meer Uw beeld gelijk! De kenmerken van de burgers van het Koninkrijk der hemelen brengen hen (hoe dan ook) aan de voeten van de Koning van het Koninkrijk. We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
2. Gods kinderen, de burgers van het Koninkrijk der hemelen, dat zijn: de barmhartigen. Barmhartigheid is een volmaaktheid in God. Denk maar aan Psalm 103: Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid (Ps, 103:8). God heeft een brandend hart, een hart dat brandt van liefde van medelijden met Zijn schepsel. En de Bijbel spoort de gelovigen keer op keer aan, om ook barmhartig te zijn, en barmhartigheid te bewijzen. Uit dankbaarheid voor de barmhartigheid waarmee de Heere ook hen behandelde.
Treffend voorbeeld van die aansporing is de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht in Mattheus 18. Zijn heer is innerlijk met barmhartigheid over hém bewogen en scheldt hem zijn schuld kwijt. Maar hijzelf stelt zich hard op tegen zijn mededienstknecht. En dan zegt uiteindelijk zijn heer: Behoorde gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb? (Matth. 18:33Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?). Met andere woorden: Zoals Ik u gedaan hebt, zo moet u ook doen… Zoals ook staat in Lukas 6:36Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.: Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. Zoals Paulus ook schrijft in Efeze 4:32Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.: Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.
Wat is die barmhartigheid? Dat is een gevoelige liefde in je hart (voortkomend uit leven van God gekregen), waardoor je je de ellende en het verdriet en de nood van anderen aantrekt. En klaarstaat om die ander te helpen. Wie het ook is, en waar hij of zij ook vandaan komt. Waardoor je niet met Kain denkt of zegt: Ben ik mijns broeders hoeder? (Gen. 4:9En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?)
Het is bewogenheid in je hart, waardoor je je vooral ontfermt over de ziel van de ander. Dan bid je voor de ander. Dan probeer je de ander met zachtmoedigheid te lokken tot de goede dienst van de Heere. Zoals Paulus zegt tegen Timotheüs in 2 Timotheüs 2:25Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid;: Met zachtmoedigheid
onderwijzende degenen die tegenstaan; of God hun te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid. Dan vergeef je de ander zijn of haar misdaden. Dan wil je niet slecht over een ander denken of praten. Denkend aan wat Jakobus zegt in Jakobus 4:11Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.: Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Dan probeer je in alles de ander niet te benadelen. Maar daarentegen goed te doen voor je naaste, en vooral voor je naaste in nood en verdriet.
Die barmhartigheid laat een kind van God een klein beetje lijken op zijn of haar hemelse Vader. Immers Zijn ingewanden rommelen van barmhartigheid, vol liefde en ontferming voor mensen die dat niet verdiend hebben.
Als u niets kent van deze barmhartigheid (voortkomend uit leven met God), dan bent u geen burger van het Koninkrijk der hemelen. Dan hoort u bij degenen die buiten het Koninkrijk staan. Zoals Paulus die mensen benoemd in Romeinen 1: de onverzoenlijken, onbarmhartigen (Rom. 1:31). Zonder hier iets van te kennen, is er ook geen plaats voor ons aan de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal.
Maar als we ervaren, kinderen van God, dat ons ‘iets hiervan’ zoveel en zo vaak te kort is, dan dringt dit ons (om juist in deze week van voorbereiding) te vluchten tot Christus. Biddend om meer bewogenheid, liefde en barmhartigheid. Als vrucht van Zijn werk in ons hart. En als dankbaarheid voor zoveel liefde en ontferming van Hem gekregen.
Zalig (zegt vers 7) zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden. Zij zullen genadeloon ontvangen, hier, en in dag oordeel. Als de Koning van het Koninkrijk tot ons zeggen zal: Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd, of dorstig en te drinken gegeven? En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd, of naakt en gekleed? En wanneer hebben wij U krank gezien of in de gevangenis en zijn tot U gekomen? En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan (Matt 25:35-40Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven? En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed? En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen? En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.). Ons derde aandachtspunt:
3. Gods kinderen, de burgers van het Koninkrijk der hemelen zijn: rein van hart. Vers 8 zegt: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. De kanttekening bij de Statenvertaling wijst in dit verband naar Psalm 15:2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;: Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt.
Wandel en hart dus! En ook naar Psalm 24:4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;: Die rein van handen en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedrieglijk zweert. Handen en hart dus! Dus dat Bijbelse begrip ‘rein van hart gaat’ over het innerlijk van het hart, en tegelijkertijd blijkt dat innerlijk ook aan buitenkant!
Zoals Paulus schrijft aan Timotheüs in 1 Timotheüs 1:5Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.: Maar het einde (het doel) des gebods is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof. En dat ongeveinsde geloof van Timotheüs houdt zich (zo zegt Paulus even verderop) aan de gezonde leer (1 Tim. 1:10). Zo heeft Asaf het in Psalm 73 ook over de reinen van hart (73:1), die zich laten leiden door Gods raad (73: 24), dat wil zeggen: door Zijn wil.
Dus het gaat om de bron (van het hart) en om wat daaruit komt (naar buiten toe). Het gaat, anders gezegd, om de eenheid van hart en leven, om vroomheid en oprechtheid, om aanbieding in geest en waarheid (Joh. 4:24God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.).
a. Laten we beginnen te kijken naar de bron van die reinheid. Die zit in het hart. Van nature hebben we geen rein hart. Niemand van ons is van zichzelf rein van hart. Dat worden we alleen door bespreking met rein water, door hartvernieuwende genade. Dat is onmisbaar nodig voor deze reinheid van hart. Anders zijn we net als de farizeeën: wit gepleisterde graven. De buitenkant lijkt mooi, we zeggen mooie dingen, we weten alles zo goed, maar van binnen heerst de dood. Deze reinheid van hart is vrucht van genade en woont in een geestelijk levend hart.
b. Maar die door God gegeven genade heeft ook een doel. Het doel van Gods genade is (zo schrijft Paulus in Efeze 1:4Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;): Opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem (voor God) in de liefde. Dus die twee moeten we nooit van elkaar losmaken. Bij een rein hart hoort een rein leven.
Als dat zo is, dan heeft God je hele hart. En niet je halve hart. Zoals staat in Psalm 119:10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.: Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. Als dat zo is, dan heb je (als het gaat om de zonde) een gevoelig geweten. Dan ben je ook bereid om je hart eerlijk te onderzoeken. Omdat je weet dat het niet gaat om een gedaante van godzaligheid, maar om een oprecht hart en om een heilig leven. Als dat zo is, dan heb je een afkeer van alle zonden. Niet voor het oog, niet uit goed fatsoen of om netjes te lijken, maar omdat je hart de zonde haat. Denk maar aan Psalm 119:163: Ik haat de valsheid en heb er een gruwel van, maar Uw wet heb ik lief.
Als dat zo is, dan zoek je ijverig naar meer heiligheid, naar meer inwendige vernieuwing van je hart. Niet hopend op de vruchten van je eigen inzet of prestatie, maar op het vernieuwende werk van de Heere in je hart.
Als dat zo is, dan ga je ook niet lopen onderhandelen of iets nu net wel of net niet zonde is. Dan wil je ver weg blijven van alles wat botst met Gods heiligheid. Omdat de zonde de band met de Heere verbreekt. En omdat het je verlangen is, om meer en meer te lijken op de Zaligmaker.
Kent u, ken jij een beginsel van die vernieuwing van hart? En blijkt het ook in ons leven? Nee, wij komen niet tot het Heilig Avondmaal om daarmee te zeggen wij zonder zonde zijn. Sterker nog: wij belijden met ons komen, dat we van onszelf midden in de dood liggen. Maar wij zoeken de zaligheid, de reinheid, de heiligheid buiten onszelf. Daar gaat het om. Zoek je dit, buiten jezelf, in Christus?
Biddend om een rein hart. Denkend aan de woorden van David uit Psalm 51: Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest (Ps. 51:12)? Biddend om de afwassing van al je zonden door het bloed van Christus? Denkend aan wat Paulus schrijft aan Titus: Die Zichzelf (namelijk Christus) voor ons gegeven heeft, opdat Hij(!) ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken (Tit. 2:14Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.)? Biddend om hartvernieuwende genade, om rein water op ons gesprengd. Denkend aan de belofte uit Ezechiël 36: Dan zal Ik (de Heere) rein water op u sprengen en u zult rein worden (Ez. 36:25)?
Dat betekent dan ook, dat je ver weg moet blijven van de zonden. Zoals de apostel Judas schrijft: En haat ook den rok die van het vlees bevlekt is (Judas: 23). Dan blijf je biddend ver weg van de zonde. Ook van het kijken naar de zonden van anderen. Ook virtueel of digitaal. Dan maak je je hart niet onrein door het kijken naar verkeerde films. Dan blijf je ook weg van het eindeloos zoeken naar meer bezit, meer geld en meer goed. Dan leef je met God. Gericht op de komende dag der eeuwigheid.
Want, zo zegt de tekst in vers 8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. Zij zullen God zien. In dit leven, door het geloof. Door te luisteren naar het Woord. En door te zien op de tekenen van de heilige sacramenten. Zonde en onreinheid vertroebelen ons zicht op het wonder van Gods genade, op het zicht van de Heere zelf. Maar de genade van een rein gemaakt hart, schept ruimte om ons te verwonderen over God, over Zijn grootheid, goedheid en genade. En om Hem te zien door het geloof. De reinen van hart zullen God zien.
Zij zullen God zien in dit leven. En ook: na dit leven. Dan is alles wat ons zicht vertroebelt voorbij. Dan zal er voor het eerst een echt helder zicht zijn op de Zaligmaker. Op het Lam staande als geslacht in de hemel. Zoals de apostel Johannes schrijft in 1 Johannes 3:2Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.
Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen (rein van hart!), want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.
Wat een heerlijk vooruitzicht: voor eeuwig de onreinheid voorbij. Daarom zegt Johannes vervolgens direct daarna ook, in 1 Johannes 3:3: En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. Want om straks God in Christus te kunnen zien, is het nodig om hier geheiligd te worden. Want de zonde maakt het onmogelijk om God te zien. En dus, geliefde broeders en zusters in de Heere: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem (1 Joh. 2:15Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.). Zoek de dingen die boven zijn (Kol. 3:1Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.).
Geliefde gemeente, kinderen van God, we zien uit naar de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmal aanstaande zondag. Biddend om een voorsmaak van het zalige zien van Christus straks. Nu nog door het geloof, waarmee we iets van Christus mogen zien in Zijn schoonheid. Van Hem, Die we met onze ogen nooit gezien hebben, maar toch liefhebben. Nu nog met een vertroebelde blik door tranen heen van verdriet en treuren. Omdat we zo zachtmoedig, barhartig en rein niet zijn als dat we moesten zijn. Nu nog met een vertroebelde blik door de blijvende onreinheid van ons hart en leven. We willen het niet. We strijden ertegen en zuchten eronder. Nu nog met een vertroebelde blik door blijvende twijfel en ongeloof.
Maar we mogen (ik citeer het avondmaalsformulier) gewis en zeker zijn dat geen zonde noch zwakheid, die nog (tegen onze wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen dat ons God niet in genade zou aannemen, en alzo dezer hemelse spijze en drank waardig en deelachtig maken.
Hoe vertroebelt onze blik ook is, als de Heere komt (en daar bidden we om), springende op de bergen en huppelend op de heuvelen, dan zien we Hem toch, met ogen van geloof. Dat zal ons hart vervullen met blijdschap en vrede. Dat zal ons hart meer dan ooit reinigen van de zonde. En dat zal ons hart meer dan ooit vervullen met verlangen, met honger en dorst naar God.
Daarom: En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:3). Hopend op Gods genade, in de kracht van Christus, door het werk van de Heilige Geest. Tot eer van God Drie-enig!
Amen.
Andere preken over Mattheüs
Andere preken voor Voorbereiding