Zondag 17 · 12 september 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 17 (serie 1)
INLEIDING
In deze preek over Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus staat de betekenis van de opstanding van Christus centraal. Door Zijn opstanding uit de doden heeft de Zaligmaker de dood definitief overwonnen en maakt Hij de verworven gerechtigheid persoonlijk deelachtig aan Zijn kinderen. Daarnaast worden gelovigen door Zijn opstandingskracht nu al opgewekt tot een nieuw, heilig leven waarin zij in dankbaarheid gaan in het spoor van Gods geboden. Ten slotte is Zijn opstanding voor hen het zekere pand dat ook hun lichamen straks heerlijk opgewekt zullen worden om eeuwig bij God te leven.
Het nut van de opstanding van Christus
ZONDAG 17
Vraag 45: Wat nut ons de opstanding van Christus?
Ten eerste, heeft Hij door zijn opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood ons verworpen had, kon deelachtig maken.
Ten andere, worden ook wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde, is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 17
THEMA
Het nut van de opstanding van Christus
Het gebeurt allemaal op die vrijdag, op die Goede Vrijdag. De Heere Jezus Christus is gekruisigd, en gestorven. Het is ondertussen al avond, als Nicodémus en Jozef van Arimathéa met heel veel liefde en zorg het lichaam van de Heere Jezus in grafdoeken wikkelen. Ze wikkelen het in en dragen het stilletjes naar het graf. Ze dragen Zijn lichaam het rotsgraf binnen en leggen het neer op de grond. En dan als laatste rollen ze de steen voor de opening van het graf.
De Heere Jezus is gekruisigd, gestorven en begraven. Ja, en dan lijkt alles voorbij.
Er is een strijd gevoerd, een gevecht op leven en dood in Gethsémané, daarna voor Kajafas en Pilatus, en nu op Golgotha aan het kruis. En nu klinkt Zijn laatste roep: Het is volbracht! Er komt nog een soldaat, die zijn speer in Zijn zijde steekt. En dan is het voor iedereen duidelijk: Hij is gestorven. Hij is gekruisigd, helse angsten heeft Hij geleden, Hij is gestorven en nu wordt Hij begraven.
‘En dan’, zeg je, ‘is alles voorbij. Dat is echt het allerlaatste van ons. Tenminste, zo ging het bij mijn oma en opa. Zo ging het bij mijn moeder en vader.’ Met liefde en met zorg je opa en oma, je vader en moeder begraven. Dat is het laatste wat je voor ze kunt doen.
De strijd is gestreden en lijkt verloren. Want de Heere Jezus is er niet meer! Hij is gestorven en begraven. En zo gaat die vrijdagavond voorbij, zo gaat die zaterdag (de sabbat) voorbij. Tot op die vroege zondagmorgen. Ineens is er vroeg in de morgen een geweldig sterke aardbeving. De aarde kreunt, en beeft, en scheurt. En de hemel gaat open. Een engel, een hemelbode, komt naar de aarde. De wachters, die op wacht staan voor het graf, worden (zo staat er) als doden. Ze vallen op de grond en daarna rennen ze voor hun leven. En die engel rolt rustig de steen voor het graf weg en gaat erop zitten.
Wat gebeurt er eigenlijk op die vroege zondagmorgen? De Heere Jezus staat op uit de dood! De strijd leek verloren, maar nu blijkt dat het niet zo is. De dood is niet het sterkste, de dood is niet in staat om de Heere Jezus vast te houden in het graf. Hij is sterker dan het graf en dan de dood. Hij staat op uit de doden.
De opstanding van de Heere Jezus Christus, waarover het gaat het in Zondag 17, is niet alleen een historisch, mooi, waargebeurd verhaal. Eigenlijk stelt de Catechismus over de echtheid daarvan helemaal geen vragen. Het is alsof de schrijvers willen zeggen: dit is zo helder, dit is zo duidelijk. Er is geen twijfel mogelijk: dit is echt gebeurd! Eigenlijk heeft de Catechismus nog maar één vraag: ‘Wat heb je daar als kind van God eigenlijk aan? Wat is het nut van de opstanding van de Zaligmaker?
Die vraag is vraag 45 van Zondag 17, letterlijk: Vraag 45: Wat nut ons de opstanding van Christus? Antwoord: Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood voor ons verworven had, kon deelachtig maken. (Je zou kunnen zeggen dat dit stukje van het antwoord gaat over: recht maken, over goed maken, over rechtvaardig maken.) Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. (Dit stukje gaat over: nieuw maken, over heilig maken, over heiligmaking.) Ten derde, is ons de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding. (Dat gaat over: zalig maken, beter gezegd: over heerlijk maken, over heerlijkmaking.)
Het gaat in deze zondag dus over: Het nut van de opstanding van Christus
Er zijn drie aandachtspunten: 1. Goed maken, recht maken 2. Nieuw maken, heilig maken 3. Zalig maken, heerlijk maken Als eerste dus:
Ik lees nog even het eerste stukje van het antwoord: Ten eerste heeft Hij (de Heere Jezus) door Zijn opstanding de dood overwonnen. Dat vertelde ik net al, maar als je daarover nadenkt, jongens en meisjes, dan is dat heel bijzonder. De dood, het is naar om daarover te praten. Want de dood is heel erg sterk. De dood raakt zieke mensen (vaak oude mensen, maar soms ook kleine kinderen). Maar de dood raakt ook mensen die gezond zijn en die heel sterk lijken. De dood
raakt arme mensen, maar ook rijke mensen. De dood raakt onaanzienlijke mensen, maar ook koningen en regeringsleiders. Niemand van ons is van zichzelf sterker dan de dood.
Als je daarover nadenkt, jongens en meisjes, maakt je dat (en dat begrijp ik) misschien wel een beetje bang voor de dood. Wij mensen leven graag, wij willen helemaal niet sterven en dat is logisch. En tegelijkertijd weten we, dat we niet zo sterk zijn, dat we de dood kunnen tegenhouden.
Dus, misschien voel je je wel een beetje blij, een beetje opgelucht als hier staat dat de dood is overwonnen. ‘Maar ja’, zeg je, ‘het is misschien wel een beetje te vroeg gejuicht, want de dood bestaat nog steeds. De dood is niet weg. Nog steeds moeten wij mensen sterven.’
Dat is waar. Maar toch is er, voor een kind van God, iets aan de dood echt heel anders geworden. En daarom ben je zo gelukkig, als je een kind van de Heere mag zijn. Dat hebben we de vorige keer gezien in Zondag 16: de dood is geen betaling meer voor de schuld van de zonde, maar een soort van deur, een doorgang naar het eeuwige leven. De dood is voor mensen met een nieuw hart een rustplaats, een slaapkamer, een kleedkamer, om het oude kleed van de zonde eindelijk, voor altijd af te leggen, wachtend op de dag van de opstanding.
De dood was de laatste vijand. Je hebt gelijk: die vijand is niet weg. Maar het is wel heel anders geworden. De dood is voor Gods kinderen eigenlijk maar een schaduw, vergeleken bij wat hij vroeger was. Want, zegt Paulus in 1 Korinthe 15, de prikkel (de prik, de angel) van de dood is de zonde. En dat is veranderd! Want de zonde is betaald. En dus is de angel, dus is de prikkel weg! De dood is als een wesp zonder prikkel, zonder angel. Hij kan niet meer prikken. Ja, je schrikt wel als hij op je afkomt, en je rent nog steeds hard weg omdat je bang bent, maar prikken, echt prikken, kan hij niet meer. Voor Gods kinderen geldt dat de dood hen geen kwaad meer kan doen.
Het was op Golgotha een strijd van leven op dood. En nu is het voorbij. En het leek, zo zei ik, verloren, maar het werd een overwinning. ‘Nou’, zeg je, ‘als je gewonnen hebt, dan hoort er iets bij. Dan krijg je een buit, dan krijg je een prijs.’ Wat heeft al die strijd, al dat lijden, dat dragen van die ondraaglijke toorn van God opgeleverd? Wat heeft de opstanding, wat heeft de overwinning op de dood opgeleverd? Wat is de prijs? Wat is de buit? Wat is het nut?
De Catechismus zegt dat de Heere Jezus de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood voor ons verdiend had, ons kon deelachtig maken.
Moeilijke zin, maar ik zal het uitleggen.
Die overwinning heeft twee grote dingen opgebracht. Dat is de buit. Het eerste is: Hij, de Heere Jezus, heeft voor Zijn kinderen iets verworven, iets verdiend. En dan komt dat moeilijke woord gerechtigheid. Even meedenken, jongens en meisjes. Gerechtigheid.
We zeggen (zo staat dat in de Bijbel): Adam had gerechtigheid in het paradijs. Gerechtigheid voor God. Hij kon recht tegenover de Heere staan. Hij kon Hem recht in de ogen kijken. Er zat helemaal niets tussen: geen zonde, geen schuld, geen slechtheid, niets! Het was helemaal goed. En als het helemaal goed is, als je vrede hebt met elkaar, dan kan je elkaar recht in de ogen kijken. Nou, dat kon Adam. Adam had gerechtigheid. Het was goed, het was recht. Er was vrede met God.
Maar hij, en wij(!), zijn die gerechtigheid door onze zonde kwijtgeraakt. Het is niet meer goed. Je kunt de Heere niet meer recht in de ogen kijken. Er zit zoveel tussen! En de vrede is weg. En nu weten we van de vorige Zondagen: er was maar één manier om dat weer terug te verdienen. En die manier was dat de Zoon van God naar de aarde zou komen, mens zou worden en de prijs, de rekening zou betalen die betaald moest worden. De rekening van de gehoorzaamheid aan de wet, van het betalen van de straf, en van het wegdragen van de vloek.
En dat heeft Hij gedaan! Hij heeft de prijs betaald. In Gethsémané kreeg de Heere Jezus als het ware de rekening. En Hij heeft betaald op Golgotha. En daarna, op die zondagmorgen, komt er als het ware een engel uit de hemel die zegt: ‘Het is goed. Alles is betaald. Hier hebt U het bewijs van betaling.’ Het openen van het graf, de opstanding uit de dood, het teruggeven van het leven, dat is het betalingsbewijs. De Vader in de hemel doet als het ware het graf open en zegt: ‘Kom maar, Mijn Zoon! Alles is betaald. De schuld van Uw kinderen is weg, hun zonden zijn betaald.’ De Heere Jezus heeft (en dan kom ik weer bij dat moeilijke woord), Hij heeft gerechtigheid verdiend. Nu is alles weer goed, nu is alles weer recht.
‘Dus’, zeg je, ‘nu is het echt klaar. Met Pasen is het werk van de Heere Jezus echt klaar.’ Wacht even, de Catechismus zegt nog één ding. Nu kan en nu gaat de Heere Jezus, de gerechtigheid die Hij verdiend heeft ook deelachtig maken. Want het is wel goed tussen God en de Heere Jezus als Middelaar, maar er moet natuurlijk nog wel wat gebeuren. Het moet ook met mijn hart goed gemaakt worden. De gerechtigheid die de Heere Jezus verdiend heeft, die is nog niet van mij. Maar die heb ik wel nodig, want het moet ook goedkomen tussen de Heere en mijn eigen hart.
Met andere woorden: het is wel goed, maar niet genoeg, dat je weet wat er allemaal gebeurd is en wat de Heere Jezus allemaal gedaan heeft. Je moet ook weten en geloven: het was en is ook voor mij.
‘Maar hoe kan dat?’, zeg je. ‘Hoe weet ik of de Heere Jezus dat ook voor mij gedaan heeft? Kan je daar gewoon iets van pakken ofzo? Kan je daar gewoon voor kiezen en zeggen: ‘Nou, dat vind ik wel mooi, daarom kies ik daar ook voor?’
Nee, de Catechismus zegt iets anders. Dat wordt je deel gemaakt. Dat wordt je deel, dat krijg je. Dat doe je niet zelf, dat pak je niet, je maakt het ook niet tot je deel, het wordt je deel gemaakt. Je krijgt het van de Heere. Dat is Zijn werk, dat doet de Heere. Hij geeft het.
Ik moet denken aan (ik las dit voorbeeld in een boek) een reiziger, die in de woestijn loopt. Het is heel warm en droog. Die reiziger heeft dorst. Maar gelukkig, ineens ziet hij een waterput. Hij kijkt over de rand: heerlijk, daar beneden, fris water! Daar, onder in de put. Ja, maar nu? Hoe krijg ik dat water? Er moet iemand zijn die het water uit de put haalt en aan mij geeft, want anders kan ik er nog steeds niet van drinken. Dat is wat de Catechismus bedoelt. We moeten het krijgen. We zeggen ook wel: het moet toegepast worden.
Er zijn dus twee dingen. Het eerste is: de Heere Jezus heeft het verdiend, verworven, Hij heeft alles betaald. We noemen dat de verwerving. Maar er is nog iets nodig (voor je eigen hart), dat is het tweede: we hebben nodig dat de Heilige Geest van God dat wat verdiend is, gaat toepassen. Dat Hij dat aan ons gaat geven. Dat Hij ons dat (zoals dat hier staat) deelachtig maakt. We noemen dat de toepassing.
Het eerste kon je niet zelf (betalen), maar dat tweede (het je deel maken) kan je ook niet zelf. Er zijn mensen die dat wel zeggen. Ze zeggen: ‘Je moet het zelf doen, je moet ervoor kiezen. Doe het gewoon! Kies voor Jezus en neem Hem aan.’ Maar de Heere Jezus dacht er toch echt anders over, toen Hij zei: Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft hem trekke (Joh.6:44)
Niemand kan dat water uit die put drinken, tenzij er iemand is die dat water omhooghaalt en geeft. Niemand kan het zelf, ja sterker nog, de Heere Jezus heeft tot de mensen gezegd: ‘U wilt helemaal niet tot Mij komen’ (Johannes 5:40En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.).
Van onszelf willen we niet en kunnen we niet. Maar gelukkig wil de Heere het geven.
Het is het werk van God de Heilige Geest, om de genade die de Heere Jezus verdiend heeft, letterlijk: uit te delen. Zoals we zongen uit Psalm 68: U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja ook –staat er– de wederhorigen (mensen die niet willen, geen meewerkende, maar tegenwerkende mensen). Ja, zelfs aan wederhorigen, om bij U te wonen, o HEERE God (Psalm 68:19).
Je ziet dat trouwens ook na de opstanding van de Heere Jezus Christus. Hij heeft het niet alleen verdiend, maar Hij komt op bezoek bij Zijn discipelen. De vrede is verdiend, maar nu gaat Hij die vrede aan hen uitdelen, want Hij zegt: ‘Vrede zij u, Ik geef het aan u, Mijn discipelen.’ (Johannes 20:19Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!) En dan nog steeds zie je, dat ze het niet kunnen en durven geloven. Pas als Hij hun ogen opent en hun verstand verlicht, ja, dan gaat uiteindelijk zelfs die twijfelende Thomas toch zeggen: ‘Mijn Heere en mijn God!’ (Johannes 20:28). Het is de Heilige Geest Die aan Gods kinderen geloof geeft, zodat ze het echt kunnen en durven geloven. Zodat ze kunnen en durven geloven: Zijn betaling was in plaats van mij, Zijn betaling is mijn betaling. En Zijn vrijspraak bij het openen van Zijn graf, dat is ook mijn vrijspraak.
Nu is er, zegt de Catechismus, omdat de Heere Jezus alles betaald heeft, gerechtigheid. Het is weer goed tussen God en de Heere Jezus als Middelaar, Die zo veel zonden droeg. Want nu zijn de zonde, de straf en de vloek weg. Maar ook dat andere dus. Omdat Hij alles betaald heeft voor Zijn Kerk (voor Zijn kinderen), daarom is het nu ook weer goed tussen God en Zijn kinderen. Dat is het nut van de opstanding. Nu is het weer goed, zo mogen Gods kinderen zeggen, nu is het weer goed met God, nu staan we weer recht voor God. Zijn gerechtigheid is ook aan ons gegeven. Dat betekent dat we door de genade van de Heere Jezus, de Heere weer recht in de ogen mogen kijken. Alles wat ertussen stond, is weg. De schuld is weg. De zonde is weg. De vloek is weg. Vrede met God. Recht gemaakt. Goed gemaakt. Met een woord, dat is het eerste nut: rechtvaardigmaking. Maar er is nog een nut, dat is ons tweede punt.
Want de Catechismus zegt: ten andere (ten tweede) worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. De Catechismus zegt: eigenlijk was niet alleen de Heere Jezus gestorven maar u, kinderen van God, was ook dood, geestelijk dood. Zoals voorgelezen is uit Efeze 2. U was, zegt Paulus, dood door de zonden en de misdaden. Ja, u leefde wel (u kon zien, horen, ruiken en ademen), maar als het ging om uw hart was u geestelijk dood. Dat wil zeggen: de levende verbinding met God in de hemel was er niet meer, sinds Adam van God in het paradijs was weggegaan. Maar toen, zegt Paulus, is er een wonder in uw leven gebeurd. En dat hebt u niet zelf gedaan, maar dat heeft God gedaan.
Want de Heere Jezus is wel door Zijn eigen kracht opgestaan uit de dood, maar dat geldt niet voor Zijn kinderen. Van hen zegt Paulus: God heeft u levend gemaakt, God heeft u opgewekt uit de dood. Wij zeggen (en je kan daar verschillende woorden voor gebruiken): ze hebben een nieuw hart gekregen, ze hebben een nieuw leven gekregen, ze zijn levend gemaakt, ze zijn opgewekt uit de dood, ze zijn nóg een keer geboren, wedergeboren, opnieuw geboren. Er is weer een levende verbinding gekomen met God in de hemel.
Ja, dat klopt. Maar, eigenlijk zegt de Catechismus toch iets anders. Want er staat niet: wij zijn vroeger (toen we bekeerd werden) door Zijn kracht levend gemaakt. Nee, er staat: wij worden (nu) door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Het is iets (tenminste, daar gaat het over in de Catechismus) dat nu gebeurt, dat nu plaatsvindt en dus ook nog niet klaar is.
Je moet, jongens en meisjes, terugdenken aan de vorige zondag, aan Zondag 16. Toen ging het over het sterven van de oude mens. Het oude deel van Gods kind dat de zonde wil doen, is gekruisigd en sterft een langzame dood. En nu zegt Zondag 17 (en dat is de keerzijde van de medaille): Gods kinderen worden opgewekt uit de dood tot nieuw leven. Het doet denken, gemeente, aan Romeinen 6:4Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.. Een moeilijke tekst, maar als je goed luistert hoor je daar hetzelfde in terug. Wij (levend gemaakte kinderen van God) zijn met Hem (de Heere Jezus) begraven door de doop in de dood (onze oude mens moest ook sterven aan het kruis) opdat wij (dat is het doel) zoals Christus uit de doden opgewekt is tot heerlijkheid van God de Vader, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden (Romeinen 6:4). Kortom: bij het afsterven van de oude mens, hoort een nieuw leven.
Dat zegt Paulus bijvoorbeeld ook in Galaten 2:20Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.. Hij zegt: ik ben met Christus gekruisigd (die oude mens van mij is aan het kruis gehangen) en tegelijkertijd (de andere kant van de medaille): ik leef. Maar hoe? Niet ik, maar Christus leeft in mij. Dat wil zeggen: ik doe het niet zelf, maar Hij maakt mijn leven nieuw. Dus, het is geen actie, geen prestatie van jezelf. Het is niet zo dat je, vanaf het moment dat je een nieuw hart hebt, kunt denken: ik doe zo goed m’n best, en daarom word ik steeds heiliger en steeds beter. Nee, zo niet.
Vanaf het moment (en dat geldt ieder kind van God) dat mijn hart levend gemaakt is, wordt ook alles langzaam en steeds meer door de kracht van God nieuw gemaakt. Want dat nieuwe hart, dat kan en wil niet anders dan God dienen. Want het is een hart dat op God gericht is.
Maar wie doet dat? Wie zorgt daarvoor? Niet ik zelf, maar God. Hij wekt nieuw leven in het hart van Zijn kinderen. Door de opstandingskracht van de
Heere Jezus Christus krijgen ze nieuwe krachten en een nieuwe wil om voor God te leven. Dat bedoelt de Heere, als Hij zegt: uw vrucht (de vrucht van uw nieuwe leven) is uit Mij gevonden, die komt door Mijn opstandingskracht (Hosea 14:9Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden.).
We gaan, voordat we verder gaan, eerst samen zingen uit Psalm 119:24: 'k Zal Uw geboden, die ik oprecht bemin, Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten; Ik reken die mijn allergrootst gewin; Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten; Ik heb ze lief en zal met hart en zin, Al 't geen U ooit hebt ingezet, betrachten.
Bij een nieuw hart, hoort een nieuw leven. Dat zie je overal terug in de Bijbel. Zachéüs is boven in de boom geklommen. Een tollenaar is het, die heel veel mensen benadeeld en bestolen heeft. Maar de Heere roept hem naar beneden. En wat zie je, direct daarna in zijn leven? Zijn liefde tot geld gaat sterven en zijn liefde tot God en zijn naaste wordt levend gemaakt. En dus, geeft hij terug wat hij gestolen heeft.
Bij een nieuw hart (en dat is nog steeds zo), hoort een nieuw leven. ‘Een ander leven’, zegt u, ‘ja, dat klopt, want tegenwoordig ben ik anders dan vroeger. Ik lees graag preken, en als ik in de auto zit luister ik ook graag naar een preek. Mijn levensstijl is netter geworden, ik doe dit niet meer en ik doe dat niet meer, en dat doe ik tegenwoordig juist wel. Ik ken een ander leven.’ Nee, dat is wat anders. Het gaat om een nieuw, om een totaal nieuw leven. Het verschil tussen oud en nieuw is het verschil tussen dood en leven.
Alles wordt nieuw. Er komt een nieuwe liefde tot het Woord. Kijk maar in uw eigen leven. Uw Woord, zingt de dichter, kan mij ofschoon ik alles mis, door Zijn smaak mijn hart en zinnen strelen.
Alles wordt nieuw. Er komt een nieuwe liefde tot God. Kijk maar in uw eigen leven. Ik kan zonder God niet meer leven. Er komt een nieuwe droefheid naar God over de zonden. Kijk maar in uw eigen leven, dan weet u of het nieuw, of alleen maar anders geworden is. Droefheid, verdriet, hartelijk verdriet over mijn zonden tegen God. Er komt een nieuwe, hartelijke liefde tot al de geboden van God. Hoe lief heb ik Uw wet!
Alles is totaal anders dan vroeger. Het is nieuw geworden. Wat is vooral nieuw geworden?
De drijfveer, de motivatie is anders. Vroeger probeerde ik me te houden aan de geboden, zo van: het moet nu eenmaal, jammer, eigenlijk zou ik liever willen zondigen. Toen was het een slavendienst. Maar nu is het een dienst van vrijheid, het is een liefdedienst. De liefde die God in mijn hart gelegd heeft, zorgt ervoor dat ik niet anders wil, dan in dankbaarheid te gaan in het spoor van Zijn geboden.
Alles wordt nieuw. Zonden doen me (ook de zonden die de mensen niet zien) hartelijk verdriet. De richting van mijn oog is veranderd. Niet meer in de eerste plaats gericht op de dingen van deze tijd, maar gericht op God. Omdat er een levende band gekomen is met God in de hemel. Nieuwe voorliefdes, nieuwe verlangens, nieuwe voorkeuren. Ja, en tegelijkertijd de zucht in mijn hart: ‘Was dat nu altijd maar zo, was dat nu altijd maar echt zo.’
Want het levend gemaakte hart zucht het meest onder eigen dodigheid. En het nieuw gemaakte hart zucht het meest onder die oude mens. Want die is wel gekruisigd, maar die leeft nog. En als ik de ene kant op wil, dan wil de oude mens precies de andere kant op. En dus doe ik, wat ik niet wil.
Wanneer alleen gaat het goed in mijn leven? Als Christus Zijn werk doet in mijn hart. Als Hij niet alleen Zijn dood (Zijn betaling voor mijn zonden) toepast in mijn leven, maar ook Zijn leven en Zijn opstandingskracht. En als Hij door Zijn kracht mijn leven opwekt tot een nieuw leven. Door de vereniging met Christus, door het levende geloof in Hem, sterft de oude mens. Paulus zegt in 2 Korinthe 4 dat de oude mens verdorven wordt, maar de inwendige wordt (door God) vernieuwd van dag tot dag (2 Korinthe 4:16).
Is dat een kwestie van gewoon afwachten? Nee. Is dat een kwestie van presteren, van zelf doen? Nee, ook niet. Wat dan? Dit vraagt om een teer en afhankelijk leven met God. Om een leven bij het Woord, met het gebed in het hart: ‘Maak in Uw Woord, Heere, mijn gang en treden vast! Want als het aan mij ligt, komt er helemaal niets van terecht. Maar wilt U het alstublieft doen?’ Een leven dicht bij het Woord en een leven van verborgen gebed: ‘O, Zoon, (doet U het alstublieft) maak me Uw Beeld gelijk!’ Het vraagt erom dat God de levende band met Christus in stand houdt en onderhoudt.
Een band die verslapt, ziek, ja, doodziek wordt, als je als kind van God toch leeft in de zonde. En daarom is er de dringende oproep van de apostel Petrus in 1 Petrus 2, gericht aan al Gods kinderen, als hij schrijft: Want hiertoe bent u geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen; Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij
(dat is Zijn doel!), der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent (1 Petrus 2:21,24). Met andere woorden: als je nu als kind van God bekeerd bent, genezen bent door de striemen op de rug van de Zaligmaker, Die leed en stierf in uw plaats, dan bent u geroepen om Zijn voetstappen na te volgen. In? In breken met de zonde. In ootmoed, zelfverloochening, vergevingsgezindheid, in vriendelijkheid, gastvrijheid, barmhartigheid, geduld, eerlijkheid, oprechtheid, zuiverheid, goede zorg voor uw lichaam, in reinheid. Dan bent u geroepen tot een nieuwe levenswandel om zichtbaar volgeling, discipel, van Hem te zijn.
En dus worden wij, kinderen van God, en wij allemaal, opgeroepen om te breken met de zonden van deze tijd. Zonden waarvan je diep in je hart best wel weet, dat ze botsen met Gods gebod, maar je hebt er altijd wel een of ander excuus voor. Breken met de gerichtheid op dit leven. Alsof je hier altijd zult blijven. Het is toch zo, dat de opstanding uitziet naar de hemelvaart? Wij zijn, zegt Paulus (het is ons voorgelezen) Zijn maaksel geschapen in Christus Jezus tot goede werken (dat is het doel), welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen (Efeze 2:10).
Ons leven nieuw en heilig gemaakt. Niet door eigen kracht, maar door de kracht van de Heere Jezus Christus, door Zijn opstandingskracht. Maar de Catechismus noemt ook nog een derde, een laatste nut. We gaan het zien in ons derde aandachtspunt:
De Catechismus zegt: Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand tot onze zalige opstanding. Dat de Heere Jezus destijds uit de dood is opgestaan, is voor Gods kinderen een garantie, een zekere garantie. Het zal echt zo zijn, het zal echt zo gebeuren. Het lijkt zo moeilijk te geloven. Als je sterft, dan lijkt alles voorbij. Als het lichaam van een kind van God in het graf wordt gelegd, dan lijkt alles voorbij. Het leven gaat weer verder. Maar nee, zegt de Catechismus, dat is niet zo. Er is een garantie! Het feit dat de Heere Jezus Zelf uit het graf is opgestaan, is de garantie, niet voor een gewone opstanding (daar gaat het later over in de Catechismus), maar het is voor ons de garantie van een zalige opstanding.
Als we sterven wordt ons lichaam begraven. Dat is tot oneer van ons. Daar moeten we ons heel diep voor schamen. Dat we begraven zullen worden en ons lichaam zal verteren en ontbinden, dat komt door onze schuld. Het is een laatste herinnering aan onze zonde. Maar die dood, zegt de Catechismus, is door Christus Jezus overwonnen. Daarom is de prikkel, daarom is de angel van de dood eruit. Het graf waar een kind van God begraven wordt (je vader, je moeder, je man, je vrouw, je kind), dat graf is een geheiligd graf, waar dat ontzielde lichaam stilletjes rust en wacht
(misschien wel honderden jaren lang) tot dat ene moment, waarop de bazuin klinken zal. Dan zal dat graf openbreken en zal, zegt Paulus, ons lichaam worden opgewekt in onverderfelijkheid en heerlijkheid. Dan wordt het lichaam van Gods kind verlost van alle gebrek. Niet alleen alle zonden, maar ook alle gevolgen van de zonden zijn dan weg. En dan zal ons lichaam, weer een gemaakt met onze ziel, gelijk zijn aan het verheerlijkte lichaam van de opgestane Heere Jezus Christus. En dan zullen we ons voor altijd, in de hemel en op de nieuwe aarde, in God verblijden. Johannes schrijft daarvan in Openbaring 14: Schrijf, zalig zijn de doden die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen met hen (14:3).
En zingt Psalm 16 niet: Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk (16:11). Zalig vooruitzicht voor het lichaam en de ziel van al Gods kinderen.
Maar dat vooruitzicht is niet alleen voor straks, niet alleen voor de toekomst, terwijl je ondertussen maar gewoon je eigen weg kan gaan en je eigen leven kan leiden. Nee, het roept ons als kinderen van God op, om (terwijl we hier nog maar een klein poosje te leven hebben), om niet zo gehecht te zijn aan de dingen van deze aarde.
Paulus zegt in Kolossenzen 3, denkend aan die geweldige toekomst: dood dan (nu, aan het kruis die oude mens!), dood dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk (en dan hoor je al Gods geboden terug): hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid en de gierigheid die afgodendienst is. Leg dit alles af. Namelijk gramschap, toorn, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond, lieg niet tegen elkaar, dewijl u uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken (die is toch gekruisigd?) en aangedaan hebt de nieuwe mens die vernieuwd (opgewekt) wordt tot kennis –en dan komt het– naar het evenbeeld van (lijkend op) Degene Die hem geschapen heeft (Kolossenzen 3:5, 8-10).
En dus bidden wij, vanaf nu en voortaan: ‘O, Zoon (U, Die de wet volkomen gehouden hebt), maak ons Uw beeld gelijk. Maak ons goed. Maak ons recht. Maak ons niet anders, maar nieuw. Maak ons heilig. En maak ons straks, in de dag van de opstanding, zalig, ja heerlijk, om altijd met U te leven.’
Amen.
Slotzang: Psalm 16:4,6 Ik zal de HEERE, Die mij getrouwen raad Gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen, Daar 't Godd'lijk licht mij toe straalt vroeg en laat, Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen. Ik stel die HEERE gedurig mij voor ogen; Zijn rechterhand zal nooit mijn val gedogen.
Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend, Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde; De lieflijkheden van 't zalig hemelleven Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.
Andere preken over Zondag