PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 18: De hemelvaart (serie 1)

Zondag 18 · 10 oktober 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 18 (serie 1)

INLEIDING

In deze preek over Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus staat de betekenis van de hemelvaart van Christus centraal. Hoewel Hij naar Zijn menselijke natuur niet meer op aarde is, blijft Hij naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest altijd bij Zijn Kerk. Voor gelovigen biedt Zijn hemelvaart drievoudige troost: Hij is hun Voorspreker bij de Vader Die voor hen pleit, Hij is als Hoofd in de hemel een zekere garantie dat Hij Zijn leden tot Zich zal nemen, en Hij zendt Zijn Geest als tegenpand waardoor zij zoeken wat boven is.

THEMA

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

KERNPUNTEN

  1. Het feit van de hemelvaart
  2. Het nut en de troost van de hemelvaart

ZONDAG 18

Vraag 46: Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?
Dat Christus voor de ogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij beloofd heeft?
Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Vraag 48: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mens is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, zijn lidmaten, ook tot zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons zijn Geest tot een tegenpand zendt, door wiens kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 18: De hemelvaart (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 18

THEMA

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus

Gemeente, in een boek kan je niet alleen lezen, maar soms (en dat doen we allemaal weleens), is het ook goed om eens terug te bladeren. Al lezend bladeren we soms een beetje vooruit en soms kijken we ook een beetje terug. En als je dat, jongens en meisjes, doet met de Catechismus, je kijkt terug naar Zondag 14, 15, 16, 17 en vandaag naar Zondag 18 en je kijkt ook vooruit naar Zondag 19, dan valt er iets op. Het valt op dat het steeds draait om twee woordjes: om het woordje troost (daarom heet de Catechismus ook een troostboek) en om het woordje nut. Het gaat in dit hoofdstuk van het troostboek om alles wat de Heere Jezus gedaan en verdiend heeft. Maar, jongens en meisjes, dat je dat weet met je hoofd en dat goed onthoudt, dat is zeker belangrijk, maar het is niet genoeg. Het is nodig dat je als kind van God (door God tot Zijn kind gemaakt) het nut en de troost van al die dingen krijgt.

Nut. Wat heb je eraan? Wat kan het voor je doen? Wat kan het voor je betekenen? Hoe kan het je helpen? Want blijkbaar zijn kinderen van God (en zo zegt de Bijbel dat ook) mensen die dat nodig hebben. De Bijbel noemt ze nooddruftigen.

Nut en troost. Hoe kan het je troosten? Hoe kan het je tranen drogen? Blijkbaar zijn Gods kinderen mensen die verdriet, die tranen hebben. Dat klopt ook, want de Bijbel noemt ze treurenden, ongetroosten.

Twee woordjes: nut en troost. Twee woordjes die hoofdstuk 2, dat gaat over de verlossing, verbinden met hoofdstuk 1, het hoofdstuk dat ging over onze ellende. Je weet nog, jongens en meisjes, er zijn drie hoofdstukken in de Catechismus: Hoofdstuk 1, over onze ellende, hoofdstuk 2 (en daar zijn we nu mee bezig) over de verlossing, en hoofdstuk 3, over de dankbaarheid.

Die twee woordjes nut en troost zijn eigenlijk de verbinding, de schakel tussen hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2.

Die woordjes nut en troost, die zeggen eigenlijk tegen ons: ‘Zeg, blader nog eens even terug. Niet vergeten, wat je geleerd hebt van hoofdstuk 1, dat een kind van God steeds weer moet zeggen: ‘Heere, help me toch! Heere, leer me toch! Droog toch mijn tranen, want ik ben ellendig, nooddruftig en hulpbehoevend. Ik ben ten diepste (je ziet dat niet altijd aan de buitenkant), ik ben en blijf ten diepste in mijn hart een mens met tranen.’

Waarom is dat zo? Hoe komt dat? Nou, dat heeft er alles mee te maken, dat het werk van de verlossing (waar het over gaat in hoofdstuk 2) toegepast wordt (je zou ook kunnen zeggen: gegeven wordt) aan mensen die ook met hun hart gelezen hebben in hoofdstuk 1. Aan mensen, die persoonlijk, bij ondervinding, ook iets kennen van hun eigen ellende voor God. Want als God werkt in je hart dan ga je daar iets van zien, van wie je bent: een verloren mens.

Dan gaan je zien en ook ervaren in je hart: Ik heb met God gebroken, ik heb God zo boos gemaakt, zo vertoornd. Ik heb God zo op Zijn hart getrapt met alles wat ik gedaan heb. Dan komt er verdriet. De Bijbel noemt dat droefheid in je hart, tranen in je hart, gericht naar God, heimwee naar God. Dan zeg je: ‘Hoe komt het toch ooit weer goed? Hoe wordt het (en daar ging het de vorige keer over) weer recht, weer goed tussen God en mijn hart? Hoe komt het toch ooit zo ver, dat ik de zonde niet meer zal doen? Want… (en dan hoor je een zucht in het hart van Gods kinderen) het wordt maar niet beter in mijn hart.’ Ja, zo gaat het in het leven van een kind van God. Je zucht en zegt: ‘Heere, het wordt maar niet beter met mezelf.’ Ja, zo leert de Heere ons, dat we het niet meer zoeken bij onszelf, maar dat we het buiten onszelf bij de Heere Jezus gaan zoeken.

En de Catechismus neemt ons in de Zondagen die ik noemde als het ware bij de hand mee, langs alles wat de Heere Jezus heeft gedaan, langs alles wat Hij heeft verdiend, maar ook langs alles wat Hij wil (en dan komt er een woord uit de preek van de vorige keer), langs alles wat Hij door de Heilige Geest wil toepassen, alles wat Hij wil geven in het hart van Zijn kinderen.

Je zegt: ‘Kan je dat dan niet zelf pakken, kan je daar zelf niet iets aan doen?’ Nee, want je hoort ook een andere echo in deze Zondagen. Je hoort ook steeds deze twee woordjes: door Hem, door Zijn kracht en door de kracht van de Heilige Geest. Hij is het, God de Heilige Geest, Die Gods kinderen stapsgewijs (stapje voor stapje) leert over het werk wat de Heere Jezus gedaan heeft en over alles wat Hij voor Zijn kinderen verdiend heeft. De Heilige Geest leert het hen niet alleen zien (met hun ogen en in hun gedachten), maar Hij leert het hen ook geloven (verder weg of dichterbij) en te omhelzen.

Eerst misschien nog in de verte, maar dan brengt de Heilige Geest het al lerend steeds dichterbij.

Ik had de eeuwige straf verdiend (hoofdstuk 1 van de Catechismus), maar Hij heeft die ondraaglijke last gedragen (hoofdstuk 2). Ik kon aan de eisen van Gods recht niet voldoen (hoofdstuk 1), maar nu heeft de Heere Jezus Christus gerechtigheid verdiend (hoofdstuk 2). Mijn leven is zo zondig en zo onheilig (hoofdstuk 1), maar nu is Hij gekomen: gehoorzaam, zonder enige zonde, volkomen heilig (hoofdstuk 2). In mij is de dood (hoofdstuk 1), maar in Hem is het leven (hoofdstuk 2).

Maar dan komt de vraag: ‘Zou dat nu ook voor mij persoonlijk zijn? Kun je daar niet zelf over beslissen? Kan je daar niet zelf voor kiezen? Niet als je weet wie je bent voor God. Niet als je je eigen hart kent. Je kunt dat alleen denken, als je in je hart hoofdstuk 1 hebt overgeslagen.

Hoe dan wel? Als de Heilige Geest mijn bedroefde en schuldverslagen hart opbeurt en het tegen me zegt (door het Woord van God): ‘Dat wat de Heere Jezus verdiend heeft is ook voor u, voor jou. Dat lijden, sterven, begraven worden, die opstanding en hemelvaart is ook voor u, voor jou.’ Dan pas zie je, geloof je en ervaar je in je hart… ja, die twee woorden: nut en troost.

Word je dan een beter mens? In ieder geval niet in eigen oog. In mijn eigen oog zie ik steeds meer zonde, want de kennis van hoofdstuk 1 verdiept zich. Ik zie steeds meer van mijn slechtheid voor God. En dus heb ik steeds meer troost nodig, en dus heb ik steeds meer zicht nodig op het nut van het werk van de Heere Jezus Christus.

Als je, jongens en meisjes, terugbladert in de Catechismus: de kennis van de ellende uit hoofdstuk 1 roept om de toepassing door het werk van de Heilige Geest, om het krijgen van wat staat in hoofdstuk 2, van de verlossing. En de kennis van hoofdstuk 2 over de verlossing verdiept ook weer de kennis van hoofdstuk 1, de kennis van mijn ellende voor God.

Troost is er, ook in deze dienst. Troost om, zoals het avondmaalsformulier zegt, de verslagen harten van de kleingelovigen op te beuren. Troost is er in Zondag 18, in de Zondag die gaat over de hemelvaart.

Je zegt: ‘Troost? Uit de hemelvaart? Maar hemelvaart, dat wil zeggen: De Heere Jezus gaat weg, Hij neemt afscheid en nu is Hij er niet meer.’ Je zegt: ‘Dat is om te huilen! En nu zegt u troost?’ Ja, maar het zit toch anders. Ik zal een paar verzen voorlezen uit Lukas 24, waar het gaat over de hemelvaart. Ik lees in Lukas 24: En het geschiedde, als Hij (de Heere Jezus) hen zegende, dat Hij van hen scheidde (van hen wegging), en werd opgenomen in de hemel. En zij aanbaden Hem (ze vallen biddend op de grond), en keerden weer naar Jeruzalem met grote blijdschap(!)

En zij waren allen tijd (steeds) in de tempel, lovende en dankende God (Luk. 24:51-53). Dus toch! Hoewel afscheid, hoewel de Heere Jezus weg is gegaan naar de hemel, toch is er troost, want ze gaan terug naar Jeruzalem met grote blijdschap!

We gaan samen Zondag 18 lezen: Vraag 46: Wat verstaat (wat bedoelt) u daarmee: Opgevaren ten hemel? Antwoord: Dat Christus voor de ogen van Zijn jongeren (van Zijn discipelen) van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt (terugkomt) om te oordelen de levenden en de doden.

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Antwoord: Christus is waarachtig (echt) mens en waarachtig (echt) God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer (nooit meer) van ons.

Vraag 48: Maar zo (als) de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden (van elkaar losgemaakt)? Antwoord: Ganselijk niet (helemaal niet); want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Antwoord: Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.

Tot zover de vier vragen en vier antwoorden van de Catechismus.

Het thema voor de preek van vanmiddag is: De hemelvaart van de Heere Jezus Christus We letten op twee dingen, op 1. Het feit van de hemelvaart (dat zien we in vraag en antwoord 46, 47 en 48) 2. Het nut en de troost van de hemelvaart (dat zien we in vraag en antwoord 49) Als eerste dus:

1. Het feit van de hemelvaart

Lees maar mee, jongens en meisjes, in antwoord 46: Christus is voor de ogen (ze zien het met hun ogen) van Zijn jongeren (van Zijn discipelen) van de aarde naar de hemel opgeheven.

Dat wil zeggen: de discipelen hebben het met hun eigen ogen gezien. Het is echt gebeurd. En dus weten zij en wij het ook zeker: de Heere Jezus is nu met Zijn menselijke natuur, met Zijn lichaam in de hemel.

Trouwens, de Heere Jezus had van tevoren ook al gezegd, dat Hij naar de hemel zou gaan. Bijvoorbeeld tegen Maria, na Zijn opstanding, toen Hij zei: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader (Johannes 20:17). En bij de hemelvaart zelf zien de discipelen het met hun eigen ogen. En later lezen we in het Handelingenboek van Stefanus. Als hij bijna gestenigd wordt (je ziet hem in gedachten blij en vol verwachting omhoogkijken), dan zegt hij: Ik zie(!) de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand Gods (Hand 7:56). En nog later zegt Johannes in de Openbaring: En ik zag en zie, in het midden van de troon (…) een Lam, staande als geslacht (Openbaring 5:6). Met andere woorden, er is geen twijfel mogelijk! De Vader heeft de Heere Jezus thuisgehaald in de hemel.

En Hij is ons, zegt antwoord 46, daar, in de hemel, ten goede totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden. Nut en troost. Dit is troost voor Gods kinderen. Hij is ons in de hemel ten goede. Dat hebben de discipelen al gezien toen Hij hen zegende. Hij strekte Zijn doorboorde handen met de littekens van het kruis, zegenend over hen uit. Ze hebben die handen, tot hun troost, gezien totdat die wolk ertussen kwam en ze Hem niet meer zagen.

Maar dat wil niet zeggen, dat Hij weg is! Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid (Hebreeën 13:8). Hij is niet veranderd. Dus Hij is nog steeds Dezelfde, Die in de hemel Zijn doorboorde handen zegenend uitbreidt over Zijn Kerk. Milde handen (ook al zie je ze niet, maar ze zijn er wel) en vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid. En onder die zegenende en doorboorde handen zijn Gods kinderen, is Gods Kerk altijd veilig. Hoe het ook loopt, hoe de weg ook gaat. Hoe donker ooit Gods weg moog´ wezen, we hebben een Heere in de hemel Die in gunst en liefde, met zegenende handen uit de hemel neerziet op hen die Hem vrezen.

En Hij is daar, zegt de Catechismus, totdat Hij terugkomt. Zoals Hij ging, zo zal Hij terugkomen. Zoals staat in Mattheüs 24: En alsdan (op die dag, op de dag van Zijn terugkomst) zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid (Mattheüs 24:30).

En de vraag, gemeente, is: als dat vandaag zal zijn, kunt u Hem dan ontmoeten? Als de hemel opeens wordt opengerold, en de wolken als een dunne doek worden weggerold, en het teken van de Zoon des mensen zal gezien worden, wat doet u dan?

Zult u dan, net als de discipelen bij de hemelvaart, aanbiddend op de grond vallen en blij uitroepen: ‘Dat is mijn Liefste, zie Hem, Hij komt springende op de bergen en huppelende op de heuvelen (Hooglied 2:8)?’ Of zult u vluchten, terwijl u roept: ‘Bergen en steenrotsen, val op me en verberg me van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit en van de toorn van het Lam (Opb. 6:16)? Hoe leeft u die dag tegemoet, gemeente? Kunt u Hem, kunnen jullie Hem, de Heere Jezus, ontmoeten als Hij vanavond terugkomt?

Maar, zegt vraagt 47 (en je hoort de vragensteller denken: ik begrijp het eigenlijk niet zo goed) is dan Christus niet bij ons tot aan het eind van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft? Dat heeft Hij toch gezegd? Ik ben met ulieden al de dagen (Mattheüs 28:20)? Is dat dan niet waar? Ja, zegt de Catechismus, dat is wel waar. Maar, je moet niet vergeten: de Heere Jezus was en is niet alleen echt mens, maar Hij was en is ook echt God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij in de hemel en niet meer op de aarde. Hij is echt in de hemel. Maar naar Zijn Godheid (en dat kan je begrijpen, hoewel we het natuurlijk niet echt begrijpen), als God is Hij overal. Dus het is wel waar wat Hij gezegd heeft, tot troost: ‘Ik, Mijn discipelen, Mijn kinderen, ben met ulieden al de dagen.’ Ook in dagen van ziekte, van verdriet, van eenzaamheid, van tranen, van rouw en van moeite. Ook in dagen van geestelijke donkerheid, van geestelijke verlating en geestelijke aanvechtingen. Hoe donker ooit Gods weg moog´ wezen, Ik ben met u. Ook al ziet u Mij niet, het is wel waar: Ik ben met ulieden al de dagen. Altijd weet Ik van u af, altijd ben Ik bij u.

Ik ben met u, staat er in de Catechismus, met Mijn Godheid. Dat wil zeggen: met Mijn Goddelijke tegenwoordigheid, met Mijn Goddelijke aanwezigheid. Geen seconde laat Ik u alleen.

Ik ben met u met Mijn majesteit. Niet meer als een kwetsbaar, broos en vergankelijk mens op de aarde, maar als de opperste Koning in de hemel, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde.

Ik ben met u, Mijn kinderen, met Mijn Godheid en majesteit en met Mijn genade wijk Ik nooit van u. Genade, dat is het leven van een kind van God. Zonder Gods genade kan ik voor Hem niet bestaan. En zonder Zijn genade val ik direct in de zonde en loop ik weg van God. En dus bidden we (zoals we dat weleens zingen): ‘Ach blijf met Uw genade, Heere Jezus, ons nabij.’ Hier staat als het ware het antwoord: met Mijn genade (vrees maar niet Mijn kind!), wijk Ik nooit van u.

Ik blijf en ben met u met Mijn Godheid, majesteit, genade en met Mijn Geest. Met de Heilige Geest. Wat doet de Heilige Geest in het leven van een kind van God? Dat heeft de Heere Jezus gezegd in Johannes 16. De Heilige Geest doet drie dingen.

De Heilige Geest overtuigt van zonde. En dat hebben we steeds weer nodig, om geen trotse en hoogmoedige mensen te worden, zo zelfverzekerd in onszelf. De Heilige Geest overtuigt van gerechtigheid. Van het werk van de Heere Jezus Christus. En dat is nodig, anders denken we altijd maar weer, dat we het zelf wel goed kunnen maken met God. En de Heilige Geest overtuigt van oordeel. Dat wil zeggen dat de duivel geoordeeld is, dat de duivel overwonnen is. En dat hebben we nodig, want anders zinkt ons in de strijd tegen de duivel de moed in de schoenen.

De Heilige Geest, Die overtuigt, blijft met u. En dat is (en daar komt dat woordje weer) troost, dat is een grote troost voor Gods kinderen. Dat heeft de Heere Jezus ook gezegd toen Hij naar de hemel ging: Als Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen (Johannes 16:7). En die Trooster is van Christus. Die heeft Hij gegeven. Het is Zijn Heilige Geest. De Heilige Geest, Die ons leert bidden. De Heilige Geest, Die ons leert zuchten, als wij geen woorden hebben om te bidden en niet weten wat we moeten bidden. De Heilige Geest, Die het uit Christus neemt en het aan ons geeft, Die het toepast in ons hart, en Die het uiteindelijk (en dat is het werk van de Geest van Christus, tot ons nut en tot onze troost), Die het uiteindelijk laat geloven: het is ook voor mij.

Naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nooit van Zijn Kerk. En als je dat hoort en daaraan denkt, jongens en meisjes, dan kun je je wel voorstellen, dat de discipelen toch zingend naar huis zijn gegaan. ‘Onze Heere is in de hemel, maar Hij is niet weg! Het is geen verlies, het is geen definitief afscheid geworden. Want Hij heeft beloofd: Ik zal u, vanuit de hemel, nooit begeven, nooit verlaten. Ik zal u niet loslaten, Ik zal u nooit in de steek laten. Ik heb u in beide Mijn handpalmen gegraveerd, met de tekenen van Mijn kruis, voor u.’

En Hij is daar ten goede, zegt de Catechismus. Dat wil zeggen: Hij zal altijd voor Zijn kinderen zorgen. Nee, Hij doet niet altijd wat wij van Hem vragen, want Hij alleen weet wat goed voor ons is, veel beter dan dat wij dat weten.

Maar, zegt vraag 48, hoe zit het nu: als de mensheid niet overal is waar de Godheid is (als mens is Hij in de hemel en God is overal), worden dan de twee naturen van de Heere Jezus (God en mens) niet van elkaar gescheiden, niet van elkaar losgemaakt? Het antwoord zegt: Nee, helemaal niet. Want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overaltegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en toch ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft. Een heel moeilijke zin, jongens en meisjes. Maar het wil eigenlijk dit zeggen: de Heere Jezus was God. Hij nam de menselijke natuur aan, Hij werd mens. Hij had dus, toen Hij op de aarde was, twee naturen samen, verenigd met elkaar. En nu, na Zijn hemelvaart, is Hij als God overal, maar als mens is Hij alleen in de hemel. En dus blijven die twee toch (zoals het in de Catechismus staat) samen, met elkaar verenigd.

Wij kunnen dat niet begrijpen, maar zo zegt de Bijbel het en zo zegt de Catechismus het ook na.

Is dat nuttig? Geeft dat troost? Ja. Want stel je nu voor (aan de ene kant) dat de Heere Jezus Zijn menselijke natuur op aarde had achtergelaten en alleen God was gebleven, dan zouden we toch troost missen? Deze troost voor Gods kinderen: dat we een Hogepriester hebben in de hemel, Die weet van en medelijden heeft met onze zwakheden. Die weet van verzoeking, van aanvechting, van aanvallen van de duivel, van pijn, van tranen, van eenzaamheid, van stil verdriet. En dat is ons tot grote troost, dat niets van dit moeilijke leven voor Hem in de hemel onbekend is. Maar stel je nu voor (en dat is de andere kant) dat Hij wel Zijn menselijke natuur had, maar Zijn Goddelijke natuur had afgelegd. Ja, dan zouden we ook niet staande kunnen blijven. Zonder Zijn Goddelijke macht zouden we geen partij zijn tegen de satan, tegen de wereld en tegen de zonde. En zonder Zijn genade, waarmee Hij bij ons blijft, zouden we direct in de zonde vallen. En zonder Zijn Geest in ons hart zou werkelijk alle troost ons ontvallen. En dus is het ons tot nut en grote troost dat we weten en geloven dat de Heere Jezus God is, dat Hij overal is, dat Hij alles weet en alles ziet en ons geen seconde uit het oog verliest en uit Zijn hand laat glijden. En tegelijkertijd is het ons tot nut en grote troost dat Hij mens is en met Zijn lichaam in de hemel is.

Dat is het nut en de troost van de hemelvaart, die we verder zullen zien in onze tweede gedachte. Maar we gaan samen eerst zingen uit Psalm 33, het tiende vers. Zijn machtig' arm beschermt de vromen, En redt hun zielen van de dood; Hij zal hen nimmer om doen komen In duren tijd en hongersnood. In de grootste smarten Blijven onze harten In de HEERE gerust; 'k Zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten, Al mijn hoop en lust.

2. Het nut en de troost van de hemelvaart

Vraag 49 vraagt ernaar, als er gezegd wordt: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Drie dingen noemt de Catechismus: Ten eerste, dat Hij (de Heere Jezus) in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn ledematen, ook tot Zich zal nemen.

Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.

Drie dingen dus. (a) Ten eerste, dat Hij (de Heere Jezus) in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is. Het doet denken en het is rechtstreeks ontleend aan 1 Johannes 2 waar Johannes schrijft: Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Joh. 2:1b-2a). Een voorspreker. Dat is iemand die een goed woordje voor je doet. Dat is iemand die je helpt. We zouden zeggen: dat is een advocaat. Iemand die bij een rechtbank een goed woordje doet, voor iemand die verdacht wordt van een misdrijf. Die als het erop aankomt voor de rechter je een handje helpt en zegt: ‘Ja, meneer de rechter, die verdachte heeft wel schuld bekend, ze heeft gezegd dat ze het gedaan heeft, maar moet u nou eens horen, meneer de rechter, ik wil er nog wel iets aan toevoegen. Er zijn verzachtende omstandigheden. De verdachte was zo gestrest, haar moeder was ziek. En er waren nog meer dingen: psychisch is de verdachte ook wat labiel. Ze is niet helemaal toerekeningsvatbaar. U kunt haar niet alles aanrekenen. En verder, de verdachte heeft een schone lei. Het is een misdaad, dat is waar, maar het is wel de eerste keer. Ze heeft het niet vaker gedaan. En, meneer de rechter, in de procedure zijn ook nog wat foutjes gemaakt.’ En zo gaat de advocaat nog even door. En natuurlijk zo hoort het ook, dat is de taak van de man of vrouw. Advocaat of voorspraak zijn, het is een achtenswaardig beroep. En dat onze rechtspraak zo georganiseerd is, dat is een groot goed.

In de hemel is, zo staat hier, de Heere Jezus de Advocaat, de Voorspreker. Maar daar gaat het anders. Je zou kunnen zeggen, jongens en meisjes, dat er in de hemel ook een rechtbank is. Niet zomaar een rechtbank, maar het hoog hemels gerechtshof, waar God de absoluut heilige en rechtvaardige Rechter is. Trouwens, de Advocaat, de Voorspreker, is even eerlijk, want Johannes noemt Hem: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Hij is de Voorspraak, de Advocaat voor Gods kinderen. Maar, met alle respect voor advocaten hier, anders dan hier op aarde. Hij zegt als het gaat om de verdachte, de veroordeelde: ‘Vader, U hebt gelijk. Deze vrouw is schuldig. De dood schuldig. Ja, U ziet wel Vader dat er berouw is in haar hart (dat hebt U Zelf gewerkt), maar dat kan niet als betaling gelden voor haar hemelhoge schuld. Zeker, Vader, er zijn geen verzachtende omstandigheden. Want het was zonde tegen beter weten in. En ze is volledig toerekeningsvatbaar. Want U had haar goed geschapen. Maar Vader…’

En wat gebeurt er dan in de hemel? Dan zegt de Advocaat: ‘Maar, Vader, kijkt U toch niet naar de verdachte en naar haar zondige handen, maar kijkt U toch naar Mij en naar Mijn handen. Naar Mijn doorboorde handen. Mijn betaling (U hebt die toch goedgekeurd?) is voor haar.’

Een verzoek, een pleidooi van de hemelse Voorspreker, van de Rechtvaardige, gefundeerd, gegrond op recht. En het verzoek van die Advocaat in de hemel wordt nooit afgewezen.

Dat is troost, dat is nut voor Gods kinderen hier op de aarde! Wanneer je als kind van God kijkt naar je vuile hart (zoals Johannes zegt: we hebben gezondigd), dan weet je niet hoe het verder moet. Maar als deze Voorspraak, deze Advocaat door Zijn Geest in je hart je ogen naar boven richt, naar Hem, dan mag je zien en geloven: Hij bidt en Hij pleit, terwijl Hij Zijn doorboorde handen laat zien, ook voor mij. En Hij is een verzoening voor al mijn zonden. En dat is genade, dat is niet je eigen werk of je eigen prestatie. Indien we gezondigd hebben (dat is troost, en daarom is het leven met God zo’n gelukkig leven!) we hebben een Voorspraak, een Advocaat bij de Vader, Die Zelf nooit zonde gekend of gedaan heeft: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Hoe meer ik mezelf en de slechtheid en zondigheid van mijn eigen hart leer kennen, hoe afhankelijker ik word van Zijn gebed en van die voorbede, en hoe groter het nut en hoe groter de troost worden van Zijn hemelvaart; dat ik nu weten en geloven mag, dat Hij daar voor mij bidt.

Dat is het eerste nut, dat is de eerste troost. Maar er is nog meer, want er staat: (b) Ten andere, dat wij ons vlees (ons menselijke lichaam) in de hemel tot een zeker pand (een zekere garantie) hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten (ledematen), ook tot Zich zal nemen. Een zeker pand, een teken, een bewijs, een garantie. Je moet, jongens en meisjes, denken aan het voorbeeld van een trouwring. Wanneer je trouwt met elkaar, dan schuif je een ring aan elkaars vinger. Het is een pand, een bewijs, een teken, een garantie van liefde.

Het was een teken van liefde van de Heere Jezus Christus tot Zijn Kerk, tot Zijn kinderen, dat Hij een hemels huwelijk met hen wilde aangaan. Die liefde kwam niet van twee kanten, die kwam van één kant. En Hij had, om zo te zeggen, twee gouden ringen. De eerste ring, het eerste bewijs, de eerste garantie, het eerste teken van Zijn liefde was dat Hij hen gelijk wilde worden. Je zou kunnen zeggen: die ring heeft Hij Zichzelf omgedaan toen Hij de menselijke natuur aannam. Hij wilde zo broos en kwetsbaar worden, zoals wij mensen zijn. En (niet vergeten!) dat teken van liefde, die ring heeft Hij meegenomen naar de hemel. Hij heeft Zijn menselijke natuur niet op de aarde gelaten, maar meegenomen naar de hemel. Hij heeft, zou je kunnen zeggen, die trouwring niet afgedaan maar meegenomen. En dat geeft troost, dat de Heere Jezus met Zijn lichaam in de hemel is. Want dat is een bewijs, een pand dat Zijn liefde en Zijn trouw zijn gebleven. Dat is de eerste ring.

En die tweede ring dan? Nou, de Catechismus zegt: Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt (de eerste ring is pand, de tweede ring is tegenpand) door Wiens kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods en niet dat op de aarde is.

Even goed nadenken, jongens en meisjes. De Heilige Geest is met Pinksteren uitgestort en is komen wonen in het hart van Gods kinderen. Je zou kunnen zeggen: dat is de tweede trouwring. De Catechismus noemt het een tegenpand. De Heere heeft Zijn Geest gegeven in de harten van Zijn kinderen als een blijvend teken van Zijn liefde. Niet van onze liefde, helemaal niet, maar als een blijvend teken van Zijn liefde en Zijn trouw.

Dus twee huwelijksringen. Twee blijvende tekenen van Zijn liefde en trouw die nooit vergaan. Eén in de hemel, voor het aangezicht van de Vader: ons mens-zijn, ons menselijke vlees. En één in het hart: de Heilige Geest woont in het hart van Gods kinderen. Twee ringen. Dus, dat huwelijk is vast! Dat staat als een huis. Dat rust ook op een vast verbond, dat nooit verbroken zal worden, ondanks (en dat is ook troost!) mijn zonde en mijn ontrouw.

Waarom is dat huwelijk tussen de Heere Jezus Christus en Zijn Kerk zo vast? Omdat die beide ringen in Zijn hand zijn, en omdat er niets is overgelaten aan onze kracht. Het staat er toch? Door Wiens kracht (door de kracht van de Heilige Geest, niet door onze eigen kracht), door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is. Het zijn niet wij, maar het is de Heilige Geest Die woont in de harten van Gods kinderen, Die maakt dat zij zoeken naar de dingen die boven zijn, naar de dingen die in de hemel zijn.

De liefde tussen een man en een vrouw komt van twee kanten: twee ringen, ieder heeft een eigen ring. Als je elkaar een tijdje niet ziet, dan verlang je naar elkaar. Je weet in je hart, dat de liefde er is en blijft en zelfs sterker wordt als je elkaar een tijdje niet ziet. De ring aan je hand is een teken en bewijs van je liefde voor de ander en van de liefde van de ander. De liefde tussen Christus en Zijn Kerk is totaal anders. Die komt van één kant. Zeker, er is zoiets als wederliefde. Ja, dat is waar, we hebben de Heere hartelijk lief. Er is zoiets als terugliefde tot God. Maar, laten we ons niet vergissen, de Catechismus zegt: dat komt niet bij ons vandaan, maar dat is het werk van de Geest in ons hart. Door Zijn kracht hebben we Hem hartelijk lief en zoeken we (als het goed is) de dingen die boven zijn. Door de kracht van de Heilige Geest zijn we op God gericht.

En als dat niet zo was, als ik de kracht van de Heilige Geest niet had en als ik het allemaal zelf moest doen, ik zal het je eerlijk zeggen, jongens en meisjes, als het allemaal van mezelf zou moeten komen, dan zou ik vandaag de Heere vergeten en zou ik nooit meer aan Hem denken. Maar nu, door de kracht van de Heilige Geest zeg ik, zoals we zongen: ‘Ik zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten, al mijn hoop en blijdschap.’

En die liefde van Christus, Die twee ringen gegeven heeft (een pand en tegenpand) als zekere garanties, zekere bewijzen van Zijn liefde, die liefde van Christus maakt een

levende verbinding tussen de hemel (waar het Hoofd is) en de aarde (waar de ledematen zijn). Een levende verbinding, die als het goed is (en daar ging het de vorige keer over), de zonde doodt. Als je zo de liefde van Christus ziet en denkt aan Zijn voorbede voor het aangezicht van de Vader, dan kun je de zonde niet blijven liefhebben. Een levende verbinding die onderhouden wordt door een verborgen gebed. In eigen kracht? Nee. Een verborgen gebed wat de Geest voorzegt en ik mag nazeggen.

Het Hoofd is in de hemel. Het lichaam is op de aarde en verlangt als het goed is ook naar die hemelvaart. Wij zoeken wat daarboven is, staat er, waar Christus is zittende aan de rechterhand Gods en niet de dingen van de aarde.

Maar, zeg je, waarom mogen Gods kinderen dan niet direct naar de hemel? Dat is dan toch veel beter? Nee, niet direct. Pas op Gods tijd. Want die tijd op aarde, die tijd misschien wel van moeite, verdrukking of verdriet, die tijd is nodig (vindt God) om ons voor de hemel klaar te maken, om ons voor te bereiden op het hemelleven. Hier op aarde is de tijd van onze voorbereiding, hier is het werk van Gods Geest in onze harten, maar daar is thuis, eindelijk thuis. Het is net als bij oude huizen en oude winkels: beneden wordt het werk gedaan (er wordt geschaafd, gezaagd, getimmerd), boven is de woning. Daar is thuis. Beneden moeten we nog heel veel leren en afleren. Maar we weten (en dat is onze troost en verbindt ons als het goed is aan de hemel): daar, waar Christus is, daarboven is thuis. Een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Korinthe 5:1). Terug bij God, voor eeuwig weer thuis.

Verlangt u daar ook zo naar? Want dat is het doel van heel het werk van de verlossing: de gevallen mens terug bij God en God tot in eeuwigheid de eer! En is dit niet het nut en de troost van de hemelvaart van Christus? Het is ons, kinderen van God, tot een troost, dat ook wij op Gods tijd (net zoals Christus op Zijn tijd thuisgehaald werd) thuisgehaald zullen worden.

Sterven is door de hemelvaart van Christus voor een kind van God echt anders geworden. De angel, dat zei ik de vorige keer, de prikkel is eruit. Ons sterven zal zijn een opgeheven worden naar de plaats waar God is en waar Christus is: het Vaderhuis, met de vele woningen (Johannes 14:2).

Geliefde gemeente, vertroost elkaar met deze woorden.

Amen.

Slotzang is Psalm 40:4,5

Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren Ten roem van Zijne goedheid paren, Die, na kortstondig ongeneugt', Mij eindeloos verheugt.

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen? Wat zijt g' onrustig in uw lot? Berust in 's HEEREN welbehagen; Hij doet welhaast uw heilzon dagen; Uw hoop herleev', naar Zijn gebod; Mijn redder is mijn God.